Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AQ5453
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Bestond de noodzaak om de eerste arbeidsongeschiktheidsdag opnieuw vast te stellen?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 01/6320 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 1 april 1999 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 23 augustus 1995 voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 4 november 1999 heeft gedaagde het namens appellant door mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, gemaakte bezwaar tegen het besluit van 1 april 1999 niet-ontvankelijk c.q. ongegrond verklaard.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 5 december 2001, reg.nr. AWB 99/1558 AAWAO Z, het namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 4 november 1999, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop van de zijde van appellant is gereageerd.

Namens appellant is een verzoek tot uitstel van de inmiddels aangekondigde zitting gedaan alsmede een verzoek tot het houden van een comparitie. Na inwilliging van het eerste verzoek en afwijzing van het tweede verzoek en het voeren van enige nadere correspondentie ter zake tussen appellants raadsman en de (griffie van de) Raad, is namens appellant aangekondigd dat voor de - nader bepaalde - zitting zijn opgeroepen om te verschijnen als getuigen: mr. S. Maas en mr. J.H. Landwehr, beiden (thans) werkzaam bij het Uwv.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 juni 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Grégoire, en waar namens gedaagde met voorafgaand bericht niemand is verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad verwijst voor wat betreft de feiten en omstandigheden, voor zover voor zijn oordeelsvorming van belang, in de eerste plaats naar drie eerdere uitspraken van de Raad van 8 oktober 1998, geregistreerd onder - achtereenvolgens - de nrs. AAW/WAO 1993/2416, ZW1993/659 en 96/6173 AAWAO. De Raad voegt daaraan voorts het volgende toe.

Bij laatstbedoelde uitspraak heeft de Raad, onder vernietiging van de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 juni 1996, het besluit van gedaagdes rechtsvoorganger - zijnde in dit geval de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen - van 24 augustus 1995 vernietigd. Bij dat besluit was de uitkering van appellant ingevolge de AAW en de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 23 augustus 1995 ingetrokken op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van die datum was afgenomen naar minder dan 15%. De Raad heeft de vernietiging van het besluit van 24 augustus 1995 doen steunen op een rapport van de in die procedure als deskundige geraadpleegde neuroloog prof. dr. S.L.H. Notermans, waarin deze onder meer tot de conclusie kwam dat appellant vanaf 15 juli 1992 - en derhalve ook per 23 augustus 1995 - op “zuiver” medische gronden geen enkele restcapaciteit had en als volledig arbeidsongeschikt moest worden beschouwd.

Ter uitvoering van evenbedoelde uitspraak van de Raad van 8 oktober 1998 heeft gedaagde bij zijn in rubriek I vermelde primaire besluit van 1 april 1999 de AAW/WAO-uitkering van appellant met ingang van 23 augustus 1995 ongewijzigd voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Van de zijde van appellant is in bezwaar tegen dat besluit - als kerngrief - naar voren gebracht dat door gedaagde ten onrechte geen nieuwe eerste arbeidsongeschiktheidsdag is bepaald, hetgeen van de zijde van gedaagdes toenmalige gemachtigden (mr. S. Maas en mr. J.H. Landwehr) wel zou zijn toegezegd. Daarnaast heeft appellant naar voren doen brengen dat ten onrechte overzichten ontbreken van de nog te verrekenen uitkeringen alsmede een beslissing over wettelijke rente. Ten slotte is naar voren gebracht dat een door de Raad toegekende reiskostenvergoeding niet is ontvangen.

In het bestreden besluit, zoals de Raad dat begrijpt, heeft gedaagde, ten aanzien van het verzoek van appellant om een nieuwe eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast te stellen, primair het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, om reden dat het primaire besluit met betrekking tot die kwestie geen - te heroverwegen - beslissing bevat. Subsidiair heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard, om reden dat uit geen enkele van de drie eerder genoemde uitspraken van de Raad van 8 oktober 1998 blijkt dat er een nieuwe eerste arbeidsongeschiktheidsdag diende te worden vastgesteld, zodat het primaire besluit met betrekking tot die kwestie ook geen - te heroverwegen - beslissing behoefde te bevatten en aldus in bezwaar als juist kan worden gehandhaafd.

Ten aanzien van de verzoeken van appellant om een overzicht van de verrekeningen, vergoeding van de wettelijke rente en van de reiskosten heeft gedaagde het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard alsmede, voor wat betreft de reiskosten, tevens - subsidiair - ongegrond.

De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat gedaagde, gelet op de uitspraak van de Raad van 8 oktober 1998 (reg.nr. 96/6173 AAWAO), terecht heeft besloten appellants arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 23 augustus 1995 voort te zetten, het besluit van 1 april 1999 geen betrekking heeft op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en dat daartoe, gelet op hetgeen de Raad in die uitspraak heeft overwogen, ook geen aanleiding bestond.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat, gelet op hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep schriftelijk en mondeling ter zitting naar voren is gebracht, in hoger beroep nog uitsluitend tussen partijen in geschil is de kwestie van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Namens appellant is desgevraagd expliciet verklaard dat de overige kwesties niet meer aan de orde zijn. Voorts stelt de Raad vast dat namens appellant tevens is verklaard dat het horen van de - ter zitting niet verschenen - getuigen, als vermeld in rubriek I, door appellant niet langer noodzakelijk wordt bevonden.

Wat betreft het - resterende - geschilpunt met betrekking tot de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, heeft de Raad in hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep naar voren is gebracht geen aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen.

Zoals ook uit dat besluit blijkt, strekt gedaagdes besluit van 1 april 1999 - uitsluitend - tot uitvoering van de uitspraak van de Raad van 8 oktober 1998, reg.nr. 96/6173 AAWAO. In die uitspraak is, voor zover hier van belang, geoordeeld dat het besluit tot intrekking van appellants uitkering met ingang van 23 augustus 1995 op een onjuiste grondslag berust en deswege in rechte geen stand kan houden. Die uitspraak bevat in elk geval geen verplichting om, naast hervatting van de volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant per laatstgenoemde datum, ook de eerste arbeidsongeschiktheidsdag opnieuw vast te stellen.

Namens appellant wordt dat overigens op zich ook niet - met zoveel woorden - ontkend, maar wordt een en andermaal benadrukt dat, in het kader van de destijds ook tussen partijen spelende kwesties inzake weigering van toekenning van AAW/WAO-uitkering met ingang van 27 juli 1989 alsmede inzake weigering van uitkering ingevolge de Ziektewet met ingang van 15 juli 1991 - van de zijde van gedaagde de toezegging zou zijn gedaan om zich opnieuw te buigen over het juiste tijdstip van aanvang van appellants arbeidsongeschiktheid. Dienaangaande overweegt de Raad dat, wat er verder ook zij van een zodanige toezegging door gedaagde - gedaagde ontkent ten stelligste enige toezegging in die zin te hebben gedaan - , niet valt in te zien dat een dergelijke, met betrekking tot een tweetal andere besluiten beweerdelijk gedane, toezegging van belang zou kunnen zijn voor de onderhavige procedure, waarin immers uitsluitend aan de orde is een ter vervanging van het vernietigde intrekkingsbesluit van 24 augustus 1995 dienend besluit tot voortzetting van de ingetrokken uitkering met ingang van 23 augustus 1995 op basis van een volledige arbeidsongeschiktheid.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2004.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x