Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAZ
x
LJN:
x
AR2262
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering verhoging van de AAW-uitkering. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk omdat volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren, waarbij betrokkene alsnog voor 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/2304 AAW en 04/1232 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 24 november 1998 heeft gedaagde afwijzend beslist op het door appellante op 30 september 1997 ingediende verzoek om verhoging van haar uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke uitkering laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Bij besluit van 28 januari 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 november 1998 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 maart 2002, reg.nr. 00/174 AAW, heeft de rechtbank Leeuwarden appellantes beroep tegen het besluit van 28 januari 2000 ongegrond verklaard.
Bij beroepschrift van 20 april 2002 heeft appellante tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld, omdat zij meent dat zij recht heeft op een hogere uitkering.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedagtekend 13 juni 2002, ingediend.

Naar aanleiding van een door de Raad gestelde vraag heeft gedaagde nader onderzoek laten verrichten door de bezwaararbeidsdeskundige H. Rosing (rapport van 3 november 2003) en de arbeidsdeskundige E. Oosting (rapport van 4 februari 2004). Conform deze rapporten heeft gedaagde, onder intrekking van het besluit van 28 januari 2000, op 24 februari 2004 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij appellantes AAW-uitkering alsnog met ingang van 1 juni 1996 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, onder gelijktijdige toepassing van artikel 33 van de AAW, respectievelijk 58 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) over het tijdvak van 1 juni 1996 tot en met 31 december 1996 (fictieve klasse 65-80%), de kalenderjaren 1997, 1998 en 1999 (geen korting) en de kalenderjaren 2000 en 2001 (fictieve klasse 65-80%).

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 juli 2004, waar appellante niet is verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door T. Hollander, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad stelt vast dat appellante geen belang meer heeft bij een beoordeling van het inmiddels ingetrokken besluit van 28 januari 2000, in verband waarmee het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De Raad kan en zal zich dan ook beperken tot de beoordeling van het nadere besluit van 24 februari 2004. Dienaangaande overweegt de Raad dat er geen enkele grond is om dat besluit voor onjuist te houden. Appellante is alsnog in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse ingedeeld en er is geen enkele aanwijzing dat de artikelen 33 van de AAW en 58 van de WAZ niet goed zijn toegepast. Het beroep, voor zover dat moet worden geacht te zijn gericht tegen het nadere besluit van 24 februari 2004, moet derhalve voor ongegrond worden gehouden.

Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten, omdat appellante blijkens het door haar ingezonden 'formulier proceskosten' geen kosten heeft gemaakt. Zij komt wel in aanmerking voor vergoeding van het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep, voor zover dat wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van 24 februari 2004, ongegrond;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 109,23 aan haar dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 september 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x