Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AR6565
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking AAW- en WAO-uitkering en terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting. Melding van de (hoogte van de) inkomsten uit arbeid. Schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Toepassing van de zesmaandenjurisprudentie.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/3860 AAW/WAO en 04/1352 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer.

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 mei 2001, nummer AWB 99/297, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Gedaagde en de rechtbank hebben desgevraagd stukken met betrekking tot een eerdere procedure tussen partijen ingezonden.

Gedaagde heeft vragen beantwoord. Namens appellant is daarop gereageerd.

Vervolgens heeft gedaagde op 10 maart 2004 een nieuwe beslissing op bezwaar van diezelfde datum aan de Raad doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 september 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. B.J. van Ettekoven, en waar namens gedaagde - zoals tevoren was bericht - niemand is verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant ontving uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Op een door hem op 29 augustus 1991 ondertekend inlichtingenformulier heeft appellant aangegeven werkzaam te zijn als buschauffeur en met deze arbeid f 2.656,- bruto per maand te verdienen. Naar aanleiding van deze opgave heeft gedaagde bij besluit van 11 oktober 1991 appellants uitkering ingevolge de AAW per 1 januari 1991 ingetrokken en zijn uitkering ingevolge de WAO met ingang van die datum herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Voorts heeft gedaagde bij besluit van 2 april 1992 van appellant f 2.556,94 aan onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd. Tegen deze besluiten is geen rechtsmiddel aangewend.

Nadat gedaagde was gebleken dat appellant naast het door hem opgegeven maandsalaris ook nog toeslagen en inkomsten uit overwerk heeft genoten, heeft hij bij besluit van 11 april 1996, in zoverre terugkomend op zijn besluit van 11 oktober 1991, appellants uitkering ingevolge de WAO met ingang van 1 januari 1991 ingetrokken. Appellants beroep tegen dit besluit van 11 april 1996 is door de rechtbank bij uitspraak van 29 juli 1997 ongegrond verklaard. De Raad heeft die uitspraak - voorzover hier van belang - op 11 januari 2000 bevestigd.

Bij besluit van 2 april 1998 heeft gedaagde van appellant de over de periode van 1 maart 1991 tot 1 oktober 1993 onverschuldigd betaalde uitkering ten bedrage van f 15.420,08 teruggevorderd op de grond dat deze uitkering door appellants toedoen onverschuldigd is betaald, en de over de periode van 1 maart 1994 tot 1 februari 1996 onverschuldigd betaalde uitkering ten bedrage van f 11.699,69 teruggevorderd op de grond dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat deze uitkering onverschuldigd werd betaald. Bij besluit van 5 januari 1999 heeft gedaagde zijn besluit van 2 april 1998 na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft gedaagde medegedeeld dat de terugvordering over de periode van 1 maart 1994 tot 1 februari 1996 geen stand kan houden in verband met de zogeheten zesmaandenjurisprudentie. Bij besluit van 10 maart 2004 heeft gedaagde appellants bezwaar tegen het besluit van 2 april 1998 gegrond verklaard voorzover dat de terugvordering over de periode van 1 maart 1994 tot 1 februari 1996 betreft en dat besluit voor het overige gehandhaafd. Met dit besluit, dat in de plaats is getreden van het besluit op bezwaar van 5 januari 1999, wordt niet geheel tegemoet gekomen aan appellants beroep. Dit beroep wordt derhalve ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 10 maart 2004. Nu het besluit van 5 januari 1999 is komen te vervallen, heeft appellant geen belang meer bij een beoordeling van dat besluit en evenmin bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak. Zijn hoger beroep wordt derhalve niet-ontvankelijk verklaard.

Omtrent het besluit van 10 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) overweegt de Raad het volgende.

In de eerste plaats stelt de Raad vast dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde terugvorderingsbeslissing, zoals gedaagde desgevraagd heeft aangegeven, mede een bedrag van f 1.672,15 omvat dat resteerde van de terugvordering uit 1992. Tot dit bedrag is het bestreden besluit een herhaling van het besluit van 2 april 1992 en kan het niet op rechtsgevolg zijn gericht. Nu de totale terugvordering thans derhalve een te hoog bedrag omvat, zal de Raad het bestreden besluit omwille van de duidelijkheid in zoverre vernietigen. Resteert een terugvordering van (f 15.420,08 – f 1.672,15 =) f 13.747,93 (€ 6.238,54).

De Raad merkt voorts op dat op grond van artikel XVI van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid in de bevoegdheid van gedaagde tot terugvordering en verrekening van hetgeen voor de datum van inwerkingtreding van deze wet onverschuldigd is betaald, geen wijziging is gebracht. Ten aanzien van de terugvordering van hetgeen in de thans nog in geding zijnde periode is betaald, is derhalve artikel 57 van de WAO zoals dat artikel luidde tot 1 augustus 1996, van toepassing gebleven.

De Raad overweegt dat door de - inmiddels rechtens onaantastbare - intrekking van appellants uitkeringen per 1 januari 1991 thans vaststaat dat over de nog in geding zijnde periode van 1 maart 1991 tot 1 oktober 1993 aan appellant onverschuldigd uitkering is betaald. Nu appellant de door hem op 29 augustus 1991 en 31 augustus 1992 ondertekende inlichtingenformulieren slechts zijn bruto basismaandsalaris heeft vermeld, kan de Raad niet anders vaststellen dan dat deze onverschuldigde betaling door appellants toedoen heeft plaatsgevonden. Eerst bij een in september 1993 ingezonden formulier heeft appellant ter beantwoording van de vraag naar de bruto basisverdiensten verwezen naar de bij dat formulier gevoegde salarisstrook waaruit gedaagde kon blijken dat naast het daarin vermelde bruto basis maandsalaris sprake was van toeslagen en een vergoeding voor overwerk. Dat appellant - zoals hij heeft gesteld - niet de opzet heeft gehad onvolledige gegevens te verstrekken, kan aan het vorenstaande niet afdoen. Evenmin kan een rol spelen dat naar appellants zeggen in 1992 een huisbezoek heeft plaatsgevonden waarbij appellant inzage in al zijn financiële bescheiden heeft aangeboden, nu van een dergelijk bezoek niet uit de gedingstukken blijkt en appellant dat ook overigens niet aannemelijk heeft kunnen maken.
Nu gedaagde aan appellant op 26 februari 1996 heeft medegedeeld tot terugvordering over te gaan, was gedaagde bevoegd de over de periode van 1 maart 1991 tot 1 oktober 1993 onverschuldigd betaalde uitkering (voorzover thans nog in geding) van appellant terug te vorderen.

De stelling van appellants gemachtigde dat deze bevoegdheid niet kan bestaan nu het gedaagde niet vrijstond ten nadele van appellant terug te komen op zijn besluit van 2 april 1992, kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen. Dat eerdere besluit doet niet af aan gedaagdes terugvorderingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 57 (oud) van de WAO, nog daargelaten dat de onderhavige terugvordering op een andere grondslag is gebaseerd (een onvolledige opgave van appellants inkomsten) dan die van 2 april 1992 (de onbekendheid met appellants werkzaamheden).

Evenmin doet aan gedaagdes terugvorderingsbevoegdheid af dat hij in 2003 - kennelijk abusievelijk - wederom tot terugvordering van over de hier van belang zijnde periode betaalde uitkering is overgegaan. Deze herhaling van het (destijds nog in zijn geheel gehandhaafde) besluit van 2 april 1998 kan niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb en speelt in deze procedure derhalve geen rol.

De wijze waarop gedaagde van zijn terugvorderingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt, kan naar het oordeel van de Raad de rechterlijke toetsing doorstaan. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het terug te betalen bedrag reeds is beperkt door de vijfjarentermijn van artikel 57 (oud) van de WAO enerzijds en door de toepassing van de zesmaandenjurisprudentie van de Raad anderzijds. Voorts wijst hij erop dat in het hiervoor overwogene besloten ligt dat gedaagde niet eerder dan met appellants inlichtingenformulier van september 1993 een signaal bereikte dat appellants uitkering ten onrechte werd verstrekt, zodat de zesmaandenjurisprudentie - in tegenstelling tot hetgeen appellants gemachtigde heeft gesteld - niet eerder dan vanaf dat moment toepassing vindt.

Het bestreden besluit kan derhalve stand houden voorzover de terugvordering het bedrag van f 13.747,93 (€ 6.238,54) niet overschrijdt.

Namens appellant is ten slotte een grief naar voren gebracht tegen de duur van de procedure bij de bestuursrechter. Gelet op zijn uitspraak van 4 juli 2003 (RSV 2003/211, USZ 2003/267, JB 2003/249 en AB 2003, 450) dient de Raad thans te beoordelen of sprake is van een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) ter zake van de gestelde overschrijding van de redelijke termijn voor de rechterlijke behandeling van de zaak.

De Raad is gelet op de totale duur van het rechterlijk aandeel in deze procedure, van februari 1999 tot heden, en op de perioden waarin de behandeling van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep zonder duidelijke oorzaak heeft stilgelegen, mede in aanmerking genomen de aard van de procedure en de proceshouding van appellant, van oordeel dat er sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

De Raad ziet voorts aanleiding te bepalen dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt vergoed.

Gezien het vorenstaande dient te worden beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voorzover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 10 maart 2004 gegrond en vernietigt dat besluit voorzover daar bij de terugvordering een bedrag van f 13.747,93 (€ 6.238,54) te boven gaat;
Verklaart het beroep tegen dat besluit voor het overige ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 102,10 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. G.J.H. van Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van C. Molle als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 november 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) C. Molle.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x