Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AR2226
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 mei 1991 terecht vastgesteld op minder dan 15% en is terecht de onverschuldigde betaalde WAO-uitkering teruggevorderd op grond van toedoen? Toepassing van de zesmaandenjurisprudentie.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4957 AAWAO en 04/1742 AAWAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft A. Maas, rechtskundig en economisch adviseur te Haarlem, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem op 6 augustus 2002, onder reg.nr. Awb 01-1730, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 juli 2004, waar namens appellant is verschenen A. Maas, voornoemd, en waar voor gedaagde is verschenen mr. M.H.A.H. Smithuysen, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Aan appellant zijn per 13 december 1984 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Nadat appellant per 1 februari 1988 bij het Ministerie van Justitie was aangesteld in de functie van medewerker particuliere arbeid in het Huis van Bewaring te Haarlem, is zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering per 1 februari 1988 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Per 1 mei 1991 is appellant aangesteld als penitentiair inrichtingswerker, waarna zijn uitkering per 1 april 1992 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Nadat uit het op 14 januari 1993 door gedaagde ontvangen inlichtingenformulier 1992 was gebleken dat appellant naast zijn salaris onregelmatigheidstoeslag en overwerkvergoeding ontving, is gedaagde in augustus 1993 gestart met een onderzoek naar appellants inkomsten uit arbeid. Bij brief van 4 november 1993 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering per 1 november 1993 is geschorst en dat tenminste vanaf 1 januari 1992 onverschuldigd betaalde uitkering van hem zal worden teruggevorderd.
Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 6 november 1995 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 mei 1991 vastgesteld op minder dan 15% en is van hem een bedrag van f 39.807,76 aan onverschuldigde betaalde WAO-uitkering teruggevorderd op grond van toedoen.

Nadat de rechtbank het besluit van 6 november 1995 bij uitspraak van 6 januari 1998 had vernietigd, heeft gedaagde bij besluit van 9 februari 1999 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 mei 1991 gesteld op 35 tot 45%, per 23 juni 1991 op 15 tot 25%, als gevolg waarvan de AAW-uitkering van appellant per die datum is ingetrokken, en per 1 januari 1992 op minder dan 15%. Toen bleek dat het besluit van 9 februari 1999 naar een verouderd adres van appellant was gestuurd waardoor hij dit besluit niet had ontvangen, is het besluit van 9 februari 1999 op 26 juni 2001 opnieuw verzonden met daarbij gevoegd een besluit van 26 juni 2001, waarbij over de periode van 23 juni 1991 tot en met 31 oktober 1993 een bedrag van f 32.162,21 bruto inclusief overhevelingstoeslag van appellant wordt teruggevorderd. Namens appellant is tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

Bij besluit op bezwaar van 31 oktober 2001 heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen beide besluiten ongegrond verklaard. Hangende de behandeling van het beroep tegen het besluit van 31 oktober 2001 heeft gedaagde bij besluit van 25 februari 2002 zijn standpunt zoals neergelegd in het terugvorderingsbesluit van 26 juni 2001 gewijzigd in die zin dat de periode waarover wordt teruggevorderd in verband met toepassing van de zesmaandenjurisprudentie is beperkt tot de periode van 23 juni 1991 tot en met 31 juli 1993, waarbij het terugvorderingsbedrag is verminderd tot f 28.799,11 bruto inclusief overhevelingstoeslag. De rechtbank heeft het besluit van 25 februari 2002 met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij haar beoordeling betrokken.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 oktober 2001 ongegrond verklaard voorzover het betreft de herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid naar 15 tot 25 % respectievelijk minder dan 15% en het beroep niet-ontvankelijk verklaard voorzover het is gericht tegen de terugvordering.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tevens gericht geacht tegen het besluit van 25 februari 2002 en dat beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het besluit van 31 oktober 2001 wegens het beginsel van “ne bis in idem” niet had mogen worden genomen.
Voorts meent appellant dat de terugvordering is verjaard omdat tussen de uitbetaling van de uitkering tot 1 november 1993 en het besluit van 6 november 1995 een termijn van twee jaar en tussen de uitspraak van de rechtbank van 6 januari 1998 en het besluit van 26 juni 2001 een termijn van ruim 3 jaar ligt. Bovendien meent appellant dat geen sprake is van toedoen en dat hem ook niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hem te veel uitkering werd betaald.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt vast dat gedaagde het besluit van 31 oktober 2001 heeft genomen naar aanleiding van de in de uitspraak van 6 januari 1998 door de rechtbank aan gedaagde gegeven opdracht om opnieuw op appellants bezwaren te beslissen. Van een situatie als bedoeld met het “ne bis in idem beginsel” is derhalve geen sprake.

Voorts stelt de Raad vast dat gedaagde met het besluit van 25 februari 2002 gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant tegen het besluit van 31 oktober 2001. De rechtbank heeft dan ook terecht het besluit van 25 februari 2002 aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Awb en dit besluit met toepassing van artikel 6:19 van de Awb bij de beoordeling van het beroep betrokken.

De Raad stelt tevens vast dat appellant de herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid, de daarop volgende intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen respectievelijk per 23 juni 1991 en 1 januari 1992, de vaststelling van de hoogte van zijn inkomen over de relevante periode alsmede het standpunt van gedaagde dat aan appellant over de periode van 23 juni 1991 tot en met 31 oktober 1993 onverschuldigd WAO-uitkering is betaald, niet meer bestrijdt. Het hoger beroep van appellant heeft uitsluitend betrekking op de ongegrondverklaring door de rechtbank van het tegen het nadere besluit van 25 februari 2002 gericht geachte beroep. De Raad beperkt zijn beoordeling dan ook tot laatstgenoemd besluit.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat in rechte vast dat gedaagde aan appellant over de periode van 23 juni 1991 tot 1 november 1993 onverschuldigd WAO-uitkering heeft uitbetaald. Gedaagde is in beginsel bevoegd deze onverschuldigd betaalde uitkering van appellant terug te vorderen.
In haar uitspraak van 6 januari 1998 heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden en dat gedaagde daarom op grond van toedoen kan terugvorderen. Appellant heeft tegen dit oordeel van de rechtbank geen hoger beroep ingesteld zodat het in rechte vaststaat. Appellant kan tegen dit oordeel van de rechtbank in het onderhavige geding niet meer opkomen. Derhalve staat vast dat gedaagde wegens toedoen van appellant aan hem te veel WAO-uitkering heeft uitbetaald, zodat de termijn waarover mag worden teruggevorderd op grond van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO, gerekend vanaf de eerste terugvorderingshandeling, vijf jaar is. De Raad is van oordeel dat vorenvermelde brief van 4 november 1993 dient te worden aangemerkt als eerste concrete terugvorderinghandeling. De periode waarover wordt teruggevorderd loopt van 23 juni 1991 tot en met 31 juli 1993 en ligt dus binnen de vijfjarentermijn. Appellants beroep op verjaring in civielrechtelijke zin dient te worden afgewezen, nu civielrechtelijke verjaringsregels op een terugvordering als de onderhavige, die wordt geregeerd door de bestuursrechtelijke verjaringsregeling van artikel 57 van de WAO, niet van toepassing zijn.

Gezien het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat het besluit van 25 februari 2002 in stand kan blijven. Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 september 2004.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x