Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AT5278
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Overschrijding van de uitspraaktermijn. Horen in bezwaar. Is er sprake van een periode van onafgebroken arbeidsongeschiktheid gedurende 52 weken?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2344 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen.

Bij besluit van 22 november 1999 heeft gedaagde onder andere de volgende beslissing gegeven: "Uit het onderzoek van onze verzekeringsarts alsmede de arbeidsdeskundige is gebleken dat na 1 april 1990 en tot 20 maart 1996 geen periode van 52 weken aan te wijzen is gedurende welke u onafgebroken arbeidsongeschikt bent in de zin van de AAW/WAO. Daarom wordt u geen uitkering AAW/WAO na 1 april 1990 toegekend. "

Gedaagde heeft het door mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amsterdam, namens appellante tegen dit onderdeel van evengenoemd besluit ingestelde bezwaar, na doorzending aan gedaagde ter behandeling als zodanig door de rechtbank Amsterdam op 31 juli 2001 van het bij haar ingestelde beroep, bij besluit van 10 juli 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft het door de gemachtigde van appellante ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen door gedaagde op het bezwaar van appellante van 21 december 1999 bij uitspraak van 18 april 2003, reg.nr. AWB 01/4515 WAO, niet-ontvankelijk verklaard en bij deze uitspraak voorts het beroep tegen het besluit van 10 juli 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent vergoeding aan appellante van griffierecht en proceskosten.

De gemachtigde van appellante heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden, met bijlagen, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 maart 2003, waar voor appellante haar gemachtigde is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.A.H. Smithuyzen, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het hoger beroep van appellante alleen is gericht tegen de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij haar beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres en gedaagde als verweerder zijn aangeduid, de voor de oordeelsvorming in dit geding van belang zijnde feiten, voorafgaand aan het nemen van het hier aan de orde zijnde onderdeel van het besluit van 22 november 1999 met juistheid als volgt weergegeven:

"Eiseres, geboren op [geboortedatum], is op 24 februari 1987 wegens reumatische en bronchiale klachten uitgevallen voor haar werk als schoonmaakster, gedurende 40 uur, in dienst van [werkgever] Aan eiseres is, na procedures bij de toenmalige Raad van Beroep te Amsterdam, waarbij zij is onderzocht door de huisartsdeskundige Van Aalderen en de psychiater A.T.M. Besamusca-Ekelschot, met ingang van 25 februari 1988 een uitkering in het kader van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Na een medische en arbeidskundige herbeoordeling heeft verweerder bij besluit van 2 maart 1990 de AAW/WAO-uitkering van eiseres met ingang van 1 april 1990 ingetrokken. Het hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, bij uitspraak van 26 augustus 1992 ongegrond verklaard, waarna het door eiseres ingestelde hoger beroep door de Centrale Raad van Beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Eiseres heeft geen verzet ingesteld.

Naar aanleiding van een door eiseres ingezonden meldingsformulier arbeidsongeschiktheid heeft verweerder bij besluit van 11 november 1996 aan eiseres meegedeeld dat niet wordt teruggekomen op het besluit van 2 maart 1990.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 27 mei 1999 is het door eiseres tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat verweerder nog wel dient te bezien of eiseres in enige periode gelegen na 1 april 1990 opnieuw arbeidsongeschikt is geworden.

In verband met het uitblijven van een besluit hieromtrent heeft eiseres bezwaar ingesteld. Bij besluit van 22 november 1999 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard voor zover dat ziet op het niet nemen van een besluit op de aanvraag van eiseres. Voorts heeft verweerder eiseres meegedeeld dat is besloten aan haar geen uitkering toe te kennen omdat tussen 1 april 1990 en 20 maart 1996 geen periode van 52 weken is aan te wijzen gedurende welke eiseres onafgebroken arbeidsongeschikt is in de zin van de AAW/WAO."

Na het nemen van het besluit van 22 november 1999 heeft de bezwaarverzekeringsarts J.H. de Bruine in zijn rapport van 13 november 2001 op basis van de beschikbare medische gegevens van de KNO-arts van 6 april 1990 en 28 april 1995 en de longarts van 9 februari 1994, alsmede op basis van het rapport van de verzekeringsarts van 21 maart 1996 geconcludeerd dat er in de periode van 1 april 1990 tot 20 maart 1996 geen periode is aan te wijzen waarin appellante 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt zou zijn geweest. Vervolgens heeft gedaagde het rapport van De Bruine en het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen van 2 januari 2002 bij brief van 21 januari 2002 aan de gemachtigde van appellante toegezonden met het verzoek gedaagde in kennis te stellen of hij dan wel appellante gebruik wil maken van de mogelijkheid om te worden gehoord. In het bestreden besluit heeft gedaagde aangegeven dat de gemachtigde van appellante op 31 januari 2002 liet weten het bezwaar niet mondeling op een hoorzitting te willen toelichten. In het bestreden besluit wordt voorts vermeld dat de gemachtigde van appellante naar aanleiding van de toezending aan hem van de rapporten van De Bruine en Hogeveen op 25 januari 2002 nog aanvullende bezwaargronden, vergezeld van gegevens van de behandelend sector, heeft ingediend. Gedaagde heeft voorts bij het bestreden besluit gevoegd de reactie op de nadere bezwaargronden van de Bruine van 18 februari 2002 en de bezwaararbeidsdeskundige E.F. Couvreur van 25 februari 2002. De Bruine heeft de (nadere) informatie uit 1996 van de huisarts, de longarts en de psychiater in essentie weergegeven en geconcludeerd dat deze geen aanleiding geven zijn eerdere conclusie te wijzigen. De Bruine is voorts nog in het bijzonder ingegaan op in die informatie vermelde verminderde knijpkracht van appellante met de vaststelling dat ter zake niet is gebleken van een onderliggend substraat ter bevestiging daarvan.

In beroep heeft de gemachtigde van appellante gesteld dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Indien appellante, aldus de gemachtigde, er van op de hoogte zou zijn geweest dat De Bruine en Couvreur nog zouden reageren, zou zij er niet van hebben afgezien het bezwaar op een hoorzitting toe te lichten. Voorts is volgens de gemachtigde de medische beoordeling onzorgvuldig geweest, nu met de verwijzing door De Bruine naar het rapport van de verzekeringsarts van 21 maart 1996 moet worden vastgesteld dat voor het nemen van het besluit van 22 november 1999 geen medische beoordeling heeft plaatsgevonden. De gemachtigde heeft verder nog een aantal medische producties overgelegd, waaronder de door De Bruine in zijn rapport van 18 februari 2002 besproken medische informatie van de huisarts en de longarts uit 1996. Volgens de gemachtigde heeft De Bruine niet alle in bezwaar overgelegde medische informatie besproken. Zo was er in het beperkingenpatroon van 27 april 1989, dat ten grondslag lag aan de afschatting met ingang van 1 april 1990 nog geen beperking opgenomen ten aanzien van het hand- en vingergebruik, was appellante ook in januari 1994 onder behandeling van de longarts en was appellante van 1 tot en met 9 februari 1995 opgenomen in verband met een ernstige exacerbatie van haar CARA.

Gedaagde heeft in zijn verweerschrift in eerste aanleg aangegeven dat appellante heeft afgezien van de mogelijkheid om te worden gehoord en dat De Bruine, ook al heeft hij niet alle in bezwaar overgelegde medische stukken expliciet besproken voldoende rekening heeft gehouden met de longklachten van appellante.

De rechtbank heeft geoordeeld dat, nu appellante desgevraagd heeft afgezien van de mogelijkheid om in bezwaar te worden gehoord, het feit dat door De Bruine en Couvreur nog aanvullend is gereageerd op nadere door appellante overgelegde medische stukken, niet meebrengt dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:2 van de Awb is genomen. De rechtbank heeft voorts aangegeven dat de medische informatie uit 1996 van de huisarts, de longarts en de behandelend psycholoog en psychiater De Bruine geen aanleiding heeft gegeven om te concluderen dat sprake was van zo wezenlijke veranderingen in de medische situatie van appellante dat op grond daarvan zou moeten worden aangenomen dat in de hier aan de orde zijnde periode de voor appellante geldende beperkingen onafgebroken gedurende 52 weken zouden zijn toegenomen.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante de in eerste aanleg geformuleerde bezwaren in essentie herhaald. Voorts is aangevoerd dat de rechtbank de in artikel 8:66 van de Awb voorgeschreven uitspraaktermijn, welke in dit geval afliep op 11 maart 2003, heeft overschreden door eerst op 18 april 2003 in het openbaar uitspraak te doen. In verband hiermede heeft de gemachtigde verzocht om een forfaitaire schadevergoeding.

Wat dit laatste betreft overweegt de Raad in de eerste plaats dat de gemachtigde van appellante ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat appellante er op rekent dat de bestuursrechter zich houdt aan de in artikel 8:66 van de Awb gestelde termijn voor het doen van de uitspraak en dat haar grief niet ziet op de behandelingstermijn van de zaak door de bestuursrechter. De Raad overweegt voorts - onder verwijzing naar zijn uitspraak van 11 december 2003 (JB 2004,88) - dat de enkele overschrijding van evenbedoelde uitspraaktermijn op zichzelf niet leidt tot vernietiging van die uitspraak, nu de Awb deze termijn als een termijn van orde en niet als een fatale termijn heeft bedoeld. De Raad is verder van oordeel dat in dit geval de overschrijding van de in artikel 8:66 van de Awb genoemde termijn(en) niet zodanig is dat appellante daardoor in haar processuele belangen is geschaad. Dit laatste is overigens van de zijde van appellante ook niet gesteld. Het door appellante gedane verzoek om schadevergoeding in verband met deze overschrijding dient derhalve te worden afgewezen.

Met betrekking tot de grief van appellante dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:2 van de Awb is genomen, overweegt de Raad dat deze grief moet worden beoordeeld in het licht van hetgeen hij heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 januari 2002 (USZ 2002,107). Deze uitspraak is wat betreft de feiten welke ten grondslag liggen aan de daarin beoordeelde toepassing van artikel 7:2 van de Awb in essentie vergelijkbaar met het onderhavige geding. Ter zake stelt de Raad immers vast dat in beide zaken sprake is van een verklaring van de zijde van de betrokkene dat van het horen wordt afgezien en dat korte tijd nadien onder andere de bezwaarverzekeringsarts een (nader) rapport uitbracht. De Raad is ook thans, evenals in de uitspraak van 25 januari 2002, van oordeel dat noch de specifieke, op het horen in de bezwaarfase en het toezenden van stukken na dat horen toegespitste bepalingen in afdeling 7.2 van de Awb, noch de overige bepalingen in deze afdeling regelen dat, in het geval dat van het horen wordt afgezien, -strikt genomen - de verplichting voor gedaagde geldt het als een intern stuk aan te merken rapport van De Bruine van 18 februari 2002 ter reactie ter kennis van appellante te brengen. Een dergelijke verplichting valt naar het oordeel van de Raad ook niet te ontlenen aan het in artikel 3:2 van de Awb vervatte zorgvuldigheidsbeginsel dan wel aan hetgeen de beginselen van de goede procesorde, voor zover al van toepassing in de bezwaarprocedure, medebrengen. De Raad is immers van oordeel dat het rapport van De Bruine van 18 februari 2002 ten opzichte van de appellante eerder toegezonden stukken geen nieuwe feiten en/of omstandigheden bevat, welke tot een nadere of aanvullende standpuntbepaling van de zijde van appellante in de bezwaarfase noopte. De Raad is vervolgens van oordeel dat, voorzover al zou moeten worden geoordeeld dat het primaire besluit gebrekkig is te achten om reden dat het een medische beoordeling ontbeert nu De Bruine in de bezwaarfase verwees naar het rapport van de verzekeringsarts van 21 maart 1996, dit gebrek in de bezwaarfase genoegzaam is hersteld met de medische beoordeling door De Bruine in zijn rapport van 13 november 2001. In dit verband wijst de Raad op zijn vaste jurisprudentie dat de bezwaarprocedure bij uitstek de gelegenheid biedt tot herstel van een aan het primaire besluit ook wat betreft de medische beoordeling klevend gebrek.

Wat betreft de inhoudelijke kant van de zaak heeft de Raad geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. De Raad wijst er op dat De Bruine de beschikbare medische informatie in essentie heeft gewogen en dat deze informatie, ook voorzover deze niet uitdrukkelijk door hem is genoemd, geen aanknopingspunten biedt om de door gedaagde (en de rechtbank) overgenomen conclusie, dat in de hier aan de orde zijnde periode geen sprake is geweest van een periode van onafgebroken arbeidsongeschiktheid gedurende 52 weken, voor onjuist te houden. Ook de Raad is met De Bruine van oordeel dat ook de in de bezwaarfase overgelegde medische informatie uit 1996 voor een andersluidende conclusie geenszins aanleiding geeft.

Ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Awb is de Raad niet gebleken dat het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Adus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 april 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) H.H.M. Ho.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x