Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AR6507
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene wordt alsnog met ingang van 28 augustus 1995 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Wettelijke rente.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/1261 AAW/WAO en 04/4165 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (België), appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid.

Namens appellant heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 december 2001, nr. AWB 00/12039 AAWAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 14 mei 2002 en 18 juni 2002 heeft de gemachtigde van appellant nadere stukken in het geding gebracht.

Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 27 juli 2004 enige stukken aan de Raad doen toekomen en bij schrijven van 29 juli 2004 - onder meer - een nader besluit van diezelfde datum ingezonden. Van de zijde van appellant is bij brieven van 10 augustus 2004 en 15 september 2004 op deze stukken gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 oktober 2004, waar appellant zich - zoals tevoren bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen en waar voor gedaagde is verschenen F.P.L. Smeets, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Appellant, die woont in België, is op 29 augustus 1994 arbeidsongeschikt geworden voor zijn werk als grondwerker/fitter in dienst van [werkgever] te [vestigingsplaats] wegens rug- en rechter knieklachten. Nadat een medische en arbeidskundige beoordeling had plaatsgevonden, heeft gedaagde bij besluit van 11 augustus 1995 (hierna: besluit 1) geweigerd ingaande 28 augustus 1995 aan appellant uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat zijn arbeidsongeschiktheid per laatstgenoemde datum minder dan 15% bedroeg.

Bij uitspraak van 25 november 1996, nr. AWB 96/3391 AAWAO, heeft de rechtbank het door appellant tegen besluit 1 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd op de grond dat appellant ingevolge artikel 51 van de EG-verordening 574/72 en artikel 21 van de Belgisch-Nederlandse Overeenkomst van 12 augustus 1982 inzake ziekengeld, moederschaps- en invaliditeitsverzekering (Trb. 1982, 181 en 1984, 34) voorafgaand aan het bestreden besluit door het bevoegde Belgische orgaan had moeten worden onderzocht.

Nadat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op 10 december 1998 arrest had gewezen in een tweetal soortgelijke geschillen (C-279/97, Voeten en Beckers), heeft de Raad bij uitspraak van 22 september 2000, registratienummer 97/213 AAW/WAO, de uitspraak van de rechtbank van 25 november 1996 vernietigd en de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet teruggewezen naar de rechtbank. Daarbij heeft de Raad het volgende overwogen:
"De Raad stelt voorop dat uit het hiervoor genoemde arrest van het Hof voortvloeit dat artikel 40 van Vo. 574/72 zich er niet tegen verzet, dat het bevoegde orgaan, wanneer het gaat om de eerste vaststelling van een invaliditeitsuitkering aan een persoon die woont op het grondgebied van een andere lidstaat dan die van het bevoegde orgaan, de mate van invaliditeit op basis van zijn eigen medisch onderzoek bepaalt, zonder eerst een onderzoek door het orgaan van de woonplaats te hebben gevraagd. Het bevoegde orgaan dient wel rekening te houden met medische en andere gegevens afkomstig van het orgaan van de woonstaat van de betrokkene. Wat betreft de toepasselijkheid van artikel 40 van Vo. 574/72 heeft de Raad in zijn uitspraken van 15 december 1999 (USZ 2000/50) voorts nog overwogen dat dit artikel zonder meer van toepassing is, wanneer het medisch onderzoek waarop een besluit steunt is afgerond voordat de wachttijd ingevolge de AAW en de WAO is verstreken.
Nu het medisch onderzoek waarop het bestreden besluit steunt was afgerond ruim voordat de wachttijd was verstreken is de Raad, gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat het appellant vrijstond gedaagde te onderzoeken en te beoordelen zonder voorafgaand onderzoek door het bevoegde Belgische orgaan. De Raad merkt in dit verband nog op dat niet is gebleken dat er relevante medische stukken van laatstbedoeld orgaan bestonden waarmee appellant rekening had moeten houden.
Dit betekent dat de grond waar de rechtbank bij de aangevallen uitspraak de vernietiging van het bestreden besluit op heeft gebaseerd niet kan stand houden. Voorts is de Raad van oordeel dat het geding nadere behandeling door de rechtbank behoeft, nu namens gedaagde expliciet is verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank en de namens gedaagde aangevoerde medische en arbeidskundige grieven tegen het bestreden besluit een behandeling ervan in twee instanties rechtvaardigen. De Raad acht het derhalve gewenst de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank te ’s-Gravenhage."

Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende aandacht heeft besteed aan het feit dat de behandelend reumatoloog dr. A. Minne appellant aanzienlijk beperkt acht en van mening is dat hij niet geschikt is voor de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies. De gemachtigde van appellant stelt zich op het standpunt dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapportage zeer summier is en geen medische motivering bevat. Geen rekening is gehouden met het feit dat de geselecteerde functies overwegend zittend vervuld moeten worden en dat onduidelijkheid bestaat omtrent de mogelijkheid om zitten en staan af te wisselen of om te vertreden. Voorts is, onder verwijzing naar overgelegde salarisgegevens, betoogd dat het voor appellant geldende maatmaninkomen niet juist is vastgesteld en is erop gewezen dat bij de berekening van de resterende verdiencapaciteit ten onrechte is uitgegaan van een uurloonvergelijking; op grond van de destijds geldende jurisprudentie had een maandloonvergelijking moeten plaatsvinden.

Gedaagde heeft in de van de zijde van appellant aangedragen salarisgegevens aanleiding gevonden het maatmaninkomen van appellant opnieuw vast te stellen. Het resultaat van deze herberekening is neergelegd in een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom van 10 juli 2002. In verband hiermee heeft gedaagde op 29 juli 2004 een nieuw besluit genomen, waarbij aan appellant alsnog met ingang van 28 augustus 1995 een uitkering ingevolge de WAO is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% (besluit 2).

In haar brieven van 10 augustus en 15 september 2004 heeft de gemachtigde van appellant gereageerd op besluit 2. Naar haar mening had gedaagde in 1999 de thans toegekende uitkering op basis van een uurloonschatting volgens het Besluit uurloonschatting 1999 moeten herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Ook heeft zij erop gewezen dat de uitkering is toegekend voor een periode van vijf jaar, die op 28 augustus 2000 afliep. Als gevolg van het feit dat de uitkering zo laat is toegekend, heeft appellant niet tijdig een aanvraag kunnen indienen voor een voortzetting van de uitkering vanaf 28 augustus 2000. Zij gaat er daarom van uit dat de uitkering ongewijzigd zal worden voortgezet.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens besluit 2 handhaaft gedaagde niet langer zijn in besluit 1 vervatte standpunt. Besluit 2 is te beschouwen als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dat besluit niet geheel aan het beroep van appellant tegemoet is gekomen, volgt uit artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24, van de Awb dat het beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen besluit 2. Nu appellant verzocht heeft gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de schade welke begroot wordt op de wettelijke rente over de niet tijdig verstrekte uitkering, heeft hij belang bij een oordeel over besluit 1. De Raad zal, onder gegrondverklaring van het beroep, de aangevallen uitspraak en besluit 1 vernietigen.

Ten aanzien van het beroep tegen besluit 2 is de Raad van oordeel dat de belastbaarheid van appellant door gedaagde - in navolging van de verzekeringsarts - niet onjuist is gewaardeerd. Blijkens de rapportage algemeen van 17 maart 1995 achtte de verzekeringsarts J. Jonker appellant - op basis van eigen onderzoek en van recente informatie van de behandelend orthopeed - aangewezen op werk, waarbij rug en benen niet te zwaar worden belast. In de van de behandelend reumatoloog dr. Minne overgelegde informatie zag zij geen aanleiding de beperkingen, zoals door haar in het belastbaarheidsprofiel van 14 maart 1995 aangegeven, aan te passen. Naar haar medisch oordeel was daarin met de verminderde belastbaarheid van het bewegingsapparaat ruimschoots rekening gehouden. Ook in het rapport van dr. M.Th. Niesten, verbonden aan de Christelijke Mutualiteit Limburg, die appellant op verzoek van gedaagde in september 1997 heeft onderzocht, is geen steun te vinden voor de opvatting dat voor appellant op de datum in geding meer dan wel zwaardere beperkingen golden dan door verzekeringsarts Jonker is aangenomen.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van besluit 2 stelt de Raad vast dat de schatting berust op de functies van inpakker, samensteller hang- en sluitwerk en printmonteur. Volgens de “verwoording belastbaarheid belanghebbende” werd appellant ten tijde hier in geding in staat geacht gedurende vrijwel de gehele werkdag een uur aaneengesloten te zitten. In genoemde functies wordt die grens niet overschreden, zodat deze functies ook naar het oordeel van de Raad als passend voor appellant kunnen worden aangemerkt. Voorts stelt de Raad vast dat gedaagde de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 28 augustus 1995 juist heeft gewaardeerd in de klasse van 15 tot 25%, nu zowel een maandloonberekening als een uurloonberekening leidt tot indeling in die klasse.

Het beroep van appellant tegen besluit 2 slaagt derhalve niet.
Met betrekking tot appellants grief, dat hij als gevolg van de late afgifte van besluit 2 niet in staat is geweest bij gedaagde tijdig een aanvraag in te dienen terzake van de voortzetting van zijn uitkering vanaf 28 augustus 2000 overweegt de Raad dat onder de omstandigheden van het onderhavige geval, waarbij na langdurige beroepsprocedures alsnog met terugwerkende kracht een uitkering is toegekend over een periode in het verleden, aan appellant een late aanvraag om voortzetting van zijn uitkering vanaf 28 augustus 2000 door gedaagde niet mag worden tegengeworpen.

Appellants verzoek om vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient ingevolge ’s Raads jurisprudentie te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop die rente dient te worden berekend, volstaat de Raad met te verwijzen naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.

De Raad acht termen aanwezig gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant. In zijn hierboven vermelde uitspraak van 22 september 2000, nr. 97/213 AAW/WAO, heeft de Raad reeds voorwaardelijk - voor het geval het bestreden besluit niet in stand zou blijven - een proceskostenveroordeling uitgesproken ten bedrage van ƒ 710,-. Nu besluit 1 wordt vernietigd, dient deze veroordeling in de proceskosten definitief te worden vastgesteld op een bedrag van € 322,-. In de onderhavige procedure ziet de Raad voorts aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant wegens aan hem verleende rechtsbijstand in hoger beroep, welke kosten worden begroot op € 644,-.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep tegen besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;
Verklaart het beroep dat geacht wordt te zijn ingesteld tegen besluit 2 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van renteschade zoals hiervoor in rubriek II is aangegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 82,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 november 2004.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x