Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AY4878
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schadevergoeding naar oud burgerlijk recht. Wettelijk rente is eerst na aanmaning en ingebrekestelling verschuldigd.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3791 AAW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 juni 2004, 03/391 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 21 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Namens appellant is verschenen J. Liesting, werkzaam bij het Uwv. Betrokkene is verschenen bij gemachtigde mr. L.T.G. van Engelen, advocaat te Wageningen.




II. OVERWEGINGEN


Betrokkene heeft op 14 november 1988 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) aangevraagd. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij geheel arbeidsongeschikt is. De rechtsvoorganger van appellant heeft betrokkene bij besluit van 26 juli 1990 per 1 juli 1988 een AAW-uitkering geweigerd. De voormalige Raad van Beroep te Arnhem heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 26 juli 1990 bij beschikking van 15 oktober 1991 ongegrond verklaard.
Op 18 maart 1992 heeft betrokkene om heropening van zijn zaak verzocht. Dit heeft geleid tot het besluit van 5 april 1994 waarin bepaald is dat betrokkene wederom niet in aanmerking komt voor een AAW-uitkering. Het beroep hiertegen is door de rechtbank Arnhem bij uitspraak van 24 juni 1997 ongegrond verklaard. Het besluit van 5 april 1994 en de uitspraak van 24 juni 1997 zijn door de Raad vernietigd bij uitspraak van 20 juli 1999. Bij besluit van 7 augustus 2000 is aan betrokkene ingaande 1 juli 1988 een AAW-uitkering toegekend.

Betrokkene heeft verzocht om vergoeding van de schade in de vorm van wettelijke rente. Bij besluit van 20 augustus 2002 heeft appellant aan betrokkene medegedeeld dat het bepaalde in artikel 1286 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (oud) van toepassing is. Hieruit vloeit voort dat zonder een ingebrekestelling of een vordering in rechte geen recht op vergoeding van de wettelijke rente kan ontstaan. Appellant heeft echter uit coulance het (mondelinge) verzoek van betrokkene om vergoeding van de wettelijke rente als een ingebrekestelling aangemerkt en een bedrag van 563,58 vergoed. Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt. Betrokkene is van opvatting dat het Uwv hem de wettelijke rente vanaf 5 april 1994 dient te vergoeden. Dit bezwaar is bij besluit van 10 januari 2003 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de door betrokkene geleden schade niet veroorzaakt is door het besluit van 26 juli 1990, maar door het besluit van 5 april 1994, zodat de bepalingen omtrent de vergoeding van wettelijke rente uit het Nieuw Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn en voorafgaande ingebrekestelling en aanmaning niet zijn vereist.
Naar het oordeel van de rechtbank is appellant vanaf 1 mei 1994 wettelijke rente verschuldigd.

Appellant heeft zich hier niet mee kunnen verenigen en heeft in hoger beroep aangevoerd dat het besluit van 26 juli 1990 het onrechtmatig genomen en schade veroorzakend besluit is. Van dat besluit is immers door appellant teruggekomen, waarmee de onrechtmatigheid van dat besluit gegeven is. De door betrokkene geleden schade is door dit onrechtmatige besluit veroorzaakt. Zonder voorafgaande aanmaning en ingebrekestelling bestaat derhalve geen plicht de wettelijke rente te vergoeden.

Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene per 1 juli 1988 in een situatie verkeerde dat hij recht had op een door de rechtsvoorganger van appellant aan hem toe te kennen AAW-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 of meer.
Evenmin is in geding dat de rechtsvoorganger van appellant deze aanspraak bij besluit van 26 juli 1990 heeft miskend. Dat dit besluit ondanks het door betrokkene aanwenden van een rechtsmiddel in stand is gebleven, doet hieraan niet af.

Bij besluit van 7 augustus 2000 heeft appellant erkend dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens betrokkene en betrokkene alsnog per 1 juli 1988 in aanmerking gebracht voor een volledige AAW-uitkering.
Op grond hiervan is een verbintenis ontstaan tot vergoeding van de door betrokkene sedert 1 juli 1988 geleden schade, bestaande hieruit dat betrokkene pas later de beschikking heeft gekregen over de uitkering waarop hij recht had. Met betrekking tot hetgeen appellant als schade had te vergoeden - de wettelijke rente - is hij reeds vr 1 januari 1992 tekortgeschoten en is deze tekortkoming nadien voortgezet. Onder het oude recht ontstane tekortkomingen en schaden als deze worden op grond van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek door het oude recht beheerst.

Dat appellant, indien hij bij besluit van 5 april 1994 juist had gereageerd op het verzoek van betrokkene van 18 maart 1992, aanzienlijk eerder een einde had kunnen maken aan de sedert 1 juli 1988 bestaande onrechtmatige situatie, maakt dit niet anders.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat artikel 1286 van het BW (oud) van toepassing is, zodat wettelijke rente eerst na aanmaning en ingebrekestelling verschuldigd is.

Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt, dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x