Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AR6455
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Proceskostenveroordeling in hoger beroep. Tot veroordeling in de proceskosten met betrekking tot de procedure in eerste aanleg is de CRvB niet bevoegd.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 01/1969 AAW/WAO




U I T S P R A A K




met toepassing van artikel 21a van de Beroepswet inzake de kosten van het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[verzoekster], wonende te [woonplaats] (België), gedaagde, thans verzoekster.




I. INLEIDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, aangevuld bij schrijven van 27 augustus 2001, met bijlage, in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2001, reg.nr. AWB 99/10506 AAW/WAO, waarbij het beroep van verzoekster gegrond is verklaard, het bestreden besluit van 29 september 1999 is vernietigd, het primaire besluit van 4 december 1999 is herroepen en ingetrokken onder bepaling dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit en met veroordeling van appellant in de proceskosten van verzoekster en tot vergoeding van het griffierecht.

Namens verzoekster heeft J.J. Houmes RA, belastingadviseur te Middelburg, bij schrijven van 20 september 2001 een verweerschrift ingediend, waarop door appellant bij schrijven van 10 oktober 2001 is gereageerd.

Bij schrijven van 21 augustus 2003 heeft appellant het door hem ingestelde hoger beroep ingetrokken. De gemachtigde van verzoekster heeft de Raad hierop bij faxbericht van 21 augustus 2003 verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten. De gemachtigde heeft bij schrijven van 6 oktober 2003 het formulier proceskosten met bewijsstukken van de gemaakte kosten in het geding gebracht.

Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Elk der partijen heeft, desgevraagd, schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.




II. MOTIVERING


Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Nu het hoger beroep door het bestuursorgaan is ingetrokken, kan het bestuursorgaan met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht worden veroordeeld in de kosten van verzoekster.

De gemachtigde van verzoekster heeft de Raad verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in beroep en in hoger beroep en heeft daartoe een overzicht van de gewerkte uren en gemaakte kosten in geding gebracht.

De Raad overweegt als volgt.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak appellant veroordeeld in de kosten die verzoekster in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten heeft de rechtbank met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), vastgesteld op € 322,- (voorheen f 710,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. Aangezien verzoekster geen hoger beroep heeft ingesteld tegen deze uitspraak en appellant het tegen deze uitspraak ingestelde beroep heeft ingetrokken, heeft deze uitspraak kracht van gewijsde gekregen. Hieruit volgt dat de Raad niet (meer) bevoegd is om appellant in de proceskosten met betrekking tot de procedure in eerste aanleg te veroordelen. Het verzoek om proceskosten dient daarom in zoverre te worden afgewezen.

De Raad acht termen aanwezig om appellant te veroordelen in de proceskosten die verzoekster in hoger beroep heeft moeten maken. De Raad begroot deze kosten, met inachtneming van het bepaalde in het Bpb, op € 322,-, voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag groot € 322,-.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 november 2004.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x