Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AQ7362
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-08-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: AAW-schatting. Het besluit inzake een ambtshalve correctie ten gunste van betrokkene van een door het UWV erkende kennelijke fout is vol toetsbaar.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2297 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 15 april 2002, onder reg.nr. AWB 2001/744 AAW Z, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarop appellant bij brief van 26 juni 2002 heeft gereageerd.

Bij brief van 6 mei 2004 is namens appellant een nader stuk ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 juni 2004, waar appellant, met voorafgaand bericht, niet is verschenen en waar voor gedaagde is verschenen M. Wardenburg, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant, voorheen werkzaam als chauffeur, is op 25 april 1979 uitgevallen met maagklachten en nerveuze klachten. Per 13 mei 1980 is hem uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In maart 1992 is appellant in verband met klachten aan zijn linker knie en hand onderzocht door de verzekeringsarts P.J. Rutten die concludeerde dat appellants fysieke beperkingen per 27 oktober 1989 waren toegenomen wegens een andere oorzaak dan de reeds aanwezige maagklachten en nerveuze klachten en dat appellant in staat was tot het verrichten van arbeid conform het voor hem op 10 maart 1992 opgestelde beperkingenpatroon, waarna de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd is vastgesteld op 25 tot 35%.

Op 3 december 1996 is appellant in het kader van de Wet Terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen voor eenmalige herbeoordeling onderzocht door de verzekeringsarts J.H. Crützen, die appellant in zijn rapport van die datum, onder meer, psychisch meer beperkt achtte. Op het Formulier Informatie Systeem VG/AD van die datum heeft Crützen aangegeven dat appellant psychisch beperkt is in verband met problematiek ten aanzien van het functioneren c.q. aanpassing aan de maatschappij en de eisen die een werksituatie stelt en heeft hij beperkingen aangenomen op de aspecten 28 D, E en H. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige H.C.J. Linssen op 13 december 1996 met appellant gesproken. In zijn rapport van 18 december 1996 heeft Linssen geconcludeerd dat voor appellant wegens zijn psychische beperkingen geen functies waren te duiden. Gedaagde heeft het standpunt ingenomen dat appellant ook nu wegens een andere oorzaak dan de reeds bestaande maagklachten en nerveuze klachten toegenomen arbeidsongeschikt was, waarna bij besluit van 14 oktober 1997 appellants mate van arbeidsongeschiktheid wederom is vastgesteld op 25 tot 35%. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

Op 6 oktober 1998 heeft appellant verzocht om herkeuring in verband met toename van bestaande klachten sedert september 1997. Bij het uit de herkeuring resulterende besluit van 11 februari 1999 is vastgesteld dat appellants mate van arbeidsongeschiktheid weliswaar met ingang van 1 september 1997 is toegenomen, maar is zijn uitkering niet herzien omdat hij niet voldeed aan de daarvoor geldende vereisten, welk standpunt bij besluit op bezwaar van 12 oktober 1999 is gehandhaafd. In het kader van de behandeling van het tegen het besluit van 12 oktober 1999 ingestelde beroep heeft gedaagde toegezegd te zullen teruggekomen van het besluit van 17 oktober 1997, waarna bij besluit van 20 december 2000 appellants uitkering ingevolge de AAW met ingang van 13 december 1996 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt, waarbij onder verwijzing naar de eerdergenoemde rapportage van de verzekeringsarts Crützen is aangevoerd dat appellant al veel eerder dan op 13 december 1996 op psychische gronden toegenomen arbeidsongeschikt was. Bij het bestreden besluit van 21 mei 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat hij zich, met toepassing van de in dit geval aan de rechtbank toekomende terughoudende toets, kan vinden in verweerders benadering van het voorliggende verzoek van appellant. Die benadering houdt in dat voor de bepaling van het tijdstip van herziening niet zozeer het tijdstip van het ontstaan van de psychische problematiek, maar de arbeidsdeskundige inschatting van de voor appellant resterende arbeidsmogelijkheden op de diverse momenten bepalend is geweest.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte een marginale toets heeft aangelegd, nu gedaagde met het besluit van 20 december 2000 niet is teruggekomen van een eerder onherroepelijk geworden beslissing. Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat de arbeidsdeskundige analyse in 1989, gelet op de medische analyse van Crützen in 1996 dat de psychische beperkingen van appellant vanaf 1989 zodanig zijn dat appellant niet meer kan voldoen aan de eisen welke een werkgever aan werknemers stelt, dezelfde had moeten zijn als in 1996, terwijl ook in 1992 ten onrechte enkel is gekeken naar de toename van de lichamelijke beperkingen in samenhang met het daarvoor niet verzekerd zijn.

Gedaagde heeft zijn standpunt onverminderd gehandhaafd.

De Raad overweegt als volgt.

Het bestreden besluit, dat voortvloeit uit het verhandelde in het kader van de behandeling van appellants beroep tegen het besluit op bezwaar van 12 oktober 1999, is niet een besluit tot weigering (ambtshalve of op verzoek) om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 10 oktober 1997, maar een ambtshalve correctie ten gunste van appellant van een door gedaagde erkende kennelijke fout. Naar het oordeel van de Raad valt niet in te zien dat een dergelijk besluit - in tegenstelling tot een weigering als evenbedoeld - niet vol toetsbaar zou zijn. Gelet daarop heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak niet de juiste toets aangelegd. Echter, deze omstandigheid leidt niet tot vernietiging van deze uitspraak, nu naar het oordeel van de Raad ook een volle toets niet tot het door appellant beoogde resultaat leidt.

In verband daarmee overweegt de Raad dat bij de medische beoordeling in 1980 is vastgesteld dat appellant wegens zijn nerveuze klachten ongeschikt was voor gejaagd werk. Op basis van de toen aangenomen fysieke en psychische beperkingen was het arbeidskundig mogelijk zowel in 1989 als in 1992 voor appellant voldoende passende functies te duiden. In 1996 heeft verzekeringsarts Crützen appellant psychisch toegenomen beperkt geacht als gevolg waarvan arbeidskundig geen functies meer te duiden waren. Weliswaar staat in de verzekeringsgeneeskundige rapportage van Crützen een handgeschreven opmerking dat als datum van toename van de arbeidsongeschiktheid kan worden uitgegaan van 1 oktober 1989, maar gezien hetgeen overigens in deze rapportage is vermeld, is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat met deze opmerking is bedoeld aan te geven dat de psychische beperkingen van appellant reeds in 1989 waren toegenomen. De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde terecht de datum 13 december 1996, de dag waarop de arbeidsdeskundige met appellant heeft gesproken, heeft aangemerkt als datum waarop appellant op psychische gronden 80 tot 100% arbeidsongeschikt moet worden geacht. Gelet daarop kan het bestreden besluit in stand blijven en dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2004.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x