Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AR1647
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-08-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid. Weigering AAW-uitkering. Verzoek om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/923 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[gedaagde], wonende te [woonplaats] (Pakistan), appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 1 februari 1999 heeft gedaagde het verzoek van appellant van 3 december 1997 om hem in verband met sedert omstreeks 1990 bestaande arbeidsongeschiktheid een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen afgewezen.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 8 juni 1999 met aanvulling van gronden ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 10 januari 2001 (reg.nr. AWB 99/7294 AAW) het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft J.A. van der Schaaf, wonende in Amsterdam, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld op de gronden in het beroepschrift zijn aangevoerde en die onder meer zijn aangevuld in de brief 29 augustus 2001.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 31 januari 2003 waar appellant is verschenen bij gemachtigde J.A. van der Schaaf, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Omdat de Raad van oordeel was dat het onderzoek niet volledig was geweest, is het onderzoek heropend.

Op 27 oktober 2003 heeft genoemde gemachtigde van appellant een rapport d.d 27 oktober 2003 van prof. dr. D.H. Linszen, psychiater, aan de Raad doen toekomen.

Hierop is door gedaagde gereageerd door inzending van een commentaar d.d. 6 februari 2004 van de bezwaarverzekeringsarts J.W. Hekkelman.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 juli 2004 waar appellant is verschenen bij gemachtigde J.A. van der Schaaf, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad de volgende als vaststaand aan te nemen feiten en omstandigheden:
"Eiser is op 25 april 1988 in dienst getreden van het Golden Tulip Barbizon Palace Hotel te Amsterdam als schoonmaker/housekeeper. Bij besluit van 3 maart 1992 van het bestuur van de bedrijfsvereniging, Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK) is bepaald dat eiser per 27 februari 1992 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt was en is aan eiser een uitkering toegekend krachtens de AAW en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 22 juni 1992 is het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser met ingang van 1 juli 1992 bepaald op 55 tot 65% en is de AAW/ WAO-uitkering verlaagd.
Vervolgens is bij besluit van 13 oktober 1992 bepaald dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser met ingang van 1 november 1992 minder dan 15% bedroeg en is de AAW/ WAO-uitkering van eiser ingetrokken.
Eiser heeft op 3 december 1997 het GAK verzocht hem met terugwerkende kracht tot 1990 alsnog een AAW-uitkering toe te kennen.

Eiser verblijft sedert juni 1997 in Pakistan."

De Raad onderschrijft allereerst het oordeel van de rechtbank dat gelet op de hiervoor weergegeven feiten en de strekking van de aanvraag van appellant gedaagde die aanvraag uiteindelijk kennelijk heeft opgevat als enerzijds een verzoek om uitkering wegens arbeidsongeschiktheid die vanaf 1990 bestond, en anderzijds als een verzoek om terug te komen van zijn besluiten van 22 juni 1992 en 13 oktober 1992.

Gedaagde heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de in de onderhavige aanvraag vermelde diagnose schizofrenie en daarmee samenhangende ziekteverschijnselen eerst omstreeks 1 januari 1995 tot arbeidsongeschiktheid heeft geleid. Daarbij heeft gedaagde blijkens de gedingstukken zich in belangrijke mate laten leiden door het door tussenkomst van de Nederlandse ambassade uitgebrachte rapport van dr. Raheel Karim, psychiater te Lahore. In dit (eind 1998 opgemaakte) rapport dat berust op een beoordeling van appellant gedurende zeven dagen door meerdere deskundigen, komt deze psychiater tot de conclusie dat appellant lijdende is aan chronische paranoïde schizofrenie. Tevens wordt in dit rapport vermeld dat de betreffende symptomen gedurende een periode van bijna vier jaar in toenemende mate bestonden.

Van de kant van appellant is de juistheid van de zienswijze van gedaagde zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bestreden. Daartoe is namens appellant in het bijzonder een beroep gedaan op de waarnemingen van de gemachtigde van appellante zelf, de overgelegde wetenschappelijke literatuur, de verklaringen van de in eerste aanleg gehoorde getuige-deskundige prof. dr. M. Timmer en het in hoger beroep overgelegde rapport van prof. dr. D.H. Linszen.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich met gedaagdes oordeel verenigd. In de beschikbare medische gegevens heeft zij geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat er ten aanzien van appellant een eerdere datum is aan te wijzen waarop de arbeidsongeschiktheid van appellant is ingetreden.

De Raad overweegt als volgt.

Hoewel namens appellant en aantal gezaghebbende gegevens in het geding zijn gebracht over de aard en het ontstaan van de ziekte waaraan appellant thans lijdt, is ook de Raad tot het oordeel gekomen dat daaruit niet met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat appellant reeds aanzienlijk eerder dan rond 1 januari 1995 arbeidsongeschikt is geworden.

Daarbij neemt de Raad tot uitgangspunt dat noch uit de bevindingen van de verzekeringsgeneeskundige M.P. van Ewijk die appellant in 1992 bij herhaling heeft onderzocht noch uit het hiervoor genoemde rapport van de psychiater dr. Raheel Karim, welk rapport berust op een uitvoerige observatie van appellant in 1998, steun bieden aan de opvatting dat appellant reed eerder dan op 1 januari 1995 ten gevolge van zijn geestelijk gezondheidstoestand buiten staat was daarvoor in aanmerking komende arbeid te verrichten.

Hetgeen van de kant van appellant daar tegenover is gesteld, zijn algemene wetenschappelijke inzichten over de aard en het ontstaan van de ziekte waaraan appellant thans lijdt, maar deze - hoezeer op zich genomen ook van waarde - houden geen medisch conclusies in die op basis van een onderzoek van appellant zelf deze wetenschappelijk inzichten op zijn specifieke gezondheidstoestand toepassen. In dat verband heeft het de aandacht van de Raad getrokken dat prof. dr. Linszen in zijn rapport stelt dat hij geen uitspraken kan doen over de persoonlijke ziektegeschiedenis van appellant in dit specifieke geval. Hij beperkt zich dan ook tot de mening dat het goed mogelijk is dat appellant reeds een groot aantal jaren voor zijn eerste psychose in juni 1997 niet in staat was zijn werk naar behoren te doen.

Evenals de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat, nu moet worden uitgegaan van 1 januari 1995 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag, gedaagde terecht heeft beslist dat appellant niet in aanmerking komt voor een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), omdat hij onbestreden in het jaar voorafgaande aan die dag geen inkomen in de zin van de AAW heeft verworven.

De rechtbank heeft het bestreden besluit voorts terecht aangemerkt als een weigering terug te komen van de besluiten van 22 juni 1992 en 13 oktober 1992 en heeft eveneens terecht overwogen dat een dergelijke weigering slechts terughoudend kan worden getoetst.

De Raad stelt voorts vast dat gedaagde naar aanleiding van het verzoek van appellant, voor zover dit moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen van de hierboven genoemde in 1992 genomen besluiten, de zaak opnieuw heeft beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijk besluit te herzien.

Al aannemende dat hetgeen van de kant van appellant ter ondersteuning van zijn aanvraag is aangevoerd als nieuw gebleken feiten moeten worden aangemerkt, konden deze echter niet leiden tot een ander besluit naar het in het hiervoor overwogene besloten ligt. Naar aanleiding van de opmerkingen van de professoren dr. M. Timmer en dr. Linszen die er ertoe strekken dat in 1992 de betreffende verzekeringsarts een psychiatrisch onderzoek had moeten aanbevelen, merkt de Raad nog op dat inmiddels op verzoek van gedaagde een dergelijk onderzoek door genoemde dr. Raheel Karim heeft plaatsgevonden, maar daaruit niet naar voren komt dat appellant reeds in 1992 door klachten samenhangend met de diagnose schizofrenie buiten staat was arbeid te verrichten.

Reeds hierom kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot dit onderdeel van het besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Derhalve dient te worden beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2004.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x