Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AU6442
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht AAW-uitkering geweigerd omdat betrokkene niet voldoet aan de inkomenseis?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2632 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 april 2003, nr. 02/1351 AAW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 oktober 2005, waar voor appellante is verschenen P.J. Reeser voornoemd, terwijl voor gedaagde is verschenen J.G.M. Huijs, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Appellante, geboren [in] 1947, heeft bij brief van 29 mei 1999 aangegeven in aanmerking te willen komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Zij heeft daarbij gewezen op haar klachten ten gevolge van SLE en een acute reuma-aanval op 18-jarige leeftijd. Zij heeft aangegeven dat zij sinds 10 mei 1994 geheel arbeidsongeschikt is. Appellante is op 27 september 1999 gezien door de verzekeringsarts A.J.E.M. Leurs. Hij rapporteert op 9 mei 2000. Deze rapportage steunt onder meer op een gespreksnotitie van J. Steeghs ter zake van een huisbezoek aan appellante, gedateerd 29 februari 2000. Leurs rapporteert dat appellante van 1961 tot 1972 fulltime heeft gewerkt als modinette. Vanaf 1972 werkte zij voor 50% van de gebruikelijke werktijd als productiemedewerkster (vouwen van papier). Volgens appellante gebeurde dit op advies van haar huisarts. Door zwangerschapsgerelateerde klachten heeft appellante begin 1974 zeven weken verzuimd. In maart 1974 is een zoon geboren. Na de bevalling heeft appellante zeven weken zwangerschapsverlof gehad, waarna zij hersteld is verklaard. Nadien heeft zij geen betaalde arbeid meer verricht. In 1975 is appellante langere tijd bedlegerig geweest. Uiteindelijk bleek er sprake van hartklachten. Medio 1982 zijn de eerste aanwijzingen voor het bestaan van SLE gesignaleerd. In 1984 en in 1987 heeft appellante een vervoersvoorziening aangevraagd. Deze verzoeken zijn afgewezen. De laatste afwijzing is in beroep, na onderzoek door een deskundige, bevestigd. In december 1993 heeft appellante opnieuw een vervoersvoorziening aangevraagd. Deze aanvraag is (deels) toegewezen.
Leurs concludeert dat er in 1974 geen duurzame aanleiding heeft bestaan voor een beperking van de werkzaamheden tot 50% van de gebruikelijke arbeidsduur. Arbitrair kan worden geconcludeerd dat ingaande 20 februari 1984 zware fysieke arbeid voor appellante niet meer haalbaar was. Door hem wordt een belastbaarheidspatroon per die datum opgesteld. Eind 1993 waren de klachten van appellante behoorlijk toegenomen. Ook ten aanzien van die datum wordt de belastbaarheid vastgesteld.
Ten aanzien van de mogelijkheid van een uitkering als jeugdgehandicapte kan, aldus Leurs, gesteld worden dat appellante van 1961 tot 1974 volledig heeft gewerkt. Hiermee lijkt zij te hebben aangetoond dat zij op haar 18e verjaardag niet arbeidsongeschikt was.
Arbeidsdeskundige A.P.M. Mewiss concludeert, na raadpleging van het FIS, dat appellante met ingang van 18 februari 1985 volledig arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 16 mei 2001 is aan appellante een AAW-uitkering met ingang van genoemde datum geweigerd omdat zij niet voldoet aan de inkomenseis.

In bezwaar is namens appellante aangevoerd dat zij jeugdgehandicapte is. Reeds op kinderleeftijd maakte zij een acuut reuma door, met als gevolg een lekkende hartklep. Door gedaagde is buiten beschouwing gelaten dat appellante in de periode 1961 tot 1974 kan hebben gewerkt tot schade van haar gezondheid.

De bezwaarverzekeringsarts K.L. Tetelepta-Tan concludeert in een rapportage van 24 april 2002 dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Wel wordt nog informatie opgevraagd bij de huisarts. Op 21 augustus 2001 rapporteert de bezwaarverzekeringsarts, na bestudering van de zeer uitgebreide correspondentie van de specialisten, dat er in 1964 geen consulten bekend waren bij de huisarts. De verdenking van hartkleplijden sinds 1975 is in 1997 ontzenuwd. Verdenking op SLE bestond sinds 1973; een diagnose is echter nooit definitief gesteld. In 1987 stelde de reumatoloog Huber-Bruining zelfs dat er geen SLE bestond. Geconcludeerd wordt dat de gekozen eerste arbeidsongeschiktheidsdag redelijk is.

Bij besluit van 21 november 2002 is het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep is namens appellante onder meer naar voren gebracht dat de inmiddels bij appellante erkend bestaande zeer ernstige medische klachten in retrospectief dienen te worden bezien.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellante primair aangevoerd dat zij als jeugdgehandicapte dient te worden aangemerkt. Aangekondigd wordt dat te dien aanzien nadere gegevens in het geding gebracht zullen worden. Opgemerkt wordt verder dat het feit dat appellante tussen 1961 en 1974 fulltime heeft gewerkt niet zonder meer onaannemelijk maakt dat zij toen niet arbeidsongeschikt was. Appellante heeft destijds met vallen en opstaan en met aanzienlijk ziekteverzuim gewerkt. Het was destijds gangbaar dat al dan niet volledig arbeidsongeschikten decennia lang arbeidsongeschikt werden bevonden, maar niettemin werkten, waarbij de inkomsten uit die werkzaamheden werden geanticumuleerd.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt vast dat in de gedingstukken geen steun is te vinden voor de stelling dat appellante als jeugdgehandicapte dient te worden aangemerkt. De door de gemachtigde van appellante in het beroepschrift aangekondigde gegevens zijn niet in het geding gebracht. De Raad voegt hieraan toe dat het gebrek aan gegevens en eventuele onduidelijkheid omtrent de medische situatie van een betrokkene in een geval als het onderhavige waarin jaren na dato een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt aangevraagd, in beginsel, en ook in dit geval, voor risico van betrokkene komt. De Raad merkt nog op dat appellante reeds ruim voor haar zeventiende jaar fulltime in loondienst is gaan werken en dat zij daarna jarenlang fulltime werkzaam is gebleven.

De Raad concludeert dat gedaagde met recht aan appellante een arbeidsongeschiktheidsuitkering als jeugdgehandicapte heeft ontzegd.
Ten aanzien van het intreden van arbeidsongeschiktheid na het 17e levensjaar van appellante merkt de Raad op dat de gedingstukken weliswaar aannemelijk maken dat appellante in de zeventiger jaren meerdere malen arbeidsongeschikt is geweest, maar niet voldoende aannemelijk is geworden dat die arbeidsongeschiktheid onafgebroken (met onderbrekingen van minder dan vier weken) 52 weken heeft geduurd. Ook hier geldt dat het risico van het onvoldoende komen vast te staan van appellantes stellingen, gezien het tijdsverloop, op appellante rust. Appellantes bewering dat zij in 1972 haar werkzaamheden op advies van de huisarts met 50% heeft verminderd is niet met bewijsmiddelen onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de gestelde arbeidsongeschiktheid na afloop van het dienstverband in 1974. Vast staat slechts dat appellante, na haar zwangerschap begin 1974, hersteld is verklaard. De Raad ziet dan ook geen aanleiding de op 20 februari 1984 vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag in twijfel te trekken.

Gedaagde heeft, op basis van deze eerste arbeidsongeschiktheidsdag, de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van 18 februari 1985 vastgesteld op 80 tot 100%. Niet in geschil is dat appellante op de vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet als werknemer in de zin van de WAO kan worden aangemerkt. Gesteld noch gebleken is dat appellante in het jaar voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag inkomsten uit arbeid heeft genoten. Het bestreden besluit, waarbij aan appellante bij einde wachttijd een arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontzegd rust, naar het oordeel van de Raad, dan ook op goede gronden.

Het hoger beroep is vergeefs ingesteld.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Derhalve moet als volgt worden beslist.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2005.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x