Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AT5893
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering AAW-uitkering. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijk medisch en arbeidskundig onderzoek.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/3621 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 23 maart 1998 heeft gedaagde geweigerd aan appellant per 29 januari 1997 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te kennen, overwegende dat appellant vanaf 1 februari 1996 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en overigens niet is voldaan aan de eis dat de mate van arbeidsongeschiktheid na afloop van die periode nog ten minste 25% moet bedragen.

Bij besluit van 24 december 1998 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 1998 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 augustus 2000, kenmerk 99/212 AAW, heeft de rechtbank Arnhem het beroep tegen het besluit van 24 december 1998 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juni 2002, kenmerk 00/4931 AAW, heeft de Raad die uitspraak vernietigd, het beroep tegen het besluit op bezwaar van 24 december 1998 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, zulks met bepalingen over proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de Raad overwogen dat, daar vanwege gedaagde is nagelaten een belastbaarheidspatroon op te stellen terwijl er wel sprake was van beperkingen, niet een deugdelijk arbeidskundig onderzoek naar het mogelijke verlies aan verdiencapaciteit ten gevolge van die beperkingen heeft kunnen plaatsvinden, zodat niet gezegd kan worden dat het besluit van 24 december 1998 berust op een deugdelijk medisch en arbeidskundig onderzoek.

Bij nieuw besluit op bezwaar van 26 mei 2003 heeft gedaagde geweigerd het besluit van 23 maart 1998 te herroepen.

Bij uitspraak van 24 mei 2004, kenmerk 03/1488 AAW, heeft de rechtbank Arnhem het beroep tegen het besluit van 26 mei 2003 ongegrond verklaard.

Tegen die uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 26 oktober 2004, ingediend en desgevraagd bij brieven van 7 en 13 januari 2005 stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 april 2005. Appellant is in persoon verschenen en werd bijgestaan door mr. L. van Etten, advocaat te Arnhem. Voor gedaagde is verschenen J.H. Nuyens, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Voor een uitvoerige uiteenzetting van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

Op 17 oktober 2002 heeft de bezwaarverzekeringsarts S. Gommers - nadat hij op basis van de voorhanden stukken was gekomen tot de conclusie dat appellant door zijn longaandoening is aangewezen op werkzaamheden zonder grote energetische inspanning, zonder forse krachtsinspanningen of piekbelastingen, bij voorkeur in een longvriendelijk milieu - een op de datum in geding (29 januari 1997, in aansluiting op het einde van de wachttijd van 52 weken) betrekking hebbend belastbaarheidspatroon met een enigermate arbitrair karakter opgesteld. Aan de hand van dat patroon is de bezwaararbeidsdeskundige J.K.J. Hettinga gekomen tot de in zijn rapport van 21 mei 2003 neergelegde conclusies dat appellant ongeschikt is voor zijn (maatgevende) eigen werk als zelfstandige in een internationaal transportbedrijf, dat het (naar het wettelijk minimumloon opgehoogde) maatmaninkomen lager is dan de op basis van de door Gommers in diens rapport van 4 februari 2003 besproken en geschikt geachte functies vastgestelde restverdiencapaciteit en dat appellant dus per 29 januari 1997 minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit op bezwaar van 26 mei 2003 is gedaagde in overeenstemming met de bevindingen van Gommers en Hettinga gekomen tot een weigering zijn besluit van 23 maart 1998 te herroepen.

Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit van 26 mei 2003 ongegrond verklaard. Wat de medische kant van de zaak betreft is de rechtbank gekomen tot de conclusie dat appellant geen nadere medische stukken heeft ingebracht ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij in medisch opzicht meer is beperkt, onder meer wat het aantal per dag te werken uren betreft, dan door gedaagde is aangenomen, dat zij zich dan ook kan verenigen met de door gedaagde aangenomen medische beperkingen van appellant en dat zij het niet noodzakelijk acht een onafhankelijke medische deskundige in te schakelen. Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft heeft de rechtbank appellants standpunt gehonoreerd dat de functie van vertegenwoordiger, vanwege het feit dat de actualiseringsdatum daarvan is gelegen n de datum in geding, buiten beschouwing moet blijven. Vervolgens heeft de rechtbank de eveneens aan appellant voorgehouden en door Gommers in diens rapport van 4 februari 2003 besproken en geschikt geachte (reserve)functie van chauffeur betonmixer in beschouwing genomen en geconcludeerd dat die functie evenzeer aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. Weliswaar leidt dat tot een wijziging van de resterende verdiencapaciteit op de datum in geding, maar aangezien die wijziging te klein is om een mate van arbeidsongeschiktheid van ten minste 25% te kunnen aannemen, heeft de rechtbank appellants beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar hetgeen hij in eerdere instanties naar voren heeft gebracht, gesteld dat hij in medisch opzicht meer is beperkt dan door gedaagde en de rechtbank is aangenomen. Wat zijn psychische gesteldheid betreft heeft hij daartoe gewezen op de brief van de hem toen behandelend psychiater M.J.A.J.M. Hoes van 4 februari 1998, waarin deze hem een patint met een uitgesproken neurastheen beeld noemt. Voorts heeft hij er in dat verband op gewezen dat, aangezien Gommers op 17 oktober 2002 is gekomen tot de conclusie dat hij is aangewezen op werkzaamheden zonder piekbelastingen, ten onrechte niet ook in het (retrospectief zonder nader medisch onderzoek van appellant) opgestelde belastbaarheidspatroon beperkingen op de aspecten werken onder tijdsdruk (28A) en dwingend werktempo (28B) zijn opgenomen. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn dan ook geen van alle geschikt, de functie van chauffeur betonmixer met name k niet, omdat die functie niet in een longvriendelijk milieu kan worden uitgeoefend, aldus appellant, die tot slot heeft aangedrongen op een door een onafhankelijke deskundige nader in te stellen medisch onderzoek.

De Raad overweegt als volgt.

De bezwaarverzekringsarts Gommers heeft voor appellant een op de datum in geding, 29 januari 1997, betrekking hebbend belastbaarheidspatroon vastgesteld. Hij heeft daarbij rekening gehouden met de beschikbare medische gegevens over de medische situatie van appellant op de datum in geding, afkomstig van eigen onderzoek door verzekeringsartsen alsook van appellants huisarts en diverse appellant behandelende medische specialisten. Gelet op die medische gegevens kan - mede gelet op het feit dat appellant zijn standpunt dat hij in medisch opzicht meer is beperkt dan in het belastbaarheidspatroon is opgenomen niet met enig nader medisch gegeven heeft onderbouwd - niet worden staande gehouden dat appellant in medisch opzicht meer is beperkt dan in dat patroon is aangegeven. Het medisch onderzoek heeft met de vereiste zorgvuldigheid plaatsgevonden, terwijl de conclusies naar behoren zijn gemotiveerd. Terecht heeft de rechtbank onvoldoende aanleiding gezien tot het instellen van een nader medisch onderzoek door een onafhankelijke deskundige.

Anders dan appellant meent, is - zoals ter zitting van de rechtbank vanwege gedaagde is uiteengezet - de conclusie van Gommers dat appellant is aangewezen op werkzaamheden zonder piekbelastingen terecht niet vertaald in psychische beperkingen met name wat de aspecten werken onder tijdsdruk en dwingend werktempo betreft, immers, het ging Gommers daarbij louter om de lichamelijke longproblematiek. Ook overigens is naar het oordeel van de Raad in de gedingstukken geen aanleiding te vinden om psychische beperkingen aan te nemen, met name niet op grond van het feit dat de behandelend psychiater Hoes melding heeft gemaakt van een uitgesproken neurastheen beeld. In dat verband heeft appellant verwezen naar de uitspraak van de Raad van 7 oktober 1998 (RSV 1999, 6), maar daarin kan de Raad appellant niet volgen, omdat niet is gesteld dat appellant lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis. Veeleer is bij appellant sprake van een bepaalde bijzondere persoonlijkheidsstructuur, die evenwel niet zonder meer pleegt te worden beschouwd als een ziekte of gebrek in de zin van de WAO.

Gegeven het vastgestelde belastbaarheidspatroon is niet in te zien dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet geschikt zijn voor appellant. Bij de door appellant bekritiseerde functie van chauffeur betonmixer tekent de Raad aan dat uit het overzicht verkorte functieomschrijvingen niet is af te leiden dat die chauffeursfunctie in een stoffig en dus longonvriendelijk milieu moet worden uitgeoefend. Het gaat daarbij om het laden, vervoeren en op bouwplaatsen storten van reeds met water gemengde betonmortel alsook het schoonspuiten met water van de mixer.

Aangezien, gelet op het vorenstaande, de aangevallen uitspraak niet voor vernietiging in aanmerking komt en geen aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, moet worden beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2005.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x