Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AZ8432
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-10-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering om terug te komen van de intrekking van de WAO-uitkering. Er is geen sprake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid binnen vier weken na de intrekking. Zijn er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/5440 AAW/WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 31 augustus 2004, 03/30 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv),

Datum uitspraak: 17 oktober 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. drs. F. Westenberg, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Westenberg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vork.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen.

Appellante heeft gewerkt als verkoopster bij de Hema. In verband met een voetletsel ontving zij vanaf 17 augustus 1982 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 24 januari 1986 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv de uitkeringen van appellante ingevolge de AAW en de WAO ingetrokken, aangezien appellante met ingang van 1 maart 1986 voor minder dan 25, respectievelijk voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wetten werd beschouwd.

De toenmalige Raad van Beroep te Haarlem heeft het beroep van appellante tegen dit besluit bij uitspraak van 13 juni 1988, 86/321, ongegrond verklaard omdat, kort gezegd, de volgens appellante op grond van ziekte of gebrek bestaande arbeidsbeperkingen in verband met longklachten niet konden worden geobjectiveerd.

Bij uitspraak van 27 november 1990, nummer AAW/WAO 1988/892, heeft de Raad de uitspraak van de Raad van Beroep bevestigd.

Bij brief van 17 november 1998 heeft mr. Westenberg namens appellante aan de rechtsvoorganger van het Uwv verzocht op grond van nieuwe feiten en omstandigheden het besluit van 24 januari 1986 te herzien dan wel met ingang van een latere datum dan 1 maart 1986 alsnog een uitkering toe te kennen wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid.

Daartoe is aangevoerd dat appellantes longklachten inmiddels wel waren geobjectiveerd door de behandelend longarts J.H.A.M. van den Bergh die heeft vastgesteld dat appellante lijdt aan hypogammaglobulinemie, wat tot gevolg heeft dat luchtweginfecties bij haar voortdurend terugkomen.

Appellante stelt zich op het standpunt dat daardoor ook de longklachten, waaraan zij op 1 maart 1986 leed, zijn geobjectiveerd.

Bij besluit van 12 juli 2000 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 24 januari 1986, aangezien niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die daartoe aanleiding geven.

Bij besluit van 27 november 2002, verder het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 juli 2000 ongegrond verklaard. Daarbij is de grondslag van het primaire besluit in heroverweging in zoverre gewijzigd dat beslist is om niet terug te komen op het besluit van 24 januari 1986, omdat appellante per 1 maart 1986 onverminderd voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht en er ook geen sprake is van toeneming van arbeidsongeschiktheid binnen vier weken na 1 maart 1986.

De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. In de aangevallen uitspraak, waarin appellante "eiseres" en het Uwv "verweerder" wordt genoemd, is ter zake het volgende overwogen:

"4.5. De rechtbank overweegt dat de weigering om terug te komen op het besluit van 24 januari 1986 slechts terughoudend kan worden getoetst. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 december 2003, RSV 2004, 90 volgt dat op zichzelf niet langer doorslaggevend is of de nieuw gebleken feiten of omstandigheden de kennelijke onjuistheid van het oorspronkelijke besluit aantonen. De rechtbank dient zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.6. De rechtbank is van oordeel dat door en namens eiseres niet dusdanige feiten of omstandigheden in het geding zijn gebracht. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat aan de diagnose in 1998 dat eiseres lijdt aan hypogammaglobulinemie niet de conclusie kan worden verbonden dat zij hieraan per 1 maart 1986 ook al leed, temeer daar dr. J.H.A.M. van den Bergh in zijn brief van 28 april 1998 nadrukkelijk aangeeft zich niet uit te kunnen laten over de aanwezigheid van hypogammaglobulinemie bij eiseres voor 1998. De aantekeningen van het Westfries Gasthuis te Hoorn over 1984, 1986, 1987, 1988 en 1989, waarin melding wordt gemaakt van de benauwdheidsklachten van eiseres, van bezoeken aan de EHBO afdeling van het ziekenhuis en van behandeling met prednison en antibiotica, vormen eveneens geen zodanige omstandigheden dat verweerder daarin aanleiding had behoren te vinden om zijn besluit van 24 januari 1986 te herzien. De aangegeven data omvatten daarvoor een te grote tijdspanne en zijn te weinig specifiek over de situatie rond de datum van 1 maart 1986. Ook het feit dat eiseres in 1989 in aanmerking kwam voor voorzieningen die in relatie staan met haar longklachten vormen geen aanleiding om te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid zijn besluit van 24 januari 1986 heeft kunnen handhaven. De aanvullende stukken die door eiseres bij brief van 22 oktober 2003 zijn overlegd veranderen dit oordeel niet.

4.7. Het hiervoor gestelde is naar het oordeel van de rechtbank eveneens van toepassing op de periode vier weken na 1 maart 1986, zodat verweerder heeft mogen besluiten dat eiseres eveneens niet in aanmerking kwam voor een uitkering krachtens de WAO en de AAW vanwege toegenomen arbeidsongeschiktheid in die periode."

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante zijn stellingen herhaald en een rapport van de behandelend longarts prof. dr. P.J. van den Broek van 13 december 2004 overgelegd.

Het Uwv heeft op dat rapport een schriftelijke reactie gegeven.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad kan zich volledig verenigen met het hierboven weergegeven oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit en de overwegingen waarop dit oordeel berust.

De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.

Uit de inhoud van het rapport van prof. Van den Broek heeft de Raad niet kunnen afleiden dat deze longspecialist appellante op en kort na 1 maart 1986 op grond van ziekte of gebrek meer beperkt acht wat betreft arbeid dan het Uwv heeft aangenomen. In dit opzicht is veelzeggend dat prof. Van den Broek blijkens zijn rapport niet kan aangegeven of de ziekte waaraan appellante lijdt ook op of kort na 1 maart 1986 al aanwezig was.

Voorts acht de Raad van belang dat in een brief van 7 april 1986 aan de huisarts -met afschrift aan de betrokken arts van de toenmalige Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD)- van de destijds behandelend longarts J. Prins wordt vermeld dat op 5 februari 1986 een longfunctieonderzoek plaats heeft gevonden, en dat hij uit de resultaten daarvan afleidde dat appellante toen in een redelijk stabiele situatie verkeerde. Voorts geeft hij in dat rapport aan dat het klinisch met appellante toen heel goed ging.

Voorts schrijft de longarts J. Stallaert namens de longarts Prins op 11 juli 1986 aan de arts van de GMD dat hij op basis van onderzoek in de bodyplethysmograaf op 16 juni 1986 een minimale hyperreactiviteit van het bronchiaal slijmvlies aanwezig acht.

Eerst uit een brief van 5 augustus 1986 van de longarts Prins aan de huisarts kan worden afgeleid dat bij spreekuuronderzoek begin juli 1986 appellantes longfunctie was verslechterd, mogelijk als gevolg van een opgelopen luchtweginfectie.

Wat betreft het in het beroepschrift aan de Raad gedaan beroep op een toezegging die ertoe zou moeten leiden dat het besluit van 24 januari 1986 zou worden herzien indien appellante nadere gegevens zou overleggen, overweegt de Raad dat in een brief van 6 oktober 1999 van de rechtsvoorganger van het Uwv aan appellante niet meer is vermeld dan dat een nadere beoordeling mogelijk is, als appellante over informatie beschikt die een ander licht op de situatie werpt. Een toezegging die gehoudenheid voor het Uwv oplevert om het besluit van 24 januari 1986 te herzien, kan de Raad daarin niet lezen.

Op basis van het voorgaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

De Raad wil niet nalaten het volgende, zij het voor dit geding uitdrukkelijk ten overvloede, op te merken.

Het Uwv moet naar aanleiding van het verzoek van mr. Westenberg in de bezwaarfase van de onderhavige procedure thans nog een besluit nemen over de aanspraken ingevolge de AAW en de WAO van appellante over het tijdvak dat aanvangt vier weken na 1 maart 1986 en eindigt op de tijdstippen waarop appellante wegens niet langer verzekerd zijn voor de WAO, respectievelijk het niet langer voldoen aan de eis van enig inkomen voor de AAW in elk geval geen aanspraak meer aan genoemde wetten kan ontlenen.

Bij het voorbereiden en nemen van dat besluit zal door het Uwv in elk geval een medisch naar behoren gemotiveerd antwoord moeten worden gegeven op de vraag waarom de - uit het dossier blijkende - door appellante over 1987 ontvangen behandelingen in het ziekenhuis in verband met haar longen in dat jaar niet en vanaf 1 januari 1989 wel aanleiding tot het aannemen van op ziekte of gebrek berustende arbeidsbeperkingen die tot arbeidsongeschiktheid leiden.

Voorts zal moeten worden onderzocht en beoordeeld hoe lang appellante destijds uitkering ingevolge de Werkloosheidswet en/of de Wet Werkloosheidsvoorziening heeft genoten, nu het antwoord op die vraag zowel voor de duur van de verzekering ingevolge de WAO als het voldoen aan de eis van enig inkomen voor de AAW relevant is.

Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x