Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AU6188
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning AAW-uitkering met n jaar terugwerkende kracht. Is er sprake van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot verdergaande terugwerkende kracht?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5441 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. F.A. van den Berg, advocaat te Middelburg, op de daartoe bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank s-Gravenhage van 14 oktober 2003, reg.nr. AWB 02/2382 AAW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 oktober 2005, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Onder verwijzing naar het in de uitspraak van de Raad van 26 maart 2002, nr. 00/5393 AAW gegeven overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het navolgende.

Naar aanleiding van de aanvraag van 28 januari 1997, heeft gedaagde bij besluit van 3 december 1997 appellant met ingang van 1 augustus 1985 arbeidsongeschikt geacht in de zin van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en hem in verband met die arbeidsongeschiktheid met ingang van 28 januari 1996, een jaar voor de datum van aanvraag, een uitkering ingevolge de AAW toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft daarbij overwogen dat ten aanzien van appellant geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een verdere terugwerkende kracht van uitkering dan n jaar vr de aanvraag zouden kunnen rechtvaardigen.

Dit besluit heeft geleid tot een aantal bezwaar- en beroepsprocedures, onder andere met betrekking tot de vaststelling van de eerste dag van arbeidsongeschiktheid en de vraag of appellant in de referteperiode aan de inkomenseis voldeed.
Bij besluit op bezwaar van 12 juli 2000 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 28 januari 1996 een uitkering ingevolge de AAW toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft daarbij overwogen dat appellant met ingang van 1 januari 1982 (bedoeld is 1981) arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de AAW, maar dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de AAW, dat aanleiding geeft de uitkering toe te kennen met ingang van een datum gelegen meer dan een jaar voor de datum van de aanvraag.

Het tegen het besluit van 12 juli 2000 ingestelde beroep heeft de president van de rechtbank s-Gravenhage bij uitspraak van 22 september 2000, onder toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gegrond verklaard. De president heeft het besluit van 12 juli 2000 vernietigd voorzover het de ingangsdatum van de uitkering betreft en daarbij bepaald dat aan appellant een AAW-uitkering wordt toegekend met ingang van 1 januari 1982.

Gedaagde heeft tegen voormelde uitspraak van de president hoger beroep ingesteld. Bij zijn uitspraak van 26 maart 2002, nr. 00/5393 AAW, heeft de Raad genoemde uitspraak van de president vernietigd, voor zover deze betrekking heeft op het besluit van 12 juli 2000. De Raad heeft voorts het besluit van 12 juli 2000 vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de Raad. In de uitspraak heeft de Raad overwogen dat uit de ter beschikking staande gegevens is gebleken dat appellant voorafgaand aan de aanvraag van 28 januari 1997, eerder op 22 november 1989 bij gedaagdes rechtsvoorganger, een aanvraag om uitkering ingevolge de AAW heeft ingediend. Deze aanvraag heeft toen niet tot een toekenning van uitkering geleid, omdat appellant weliswaar arbeidsongeschikt werd geacht op 1 januari 1983 maar dit niet meer was op 31 december 1983. Het besluit van 12 juli 2000 heeft de Raad vernietigd omdat gedaagde, nu hij zich blijkens dit besluit op het standpunt heeft gesteld dat appellant sedert 1 januari 1981 doorlopend volledig arbeidsongeschikt is te achten, bij de uitleg van het begrip aanvraag als bedoeld in het tweede lid van artikel 25 van de AAW ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan de aanvraag van 22 november 1989.

Ter uitvoering van voornoemde uitspraak van de Raad heeft gedaagde het thans bestreden besluit van 30 mei 2002 genomen. Daarbij heeft hij onder handhaving van het argument dat geen sprake is van een bijzonder geval en uitgaande van een datum aanvraag op 22 november 1989, appellant met ingang van 22 november 1988 een AAW-uitkering toegekend.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen dit bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij achtte het onaannemelijk dat appellant niet eerder dan november 1989 in staat zou zijn geweest een aanvraag in te dienen en dat eisers psychische gesteldheid al die tijd in de weg zou hebben gestaan aan het op de hoogte raken of worden gebracht van een mogelijk recht op uitkering.

Appellant blijft in hoger beroep de mening toegedaan dat er sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 25 van de AAW. Zijns inziens doet zich een omstandigheid voor die vergelijkbaar is met die in de uitspraak van de Raad van 9 december 1992, gepubliceerd in RSV 1993, 97, in die zin dat bij appellant eerst op een laat tijdstip een duidelijk zicht is ontstaan op de ernst van zijn aandoeningen en de consequenties daarvan voor zijn arbeidsongeschiktheid in verband waarmee het verklaarbaar en aanvaardbaar is dat hij eerst geruime tijd na het intreden van zijn arbeids- ongeschiktheid een aanvraag om een AAW-uitkering heeft gedaan. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant verwezen naar diverse medische verklaringen in het dossier, te weten naar de brief van de psychiater prof. dr. F. Jesserun van 25 oktober 1990, die de diagnose psychopathie heeft gesteld; de brief van appellants huisarts, J.G. van der Veen, van 14 januari 1998, die verklaard heeft dat hij appellant kent met psychische klachten van verwardheid, concentratieverlies, huilbuien, vergeetachtigheid, zelfmoord gedachten en depressieve symptomen; de brief van de psychiater J. van Borssum Waalkes van 1 februari 1999, waarin deze verklaart dat appellant sinds 1981 in een depressief toestandbeeld is geraakt en gestoord gedrag is gaan vertonen en naar de rapportage van de verzekeringsarts J.P. Turenhout van 5 februari 1999, die geconstateerd heeft dat het, gezien het ernstige psychiatrische beeld, appellant niet is aan te rekenen dat hij niet eerder aanspraak op een AAW-uitkering heeft gemaakt.

De Raad overweegt als volgt.

In geding is de vraag of de aan appellant bij het bestreden besluit van 30 mei 2002 toegekende AAW-uitkering met ingang van een eerder tijdstip dan 22 november 1988 moet worden toegekend.

Ingevolge artikel 25 van de AAW kan de uitkering niet eerder ingaan dan n jaar voor de dag waarop de aanvraag werd ingediend. In bijzondere gevallen kan gedaagde daarvan met toepassing van het tweede lid van dit artikel afwijken. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad moet van een bijzonder geval in voornoemde zin worden gesproken indien de betrokken verzekerde ter zake van een verlate aanvraag redelijkerwijs gesproken niet geacht kan worden in verzuim geweest te zijn. Dit zal onder meer het geval zijn wanneer de verzekerde buiten staat was of in de onmogelijkheid verkeerde eerder een aanvraag in te dienen.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens geen toereikende grond bieden voor de conclusie dat er sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 25, tweede lid, van de AAW.

De Raad overweegt hierbij dat uit de beschikbare gegevens valt af te leiden dat appellant geruime tijd voor 1989 geacht moet worden te hebben begrepen althans te hebben kunnen begrijpen dat hij met wezenlijke psychische problemen te kampen had, die van invloed waren op zijn functioneren. Appellants huisarts heeft in zijn brief van 14 januari 1998 niet alleen aangegeven dat hij appellant sinds 1985 kent met psychische klachten, maar ook dat hij appellant enige keren naar de psychiater heeft verwezen. Uit de brief van de psychiater prof. dr. F. Jesserun blijkt dat appellant van 5 november 1987 tot 9 mei 1988 bij deze psychiater in behandeling is geweest. Appellant heeft voor zijn aanvraag in 1989 derhalve regelmatig artsen geconsulteerd en behandelingen ondergaan in verband met zijn klachten van psychische aard.

Voorts is de Raad van oordeel dat appellant ook geacht moet worden feitelijk in staat te zijn geweest tot het doen van een eerdere aanvraag. Er zijn geen medische gegevens voorhanden op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat appellant als gevolg van zijn aandoening bij voortduring buiten staat is geweest tot adequate behartiging van de eigen belangen, waaronder in dit verband moet worden begrepen het aanvragen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering bij gedaagde.
De Raad wijst er in dat verband op dat de psychiater Van Borssum Waalkes in zijn brief van 1 februari 1999 met betrekking tot de psychische klachten van appellant heeft verklaard dat deze zich vanaf 1981-1982 in wisselende mate voordeden. Voorts blijkt uit de stukken dat appellant vanaf 1981 werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht en dat hem in de periodes van 20 november 1980 tot 23 maart 1981, van 24 augustus 1981 tot 1 april 1982, alsmede van 19 april 1983 tot 1 september 1985 een bijstandsuitkering is toegekend, die hij dan ook moet hebben aangevraagd. Ook heeft hij zich blijkens de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 15 november 1990 frequent met parachutespringen beziggehouden. Al deze omstandigheden leiden tot de conclusie dat appellant in staat moet zijn geweest zich eerder tot gedaagde te wenden met een verzoek om een AAW-uitkering.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspaak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas, als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. C.W.J. Schoor, als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 november 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x