Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AV4230
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Betrokkene was normaal belastbaar en in staat de werkzaamheden behorend bij de functie productiemedewerker te verrichten.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1375 AAWAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. J.A. van Laar, advocaat te Woudenberg, op bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 30 januari 2004, onder reg.nr. 03/1561 AAWAO, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 3 januari 2006 is namens appellant een nader stuk toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Laar, voornoemd, en waar gedaagde, met voorafgaand bericht, niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant was werkzaam als productiemedewerker via een uitzendbureau. Op 12 december 1985 heeft hij zich ziek gemeld met hoofdpijnklachten. In verband daarmee is hem per 12 december 1986, onder meer, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Op 22 februari 1996 is appellant in verband met een verzoek tot remigratie naar Marokko onderzocht door verzekeringsarts E.M.E. van de Werf-Huysmans, die hem psychiatrisch heeft laten onderzoeken en een belastbaarheidspatroon heeft opgesteld. Vervolgens heeft verzekeringsgeneeskundige D.C.P. Sintnicolaas appellant geschikt geacht voor zijn eigen werk en zijn de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van appellant bij besluit van 20 mei 1997 per 20 juli 1997 ingetrokken. Deze beslissing is bij besluit op bezwaar van 12 januari 1999 gehandhaafd. De rechtbank heeft bij uitspraak van 26 juli 2000 het tegen het besluit van 12 januari 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 10 december 2002 voormelde uitspraak en het besluit van 12 januari 1999 vernietigd, omdat niet een op de belastbaarheid van appellant afgestemde arbeidskundige beoordeling had plaatsgehad. Nadat alsnog een arbeidskundig onderzoek had plaatsgehad, heeft gedaagde het bezwaar van appellant bij besluit van 2 juni 2003 (hierna: het bestreden besluit) wederom ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat hij als gevolg van zijn fysieke en psychische beperkingen tot geen enkele arbeid in staat is en was.

De Raad oordeelt als volgt.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de Raad in zijn voormelde uitspraak het medisch oordeel van gedaagde heeft onderschreven, zodat de medische onderbouwing niet meer ter discussie staat. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen. De Raad gaat bij de onderhavige beoordeling dan ook uit van de fysieke en psychische beperkingen zoals vastgelegd door de verzekeringsarts in het belastbaarheidspatroon van 22 februari 1996. Dat de psychische toestand van appellant na de datum in geding (20 juli 1997) mogelijk is verslechterd, kan aan het vorenstaande niet afdoen.

Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding het standpunt van gedaagde dat appellant met zijn beperkingen met ingang van 20 juli 1997 normaal belastbaar was en in staat was de werkzaamheden behorend bij de functie productiemedewerker te verrichten, niet te volgen. Blijkens de rapportage van 21 maart 2003 van de bezwaararbeidsdeskundige J.K.J. Hettinga betreft het licht productiewerk, dat wordt verricht door ongeschoolde hulpmedewerkers. Weliswaar waren de werkzaamheden die appellant voorafgaande aan zijn uitval verrichtte (het aanzetten van hengsels aan plastic emmers) ten tijde in geding niet meer voorhanden, maar de Raad acht voldoende aannemelijk dat routinematige werkzaamheden die qua aard en zwaarte te vergelijken zijn met het door appellante verrichte productiewerk ten tijde van belang binnen het desbetreffende bedrijf nog wel werden verricht.

Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in stand blijven. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en mr. Ch. van Voorst en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) P. van der Wal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x