Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AV4229
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Overschrijdt de belasting van diverse functies de vastgestelde belastbaarheid? Zijn er voldoende functies passend overeenkomstig het geldende Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/984 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 januari 2004, nummer 02/1460 AAWAO 258, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Cornelisse, voornoemd, en waar gedaagde - met voorafgaand bericht - niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant was werkzaam als productiemedewerker. Hij is op 2 januari 1990 en laatstelijk op 18 maart 1996 uitgevallen met lagerugklachten. Appellant ontving sedert 3 januari 1991 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en met ingang van 1 februari 1992 zijn ingetrokken. Bij besluit van 26 september 1996 zijn naar aanleiding van appellants ziekmelding op 18 maart 1996 aan appellant uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO geweigerd, onder overweging dat appellant, na afloop van de verkorte wettelijke wachttijd van 4 weken, op 14 april 1996 minder dan 25 respectievelijk 15% arbeidsongeschikt was. De rechtbank Zutphen heeft bij uitspraak van 10 februari 1999, nummers 96/1775 AAWAO en 96/1776 ZW, het door appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft de Raad vervolgens bij uitspraak van 17 april 2001, nummer 99/1578 AAW/WAO, de aangevallen uitspraak vernietigd, het beroep tegen het besluit van 26 september 1996 alsnog gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Voorts heeft de Raad gedaagdes rechtsvoorganger opgedragen een nader besluit te nemen met inachtneming van zijn uitspraak. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft gedaagde opnieuw appellants aanvraag om uitkering ingevolge de AAW en de WAO bezien en op 20 februari 2002 andermaal geweigerd hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen, eveneens onder overweging dat appellant, na afloop van de wachttijd van 4 weken, op 14 april 1996 minder dan 25 respectievelijk 15% arbeidsongeschikt was. Namens appellant heeft mr. Cornelisse, voornoemd, tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 september 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard. Hij heeft daarbij, gelet op de uitspraak van de Raad, geen aanleiding gezien de medische kant van het bezwaar van appellant in de heroverweging te betrekken, waarbij gedaagde niet onvermeld liet dat appellant tijdens de op 9 juli 2002 gehouden hoorzitting heeft verklaard dat zijn medische situatie sedert 1996 niet is veranderd. Gedaagde heeft daarnaast bezien of de aan appellant voorgehouden functies op de in geding zijnde datum in het functie informatie systeem (FIS) voorkwamen en of zij, gelet op de in sommige functies voorkomende overschrijdingen van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, als passend zijn aan te merken. Gedaagde heeft een aantal functies vanwege de daarin voorkomende overschrijdingen laten vervallen, maar is van oordeel dat er voldoende functies resteren om de onderhavige schatting op te baseren, nu de daarin voorkomende zogenoemde asterisken door de verzekeringsarts van een zodanige toelichting zijn voorzien dat de functies voor appellant geschikt kunnen worden geacht. De rechtbank heeft bij de in rubriek I vermelde uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Nu de Raad in zijn hiervoorvermelde uitspraak van 17 april 2001 expliciet het voor appellant geldende belastbaarheidspatroon van 11 september 1996 heeft onderschreven, heeft gedaagde naar het oordeel van de rechtbank terecht aan het bestreden besluit genoemd belastbaarheidspatroon ten grondslag gelegd. Voorts zijn, aldus de rechtbank, in het onderhavige geval de overschrijdingen van appellants belastbaarheid in de hem geduide functies van de zijde van gedaagde genoegzaam gemotiveerd De rechtbank heeft ook overigens geen aanknopingspunten gevonden om het bestreden besluit voor onjuist te houden.

In hoger beroep is namens appellant naar voren gebracht dat de in 1998 door de rechtbank ingeschakelde orthopedisch chirurg S. Bouwer als zijn oordeel gaf dat appellant op de in geding zijnde datum in feite niet voor hervatting in enig werk in aanmerking kwam maar wel voor nader medisch onderzoek. Appellant blijft van mening dat gedaagde, slechts onder verwijzing naar ’s Raads uitspraak, onvoldoende gemotiveerd en ten onrechte aan de opvatting van Bouwer voorbij is gegaan. Verder heeft appellant aangevoerd dat de in tweede instantie geduide functies zijn belastbaarheid te boven gaan en betwist hij dat de in die functies voorkomende overschrijdingen zijdens gedaagde genoegzaam zouden zijn gemotiveerd.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Op grond van het volgende beantwoordt de Raad deze vraag, anders dan de rechtbank, ontkennend.

Wat betreft het medische aspect van de in geding zijnde beoordeling overweegt de Raad dat de rechtbank op juiste gronden heeft overwogen dat de Raad expliciet het belastbaarheidspatroon heeft onderschreven. Na de bekendmaking van die uitspraak zijn ook geen medische gegevens in geding gebracht die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding. Daarmee staat de medische kant van de zaak in rechte vast.

Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de onderhavige schatting overweegt de Raad het volgende.

Zoals blijkt uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J.R. Henninger van 15 augustus 2002 blijven uiteindelijk van de per de datum in geding, 14 april 1996, geldende arbeidsmogelijkhedenlijst ten behoeve van appellant de volgende functies over:
- inpakker koekjes, functiebestandscode 9717, 30 arbeidsplaatsen;
- meubelspuiter, functiebestandscode 8112, 8 arbeidsplaatsen;
- samensteller, functiebestandscode 8463, 40 arbeidsplaatsen;
- gordijnnaaier, functiebestandscode 7969, 28 arbeidsplaatsen;
- stikker meubelbekleding, functiebestandscode 7964, 7 arbeidsplaatsen;
- confectiestikker, functiebestandscode 7952, 33 arbeidsplaatsen;
- bediener stikautomaten schoeisel, functiebestandscode 8030, 13 arbeidsplaatsen.

Blijkens de bij die functies behorende zogeheten verwoordingen functiebelasting, gedateerd 14 april 1996, komen bij alle functies - met uitzondering van de functie stikker meubelbekleding - op diverse aspecten overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant voor. De Raad is van oordeel dat die overschrijdingen van de zijde van gedaagde niet alle genoegzaam zijn toegelicht. De Raad heeft hierbij in de eerste plaats op het oog de overschrijdingen ten aanzien van het onderdeel zitten in de functies samensteller, gordijnnaaier, confectiestikker en bediener stikautomaten schoeisel, omdat wat dit onderdeel betreft sprake is van een verdergaande belasting dan is aangegeven in het voor appellant vastgestelde belastbaarheidspatroon. In de laatstgenoemde functies is de belasting ten aanzien van het zitten immers als volgt omschreven: “Zitten gedurende vrijwel de gehele werkdag 1 uur aaneengesloten”. In het belastbaarheidspatroon van appellant is de zitbelasting daarentegen als volgt omschreven: “Zitten gedurende vrijwel de gehele werkdag een half uur aaneengesloten”. Ter motivering van de aanvaardbaarheid van bedoelde overschrijdingen heeft - naar de Raad aanneemt - verzekeringsarts Van de Pol daarbij telkens met de hand alleen de woorden “geen bezwaar” op de desbetreffende verwoordingen functiebelasting aangetekend. Verder heeft de Raad op het oog de overschrijding ten aanzien van het onderdeel gebogen werken in de functie gordijnnaaier. In die functie is de belasting ten aanzien van het gebogen werken immers omschreven als volgt: “Gebogen werken gedurende ongeveer 4 uur per werkdag 5 minuten aaneengesloten”, terwijl de desbetreffende belasting in appellants belastbaarheidspatroon is omschreven als volgt: "Gebogen werken gedurende 2 uur per werkdag 5 minuten aaneengesloten”. Ook op de hier aan de orde zijnde verwoording functiebelasting heeft Van de Pol bij het onderdeel gebogen werken alleen “geen bezwaar” geschreven. Naar het oordeel van de Raad is hiermede onvoldoende, op de specifieke situatie van appellant toegesneden, gemotiveerd waarom ten aanzien van genoemde aspecten een verdergaande belasting dan vermeld in appellants belastbaarheidspatroon is toegestaan, zodat in elk geval niet is komen vast te staan dat de functies samensteller, gordijnnaaier, confectiestikker en bediener stikautomaten schoeisel voor appellant geschikt kunnen worden geacht.

Ook de conclusie van Henninger in zijn eerdervermeld rapport dat er bij de geselecteerde functies geen sprake is van een onacceptabele overschrijding van de voor appellant vastgestelde mogelijkheden tot het verrichten van arbeid en dat alle vermelde functiebestandscodes/functies zijn berekend naar de krachten en bekwaamheden van appellant acht de Raad, gezien in het licht van het vorenstaande en van hetgeen hij hieronder nog zal uiteenzetten, niet in voldoende mate onderbouwd. Met betrekking tot de in de functies inpakker koekjes en gordijnnaaier respectievelijk meubelspuiter voorkomende overschrijdingen ten aanzien van het onderdeel trappenlopen respectievelijk de onderdelen tillen en dragen merkt de Raad evenwel op dat deze geoordeeld kunnen worden te vallen binnen de in de jurisprudentie nog aanvaarde bandbreedte bestaande uit een lagere dan wel hogere frequentie in combinatie met een hogere dan wel lagere intensiteit van de belasting.

Gelet op het vorenstaande resteren er thans drie functies om de schatting te kunnen dragen, te weten de functies inpakker koekjes, meubelspuiter en stikker meubelbekleding. Ten aanzien van laatstgenoemde functie merkt de Raad evenwel op dat blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst van 14 april 1996 voor die functie enige ervaring in (meubel)naaiwerkzaamheden is vereist. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde niet aannemelijk gemaakt dat appellant aan die eis voldoet. De Raad is uit de gedingstukken ook niet gebleken dat appellant over de vereiste ervaring ter zake beschikt. De functie stikker meubelbekleding dient derhalve te vervallen.

Uit het vorenstaande volgt dat er slechts twee functies resteren. De Raad is van oordeel dat dit te weinig is in het licht van artikel 3, eerste lid, van het ten tijde in geding geldende Schattingsbesluit, dat verlangt dat de voor het bepalen van de resterende verdiencapaciteit in aanmerking te nemen arbeid dient te worden omschreven in de vorm van drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies waarmede het hoogste inkomen kan worden verworven en dat die functies tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen.

Het voorgaande leidt er toe dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen bedoeld besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, dienen te worden vernietigd.

Gedaagde dient ter zake van appellants aanspraken een nader besluit op bezwaar te nemen, zulks met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal
€ 1.288,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x