Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AR4894
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht geweigerd om terug te komen van de rechtens onaantastbare WAO-besluiten omdat geen nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn aangevoerd?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/169 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is bij op aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een onder dagtekening 27 november 2002 en nummer 02/592 WAO door de rechtbank Zutphen tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 4 februari 2004 heeft appellant verzocht om versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Desgevraagd heeft appellant bij brief van 19 februari 2004 nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 september 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door G. Grote Beverborg, werkzaam bij Arcon belangenbehartigers te Hengelo, en waar namens gedaagde is verschenen M.J. Gerritsen, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Ingevolge het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:52 van de Awb, kan de Raad bepalen dat de zaak versneld wordt behandeld. De Raad heeft het verzoek van appellant om de onderhavige zaak zodanig te behandelen gehonoreerd.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De Raad heeft op 3 mei 2000 onder de nummers 98/5690 ZW, 98/5687 + 5688 + 5689 AAW/WAO tussen partijen een uitspraak gewezen, waaraan het volgende feitenrelaas wordt ontleend, waar voor eiser appellant en voor verweerder gedaagde dient te worden gelezen.
"Eiser is op 1 april 1977 als vertegenwoordiger in dienst getreden bij [naam B.V.] te [vestigingsplaats] en heeft zich op 29 september 1994 wegens schouderklachten ziekgemeld. Ter zake van deze ziekmelding heeft eiser van 29 september 1994 tot en met 27 september 1995 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Tijdens de ZW-periode heeft eiser op therapeutische basis in eigen werk hervat. Bij besluit van 13 oktober 1995 zijn aan eiser met ingang van 28 september 1995 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (AAW en WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Op 19 juni 1996 is eiser bij zijn werkgever op staande voet ontslagen. Bij beschikking van 26 augustus 1996 heeft de kantonrechter te Groenlo de tussen eiser en zijn werkgever bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 15 september 1996 voorwaardelijk ontbonden.
Uit een onderzoek van de opsporingsdienst regio oost/cluster Twente is gebleken dat eiser directeur/groot aandeelhouder van [naam Holding B.V.] is en via deze B.V. een belang van 50% in [naam Beheer B.V.] heeft. [naam Beheer B.V.] neemt voor 2/3 gedeelte deel aan [naam B.V. 2]. Over 1995 is [naam Beheer B.V.] een managementfee van f 160.000,-- toegekend.
Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser met ingang van 1 januari 1995 werkzaamheden voor [naam B.V. 2] heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten.

Bij besluit I (van 7 april 1997) is over de periode van 2 januari 1995 tot en met 27 september 1995 de uitkering ingevolge de Ziektewet geweigerd op grond van de artikelen 44 en 49 van de Ziektewet. Tevens is van appellant de over de periode van 2 januari 1995 tot en met 27 september 1995 onverschuldigd betaalde Ziektewetuitkering ten bedrage van f 42.735,99 teruggevorderd.

Bij besluit II (van 10 maart 1997) is na het einde van de wachttijd met ingang van 28 september 1995 een AAW/WAO-uitkering geweigerd omdat appellant gezien zijn werkzaamheden en de daarmee samenhangende verdiensten, geen verlies aan verdiencapaciteit had waardoor hij minder dan 25% respectievelijk 15% arbeidsongeschikt was.

Bij besluit III (van 24 maart 1997) is de over de periode van 28 september 1995 tot 1 augustus 1996 onverschuldigd betaalde AAW/WAO-uitkering teruggevorderd ten bedrage van f 21.277,27.

Bij besluit IV (van 2 april 1997) is de over de periode van 1 augustus 1996 tot 1 april 1997 onverschuldigd betaalde AAW/WAO-uitkering ten bedrage van f 16.851,61 teruggevorderd."

De rechtbank Zutphen heeft bij uitspraak van 10 juni 1998 de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard, welke uitspraak de Raad bij de hiervoor genoemde en deels weergeven uitspraak heeft bevestigd.

Gedaagde heeft bij besluit van 29 juni 2001 (onder meer) appellants verzoek om terug te komen van de besluiten II, III, en IV, en bij besluit van 7 februari 2002 appellants verzoek om terug te komen van besluit I, afgewezen, omdat niet gebleken is van nieuwe feiten en omstandigheden, die niet eerder konden worden aangevoerd en die tot intrekking van deze besluiten zouden moeten leiden.

In de bezwaarfase heeft appellant uitspraken overgelegd van respectievelijk de rechtbank Zutphen van 22 september 1998 en van het gerechtshof Arnhem van 17 juli 2000.

Bij besluit van 18 maart 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 29 juni 2001 en het besluit van 7 februari 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank Zutphen heeft bij de in rubriek I genoemde uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard onder de overweging dat appellant geen relevante feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht, die bij de eerdere besluitvorming van gedaagde geen rol hebben gespeeld. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet heeft aangetoond dat de onderhavige besluiten evident onjuist zijn.

In hoger beroep heeft appellant - onder overlegging van een aantal stukken - andermaal naar voren gebracht dat de besluiten I, II, III en IV dienen te worden herzien, omdat die besluiten op apert onjuiste gronden zijn vastgesteld. Namens appellant is - kort samengevat - aangevoerd dat wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, nu uit de overgelegde gegevens blijkt dat gedaagde ten onrechte heeft aangenomen dat appellant niet aan zijn meldingsplicht heeft voldaan.

De Raad overweegt het volgende.

Voorop moet worden gesteld dat gedaagde bij het bestreden besluit heeft geweigerd terug te komen van de rechtens onaantastbare besluiten I, II, III en IV. Daarbij hanteert de Raad daarvoor in een geval als het onderhavige thans de navolgende toetsingsnorm.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

De Raad voegt hier aan toe, dat, zoals hij ook in zijn uitspraak van 4 december 2003 (gepubliceerd in USZ 2004/52) heeft geoordeeld, de in de aangevallen uitspraak en de van de zijde van appellant verdedigde rechtsopvatting dat ook moet worden bezien of feiten en omstandigheden zijn aangedragen die de evidente onjuistheid van het oorspronkelijke besluit aantonen niet langer wordt onderschreven. De Raad is van oordeel dat (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit - om het even of dit een ambtshalve genomen besluit betrof, zoals in evengenoemde uitspraak en in het onderhavige geval, of een besluit op verzoek op zichzelf geen beslissende rol speelt.

In het licht van het vorenstaande overweegt de Raad ten aanzien van het onderhavige verzoek dat hetgeen van de zijde van appellant ter ondersteuning daarvan is aangevoerd, geen nieuwe feiten of omstandigheden betreft.

Bij zijn verzoek heeft appellant aangevoerd dat hij, omdat hij in de eerdere procedure eerst in een laat stadium het volledige dossier ter beschikking kreeg, onvoldoende heeft kunnen aantonen dat gedaagdes standpunt, namelijk dat appellant geen melding had gemaakt van de, naar zijn mening niet inkomsten vormende, werkzaamheden, onjuist is. Ter ondersteuning hiervan verwijst appellant naar het rapport van de arbeidsdeskundige Eggink, waaruit naar voren komt dat gedaagde op de hoogte was van het feit dat appellant op arbeidstherapeutische basis Frame Europe met adviezen ondersteunde.

De Raad kan appellant in deze stelling niet volgen. Uit de door de toenmalige gemachtigde van appellant, mr. J.M. Snellink, ter zitting van de Raad op 22 maart 2000 overgelegde en aan het proces verbaal gehechte pleitnotities, komt naar voren dat de gemachtigde ter evengenoemde zitting uitvoerig ingaat op de inhoud van het rapport van 25 februari 1997 van arbeidsdeskundige Eggink. Onder deze omstandigheden moet worden gesteld dat hier geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin.

De ter adstructie van zijn stelling ingezonden uitspraken van de rechtbank Zutphen en het gerechtshof Arnhem - waaruit naar de mening van appellant blijkt dat hij is vrijgesproken van het ten onrechte niet opgeven van inkomsten uit arbeid - behelzen evenmin nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Nog daargelaten de vraag of appellant deze uitspraken wel juist interpreteert, is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat in het strafrecht, in het licht van de in een strafrechtelijke procedure ten laste gelegde delictsomschrijving, aan bewijs andere eisen worden gesteld dan in het bestuursrecht.

Met betrekking tot de in hoger beroep ingebrachte stukken overweegt de Raad dat hij in gedingen als de onderhavige ten aanzien van de weigering om terug te komen van een eerder besluit onder meer in zijn uitspraak van 23 december 2003, 01/6434 WAO (niet gepubliceerd) ten aanzien van eerst in hoger beroep overgelegde stukken heeft overwogen dat uit de aard der zaak bij de beoordeling van het bestreden besluit niet worden betrokken de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken, die niet bij gedaagde bekend waren of bekend konden zijn ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. De Raad overweegt echter ten overvloede dat ook deze (medische) stukken geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden bevatten, omdat de inhoud van de medische stukken gegevens bevatten die al eerder bekend waren.

Gedaagde was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar de besluiten I, II, III, en IV. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak, zij het niet geheel op de door de rechtbank gebezigde gronden, dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2004.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x