Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AR2667
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zijn de bij het bestreden WAO-besluit ten grondslag gelegde functies ten tijde in geding voldoende actueel?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/5392 AAWAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, op bij aanvullend beroepschrift ingediende gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 30 september 2002 (reg.nr. AWB 2001/1407 AAWAO Z) tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 augustus 2004, waar appellante, met voorafgaand bericht, niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. B. Drossaert, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij besluit op bezwaar van 12 februari 1998 heeft gedaagde appellantes bezwaren tegen het besluit van 27 augustus 1997, waarbij haar per 29 augustus 1997 uitkering ingevolgde de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 mei 2001, nr. 98/8088 AAW/WAO, heeft de Raad dit besluit vernietigd voor zover het betreft de arbeidskundige onderbouwing ervan.
Ter uitvoering van deze uitspraak heeft gedaagde op 19 oktober 2001 een nieuw besluit op bezwaar (hierna: het bestreden besluit) genomen, waarbij de mate van arbeidsongeschikt van appellante bij einde wachttijd ongewijzigd is vastgesteld op 15 tot 25%. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat gedaagde niet aan voormelde uitspraak van de Raad heeft voldaan en dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.

De Raad overweegt als volgt.

Gelet op voormelde uitspraak van de Raad berustte de schatting van appellantes mate van arbeidsongeschiktheid per 29 augustus 1997 op functies die onvoldoende actueel waren, werden in enkele functies eisen gesteld aan de vooropleiding waaraan appellante vanwege de door haar gevolgde opleiding niet kon voldoen en was bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ten onrechte uitgegaan van het uurloon dat een 23-jarige met de geselecteerde functies zou verdienen.

Uit de functiebeschrijvingen van de aan het thans bestreden besluit ten grondslag gelegde functies blijkt dat alle thans geselecteerde functies ten tijde in geding voldoende actueel waren. Gelet daarop zijn er 8 functies, vallend onder 6 Fb-codes, die ruim voldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigen, zodat de schatting wat dat aspect betreft ruim voldoende is onderbouwd.

Voorts geven alle functiebeschrijvingen van de voor appellante geselecteerde functies als opleidingseis MAVO niveau of lager aan. Appellante heeft een MAVO-diploma.
Alle geselecteerde functies zijn dan ook in overeenstemming met appellantes opleiding en konden voor de schatting worden gebruikt.

Bij het einde van de wachttijd was appellante ruim 22,5 jaar oud. Zij verdiende in de betrekking waarin zij is uitgevallen echter het loon van een 23-jarige. Gedaagde was bij de schatting ten onrechte uitgegaan van het loon dat een 23-jarige met de geselecteerde functies kon verdienen.
Bij brief van 30 augustus 2001 heeft de bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom bij de afdeling Functie Informatie Systeem (FIS) van het Lisv te Amsterdam nagevraagd welke lonen een 22-jarige met de voor de berekening van de resterende verdiencapaciteit van appellante te gebruiken functies medewerker secr. klantencontacten, beeldschermtypiste, monteur koffiezetters en medisch secretaresse zou verdienen. In zijn brief van 1 oktober 2001 heeft het Hoofd van genoemde afdeling meegedeeld dat voor de functies medewerker secr. klantencontacten en medisch secretaresse het loon van een 22-jarige op 27 augustus 1997 gelijk was aan het loon van een 23-jarige. Voor de functie beeldschermtypiste was het uurloon van een 22-jarige destijds f 16,34 (incl. VT en 13e maand). Voor de functie monteur koffiezetters was het basismaandsalaris van een 22,5 jarige f 2562, bruto waaraan dienden te worden toegevoegd 8% vakantietoeslag en een 13e maand van 8,33%.
Uit de rapportage bezwaar arbeidsdeskundige van 9 oktober 2001 blijkt dat genoemde arbeidsdeskundige, op basis van de maandlonen van vorenvermelde drie functies, uitgaande van de functie medisch secretaresse als mediaan, het verlies aan verdiencapaciteit van appellante heeft berekend op 20,42%. De Raad ziet geen aanleiding dit percentage voor onjuist te houden.

De Raad is van oordeel dat genoemde bezwaararbeidsdeskundige de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op zorgvuldige wijze heeft voorbereid en uitgebreid heeft gemotiveerd. Deze motivering is vermeld in het bestreden besluit.
De Raad ziet niet in wat nog meer van gedaagde had kunnen worden verwacht.
Gelet op het vorenstaande berust het thans bestreden besluit op een draagkrachtige motivering. Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 september 2004.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.P. Grauss.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x