Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AR5228
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de rechtbank buiten de grenzen van het geding getreden en is ten onrechte een proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht uitgesproken?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/3479 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 31 mei 2002 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 99/11971 AAWAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. M.I. Steinmetz, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 september 2004, waar appellant, conform schriftelijke kennisgeving, zich niet heeft laten vertegenwoordigen, en waar voor gedaagde is verschenen mr. Steinmetz, voornoemd.




II. MOTIVERING


Gedaagde, werkzaam als monteur-constructeur werkplaats, is op 24 augustus 1995 uitgevallen met psychische klachten. Met ingang van 22 augustus 1996 heeft appellant aan gedaagde uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 14 mei 1997 heeft appellant, als resultaat van de zogeheten eerstejaarsherbeoordeling, de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde onveranderd vastgesteld op 80 tot 100%.
Aan dit besluit ligt een medische beoordeling d.d. 15 april 1997 ten grondslag volgens welke bij gedaagde gelet op een paranoïde persoonlijkheidsstoornis en depressie in engere zin met psychotische kenmerken geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden aanwezig zijn geacht. Bij besluit van 3 september 1997 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 14 mei 1997 ongegrond verklaard. Gedaagde is van dit besluit in beroep gekomen omdat hij zich ten minste gedeeltelijk arbeidsgeschikt achtte. De rechtbank heeft de psychiater dr. E.D.J. Lindenbergh als deskundige geraadpleegd. In zijn rapportage van 22 februari 1999 heeft de deskundige als zijn oordeel gegeven dat gedaagde op en na 15 april 1997 ongeschikt was voor zijn eigen werk bij zijn eigen werkgever maar in staat moest worden geacht tot het verrichten van andere werkzaamheden. Gelet op dit oordeel heeft de rechtbank bij uitspraak van 2 juni 1999 het besluit van 3 september 1997 vernietigd wegens een onjuiste medische grondslag en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met aanvullende beslissingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht door appellant aan gedaagde. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts I.L. Hoornstra vastgesteld welke beperkingen tot het verrichten van arbeid voor gedaagde met ingang van 15 april 1997 gelden. Dit is weergegeven in de rapportage van 15 juli 1999 en het formulier functie informatie systeem va/ad van gelijke datum. Op basis hiervan heeft de bezwaararbeidsdeskundige G. Huisman gedaagde primair in staat geacht tot het verrichten van het eigen werk bij een andere werkgever en subsidiair in staat geacht gangbare functies te vervullen. Gelet hierop is bij besluit van 21 oktober 1999 het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 14 mei 1997 alsnog gegrond verklaard en zijn de uitkeringen van gedaagde ingevolge de AAW en de WAO per 15 april 1997 ingetrokken omdat gedaagde per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Gedaagde is tegen dit besluit in beroep gekomen omdat hij tot het inzicht is gekomen dat hij vanwege zijn psychische gezondheidstoestand veel zwaarder beperkt is dan door appellant thans is aangenomen en hij in verband daarmee op de datum in geding zo niet volledig dan toch gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. In het kader van dit beroep is gedaagde onderzocht door de psychiater M.H. Oeberius Kapteijn als deskundige van de rechtbank. In zijn rapport van 5 juli 2001 is deze deskundige tot het oordeel gekomen dat gedaagde op grond van een schizofreniforme stoornis, in remissie, en een gemengde persoonlijkheidsstoornis cluster A vermoedelijk reeds op de datum in geding nagenoeg integraal beperkt te achten is op de aspecten 28 A tot en met I van het belastbaarheidspatroon en aangewezen is op arbeid in een beschutte werkomgeving. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat gedaagde op grond van het deskundigenrapport van de psychiater Oeberius Kapteijn, bezien in samenhang met de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts I.L Hoornstra van 23 maart 1999, op de hier in geding zijnde datum als volledig arbeidsongeschikt dient te worden aangemerkt. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het besluit van 21 oktober 1999 vernietigd en heeft zij met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat gedaagde alsnog met ingang van 15 april 1997 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Verder zijn aanvullende beslissingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven.

Appellant heeft in hoger beroep aangegeven dat hij zich weliswaar ten materiële kan vinden in de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde naar 80 tot 100% per 15 april 1997, maar dat de uitspraak niet op goede gronden is genomen nu de rechtbank met haar beoordeling gelet op haar eerdere uitspraak van 2 juni 1999, die in kracht van gewijsde is gegaan, buiten de grenzen van het geding is getreden. Appellant stelt in dit verband dat het nadere besluit van 21 oktober 1999 is genomen ter uitvoering van, en volledig met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen in, de uitspraak van 2 juni 1999. Voorts wordt aangegeven dat appellant steeds de juiste besluiten heeft genomen en hij zich om die reden niet kan verenigen met de door de rechtbank uitgesproken veroordeling tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

De Raad is van oordeel dat de rechtbank met haar oordeelsvorming niet buiten de grenzen van het haar ter beoordeling staande geschil is getreden.
Aan het bij besluit op bezwaar van 3 september 1997 gehandhaafde besluit van 14 mei 1997 lag het standpunt van appellant ten grondslag dat voor gedaagde gelet op zijn psychische gezondheidstoestand in het geheel geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden aanwezig waren. Er werd dan ook afgezien van het opstellen van een belastbaarheidspatroon en het beoordelen van de resterende mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. In de uitspraak van de rechtbank van 2 juni 1999 werd deze grondslag gelet op het oordeel van de door de rechtbank in die procedure geraadpleegde deskundige psychiater Lindenbergh niet houdbaar geacht. Deskundige Lindenbergh heeft zich evenwel niet uitgesproken over de vraag welke psychische beperkingen tot het verrichten van arbeid voor gedaagde moesten worden aangenomen. Na berusting in de uitspraak van 2 juni 1999 moesten door appellant dan ook eerst de psychische beperkingen tot het verrichten van arbeid worden vastgesteld en diende daarvan uitgaande te worden bezien of en zo ja, welke mogelijkheden bestonden tot het verrichten van arbeid. De vraag of appellant de juiste beperkingen tot het verrichten van arbeid had aangenomen en welke arbeidsmogelijkheden daarbij pasten, lag gelet op voorgaande voor de rechtbank dan ook volledig ter beantwoording voor.
Nu de door de rechtbank als deskundige geraadpleegde psychiater Oeberius Kapteijn zich niet kon verenigen met de door appellant ten aanzien van gedaagde vastgestelde beperkingen conform het formulier functie informatie systeem va/ad van 15 juli 1999 en de deskundige gedaagde gelet op zijn psychische gezondheidstoestand niet geschikt achtte voor arbeid in het vrije bedrijf, heeft de rechtbank op goede gronden tot haar oordeel in de aangevallen uitspraak kunnen komen.

Ten aanzien van appellants stelling dat het onredelijk is dat hij door de rechtbank is veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan gedaagde, overweegt de Raad als volgt.
De door de rechtbank in de aangevallen uitspraak uitgesproken veroordeling tot betaling van griffierecht is, nu de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard, geheel in overeenstemming met hetgeen door de wetgever dwingendrechtelijk is voorgeschreven in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb.
De Raad is voorts van oordeel dat indien de rechtbank een bestreden besluit vernietigt, het bestuursorgaan dat dit besluit heeft genomen, in beginsel in de proceskosten behoort te worden veroordeeld. Slechts in uitzonderlijke gevallen is afwijking van dit standpunt gerechtvaardigd. De Raad heeft in het onderhavige geval geen uitzonderlijke omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan een proceskostenveroordeling door de rechtbank achterwege moest blijven. Terzake merkt de Raad op dat niet kan worden gesproken van een kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht aan de zijde van gedaagde gelet op het bij hem bestaande ziektebeeld. Voorts overweegt de Raad in dit verband dat appellant naar aanleiding van de eerdere uitspraak van de rechtbank van 2 juni 1999 geenszins gedwongen was om te komen tot het besluit van 21 oktober 1999, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor ten aanzien van de omvang van het de rechtbank ter beoordeling staande geschil werd overwogen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, welke zijn begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

Gelet op het vorenstaande alsmede op artikel 22, derde lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van het Uwv een recht van € 409,- dient te worden geheven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 409,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van C. Molle als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) C. Molle.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x