Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AT4752
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Causaal verband bij onrechtmatige AAW/WAO-besluiten.
 
 
 

 

 
Uitspraak 97/12094 AAW/WAO




U I T S P R A A K




In het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


1.1 Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 was het Lisv met ingang van 1 maart 1997 rechtsopvolger van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv en het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

1.2 Namens appellant heeft mr. M.J. Bas, medewerkster van de Rechtskundige Dienst FNV te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar op 6 november 1997 tussen partijen gegeven uitspraak, reg.nr. AAW/WAO 94/1778. Bij brieven van 17 april 1998 en 28 april 1998, heeft de opvolgend gemachtigde van appellant, mr. G.J. Knotter, advocaat te Utrecht, de gronden van het hoger beroep uiteengezet.

1.3 Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

1.4 Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 15 mei 2001. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Knotter en gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. van der Meijden, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

1.5 Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

1.6 Bij brief van 26 januari 2002 heeft gedaagde nadere informatie verstrekt.

1.7 Bij schrijven van 15 maart 2002 heeft appellant eveneens informatie verstrekt.

1.8 Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 4 maart 2002 prof. A.C. van Rossum, cardioloog in het Academisch Ziekenhuis VU, als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Prof. Van Rossum heeft onder dagtekening 28 februari 2003 over dat onderzoek een rapport uitgebracht.

1.9 Partijen hebben schriftelijk een reactie op dit rapport ingezonden.

1.10 De Raad heeft vervolgens bij brief van 25 september 2003 de psychiater J.M.J.F. Offermans als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Deze deskundige heeft onder dagtekening 15 juni 2004 van verslag en advies gediend.

1.11 Bij brief van 15 juli 2004 heeft gedaagde het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts op het rapport van de deskundige Offermans ingezonden. Daarop heeft deze deskundige schriftelijk gereageerd, waarna gedaagde nogmaals een reactie van de bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink heeft ingezonden. Bij brief van 1 oktober 2004 heeft appellant op het rapport van psychiater Offermans en de verdere correspondentie naar aanleiding van dat rapport gereageerd.

1.12 Met op 9 maart 2005 verkregen toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.




2. MOTIVERING


2.1 De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de navolgende, door partijen niet betwiste, feiten en omstandigheden.

2.2 Appellant is 22 jaar werkzaam geweest bij [naam werkgever 1], laatstelijk in een leidinggevende functie als hoofd administratie. Op 25 januari 1991 is hij als hoofd administratie in dienst getreden bij [naam werkgever 2] te [vestigingsplaats]. Hij is op 13 december 1991 uitgevallen ten gevolge van een hartinfarct. Gedaagde heeft aan appellant, nadat hem over de maximale periode ziekengeld ingevolge de Ziektewet was uitbetaald, bij besluit van 1 april 1993 met ingang van 11 december 1992 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant heeft verschillende malen geprobeerd om op therapeutische basis weer aan de slag te gaan, laatstelijk in mei 1994. Bij die gelegenheid is hij de administratieve ondersteuning van het bedrijf van zijn werkgever gaan begeleiden en coördineren gedurende 20 uur per week. Appellant is in juni 1994 gezien door de verzekeringsgeneeskundige. Deze achtte hem blijkens zijn rapport van 21 juni 1994 in staat deze functie weer volledig te vervullen. Weliswaar was er naar het oordeel van die arts sprake van verhoogde stress en angstgevoeligheid, maar niet in die mate dat er een verminderde arbeidsprestatie uit voortvloeit. Daarvan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige appellant geschikt geacht voor zijn eigen werk. Omdat appellant langere tijd uit het arbeidsproces was heeft hij hem een gewenningsperiode gegund. De arbeidsdeskundige heeft per 1 september 1994 aan de werkzaamheden van appellant een loonwaarde van 50% toegekend en per 1 november 1994 van 100%.

2.3 Gedaagde heeft de uitkeringen van appellant ingevolge de AAW en de WAO bij besluit van 7 september 1994 (besluit 1) met ingang van 1 september 1994 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Daaraan lag ten grondslag het standpunt dat appellant voor halve dagen geschikt was voor zijn eigen werk als hoofd administratie.

2.4 Gedaagde heeft de uitkeringen van appellant ingevolge de AAW en de WAO bij besluit van 8 september 1994 (besluit 2) met ingang van 1 november 1994 ingetrokken. Aan die intrekking lag het standpunt ten grondslag dat appellant met ingang van die datum hele dagen geschikt was voor zijn eigen werk.

2.5 Appellant kon zich erin vinden dat hij met ingang van 1 september 1994 voor halve dagen geschikt werd verklaard voor zijn eigen werk en is in die omvang in het bedrijf van zijn werkgever werkzaamheden gaan verrichten. Daarnaast is hij, omdat hij zich naar zijn zeggen daartoe door het standpunt van gedaagde gedwongen voelde, voor zijn werkgever thuis werkzaamheden gaan verrichten teneinde tot de door gedaagde verlangde uitbreiding te komen. Omdat hij dit naar zijn mening niet kon volhouden heeft hij zich op 5 oktober 1994 ziek gemeld wegens overspannenheid. Gedaagde heeft hem met ingang van 14 oktober 1994 voor halve dagen hersteld verklaard, waarna appellant zijn werkzaamheden heeft hervat in een omvang van 20 uur per week op het bedrijf en 20 uur thuis. Appellants werkgever heeft aan appellants werkzaamheden met ingang van 1 september 1994 een loonwaarde van 50% toegekend en heeft hem dienovereenkomstig uitbetaald. Hij is daar na 1 november 1994 mee doorgegaan.
Appellant heeft zich op 1 november 1994 wegens overspannenheid ziek gemeld, welke ziekmelding door gedaagde niet is geaccepteerd. Appellant heeft op 24 november 1994 het spreekuur van de verzekeringsarts Haver bezocht. Deze arts achtte hem onverminderd geschikt voor het gedurende hele dagen verrichten van zijn eigen werk. Ziekmeldingen op 4 november 1994, 25 november 1994 en 12 januari 1995 hebben tot kortdurende uitkeringen ingevolge de Ziektewet geleid.

2.6 Gedaagde heeft in maart 1995 aan appellant over het tijdvak van 1 november 1994 tot 25 februari 1995 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet uitbetaald.

2.7 Appellant is bij de rechtbank in beroep gegaan tegen besluit 2.

2.8 De rechtbank heeft aanleiding gezien om zich met betrekking tot het medische aspect te laten adviseren door onafhankelijke deskundigen. De eerste deskundige, de cardioloog J.A. Henneman, heeft in zijn rapport van 14 augustus 1995 aangegeven dat hij appellant op de datum in geding 1 november 1994 niet in staat achtte om 40 uur per week te werken als hoofd administratie. Naar zijn oordeel was sprake van een verminderde geestelijke spankracht. De tweede deskundige, de zenuwarts J.C. Kense, heeft appellant blijkens zijn rapport van 9 februari 1996 met ingang van 1 november 1994 voor 50% belastbaar geacht en met ingang van begin 1995 in het geheel niet. Hij heeft daartoe overwogen dat het erop lijkt “dat de beslissing om betrokkene per 1 november 1994 volledig arbeidsgeschikt te verklaren niet alleen onterecht was, maar een sterke verslechtering heeft gegeven van het functioneren van betrokkene. Een verslechtering waarvan het de vraag is of deze nog te herstellen is.” Het was naar het oordeel van deze deskundige beter geweest als men betrokkene de gelegenheid had gegeven om langer 50% te werken en dit geleidelijk uit te bouwen. “Er waren een paar signalen dat hij eerder afgeremd dan opgejaagd moest worden. Dat zijn de wijze en de mate waarin hij altijd heeft gewerkt en zijn dwangmatigheid.”

2.9 Gedaagde heeft in deze deskundigenrapporten aanleiding gevonden om besluit 1 en besluit 2 in te trekken bij besluit van 22 april 1996 (besluit 3). Bij dat laatste besluit is bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 1 september 1994 dient te worden gesteld op 80 tot 100%.

2.10 De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 2 in de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Zij heeft het verzoek van appellant om toekenning van schadevergoeding afgewezen. Overwogen is dat tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde met besluit 2 onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij aansprakelijk is voor de uit die onrechtmatige daad voor appellant voortgevloeide schade. Partijen verschillen echter van mening over het antwoord op de vraag of uit die onrechtmatige daad voor appellant schade is voortgevloeid en over de omvang van die schade. Te dien aanzien heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"Uit de afgelegde getuigenverklaringen blijkt genoegzaam dat eiser vanaf 1 november 1994 feitelijk (meer dan) een volledige werkweek arbeid heeft verricht. Een deel van de werkzaamheden verrichtte hij thuis. Uit de getuigenverklaringen of de door hem in geding gebrachte bescheiden blijkt evenwel niet dat eiser de omvang van zijn werkzaamheden ingaande 1 november 1994 heeft uitgebreid. Uit de verklaring van [naam getuige] komt veeleer naar voren dat eiser feitelijk vanaf september 1994 in een meer dan volledige werkweek werkzaam was en dat in die situatie op en na 1 november 1994 geen verandering is gekomen. Het vorenstaande betekent dat eiser niet is geslaagd in het bewijs dat hij zijn werktijd per 1 november 1994 tot een (meer dan) volledige werkweek heeft uitgebreid. Daarom kan niet worden aangenomen dat eiser als gevolg van verweerders besluit d.d. 8 september 1994 schade heeft geleden. Zijn verzoek om schadevergoeding moet daarom worden afgewezen."

2.11 Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat hij niet heeft kunnen bewijzen dat hij zijn werkzaamheden per 1 november 1994 heeft uitgebreid en dat mitsdien moet worden aangenomen dat besluit 2 geen schade heeft veroorzaakt. Appellant bestrijdt voorts dat op hem ter zake hiervan een bewijslast drukt. De gerealiseerde uitbreiding van werkzaamheden is naar zijn mening veroorzaakt door een proces tot werkhervatting dat vanwege gedaagde in gang is gezet door de arbeidsdeskundige en waaraan hij verplicht was mee te werken. Hierdoor voelde hij zich ook vóór 1 november 1994 gedwongen méér dan 20 uur te werken; de arbeidsdeskundige stelde zich immers op het standpunt dat hij eigenlijk volle dagen kon werken doch dat hem om redenen van gewenning een korte overgangsperiode werd gegund. Het desbetreffende proces van werkhervatting is reeds in juli 1994 ingezet.
Appellant stelt voorts dat uit het rapport van de deskundige Kense genoegzaam blijkt dat hij tengevolge van besluit 2 en de daaraan ten grondslag liggende medische en arbeidskundige beoordeling (opnieuw) is uitgevallen. Uit het verhandelde ter zitting van de rechtbank blijkt zijns inziens dat gedaagde heeft erkend aansprakelijk te zijn voor de uit besluit 2 voortgevloeide schade, doch slechts ontkent dat er schade is geleden.
Appellant vordert vergoeding van de wettelijke rente, inkomensschade bestaande uit het verschil tussen de door hem genoten uitkering en het loon dat hij verdiend zou hebben als hij niet (opnieuw) volledig arbeidsongeschikt was geworden en vergoeding van immateriële schade vast te stellen naar billijkheid. Met betrekking tot de immateriële schade is aangevoerd dat appellant door besluit 2 (uiteindelijk) is gedecompenseerd en dat door dat besluit psychisch letsel is teweeggebracht dat tot op heden voortduurt.

2.12 Gedaagde is van mening dat uit het rapport van de deskundige Kense blijkt dat deze van oordeel is dat het beter was geweest als appellant langer de gelegenheid had gekregen om 50% te werken en om de omvang van het werk geleidelijk aan uit te bouwen. Gelet hierop is het volgens gedaagde van belang vast te stellen op welke datum appellant feitelijk meer dan 50% is gaan werken en of die werkhervatting inderdaad het gevolg is van besluit 2. Daarvan uitgaande blijkt naar zijn mening uit de ter zitting van de rechtbank afgelegde getuigenverklaringen genoegzaam dat appellant reeds vanaf september 1994 in een (meer dan) volledige werkweek werkzaam was. Dit impliceert volgens gedaagde dat de volledige werkhervatting geen gevolg is van besluit 2, aangezien dat besluit ziet op een volledige hervatting per 1 november 1994, maar van het handelen van appellant zelf, in die zin dat hij zich - zonder daartoe verplicht te zijn - gehouden achtte om al eerder volledig te hervatten.
Zo er schade is ontstaan door besluit 2, erkent gedaagde in beginsel daarvoor aansprakelijk te zijn. Gedaagde stelt zich echter op het standpunt dat er geen causaal verband is tussen de gevorderde schade en besluit 2.

2.13 De Raad stelt voorop dat het hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de vordering tot schadevergoeding is afgewezen. Gelet hierop dient de Raad de vraag te beantwoorden of terecht is geweigerd gedaagde te veroordelen tot vergoeding van schade als door appellant gevorderd. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.14 In dit geding staat de onrechtmatigheid van het bestreden besluit 2 en de toerekening (in de zin van artikel 6:162 BW) daarvan aan gedaagde tussen partijen vast. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is voor vergoeding van schade vereist dat de gestelde schade verband houdt met het onrechtmatige besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. Bij de beoordeling of toegerekend moet worden acht de Raad ook de aard en strekking van het vernietigde besluit een relevante factor.

2.15 De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of ten aanzien van de gevorderde schade voldaan is aan deze vereisten van causaal verband. Met betrekking tot deze causaliteitsvraag brengt de Raad in herinnering zijn uitspraak van 7 april 1999 (LJN AA3661; JB 1999/124). In die uitspraak ging het om de intrekking van een AAW/WAO-uitkering op de grond dat betrokkene niet in staat werd geacht het eigen werk te verrichten, maar wel de haar voorgehouden functies. De gevorderde schade betrof vermogensschade in de vorm van loonderving. Deze was ontstaan doordat de werkgever, afgaande op door de arbeidsdeskundige van het uitvoeringsorgaan verstrekte inlichtingen, het - nadien onjuist gebleken - standpunt had ingenomen dat zijn werkneemster arbeidsongeschikt was voor haar eigen werk zodat hij niet gehouden was tot loondoorbetaling, hoewel de werkneemster zich tegenover haar werkgever geschikt en bereid had verklaard de eigen werkzaamheden te vervullen. De werkneemster had geen loonvordering tegen haar werkgever ingesteld. De Raad heeft onder die omstandigheden geoordeeld dat het feit dat deze werkgever was afgegaan op het door het uitvoeringsorgaan - in het kader van het besluit over de AAW/WAO-aanspraken van deze werknemer - overgenomen oordeel van deze arbeidsdeskundige, mede gelet op de aard en strekking van dat besluit, onvoldoende grond bood om de gevolgen van het door de werkgever ingenomen standpunt aan dit orgaan toe te rekenen. In deze uitspraak ligt derhalve niet het oordeel van de Raad besloten dat enkel de aard en strekking van een besluit over (de intrekking van) een arbeidsongeschiktheidsuitkering er steeds toe leiden dat geen sprake is van een toereikend causaal verband wanneer schade aan de orde is die verband houdt met een door het uitvoeringsorgaan overgenomen - nadien onjuist gebleken - oordeel van een verzekeringsarts en/of een arbeidsdeskundige over de (mate van) arbeidsongeschiktheid van een werknemer/verzekerde. Of daarvan sprake is, hangt - zoals uit even vermelde uitspraak blijkt - af van de omstandigheden van het concrete geval. In de onderhavige zaak overweegt de Raad daarover het volgende.

2.15.1 Door gedaagde is niet betwist dat de door appellant gestelde schade - inkomensschade en immateriële schade - zo deze vast komt te staan, het gevolg is van (zijn uitval wegens) psychische decompensatie. Gedaagde betwist wel dat deze (uitval ten gevolge van) psychische decompensatie verband houdt met het onrechtmatige besluit 2.

2.15.2 Aan het bestreden besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellant weer volledig geschikt was te achten tot het verrichten van zijn eigen werk bij [naam werkgever 2]
De arbeidsongeschiktheidswetgeving strekt ertoe personen die ten gevolge van ziekte of gebrek geen of minder inkomsten uit arbeid kunnen verwerven, een inkomensvervangende uitkering te verstrekken. Indien een werknemer, zoals appellant, weer volledig geschikt wordt verklaard voor het verrichten van zijn eigen werk, dient deze zijn werk in het kader van zijn dienstbetrekking in beginsel weer volledig te hervatten teneinde van inkomsten uit of in verband met arbeid verzekerd te blijven. Appellant heeft met het oog hierop aan het bestreden besluit gevolg gegeven door zijn eigen werk daadwerkelijk volledig te hervatten. Gelet op appellants persoonlijkheidsstructuur en op de voor appellant direct dreigende financiële consequenties van het niet hervatten van zijn werk was het voor gedaagde redelijkerwijs te voorzien dat appellant zich gehouden achtte om volledig in zijn eigen werk te hervatten, ook al achtte hij zichzelf daartoe niet in staat.

2.15.3 Appellant heeft zich voor de aanwezigheid van causaal verband beroepen op het rapport van de deskundige Kense. Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hierin heeft de Raad aanleiding gezien om zich over het medisch aspect van het causaal verband te laten adviseren door de deskundigen Van Rossum en Offermans. Uit het rapport van de deskundige Van Rossum moet worden opgemaakt dat de oorzaak van de psychische decompensatie van appellant in februari 1995 is toe te schrijven aan de uit besluit 2 voortvloeiende noodzaak voor appellant om zijn werk per 1 november 1994 volledig te hervatten. De deskundige Offermans onderschrijft het oordeel van de cardioloog Van Rossum. Ook de door de rechtbank geraadpleegde deskundige Kense acht de decompensatie het gevolg van besluit 2 en de daaraan ten grondslag liggende medische en arbeidskundige motivering. Uit de rapporten van deze deskundigen leidt de Raad af dat, gelet op de verschillende mislukte werkhervattingen in de voorafgaande jaren en op de psychische gesteldheid van appellant, een volledige afschatting op 8 september 1994 per 1 november 1994, nagenoeg gelijktijdig met de schatting naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% per 1 september 1994 zonder tussentijdse beoordeling van de kant van gedaagde in de periode tussen 1 september 1994 en 1 november 1994 niet verantwoord was. De Raad heeft onvoldoende medische gegevens in het dossier aangetroffen op grond waarvan aan de juistheid van de eensluidende conclusie van de deskundigen zou moeten worden getwijfeld. Een en ander betekent dat gedaagde een voorzienbaar risico op hernieuwde uitval op zich heeft genomen.

2.15.4 In het voorgaande ziet de Raad genoegzaam steun voor het oordeel dat appellant door te doen hetgeen van hem als werknemer ook in het kader van de sociale werknemersverzekeringen wordt verlangd, te weten gevolg geven aan de in het bestreden besluit besloten liggende geschiktverklaring voor zijn eigen werk door in het kader van zijn dienstbetrekking weer volledig te hervatten, psychisch is gedecompenseerd. Gesteld noch gebleken is dat in dit geval een oorzaak van de uitval gelegen is aan de zijde van de werkgever.

2.15.5 Op grond van de in de voorgaande overwegingen genoemde omstandigheden komt de Raad, met name gelet op de aard en strekking van het vernietigde besluit en op de aard van de schade, tot de conclusie dat er een zodanig verband is tussen de gevorderde schadeposten en het onrechtmatige besluit, dat deze schade aan gedaagde moet worden toegerekend.

2.16 Voor zover gedaagde beoogd heeft een beroep te doen op eigen schuld van appellant doordat hij bij de werkhervatting te snel van stapel is gelopen, wijst de Raad dit beroep af. Nu uit het in hoger beroep uitgebrachte rapport van de deskundige Offermans blijkt dat dit aspect slechts een zeer geringe factor is in het totale schadeveroorzakend handelen, rechtvaardigt dit reeds hierom niet de conclusie dat (een gedeelte van) de schade voor rekening van betrokkene behoort te blijven. In het voorgaande ligt besloten dat niet van belang is of appellant pas per 1 november 1994 zijn werkzaamheden is gaan uitbreiden, zodat aan de bewijsopdracht van de rechtbank voor de beslechting van het geschil geen betekenis toekomt.

2.17 Zoals in het voorgaande door de Raad is overwogen, is appellant ten gevolge van besluit 2 in februari 1995 psychisch gedecompenseerd. De Raad acht op grond van de gedingstukken, waaronder eerdergenoemde rapporten van de door de Raad ingeschakelde deskundigen aannemelijk dat de decompensatie van appellant van zodanige ernst is dat gesproken moet worden van geestelijk leed dat als aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b BW moet worden aangemerkt. De Raad zal bij deze uitspraak (nog) geen bedrag ter vergoeding van immateriële schade toewijzen, aangezien de Raad terzake over onvoldoende aanvullende informatie beschikt, met name over de ernst en duur van de psychische gevolgen.

2.18 Appellant stelt door het ten gevolge van zijn psychische decompensatie in februari 1995 geleden verlies van zijn vermogen om halve dagen te werken, inkomensschade te hebben geleden. Zo mocht worden vastgesteld dat het op 25 februari 1995 ingetreden verlies van zijn vermogen om halve dagen te werken tot inkomensschade heeft geleid, dient dit, gelet op het hiervoor overwogene aan gedaagde als gevolg van besluit 2 te worden toegerekend.

2.19 Met betrekking tot (de omvang van) beide schadeposten moeten partijen zich nog nader uitlaten. Met het oog hierop zal het onderzoek, in aanmerking genomen artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), worden heropend. Appellant wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt ter zake hiervan te concretiseren. Vervolgens krijgt gedaagde gelegenheid hierop te reageren.

2.20 Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, niet in stand kan blijven.

2.21 De Raad ziet aanleiding om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 4,68 aan reiskosten en € 1.127,-- voor verleende rechtsbijstand (repliek, schriftelijke inlichtingen en drie maal bijwonen getuigenverhoor) in eerste aanleg. De tot op heden gemaakte proceskosten in hoger beroep worden begroot op € 21,48 aan reiskosten en € 966,-- voor verleende rechtsbijstand (beroepschrift, repliek en schriftelijke zienswijze na deskundigenbericht).




3. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

3.1 Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
3.2 Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de schadevergoeding;
3.3 Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van de proceskosten van appellant, tot op heden begroot op een bedrag groot
€ 2.119,16, te betalen door het Uwv;
3.4 Verstaat dat het Uwv aan appellant het gestorte recht van € 72,60 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpenning als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpenning.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x