Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AZ6004
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting met behulp van het CBBS. Motivering. Rechtsgevolgen.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/5743 AAW/WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2004, 03/116 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 19 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L.J.G. Voorn, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2006, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Betrokkene was laatstelijk werkzaam als productiemedewerker. Hij is op 21 oktober 1985 uitgevallen met astmatische en bronchiale klachten en diverse allergieŽn. Met ingang van 22 oktober 1986 zijn aan betrokkene uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadien is betrokkene ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%.
Bij formulier, gedagtekend 14 december 2001, heeft betrokkene om voortzetting van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering per 1 november 2001 gevraagd. De verzekeringsarts J.D. van de Nieuwegiessen stelde vervolgens, naast zijn rapportage van 28 maart 2002, een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en een kritische FML op en op basis van de functies vleeswarenmaker/slachter, productiemedewerker industrie, machinaal metaalbewerker, inpakker en papierwarenmaker/dozenmaker bepaalde de arbeidsdeskundige J. Kuilman in haar rapportage van 8 mei 2002 betrokkenes arbeidsongeschiktheidspercentage op 43,79. Bij besluit van 15 mei 2002 heeft appellant betrokkene met ingang van 9 juli 2002 in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% ingedeeld. Tegen dit besluit heeft mr. Voorn, voornoemd, bezwaar gemaakt. Appellant heeft bij besluit van 10 december 2002 (hierna: het bestreden besluit) dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt en bepalingen nopens de vergoeding van griffierecht en proceskosten gegeven. De rechtbank heeft in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant van onjuiste medische beperkingen bij betrokkene is uitgegaan. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank echter overwogen dat niet is voldaan aan de vereisten die zij in algemene en vervolgens in meer concrete zin met betrekking tot de toepassing door appellant van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) in de aangevallen uitspraak heeft geformuleerd. Met name kan de rechtbank uit de door appellant geproduceerde stukken en hetgeen zijn gemachtigde ter zitting naar voren heeft gebracht niet met voldoende zekerheid afleiden dat in het onderhavige geval alle signaleringen zijn beschreven en op adequate wijze gemotiveerd goedgekeurd. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit niet op voldoende zorgvuldige wijze is voorbereid en een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert.

In hoger beroep heeft appellant uitvoerig gemotiveerd aangegeven dat de eisen die de rechtbank stelt aan de motivering van de geschiktheid van de in het CBBS geselecteerde functies, de motiveringseisen die appellant op dit moment hanteert overstijgen en dat uit de aangevallen uitspraak niet expliciet blijkt op welke wijze de rechtbank verwacht dat appellant de gevraagde inzichtelijkheid verschaft. In de opvatting van appellant verwacht de rechtbank dat wordt ingegaan op alle signaleringen en wil de rechtbank zelf geen vergelijking maken tussen de FML en de functiebeschrijvingen, zoals neergelegd in de formulieren "Resultaat eindselectie".

De Raad overweegt als volgt.

In medisch opzicht oordeelt de Raad niet anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak.

Voor wat betreft de toepassing van de gewijzigde schattingsmethodiek, met behulp van het CBBS, verwijst de Raad in de eerste plaats naar zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722.
Uit die uitspraken volgt dat het CBBS een aantal onvolkomenheden bevat en dat daarom hoge eisen dienen te worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van de in een concreet geval aan het betreffend besluit ten grondslag gelegde uitgangspunten.

Uit de aangehaalde uitspraken volgt tevens dat in reeds lopende zaken het bestreden besluit vernietigd zal dienen te worden indien niet uiterlijk bij de beslissing op bezwaar aan die eisen wordt voldaan. In het geval in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep het besluit alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing of motivering, kan er aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten als het gaat om een besluit op bezwaar dat voor 1 juli 2005 is genomen. Vanaf die datum moeten de onvolkomenheden in het systeem zijn opgelost.

Appellant heeft bij zijn aanvullend beroepschrift een rapport ingezonden van de bezwaararbeidsdeskundige P. Thoen van 12 oktober 2004. In die rapportage is nog eens uiteengezet waarom de geselecteerde functies geschikt zijn te achten voor betrokkene. In algemene zin heeft Thoen vastgesteld dat er geen signaleringen zijn op de items waarop betrokkene beperkingen heeft ten opzichte van de normaalwaarden. Er zijn, specifiek aangegeven, geen signaleringen met betrekking tot koude, tocht en/of stof, rook, gassen en dampen. Er zijn wel signaleringen op de normaalwaarden op items waarop betrokkene geen beperkingen heeft ten opzichte van de normaalwaarden. Vervolgens heeft Thoen in zijn rapportage per geduide functie een toelichting gegeven. Deze is de Raad voldoende overtuigend voorgekomen.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat in de (hoger)beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven. Gelet op 's Raads hiervoor weergegeven oordeel met betrekking tot het CBBS moet zulks tot de conclusie leiden dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij aan appellant is opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
De aangevallen uitspraak komt voor het overige voor bevestiging in aanmerking, met dien verstande dat, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op Ä 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin is bepaald dat een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, met dien verstande dat tevens wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand worden gelaten;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot Ä 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x