Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AX8938
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzoek om herziening. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3302 AAW/WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 mei 2004, 03/83 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. P.A.M. Staal, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift, voorzien van een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie, gedateerd 9 september 2004, ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2006. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.P.J. Derksen.




II. OVERWEGINGEN


Appellante was laatstelijk werkzaam als modinette toen zij op 24 april 1989 uitviel wegens klachten aan de rechter pols en hand, later gevolgd door klachten aan de linker pols en hand. Bij besluit van 2 mei 1994 heeft het Uwv de uitkeringen van appellante ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 augustus 1994 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 25% respectievelijk 15% was.

Bij brief van 19 oktober 2001 heeft de toenmalige gemachtigde van appellante, mr. M.J. Klinkert, kantoorgenote van mr. Staal, voornoemd, aan de rechtsvoorganger van het Uwv verzocht om herziening met terugwerkende kracht van evengenoemd besluit van 2 mei 1994. Dit verzoek was gebaseerd op de rapportage van 29 mei 2001 van de plastisch chirurg dr. J.M.H.M. Borghouts, waarin deze concludeert dat er bij appellante zijn inziens geen sprake is van posttraumatische dystrofie, doch - naast een carpaal tunnelsyndroom (CTS) - van een compressie van de nervus radialis, ook bekend onder de naam "radial entrapment".

Bij besluit van 21 juni 2002 heeft het Uwv geweigerd aan het namens appellante gedane verzoek tegemoet te komen, onder overweging dat uit het onderzoek dat de stafverzekeringsarts P. van de Pol blijkens zijn rapport van 27 november 2001 had ingesteld naar aanleiding van genoemde rapportage van dr. Borghouts, niet is gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die, waren zij destijds reeds bekend geweest, tot een andere uitslag geleid zouden hebben. Namens appellante heeft mr. Staal, voornoemd, tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 december 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag de rapportage van 8 november 2002 van de bezwaarverzekeringsarts N.G.M. van Alst. Deze concludeert dat het oordeel over de beperkingen en mogelijkheden van appellante in de primaire fase van de besluitvorming voldoende is onderbouwd en dat in het bezwaarschrift geen nieuwe medische feiten of gegevens naar voren zijn gekomen die het oordeel met betrekking tot de beperkingen doen wijzigen.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft zich, nu het geding uitsluitend betrekking heeft op een verzoek om van een eerder genomen besluit terug te komen, onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de recente jurisprudentie van de Raad betreffende dat artikel, beperkt tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het Uwv daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. De rechtbank is van oordeel dat de door appellante overgelegde rapportage van dr. Borghouts als zodanig geen nieuw feit is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, maar dat uit een medische rapportage de aanwezigheid van een nieuw feit of van nieuwe feiten kan blijken. De rechtbank stelt vast dat in de door appellante overgelegde rapportage wel een andere diagnose is gesteld, maar dat er geen sprake is van wezenlijk andere gegevens ten aanzien van appellantes medische situatie dan waarmee de verzekeringsarts in 1994 reeds bekend was. De rechtbank volgt dan ook het Uwv in zijn standpunt dat in de genoemde rapportage niet de ingevolge artikel 4:6 van de Awb vereiste nieuwe feiten of omstandigheden naar voren komen. Naar het oordeel van de rechtbank was het Uwv dan ook bevoegd om, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, het verzoek van appellante af te wijzen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Appellante heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat de overgelegde rapportage van dr. Borghouts wel degelijk een nieuw feit in de zin van artikel 4: 6 van de Awb betreft en dat uit die rapportage nieuwe feiten blijken. Naar haar oordeel kan juist de nieuwe diagnose worden gezien als een wezenlijk ander gegeven, waaruit tevens andere beperkingen voortvloeien.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit een medische rapportage de aanwezigheid van een nieuw feit of nieuwe feiten in de zin van artikel 4:6 van de Awb kan blijken. De bezwaarverzekeringsarts Van Alst heeft in zijn rapport van 8 november 2002 op zorgvuldige wijze de rapportage van dr. Borghouts beoordeeld en diens bevindingen getoetst aan de in 1994 vastgestelde beperkingen van appellante. De conclusie luidt dat de beoordeling in de primaire fase van de besluitvorming om met terugwerkende kracht een heropening van de AAW- en WAO-uitkering per 1 augustus 1994 te rechtvaardigen op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat het oordeel over appellantes beperkingen en mogelijkheden voldoende is onderbouwd. Voorts concludeert Van Alst dat in het bezwaarschrift geen nieuwe medische feiten of gegevens naar voren zijn gekomen die het oordeel met betrekking tot die beperkingen doen wijzigen en dat er onvoldoende grond is om terug te komen van het medische oordeel, zoals neergelegd in de rapportage van de primaire verzekeringsarts H. Sistermans van 10 maart 1994.

Kritische beschouwing van het door Sistermans opgestelde belastbaarheidspatroon van 9 maart 1994, dat ten grondslag ligt aan het besluit van 2 mei 1994, laat zien dat er destijds op de relevante items duidelijk rekening is gehouden met een verminderde belastbaarheid. Zo heeft appellante onder meer beperkingen ten aanzien van staan (ter voorkoming van recidief lumbago), is zij ten aanzien van klimmen, klauteren en kruipen fors beperkt, zijn gebogen werken, buigen en torderen slechts beperkt mogelijk, is wringen etc. niet mogelijk en evenmin tillen, dragen, duwen en trekken rechts. Zij werd in 1994 nagenoeg als eenarmige beschouwd. De Raad is van oordeel dat gesteld kan worden dat de beperkingen, zoals die naar voren komen in evengenoemd belastbaarheidspatroon, ook zouden hebben gegolden als de door dr. Borghouts genoemde diagnose ten tijde van het opstellen van het belastbaarheidspatroon bekend was geweest. Het bestreden besluit is met de rapporten van Van Alst en van Debie naar het oordeel van de Raad voldoende gemotiveerd. Van de zijde van appellante zijn daar geen nadere relevante argumenten tegenover gesteld. Van gedaagdes besluit om niet terug te komen van zijn rechtens onaantastbaar geworden besluit van 2 mei 1994 kan aldus ook naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid daartoe heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x