Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AZ4844
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden AAW-besluit, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/4979 AAW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 4 augustus 2004, 04/192 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Delescen heeft bij brief van 22 april 2005 een reactie van 19 april 2005 van de zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2006. Appellant is met bericht niet ter zitting verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.B. van der Werf-Lap.




II. OVERWEGINGEN


Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant “eiser” en het Uwv “verweerder” is genoemd, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

"Eiser was werkzaam als kelner bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats]. In oktober 1980 is hij voor deze werkzaamheden uitgevallen, als gevolg waarvan eiser een uitkering van ziekengeld ingevolge de Ziektewet is toegekend. Omdat na het bereiken van de maximale duur van deze uitkering het onderzoek nog niet was afgerond heeft verweerders rechtsvoorganger eiser met ingang van 18 september 1981 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (AAW en WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkeringen zijn met ingang van 1 februari 1982 ingetrokken, onder de overweging dat eiser met ingang van die datum in staat is zijn eigen werk als kelner te verrichten.

In augustus 1989 heeft eiser zich weer tot verweerders rechtsvoorganger gewend, waarbij hij aangegeven heeft sedert 1980 volledig arbeidsongeschikt te zijn in de zin van de AAW. In verband met deze melding is eiser onderzocht door de revalidatiearts Kockelbergh.
Verweerder heeft vervolgens als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 2 januari 1989 genomen, als gevolg waarvan eiser met ingang van 1 januari 1990 volledig arbeidsongeschikt in de zin van de AAW wordt beschouwd. Uitkering ingevolge deze wet is eiser bij beslissing van 12 juli 1990 geweigerd, onder de overweging dat eiser niet voldoet aan de in de AAW gestelde inkomenseis.
Het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep is door de toenmalige Raad van Beroep, na verrichte onderzoeken door de revalidatiearts Emmelot en de zenuwarts Van Zandvoort, ongegrond verklaard. Hierbij heeft de Raad van Beroep gesteld dat niet gebleken is van een onafgebroken periode van arbeidsongeschiktheid in de periode van 2 januari 1982 tot 2 januari 1989.
Het tegen deze uitspraak aangetekende hoger beroep is op 21 januari 1997 door de Centrale Raad van Beroep ongegrond verklaard.

Op 11 maart 1997 is verweerder namens eiser verzocht terug te komen op de beslissing van 12 juli 1990. Dit verzoek is op 29 december 1997 door verweerder afgewezen op de grond dat niet is gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden.
Het tegen dit besluit aangetekende bezwaar, alsmede het later ingestelde beroep bij deze rechtbank, is ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 december 2001 heeft de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Op 17 april 2003 heeft de gemachtigde van eiser verweerder wederom verzocht terug te komen op de beslissing van12 juli 1990, omdat er naar zijn mening sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden van medische aard. De gemachtigde van eiser heeft hierbij gewezen op het rapport d.d. 31 maart 2003 van A.M.A. Groot, zenuwarts-psychiater te Geleen, alsmede op het rapport d.d. 9 juni 2000 van dr. H.L.S.M. Busard, zenuwarts te Zwolle.

Naar aanleiding van dit verzoek heeft de sociaal geneeskundige C. Bodeutsch de namens eiser overgelegde rapportages beoordeeld."

Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 28 augustus 2003 besloten niet terug te komen van zijn besluit van 12 juli 1990, omdat uit onderzoek gebleken is dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat die beslissing onjuist zou zijn. Bij besluit van 19 januari 2004, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 augustus 2003 ongegrond verklaard.

Vervolgens heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank is, kort gezegd, van oordeel dat het rapport van de zenuwarts A.M.A. Groot niet kan worden gezien als een nieuw feit of omstandigheid als hiervoor vermeld.

In hoger beroep bestrijdt appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank.

Op grond van het volgende is de Raad, in navolging van de rechtbank, van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

Hetgeen van de zijde van appellant naar voren is gebracht ter onderbouwing van zijn opvatting dat het Uwv dient terug te komen van het eerdere besluit van 12 juli 1990, als hiervoor vermeld, kan niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

Het rapport van de zenuwarts Groot van 31 maart 2003 is weliswaar nieuw, maar kan op zichzelf genomen niet worden beschouwd als een nieuw feit of een veranderde omstandigheid in vorenomschreven zin. Een dergelijk rapport kan in beginsel wel zodanige feiten en omstandigheden bevatten, maar dat is hier niet het geval. De visie van Groot is immers niet terug te voeren op nieuw gebleken feiten of omstandigheden, maar berust uitsluitend op een nadere beschouwing en beoordeling door die arts van de reeds lang bekende feiten en omstandigheden. Ook ten aanzien van de hiervoor vermelde rapporten van 9 juni 2000 en 19 april 2005 van de zenuwarts Busard geldt dat deze niets anders bevatten dan een nadere medische visie op, dan wel een nadere interpretatie van, reeds bekende feiten en omstandigheden.

Gelet op het bovenstaande en mede in aanmerking nemende dat ook overigens niet is kunnen blijken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, moet worden geoordeeld dat het Uwv bevoegd was om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 12 juli 1990. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x