Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AQ7393
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-08-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de mate van arbeidsongeschiktheid terecht vastgesteld op minder dan 25%?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4097 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [appellant], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 1 oktober 1997 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te kennen onder de overweging dat appellant na afloop van de wachttijd op 12 juli 1996 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

Bij besluit van 25 januari 1999 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 oktober 1997 ongegrond verklaard.

De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 17 juni 2002, reg.nr. AWB 99/1030, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft mr. G.B.A. Bol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, namens appellant op bij beroepschrift van 5 augustus 2002 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend.

Bij schrijven van 11 juni 2004 zijn namens appellant de gronden van het hoger beroep toegelicht.

Gedaagde heeft hierop bij schrijven van 17 juni 2004 gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 juni 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bol, voornoemd, alsmede zijn echtgenote en L.H.W. van Dijk. Gedaagde heeft zich - met voorafgaand bericht - niet doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


In geschil is of gedaagde de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 12 juli 1996 terecht heeft vastgesteld op minder dan 25% in de zin van de AAW.

Op 16 juni 1997 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts L. Moraca die op basis van zijn bevindingen bij zijn onderzoek en met inachtneming van verklaringen van de appellant behandelende artsen een belastbaarheidspatroon heeft opgesteld waarin de medische beperkingen van appellant zijn neergelegd.

De arbeidsdeskundige B. de Wildt heeft met inachtneming van het belastbaarheidspatroon een aantal functies geselecteerd die naar zijn mening door appellant kunnen worden vervuld. Vergelijking van het mediane loon van de drie functies waarin het meest kan worden verdiend met het maatmaninkomen, heeft uitgewezen dat het arbeidsongeschiktheidspercentage in de zin van de AAW minder dan 25 bedraagt.

De schatting is gebaseerd op de functies samensteller (fb-code 8463), monteur koffiezetters (fb-code 8539) en brugwachter/sluiswachter (fb-code 9734).

Namens appellant is aangevoerd dat hij de geduide functies in verband met zijn voet-, teen- en visusklachten niet kan vervullen. Met zijn beperkingen is in onvoldoende mate rekening gehouden.

De bezwaarverzekeringsarts G. van Bommel heeft zich, nadat hij appellant heeft onderzocht, dossierstudie heeft verricht en gegevens uit de behandelde sector heeft ontvangen, het belastbaarheidspatroon aangescherpt en is van mening dat appellant, ondanks zijn beperkingen, de geselecteerde functies kan vervullen.

De rechtbank heeft orthopedisch chirurg J.J.J. van der List als deskundige benoemd. Deze deskundige was van mening dat appellant in staat was de in aanmerking genomen functies te vervullen. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellant het standpunt herhaald dat hij, in verband met zijn voet-, been- en visusklachten, niet in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen. Voorts is aangevoerd dat er voor de functie brugwachter/sluiswachter diploma’s vereist zijn over welke appellant niet beschikt.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gedingstukken geen grondslag bieden voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvolledig of onzorgvuldig is geweest. Evenmin heeft de Raad uit de voorhanden zijnde gedingstukken kunnen afleiden dat gedaagde de belastbaarheid van appellant onjuist heeft beoordeeld. De Raad overweegt hiertoe dat appellant is onderzocht door de (bezwaar)verzekeringsartsen en dat in het dossier voldoende medische gegevens voorhanden zijn. Ook de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Van der List, voornoemd, kan zich verenigen met het ten behoeve van appellant opgestelde belastbaarheidspatroon en acht hem in staat de geduide functies te vervullen.

Met betrekking tot de stelling van appellant dat hij in verband met zijn beperkte gezichtsveld de voorgehouden functies niet kan vervullen overweegt de Raad dat appellant die stelling niet met objectieve medische stukken heeft onderbouwd. Weliswaar heeft appellant - mede door de ter zitting afgelegde verklaringen - aannemelijk gemaakt dat hij visusklachten heeft, doch de Raad oordeelt dat gedaagde voldoende gemotiveerd heeft waarom appellant de geduide functies ondanks deze klachten kan vervullen.

De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde aan appellant voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen heeft voorgehouden die vallen binnen de grenzen van de belastbaarheid van appellant en die de conclusie rechtvaardigen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht is vastgesteld op minder dan 25% in de zin van de AAW.

Voor wat betreft de mening van appellant dat hij niet aan de diploma-eisen voor de functie brugwachter/sluiswachter voldoet, overweegt de Raad dat op de in geding zijnde datum deze diploma-eisen nog niet golden. Evenmin is gebleken dat op die eisen reeds op die datum bijwege van anticipatie werd gehandeld en dus niet van de in het functie-informatiesysteem (FIS) opgenomen gegevens had mogen worden uitgegaan. Om die redenen kon de betrokken functie aan de schatting ten grondslag gelegd worden.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2004.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.C.W. van Huussen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x