Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AZ3908
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden WAO-besluit, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/4670 AAW/WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 juli 2004, 03/1645 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2006.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Walther voornoemd.
Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Appellant, die in het verleden heeft gewerkt in een kippenslachterij, heeft van 27 april 1990 tot 1 februari 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ontvangen naar en mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 15 mei 1993 is deze uitkering met ingang van 1 februari 1993 ingetrokken, omdat appellant niet langer arbeidsongeschikt werd geacht.
Appellant heeft nadien een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet en de Algemene bijstandswet ontvangen.

Op 29 september 1998 is appellant gaan werken bij de gemeente Maarssen, maar met ingang van 9 oktober 1998 is hij daar uitgevallen. Bij besluit van 17 juli 2001 is aan appellant per 8 oktober 1999 geen uitkering ingevolge de WAO toegekend, omdat de reeds bij aanvang van de verzekering op 29 september 1998 bestaande arbeidsongeschiktheid geheel en blijvend buiten aanmerking werd gelaten. Dit besluit was gebaseerd op een rapport van 4 juni 2001 van een verzekeringsarts van het Gak, die had vastgesteld dat sprake was van spanningsgerelateerde somatische klachten van het bewegingsapparaat bij onverwerkte eerdere traumata. De verzekeringsarts achtte de daaruit voortvloeiende beperkingen reeds vanaf 1998 aanwezig.

Op 6 september 2001 heeft appellants gemachtigde zich tot gedaagde gewend met een verzoek om gelet op voormeld verzekeringsgeneeskundig rapport terug te komen van het besluit van 15 mei 1993.

Bij besluit van 17 december 2002 heeft het Uwv dat verzoek afgewezen.

Bij besluit van 3 juni 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, daarbij onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad inzake artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overwegende dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De omstandigheid dat het medische dossier ter zake van het besluit van 15 mei 1993 niet meer was te reproduceren, heeft de rechtbank voor rekening en risico van appellant gelaten. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 14 mei 2004 (LJN AP1143) heeft de rechtbank daarbij met name van belang geacht dat appellant eerst 8 jaar na het besluit van 15 mei 1993 het onderhavige verzoek heeft ingediend.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daarin ten grondslag gelegde overwegingen.

Naar het oordeel van de Raad heeft bezwaarverzekeringsarts R.M. Vink in zijn rapport van 26 maart 2003 voormeld verzekeringsgeneeskundige rapport van 4 juni 2001 zorgvuldig geanalyseerd en op goede gronden geconcludeerd dat daarin geen melding wordt gemaakt van nieuwe medische feiten en/of omstandigheden. Dat de beoordeling in 2001 afweek van de in het verleden getrokken conclusie maakt dat standpunt nog niet tot een nieuw feit.

Inzake de bewaartermijn van medische dossiers volstaat de Raad met de opmerking dat appellants gemachtigde erkent dat het Uwv het dossier volgens de destijds geldende voorschriften tot 1999 diende te bewaren.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x