Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AZ5628
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-04-1997
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht bepaald dat de AAW-uitkering gezien betrokkenes - niet-duurzame - inkomsten uit arbeid onder toepassing van artikel 33 van de AAW met ingang van 1 augustus 1993 niet tot uitbetaling komt?
 
 
 

 

 
Uitspraak 95/7966 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING



Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank te Assen onder dagtekening 11 oktober 1995 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft D.A. Hollenga, werkzaam bij de Noordelijke Land- en Tuinbouw Organisatie te Assen, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 maart 1997, waar voor appellant is verschenen mr. H. de Rooij, werkzaam bij de Uitvoeringsinstelling GUO B.V., terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door D.A. Hollenga voornoemd.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.


Gedaagde, een zelfstandig veehouder, is op 25 januari 1988 een bedrijfsongeval overkomen. Appellant heeft hem in verband daarmee met ingang van 23 januari 1989 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Gedaagde heeft in 1989 zijn veestapel verkocht. Aansluitend is hij melkquotum en land gaan verhuren.

In afwijking van het advies van de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) heeft appellant aanvankelijk de gedragslijn gevolgd om op de uitkering van gedaagde geen korting toe te passen wegens onevenredige inkomsten in de zin van artikel 34 van de AAW (oud). Aan die gedragslijn lag ten grondslag dat een loonkundige schatting tengevolge van het ontbreken van juiste boekhoudkundige gegevens niet verricht kon worden en dat gedaagde gezien de rapportage van de arbeidsdeskundige van de GMD geen noemenswaardige prestatie in zijn bedrijf meer zou leveren.

Uit op 17 november 1993 van de fiscus ontvangen inlichtingen is appellant gebleken dat gedaagde over de jaren 1991 en 1992 fiscaal aangifte had gedaan van substantiŽle inkomsten uit onderneming. Appellant heeft daarin aanleiding gevonden voor het instellen van een nader onderzoek. Dit onderzoek heeft geresulteerd in het afgeven van het bestreden besluit van 30 augustus 1994.

Appellant heeft bij dit besluit bepaald dat gedaagdes uitkering gezien zijn - niet-duurzame - inkomsten uit arbeid onder toepassing van artikel 33 van de AAW met ingang van 1 augustus 1993 niet tot uitbetaling komt.

Appellant heeft tijdens de gedingvoering in eerste aanleg te kennen gegeven het bestreden besluit niet langer te handhaven, nu dit besluit ten onrechte uitgaat van een schatting van gedaagdes inkomsten, in plaats van gedaagdes feitelijke inkomsten, zoals deze blijken uit de boekhoudkundige gegevens over het boekjaar 1993/1994.

De rechtbank heeft het bestreden besluit reeds vanwege het feit dat het niet langer door appellant wordt gehandhaafd, vernietigd. Voorts heeft zij aan de door haar uitgesproken vernietiging ten grondslag gelegd haar oordeel dat de door gedaagde verworven inkomsten niet kunnen worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat gedaagde na de verkoop van zijn veestapel in 1989 geen werkzaamheden meer heeft verricht in zijn (voormalige) bedrijf nu hij zijn inkomsten heeft verworven door middel van de verhuur van zijn melkquotum en land.

Het hoger beroep van appellant beperkt zich tot laatstgenoemde overwegingen van de aangevallen uitspraak, alsmede tegen de veroordeling van appellant in de proceskosten van gedaagde.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad is allereerst van oordeel dat appellant in zijn beroep kan worden ontvangen nu de door hem bestreden overwegingen in de aangevallen uitspraak zijn aan te merken als een partijen bindend oordeel van de rechtbank.

Wat het materiŽle geschilpunt aangaat, overweegt de Raad dat naar vaste jurisprudentie, verwezen wordt naar onder meer 's Raads uitspraak gepubliceerd in RSV 1994/29, bij het beantwoorden van de vraag of een zelfstandige in zijn bedrijf arbeid heeft verricht, in beginsel doorslaggevende betekenis toekomt aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte keuze. Van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel kunnen rechtvaardigen is in het voorliggende geval niet gebleken.

Hiervan uitgaande stelt de Raad op grond van de gedingstukken vast dat gedaagde naar de fiscus toe heeft aangegeven winst uit onderneming te hebben verworven.

Voorts is voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat gedaagde deze winst uit onderneming heeft verworven door middel van het verrichten van arbeid. De Raad wijst er op dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad blijkt dat gedaagde zelf de belangrijkste beheers- en beleidsbeslissingen in zijn onderneming nam. Hij bepaalde telkenjare zelf met wie hij huurovereenkomsten met betrekking tot zijn land en melkquotum aanging en onder welke voorwaarden deze overeenkomsten werden aangegaan, daaronder mede begrepen de contractsduur. De Raad deelt dan ook niet de opvatting van de gemachtigde van gedaagde dat de inkomsten die met deze verhuur werden verkregen moeten worden aangemerkt als de opbrengst van vermogen. Dat gedaagde over het boekjaar 1993/1994 naar de fiscus toe geen beroep heeft gedaan op zelfstandigenaftrek kan aan het voorafgaande geen afbreuk doen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep in zoverre gegrond is. Nu de vernietiging van het bestreden besluit door appellant niet is bestreden, dient de aangevallen uitspraak onder verbetering van de gronden waarop deze berust te worden bevestigd.

De gemachtigde van gedaagde heeft aangevoerd dat het bij de aangevallen uitspraak vernietigde bestreden besluit evenmin in rechte stand kan houden omdat dit besluit - naar de Raad begrijpt - strijdig is met de rechtszekerheid. De gemachtigde heeft daartoe aangevoerd dat het korten van gedaagdes uitkering met terugwerkende kracht tot 1 augustus 1993 niet is toegestaan nu appellant ten aanzien van gedaagde tot dan toe steeds de gedragslijn had gevolgd gedaagdes uitkering wegens het hebben van inkomsten niet te korten.

De Raad deelt deze opvatting van de gemachtigde van gedaagde niet. Het is hem niet gebleken dat door appellant gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt dat gedaagdes inkomsten niet zouden worden gekort. Aan de enkele omstandigheid dat enkele jaren achtereen geen korting is toegepast, kunnen dergelijke verwachtingen niet worden ontleend. De Raad wijst er tevens op dat de uitkering van zelfstandigen in het algemeen pas achteraf - en dan met terugwerkende kracht - kan worden gekort, immers nadat de juiste boekhoudkundige gegevens beschikbaar zijn gekomen.

Wat de veroordeling van appellant in de proceskosten die gedaagde in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft moeten maken, aangaat, heeft appellant aangevoerd dat de door gedaagdes gemachtigde verleende rechtsbijstand niet kan worden aangemerkt als beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a van het Besluit proceskosten bestuursrecht nu gedaagdes gemachtigde geen advocaat of jurist is, maar sociaal economisch voorlichter bij een standsorganisatie.

De Raad volgt appellant hierin niet. Daartoe is overwogen dat de gemachtigde van gedaagde bezoldigd voorlichter van een standsorganisatie is en dat het verlenen van bijstand aan de leden van die organisatie, daaronder begrepen het verlenen van rechtsbijstand, tot zijn taken behoort. Verder heeft de Raad in aanmerking genomen dat voor die dienstverlening door gedaagde enigerlei financiŽle vergoeding verschuldigd is, in welk verband de Raad opmerkt dat deze vergoeding deel kan uitmaken van de door de leden verschuldigde contributie.

Hieruit volgt dat het hoger beroep in zoverre ongegrond is.

Met betrekking tot de proceskosten in hoger beroep overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand.

Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.420,-.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.W.M. van Bommel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 april 1997.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.W.M. van Bommel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x