Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AQ7376
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-08-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Betrokkene wordt, rekening houdend met zijn medische beperkingen, in staat geacht voldoende functies te kunnen vervullen. Is er sprake van overschrijding van de redelijke behandeltermijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM?
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/3619 AAW/WAO en 3621 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 mei 1999, nummers 98/755 en 98/3551 AAWAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 maart 2000 heeft mr. W.A. Swildens, advocaat te Alkmaar, als gemachtigde van appellant de gronden van het hoger beroep aangevuld, onder overlegging van een onderzoeksverslag d.d. 9 februari 2000 van de gezondheidszorgpsychologen drs. J.H. Poelstra en dr. W.H.J. Lancée.

Gedaagde heeft op 2 april 2001 een vraag van de Raad beantwoord en bij schrijven van 16 mei 2001 stukken ingezonden.
Bij brief van 10 juli 2001 heeft de Raad de psychiater H.J. Dalewijk als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek en hem verzocht de hem voorgelegde vragen te beantwoorden. Op 17 september 2001 heeft de deskundige aan de Raad rapport uitgebracht.

Bij schrijven van 25 oktober 2001 heeft de gemachtigde van appellant op dit rapport gereageerd en de Raad verzocht over te gaan tot de benoeming van een cardioloog als deskundige.

Bij brief van 28 januari 2003 heeft de Raad de cardioloog F.M.A. Harms als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek en hem verzocht de hem voorgelegde vragen te beantwoorden. Op 15 mei 2003 heeft deze deskundige aan de Raad rapport uitgebracht. Naar aanleiding van een namens appellant ingezonden commentaar over de wijze, waarop het onderzoek was verricht, heeft de deskundige Harms op 4 juli 2003 aanvullend gerapporteerd.
Hierop is van de zijde van appellant op 10 september 2003 gereageerd.

Op verzoek van de Raad heeft de psychiater Dalewijk, voornoemd, naar aanleiding van een door gedaagde opgeworpen vraag zijn rapport bij brief van 13 september 2003 verduidelijkt.

Bij brief van 12 februari 2004 heeft de gemachtigde van appellant verslagen van medische onderzoeken, die tijdens een ziekenhuisopname van appellant in het Zaans Medisch Centrum De Heel gedurende de periode van 13 tot en met 25 november 2003 verricht zijn door diverse specialisten, in het geding gebracht. Gedaagde heeft op deze stukken gereageerd door inzending van een commentaar van de bezwaarverzekeringsarts A. de Vries van 26 februari 2004.

Namens appellant is bij schrijven van 22 maart 2004 nog een nader stuk aan de Raad toegezonden.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 25 juni 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Swildens, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.F.J.A. Jennekens, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Appellant heeft op 19 mei 1996 zijn werkzaamheden als zelfstandig schrijver van artikelen voor een bouwblad gestaakt wegens hartklachten. Hij was vrijwillig verzekerd voor de Ziektewet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Omdat het medisch en arbeidskundig onderzoek nog niet voltooid was, heeft gedaagde bij besluit van 16 juni 1997 aan appellant ingaande 19 mei 1997 voorlopig uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij primair besluit van 17 juni 1997 zijn deze uitkeringen per 6 augustus 1997 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Aan dit besluit lag ten grondslag onderzoek door de verzekeringsarts A.A.W. Haver, die appellant in staat achtte werk te verrichten dat fysiek niet te belastend en niet zeer stressvol was en waarbij hij mensen om zich heen diende te hebben om voor hem een veilig gevoel te creëren. Met deze medische beperkingen als uitgangspunt heeft de arbeidsdeskundige H. Janssen met behulp van het Functie Informatie Systeem (FIS) de functies van medewerker ondersteunende diensten, samensteller en monteur koffiezetters geselecteerd, waarmee appellant een zodanig inkomen kon verwerven dat het loonverlies ten opzichte van zijn maatmaninkomen 34,5% bedroeg.

Nadat appellant zich begin augustus 1997 had ziek gemeld, heeft gedaagde bij primair besluit van 11 september 1997, gelet op de resultaten van het door hem op 20 augustus 1997 ingestelde medisch onderzoek, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd vastgesteld op 25 tot 35%.

Bij besluit op bezwaar van 23 december 1997 (besluit I) heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 17 juni en 11 september 1997 ongegrond verklaard.

Bij primair besluit van 24 november 1997 had gedaagde inmiddels, op basis van de resultaten van een op 5 september 1997 verricht onderzoek, wederom de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd vastgesteld op 25 tot 35%.

Bij besluit op bezwaar van 6 mei 1998 (besluit II) heeft gedaagde appellants bezwaar tegen het besluit van 24 november ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de tegen beide bestreden besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Daartoe is ten aanzien van besluit I overwogen dat gedaagde zich terecht op het standpunt stelt dat appellant ondanks zijn medische beperkingen nog voldoende functies kan vervullen, waarbij hij zoveel kan verdienen ten opzichte van hetgeen hij voorheen verdiende, dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid op 25 tot 35% moet worden gesteld, en ten aanzien van besluit II, dat gedaagde terecht en op goede gronden heeft besloten de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 5 september 1997 vast te stellen op 25 tot 35%.

Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat zijn psychische belastbaarheid ernstiger beperkt is dan door gedaagde - in navolging van de (bezwaar)verzekeringsartsen - is aangenomen. Daarbij beroept hij zich op een reeds in eerste aanleg overgelegd advies van het Psychologisch Adviesbureau Lijftogt gedateerd 21 september 1997 en op een verslag van een psychodiagnostisch onderzoek, opgemaakt door Lancée Assessment en Interventie Centra Nederland B.V. op 9 februari 2000, dat in hoger beroep in het geding is gebracht. Ook zou onvoldoende onderzoek zijn gedaan naar de somatische klachten van appellant. In verband hiermee heeft appellant een contra-expertise laten verrichten door de cardioloog P.N.A. Bronzwaer. Met diens onderzoeksverslag van 11 november 2003 zijn gegevens van de neuroloog A.J. Prazsky, de cardiologen M. Visser, C.L.J.M. van Engelen en M.G. Stoel, alsmede informatie betreffende het Obstructief Slaap Apneu Syndroom (OSAS) overgelegd.
Een aantal van de voor de schatting gebruikte functies zou op grond van psychische beperkingen voor appellant ongeschikt zijn, terwijl van de zijde van gedaagde onvoldoende zou zijn gemotiveerd waarom de overschrijding op enkele andere aspecten van de belastbaarheid toelaatbaar wordt geacht. Verder heeft appellant er op gewezen dat de functies van klein offsetdrukker en graveur naamplaten, gelet op ’s Raads jurisprudentie (RSV 2002/37), niet tijdig zijn geactualiseerd en derhalve ten onrechte aan de bestreden besluiten ten grondslag zijn gelegd.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant nog als grief naar voren gebracht dat - gelet op de behandelingsduur van de procedure bij de bestuursrechter - sprake is van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), voorzover het gaat om een redelijke termijn.

De Raad heeft aanleiding gezien om een nader medisch onderzoek te doen instellen, welk onderzoek is opgedragen aan de psychiater Dalewijk. Deze deskundige heeft in zijn rapport van 17 september 2001 aangegeven dat bij zijn onderzoek niet zodanige psychiatrische symptomen of afwijkingen naar voren zijn gekomen dat appellant op grond daarvan forse beperkingen zou hebben ten aanzien van het verrichten van arbeid in het algemeen. Er waren geen gronden om aan te nemen dat zijn gezondheidstoestand in augustus 1997 in essentie anders was. Wel was bij appellant sprake van enige karakterologische beperkingen. De deskundige heeft verder als zijn oordeel gegeven dat passende functies dienden te voldoen aan de volgende criteria: geen zware fysieke belasting, geen stresserend werktempo, geen conflicterende functie-eisen en werk waarbij appellant weliswaar mensen om zich heen moet hebben, maar waarbij de arbeid niet in directe samenwerking met anderen verricht moet worden. In zijn visie lagen appellants beperkingen voor het overgrote deel op het terrein van de cardiologie. Naar aanleiding van een vraag van de zijde van gedaagde heeft de deskundige Dalewijk in een aanvullend rapport van 13 september 2003 aangegeven dat hij in plaats van ‘conflicterende functie-eisen’ bedoeld had ‘conflicthantering’ op te schrijven, doch dat de daarop betrekking hebbende beperking voortvloeit uit het karakter van appellant en niet uit ziekte en/of gebrek in de zin der wet.
De Raad heeft het wenselijk geacht tevens het oordeel van een onafhankelijk cardioloog in te roepen. Met het oog daarop is de cardioloog Harms als deskundige benoemd. In zijn rapport van 15 mei 2003 is deze deskundige tot de conclusie gekomen dat noch op 6 augustus 1997 noch op 29 april 2003 (datum onderzoek) noch in de tussenliggende periode op cardiologisch terrein ziekten of gebreken zijn aan te geven, waardoor appellant niet in staat zou zijn een 100%-tige arbeidsprestatie te leveren. Naar zijn oordeel was appellant op de datum in geding voor wat betreft het cardiovasculaire stelsel geheel in staat tot het verrichten van alle werkzaamheden, verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Voordat de cardioloog zijn rapport aan de Raad uitbracht, heeft de gemachtigde van appellant zich bij brief van 8 mei 2003 tot de Raad gericht met een kanttekening bij het door de deskundige bij appellant verrichte inspanningsonderzoek. Dienaangaande heeft de deskundige aan het einde van zijn rapport vermeld, dat de inhoud van de brief van 8 mei 2003 hem geen aanleiding gaf de strekking c.q. beoordeling van zijn schrijven te wijzigen. Desgevraagd heeft hij dit standpunt bij schrijven van 4 juli 2003 nader toegelicht.

De Raad ziet aanleiding de conclusies van de door hem geraadpleegde deskundigen te volgen. Daartoe overweegt de Raad dat de cardioloog Harms zijn conclusies heeft gebaseerd op de door hem bij appellant afgenomen anamnese, het door hem verrichte lichamelijk onderzoek, een elektrocardiogram, een echocardiogram, biochemisch onderzoek, röntgenonderzoek en inspanningsonderzoek, alsmede op de door hem ontvangen gegevens van de behandelend cardioloog van appellant, P.A. Boom. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de conclusies die de deskundige Harms aan het door hem verrichte inspanningsonderzoek heeft verbonden, gezien de in zijn brief van 4 juli 2003 vervatte stellige verklaring omtrent de wijze waarop dit onderzoek heeft plaatsgevonden.
Ook de psychiater Dalewijk heeft uitgebreid onderzoek verricht. In het belastbaarheidspatroon van 18 april 1997 heeft gedaagdes verzekeringsarts Haver appellant beperkt geacht voor aspect 28A, werken onder tijdsdruk, met de aantekening ‘niet zeer fors of langdurig’ en voor aspect 28J, geen mogelijkheid tot contact, met de aantekening ‘dient mensen om zich heen te hebben’. Blijkens een brief van gedaagde aan de rechtbank van 1 februari 1999 heeft gedaagde in het kader van de eerstejaars herbeoordeling de hierboven vermelde expertise door het Psychologisch Adviesbureau Lijftogt laten uitbrengen, op basis waarvan appellant tevens beperkt is geacht voor aspect 28E, conflicthantering. De deskundige Dalewijk kon zich met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant verenigen. Blijkens de verwoordingen functiebelasting vindt in de functies van medewerker ondersteunende diensten en samensteller een overschrijding plaats bij aspect 28A. Volgens de rapportage algemeen van 2 december 1997 achtte de bezwaarverzekeringarts A. de Vries deze overschrijdingen toelaatbaar binnen de op het belastbaarheidspatroon gegeven toelichting. In de verwoordingen functiebelasting van beide genoemde functies en van de derde aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegde functie van monteur koffiezetters komen geen overschrijdingen voor op de aspecten 28E en 28J.

De namens appellant in hoger beroep overgelegde medische gegevens bieden naar het oordeel van de Raad onvoldoende aanknopingspunten om de conclusies van de deskundigen Dalewijk en Harms ten aanzien van de in deze gedingen ter beoordeling staande data voor onjuist te houden. De Raad kan zich voorts vinden in het commentaar van 26 februari 2004 van gedaagdes bezwaarverzekeringsarts A. de Vries.

De grief van appellant inzake de actualiseringsdatum van de - door de arbeidsdeskundige aanvullend geselecteerde - functies van klein offsetdrukker en graveur naamplaten kan hier verder onbesproken blijven, nu de voor de bestreden besluiten gebruikte drie functies medewerker ondersteunende diensten, samensteller en monteur koffiezetters door gedaagde op goede gronden aan appellant zijn voorgehouden.

Met betrekking tot de ter zitting van de Raad namens appellant aangevoerde grief inzake de overschrijding van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM overweegt de Raad het volgende.

De Raad stelt vast dat tussen 12 juli 1999 (instellen hoger beroep) en het moment van definitieve beslechting van het geschil met deze uitspraak ongeveer vijf jaar zijn verstreken.
Gelet op de totale duur van deze procedure en op de perioden waarin de behandeling van de procedure zonder duidelijke oorzaak heeft stilgelegen, is de Raad van oordeel dat sprake is van schending van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Voor de betekenis van deze vaststelling verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 4 juli 2003, gepubliceerd in USZ 2003/267 en AB 2003, 450.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2004.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x