Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AQ7625
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-08-2004
Soort procedure: herziening
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzoek om herziening van een eerdere uitspraak van de CRvB. Bestaat de verplichting om in geval van procesvertegenwoordiging de stukken en de uitnodiging voor de terechtzitting ook te sturen naar de partij in persoon?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/71 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens verzoeker heeft mr. A.F. de Koning, advocaat te ’s-Hertogenbosch, bij brief van 24 december 2002 om herziening verzocht van de uitspraak van de Raad van 19 november 2002, nr. 00/3979 AAW/WAO.

Gedaagde heeft bij brief van 24 april 2003 onder overlegging van een bijlage op dit verzoek gereageerd.

De gemachtigde van verzoeker heeft bij brief van 9 juli 2003, onder overlegging van een aantal bijlagen, het verzoek toegelicht en heeft bij brief van 14 juni 2004 aan de Raad en gedaagde mededeling gedaan van het meebrengen naar de zitting van 22 juni 2004 van A. Duru, Y. Gayir en E. Torunogullari als getuigen en I. Atilla als deskundige.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de Raad op 22 juni 2004, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar namens gedaagde is verschenen mr. C.M.J. Grüter, werkzaam bij het UWV. Tevens zijn verschenen de hiervoor genoemde door verzoeker als mee te brengen getuigen en deskundige aangekondigde personen.




II. MOTIVERING


Gedaagde heeft bij besluit van 9 juni 1999 ongegrond verklaard het bezwaar van verzoeker tegen 2 besluiten van 15 mei 1998, waarbij de uitkeringen van verzoeker ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, maar werden betaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 26 januari 1993 zijn ingetrokken respectievelijk van appellant de over de periode van 26 januari 1993 tot en met 31 mei 1998 onverschuldigd aan hem betaalde uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO ten bedrage van f 104.430,49 (bruto + overhevelingstoeslag) zijn teruggevorderd. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft het beroep van verzoeker tegen het besluit van 9 juni 1999 bij uitspraak van 13 juni 2000 ongegrond verklaard. Bij zijn uitspraak van 19 november 2002 heeft de Raad die uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het verzoek van verzoeker strekt tot herziening van deze uitspraak van de Raad.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Verzoeker heeft bij de indiening van de gronden van zijn verzoek tevens overgelegd het door zijn toenmalige gemachtigde destijds ingediende aanvullend beroepschrift in verband met het hoger beroep tegen de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank. Verzoeker heeft daarbij 20 producties gevoegd. De producties, genummerd 1 tot en met 18, waren reeds gevoegd bij het aanvullend beroepschrift, zoals dit destijds bij de Raad is ingediend. Productie 19 betreft twee verklaringen, welke zijn vervat in twee afzonderlijke faxberichten van 6 en 12 februari 2003. Productie 20 houdt in een op 10 april 2001 door onder andere verzoeker en namens de inspecteur van Belastingdienst Ondernemingen ’s-Hertogenbosch opgemaakte en ondertekende vaststellingsovereenkomst en een daarmee verband houdende mededeling van 7 mei 2001 van afboeking door de ontvanger van een betaling door verzoeker op zijn belasting en/of premieschuld.

De Raad stelt vast dat de producties 19 en 20 geen deel uitmaakten van het dossier, waarop zijn uitspraak van 19 november 2002, waarvan verzoeker herziening vraagt, gewezen is.
De Raad overweegt voorts dat productie 19 een tweetal verklaringen betreft welke dateren van na deze uitspraak, zodat deze productie, gelet op artikel 8:88 aanhef en onder a, van de Awb, reeds daarom geen grondslag kan bieden voor de gevraagde herziening. De als productie 20 overgelegde vaststellingsovereenkomst en de daarmee samenhangende mededeling van afboeking van een betaling dateren weliswaar van voor het wijzen van de uitspraak van de Raad van 19 november 2002, maar betreffen, gezien de medeondertekening door, onderscheidenlijk de adressering aan verzoeker documenten waarvan het eerstgenoemde bij verzoeker bekend was en ten aanzien van het laatstgenoemde niet gebleken is dat het niet bij hem bekend was. Met betrekking tot deze documenten is niet duidelijk geworden waarom verzoeker deze niet heeft ingebracht dan wel heeft kunnen inbrengen in de procedure, welke heeft geleid tot de uitspraak van 19 november 2002.

Gelet op een en ander en in aanmerking genomen de strikte bewoordingen van artikel 8:88 van de Awb dient het verzoek derhalve in zoverre te worden afgewezen.

Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat hij zich niet heeft kunnen verweren ter zitting van de Raad van 8 oktober 2002, welke voorafging aan de uitspraak van 19 november 2002. In dit verband heeft verzoeker gesteld dat hij niet, althans onvoldoende op de hoogte is gesteld door zijn toenmalige gemachtigde dan wel vanwege het advocatenkantoor van die gemachtigde van de zitting van 8 oktober 2002. Daarnaast heeft zijn gemachtigde ter zitting nog aangegeven dat correspondentie met betrekking tot die zitting vanwege de Raad niet alleen aan de gemachtigde maar ook aan de betrokkene zelf had dienen te worden gezonden.

De Raad overweegt dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd met betrekking tot het feit dat hij niet in persoon ter zitting van 8 oktober 2002 is verschenen - naar hij eerder tot uitdrukking heeft gebracht in een vergelijkbaar geval in zijn uitspraak van 23 mei 2003 (JB 2003,194) - niet zo zeer past in het kader van artikel 8:88 van de Awb. Deze niet-verschijning zou wel aanleiding kunnen vormen de uitspraak van de Raad van 19 november 2002 vervallen te verklaren, indien zou blijken dat verzoeker niet in de gelegenheid is geweest de aan hem bij de wet toegekende rechten - in dit geval om bij de behandeling van de zaak ter zitting desgewenst in persoon aanwezig te zijn - uit te oefenen en in zoverre in zijn processuele belangen zou zijn geschaad doordat de Raad een voorschrift van openbare orde niet in acht zou hebben genomen, ten gevolge waarvan zou moeten worden vastgesteld dat de uitspraak niet rechtmatig tot stand is gekomen, dan wel doordat andere omstandigheden aan zijn aanwezigheid ter zitting in de weg hebben gestaan die redelijkerwijs niet voor zijn rekening komen. De Raad zal het met betrekking tot de zitting van 8 oktober 2002 door verzoeker naar voren gebrachte dan ook - in het voetspoor van zijn uitspraak van 23 mei 2003 - in dit licht bezien.

Uit het procesdossier met betrekking tot zijn uitspraak van 19 november 2002, zoals dit, voor zover voor dit geding van belang, ter zitting in hoofdlijnen met partijen is besproken, blijkt dat verzoeker zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen de hiervoor vermelde uitspraak van de rechtbank van 13 juni 2000 en dat mr. A. Durmus, destijds advocaat te ’s-Hertogenbosch, zich bij brief van 3 november 2000 bij de Raad als opvolgend gemachtigde van verzoeker heeft gesteld. Durmus heeft op 6 december 2000 de gronden van het beroep van verzoeker ingediend en daarbij 18 produkties overgelegd. Nadat gedaagde van verweer had gediend is een op 13 juni 2002 door de griffier van de Raad gedagtekende uitnodiging voor de zitting van 30 juli 2002 aangetekend uitgegaan aan Durmus en gedaagde, waarop Durmus bij brief van 28 juni 2002 de Raad heeft verzocht wegens zijn vakantie en die van verzoeker een nieuwe datum van behandeling vast te stellen, bij voorkeur na 28 augustus 2002. Dit verzoek van Durmus is door de Raad ingewilligd en op 29 augustus 2002 is aangetekend een nieuwe uitnodiging aan Durmus en gedaagde uitgegaan, ditmaal voor de behandeling van het geding tussen verzoeker en gedaagde op 8 oktober 2002. Blijkens de uitspraak van 19 november 2002 zijn Durmus en verzoeker niet ter zitting van 8 oktober 2002 verschenen. Bij faxbericht van 11 december 2002 heeft mr. W.A. de Vroom, ex-kantoorgenoot van Durmus, de Raad een op 5 november 2002 gedateerde brief van hem aan de Raad doen toekomen, waarin hij melding maakte van langdurige ziekte van Durmus sinds begin augustus 2002 en van het aantreffen bij het opruimen en opschonen van de dossiers van Durmus van de uitnodiging voor de zitting van 8 oktober 2002. De Vroom verzocht alsnog om uitstel van de mondelinge behandeling van de zaak. Bij faxbericht van 19 december 2002 heeft De Vroom een bevestiging van dezelfde datum namens Falk Courier B.V. ingestuurd, inhoudende dat zijn brief van 5 november 2002 op of omstreeks 6 november 2002 om 01.30 uur aan het toenmalige adres van de Raad is bezorgd. De fungerend president van de Raad heeft tenslotte bij brief van 9 januari 2003 aan De Vroom meegedeeld dat zijn brief van 5 november 2002 door de Raad op 11 december 2002 per fax is ontvangen en dat deze brief dateert van na de datum waarop het onderzoek is gesloten, te weten 8 oktober 2002, zodat aan het verzoek van De Vroom geen gevolg kan worden gegeven.

De Raad stelt vast dat appellant zich in de loop van de procedure in hoger beroep heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde Durmus, destijds advocaat te ’s-Hertogenbosch. Voorts acht de Raad het in elk geval aannemelijk, gelet op de redengeving van het verzoek om uitstel van de aan Durmus aangekondigde behandeling van het geding ter zitting van - aanvankelijk - 30 juli 2002, dat ook verzoeker op de hoogte was van die geplande zitting.
De Raad overweegt voorts dat uit de bepalingen van afdeling 8.1.5 van de Awb met het opschrift “partijen”, waaronder voorschriften met betrekking tot vertegenwoordiging door een gemachtigde, in verbinding met afdeling 8.1.7 van de Awb met het opschrift “Verzending van stukken”, welke afdelingen ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet van overeenkomstige toepassing zijn op het hoger beroep bij de Raad, geenszins volgt dat een uitnodiging voor een zitting op de voet van artikel 8:56 van de Awb in het geval dat een partij wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde ook afzonderlijk aan die partij in persoon dient te worden verzonden. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat met de bij hem gebruikelijke wijze van verzending van stukken, ingeval sprake is vertegenwoordiging van een partij door een gemachtigde, aan alleen die gemachtigde een voorschrift van openbare orde niet in acht zou zijn genomen, zodat niet kan worden gezegd dat om die reden de uitspraak, waarvan herziening is verzocht, niet rechtmatig tot stand is gekomen.

De Raad overweegt voorts dat, voorzover verzoeker niet op de hoogte is geraakt van de zitting van 8 oktober 2002 als gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, zoals de ziekte van Durmus en kennelijk niet tijdige onderkenning door de toenmalige kantoorgenoten van Durmus dat er een uitnodiging voor die zitting op het kantoor voorlag, dit uit hoofde van de overeenkomst tussen Durmus en verzoeker voor risico van verzoeker is. Daarbij tekent de Raad nog aan dat verzoeker, gezien de redengeving voor het uitstel van de aanvankelijk geplande zitting, niet geheel onwetend kan zijn geweest van het feit dat vaststelling van een nieuwe datum voor de behandeling van zijn zaak in het verschiet lag.

Deze overwegingen leiden de Raad tot het oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om de uitspraak van 19 november 2002 vervallen te verklaren.

Al het vorenstaande leidt de Raad tot afwijzing van het voorliggende verzoek.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2004.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x