Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AT3857
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering AAW-uitkering. Afwijzing van het verzoek om terug te komen op een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3828 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten.

Bij besluit van 15 mei 1998 heeft gedaagde onder meer geweigerd terug te komen van een besluit van 9 december 1980.

Bij besluit van 13 juni 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen dit onderdeel van het besluit van 15 mei 1998 ongegrond verklaard.

De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 24 juni 2003, nummer SBR 02/1392, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. A.J. Kiela, advocaat te Amersfoort, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft mr. Kiela, voornoemd, een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Kiela en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 7 maart 1980 verzocht om toekenning van een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) omdat hij sedert 27 augustus 1979 arbeidsongeschikt zou zijn. Bij besluit van 9 december 1980 heeft gedaagde geweigerd om appellant een AAW-uitkering toe te kennen onder overweging dat appellant niet gedurende een periode van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

Appellant heeft zich op 25 januari 1994 met overwegend psychische klachten ziek gemeld voor zijn werk als conciŽrge bij een basisschool. Bij besluit van 27 februari 1995 heeft gedaagde geweigerd om appellant in aansluiting op de wettelijke wachttijd met ingang van 24 januari 1995 voor uitkeringen ingevolge de AAW en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in aanmerking te brengen omdat appellant op 1 juli 1993 al volledig arbeidsongeschikt was. De verzekeringsarts van gedaagde oordeelde in dat kader onder meer dat appellant in verband met meerdere opnames in een psychotherapeutisch centrum vanaf arbitrair 1 januari 1982 volledig arbeidsongeschikt was.

Namens appellant is vervolgens bij brief van 13 februari 1997 verzocht om hem op psychische gronden als jeugdgehandicapte aan te merken en hem op die grond alsnog een AAW-uitkering toe te kennen. Gedaagde heeft dit verzoek onder meer aangemerkt als een verzoek om terug te komen op het besluit van 27 februari 1995 en dit bij besluit van 16 oktober 1997 afgewezen. Tevens is bij dit besluit het verzoek van appellant om als jeugdgehandicapte te worden aangemerkt afgewezen. In het daartegen gerichte bezwaar is namens appellant onder meer aangevoerd dat zijn verzoek ten onrechte is aangemerkt als een verzoek om terug te komen op het besluit van 27 februari 1997 en niet mede als een verzoek om terug te komen van het besluit van 9 december 1980. Als bijlage bij dit bezwaarschrift is een brief van 23 november 1979 van Stichting Veluweland te Lunteren bijgevoegd, alwaar appellant vanaf 27 augustus 1979 gedurende ruim twee maanden in verband met psychische klachten in dagbehandeling is geweest. Het bezwaar is bij besluit van 15 mei 1998 door gedaagde ongegrond verklaard in die zin, dat er ook geen aanleiding bestond om terug te komen op het besluit van 9 december 1980. Het daartegen gerichte beroep is bij uitspraak van 28 april 1999 van de rechtbank ongegrond verklaard, waartegen hoger beroep is ingesteld. Bij uitspraak van 18 september 2001 heeft de Raad deze uitspraak, voor zover betrekking hebbend op het verzoek om terug te komen op het besluit van 9 december 1980, vernietigd omdat dit gedeelte van het besluit van 15 mei 1998 onmiskenbaar was aan te merken als een primair besluit. De Raad heeft het beroepschrift van appellant - onder niet-ontvankelijkverklaring daarvan in zoverre -teruggezonden aan gedaagde om dit in zoverre alsnog als bezwaarschrift in behandeling te nemen. Ter voorkoming van ongerechtvaardigde verwachtingen heeft de Raad in dat geding ten overvloede overwogen, dat naar zijn voorlopig oordeel, op basis van de beschikbare gegevens, het oordeel van de rechtbank, dat gedaagde heeft kunnen weigeren terug te komen van het besluit van 9 december 1980 omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden en voorts de evidente onjuistheid van die beslissing niet is gebleken, hem niet onjuist voorkomt.

Ter uitvoering van voormelde uitspraak van de Raad heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit, na advies van de bezwaarverzekeringsarts, het bezwaar tegen het besluit van 15 mei 1998 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daartoe onder meer overwogen dat op het medische vlak niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die zouden moeten leiden tot herziening van het besluit van 9 december 1980, terwijl evenmin gebleken is dat het besluit van 9 december 1980 evident onjuist was.

De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard onder overweging dat appellant met betrekking tot het besluit van 9 december 1980 geen feiten en omstandigheden heeft aangedragen die de evidente onjuistheid van dat besluit aantonen.

Namens appellant is daartegen in hoger beroep in de eerste plaats aangevoerd dat de verzekeringsarts in 1980 niet beschikte over de eerdergenoemde brief van 23 november 1979 van de Stichting Veluweland.

De Raad oordeelt hierover als volgt.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een verzoek om hiervan terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Ter ondersteuning van zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 9 december 1980 heeft appellant de meergenoemde brief van 23 november 1979 van Stichting Veluweland ingezonden. Tussen partijen is niet in geschil dat de verzekeringsarts, die in 1980 gedaagde van advies diende naar aanleiding van de aanvraag om AAW-uitkering, niet de beschikking had over deze brief. Wel blijkt uit het afschrift medische kaart van deze verzekeringsarts dat hij op de hoogte was van de behandeling van appellant bij Veluweland en op 17 juli 1980, telefonisch overleg heeft gehad met de huisarts van appellant. De huisarts kon zich verenigen met het oordeel van de verzekeringsarts dat appellant niet arbeidsongeschikt was. Uit de patiŽntenkaart van de huisarts komt naar voren dat deze weet had van de behandeling van appellant bij Veluweland en wel beschikte over de brief van 23 november 1979 van Veluweland. De Raad is evenwel niet gebleken of en, zo ja, in hoeverre de inhoud van deze uitgebreide brief van 23 november 1979 van de behandelend psychologen/psychotherapeuten, waarbij gedetailleerde informatie werd verstrekt omtrent de dagbehandeling en de bestaande psychische problematiek, in voornoemd telefoongesprek aan de orde is geweest. De Raad is onder deze omstandigheden van oordeel dat de brief van 23 november 1979 op zichzelf, in het kader van het verzoek om terug te komen van het besluit van 9 december 1980, een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb is.

Hiervan uitgaande ziet de Raad zich vervolgens geplaatst voor de beantwoording van de vraag of gedaagde daarin aanleiding had moeten vinden om het oorspronkelijke besluit van 9 december 1980 te herzien. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. Kupecz-Mogendorff, zoals vermeld in haar rapport van 1 mei 2002, dat de nadere informatie van Veluweland, bezien in samenhang met de overige gegevens, niet leidt tot het oordeel dat appellant al vanaf 27 augustus 1979 duurzaam arbeidsongeschikt was.

In hoger beroep is namens appellant nog aangevoerd dat de rechtbank volledig is voorbijgegaan aan het oordeel van de psychiater dr. A.T. Veeninga, verbonden aan het SinaÔ Centrum te Amersfoort, die stelt dat een psychiatrisch onderzoek noodzakelijk is om te komen tot een weloverwogen oordeel over de arbeidsongeschiktheid. Uit de aard der zaak volgt echter, zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 30 maart 2004, gepubliceerd in USZ 2004/180, dat bij de beoordeling van het bestreden besluit niet kan worden betrokken de door de gemachtigde van appellant in eerste aanleg overgelegde brief van 4 juni 2003 van de psychiater dr. Veeninga, die niet bij gedaagde bekend was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. De Raad voegt daar nog aan toe dat het, zoals de Raad onder meer heeft overwogen in zijn uitspraak van 10 januari 1995, gepubliceerd in RSV 1995/142, niet op de weg van de rechter ligt om in een eenmaal lopend geding dat betrekking heeft op een weigering om terug te komen van een beslissing, een nieuw medisch onderzoek te bevorderen over de reeds door de uitvoeringsinstantie beziene situatie van destijds, aangezien dat niet past in het kader van de hier aan de orde zijnde rechterlijke toetsing en zou leiden tot een volledig nieuwe behandeling ten principale van een reeds onaantastbaar geworden beslissing.

Al het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep geen doel treft en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch. J.G. Olde Kalter en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x