Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AY3789
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-07-2006
Soort procedure: herziening
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het verzoek om herziening is niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig is betaald.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/6168 AAWAO




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met toepassing van artikel 17 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Awb op het verzoek van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 oktober 2003, 03/2087 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Op 7 oktober 2005 heeft de Raad een schrijven van verzoeker, gedateerd 21 augustus 2005 ontvangen. Dit schrijven is door de Raad aangemerkt als een verzoek om herziening.




II. OVERWEGINGEN


Op grond van artikel 22, eerste en zevende lid van de Beroepswet wordt van de indiener van het verzoek om herziening een griffierecht geheven.

Bij brief van 27 oktober 2005 is verzoeker erop gewezen dat hij een griffierecht van Ä103,- is verschuldigd, bij voorkeur te voldoen door middel van de daarbij gevoegde acceptgirokaart.

Bij aangetekende brief van 17 november 2005 is verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is hem meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na dagtekening van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort.
Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om herziening.

Bij brief van 15 december 2005, met bijlagen, heeft verzoeker de Raad meegedeeld dat het voor hem, vanwege zijn financiŽle
situatie, niet mogelijk is om het verschuldigde griffierecht van Ä103,- te voldoen.

In antwoord op dit schrijven heeft de Raad verzoeker bij aangetekend schrijven van 17 januari 2006 een uitstel van drie maanden na de dagtekening van laatstgenoemd schrijven verleend om het griffierecht te voldoen.
Daarbij is verzoeker erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om herziening.

Bij brief van 20 februari 2006 heeft verzoeker de Raad nogmaals gewezen op zijn financi
Žle situatie en heeft hij verzocht om vrijstelling te verlenen voor het voldoen van het griffierecht.

In verband met bovengenoemde brief heeft de Raad bij schrijven van 3 maart 2006 aan verzoeker meegedeeld dat aan het verzoek om vrijstelling te verlenen voor het voldoen van het griffierecht niet wordt voldaan. Voor het in behandeling nemen van het verzoek om herziening dient het verschuldigde griffierecht te zijn voldaan.
De Raad heeft verzoeker verwezen naar zijn brief van 17 januari 2006 waarbij hij in de gelegenheid is gesteld om alsnog binnen drie maanden na dagtekening van dit schrijven het verschuldigde griffierecht te voldoen en waarin is aangegeven dat hij er rekening mee moet houden dat overschrijding van die termijn kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om herziening.

De Raad stelt vast dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 17 januari 2006 gestelde termijn is ontvangen.

Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim is geweest, acht de Raad het verzoek om herziening kennelijk niet-ontvankelijk zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. Tersteeg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2006.
  
(get.) K.J.S. Spaas.
            
(get.) C. Tersteeg.




Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x