Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
BA1108
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-03-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: AAW-schatting en inkomsten uit arbeid. Heeft de indexering van het maatmanloon op de juiste wijze plaatsgevonden door middel van branchecijfers?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/6894 AAW en 06/637 AAW




U I T S P R A A K




op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 oktober 2004, 03/1228, (hierna: de aangevallen uitspraak I)

en

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2005, 05/2403, (hierna: de aangevallen uitspraak II)

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 maart 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van 28 oktober 2004 en 14 december 2005.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in deze gedingen heeft gevoegd plaatsgevonden op 19 december 2006.
Appellant is verschenen bij gemachtigde, mr. Van Zundert. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.




II. OVERWEGINGEN


Ten aanzien van de aangevallen uitspraak I

Appellant was werkzaam als zelfstandig pianostemmer. Per 20 november 1992 is hem een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: AAW) toegekend, die vanaf 30 juni 1994 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Daarnaast werkte hij door in zijn eigen bedrijf. Over de periode van 1 januari 1994 tot 7 augustus 1997, de datum waarop appellant zijn bedrijf beëindigde, zijn door (de rechtsvoorgangers van) het Uwv besluiten genomen, onder meer met betrekking tot de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant en de korting op de AAW-uitkering in verband met zijn inkomsten uit arbeid. De bezwaren van appellant hiertegen zijn ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van de namens appellant ingestelde beroepen heeft de rechtbank in haar uitspraak van 16 augustus 2000, AAW 99/2135 en AAW 99/2136, voor zover van belang, als haar oordeel uitgesproken dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 29 januari 1997 terecht heeft gesteld op 80 tot 100%; zij heeft echter de besluiten met betrekking tot de korting van de uitkering vernietigd omdat het maatmaninkomen van appellant niet op de juiste wijze was vastgesteld.

Ter uitvoering van die uitspraak heeft het Uwv op 24 oktober 2000 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 30 juni 1994 is gesteld op 80 tot 100%, deze mate per 29 januari 1997 ongewijzigd is gelaten en waarbij is aangekondigd dat nader onderzoek en besluitvorming zal plaatsvinden inzake het maatmaninkomen en de anticumulatie van inkomsten.

Vervolgens heeft het Uwv op 1 november 2001 vijf primaire besluiten genomen met de volgende inhoud:
1. Vanaf 1 januari 1994 komt de AAW-uitkering in verband met inkomsten niet tot uitbetaling;
2. Vanaf 30 juni 1994 wordt de uitkering herzien naar de klasse 80 tot 100% en komt zij in verband met inkomsten niet tot uitbetaling;
3. Vanaf 1 januari 1995 wordt de uitkering in verband met inkomsten uitbetaald naar de klasse 35 tot 45%;
vanaf van 1 januari 1996 wordt de uitkering in verband met inkomsten uitbetaald naar de klasse 45 tot 55%; vanaf 1 januari 1997 wordt de uitkering, na drie jaren anticumulatie, herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid 45 tot 55%;
4. Met ingang van 29 januari 1997 wordt de uitkering herzien naar de klasse 80 tot 100% omdat appellant dan vier weken toegenomen arbeidsongeschikt is geweest;
vanaf van 29 januari 1997 wordt de uitkering in verband met inkomsten uitbetaald naar de klasse 55 tot 65%;
5. Vanaf van 7 augustus 1997 wordt de uitkering uitbetaald naar de klasse van 80 tot 100%.

Bij besluit op bezwaar van 28 februari 2003 (hierna: bestreden besluit I) heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten 1 tot en met 4 gegrond verklaard en het bezwaar tegen besluit 5 ongegrond verklaard. Met betrekking tot de hoogte en de uitbetaling van de uitkering heeft het Uwv als volgt besloten:
- Vanaf 1 januari 1994 wordt de uitkering in verband met inkomsten uitbetaald naar de klasse 25 tot 35%;
- Vanaf 30 juni 1994 wordt de uitkering herzien naar de klasse 80 tot 100% en wordt zij uitbetaald naar de klasse 25 tot 35%;
- Over het jaar 1995 wordt de uitkering uitbetaald naar de klasse 35 tot 45%;
- Over het jaar 1996 wordt de uitkering uitbetaald naar de klasse 55 tot 65%;
- Vanaf 1 januari 1997 wordt de uitkering herzien naar de klasse 80 tot 100% en uitbetaald naar de klasse 65 tot 80%;
- Het besluit de uitkering vanaf 7 augustus 1997 weer volledig uit te betalen blijft gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit I ongegrond verklaard, waarbij, voorzover hier van belang, is overwogen dat de indexering van het maatmanloon op de juiste wijze heeft plaats gevonden door middel van branchecijfers.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant aangevoerd dat appellant in november 1991 zijn omzet heeft gehalveerd; hij heeft de helft van zijn klantenbestand van de hand gedaan omdat hij nog maar voor 50% kon werken. Per 20 november 1992 heeft appellant in verband hiermee een gedeeltelijke AAW-uitkering gekregen. Hij begrijpt niet dat de destijds onverwacht hoge winst die hij met zijn halve klantenbestand heeft gemaakt in mindering wordt gebracht op zijn uitkering en meent voorts dat het Uwv op basis van een onjuiste berekening van het maatmanloon tot zijn besluitvorming is gekomen. Verder stelt appellant zich op het standpunt dat de besluitvorming van het Uwv veel te lang heeft geduurd.

De Raad heeft thans de vraag te beantwoorden of de uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 2004 in rechte stand kan houden. In dat verband overweegt hij als volgt.

Zoals ter zitting door het Uwv is erkend, is de afhandeling van het bezwaar van appellant na de uitspraak van de rechtbank van 16 augustus 2000 geheel in strijd geweest met de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ter zitting is voorts vastgesteld en door het Uwv erkend dat door de veelheid van besluiten die na de desbetreffende uitspraak door het Uwv zijn genomen en die door het Uwv als primaire besluiten werden gezien, waarbij appellant in de gelegenheid werd gesteld bezwaar te maken en waarbij die besluitvorming ook nog eens werd gesplitst, niet meer is na te gaan wat precies werd beoogd en dat evenmin thans nog kan worden vastgesteld in hoeverre het daarbij ging om besluiten op bezwaar, een toelichting, een motivering of om een herhaling van hetgeen reeds eerder was besloten. De rechtbank is hieraan ten onrechte voorbij gegaan, zodat haar uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Ter wille van de duidelijkheid zal de Raad de gehele uitspraak vernietigen, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit I gegrond verklaren en dat besluit geheel vernietigen.
Echter, ervan uitgaande dat, wat er ook zij van alle voorgaande beslissingen en het karakter daarvan, het bestreden besluit I het definitieve standpunt van het Uwv weergeeft en dat het beroep van appellant zich tegen dit standpunt keert, zal de Raad beoordelen in hoeverre er aanleiding is om onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Dienaangaand overweegt de Raad het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat daarvan uit, dat appellant van 1 januari 1994 tot 30 juni 1994 arbeidsongeschikt was in de mate van 45 tot 55% en vanaf 30 juni 1994 onafgebroken in de mate van 80 tot 100%. Vaststaat verder dat appellant over de periode van 1 januari 1994 tot aan de bedrijfsbeëindiging op 7 augustus 1997 inkomsten uit arbeid als zelfstandige had; de door appellant over deze periode ingezonden jaarcijfers staan niet ter discussie.
Op grond van artikel 33 van de in de in geding zijnde periode nog geldende AAW dienen inkomsten uit arbeid te worden gekort op de uitkering als deze onevenredig hoog zijn in verhouding tot de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. In verband met de vraag of dit hier het geval is heeft de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen in zijn rapport van 19 januari 2003 een vergelijking gemaakt tussen het maatmaninkomen van appellant over de in geding zijnde jaren en zijn inkomsten uit arbeid in die jaren. Daartoe is eerst het maatmaninkomen per einde wachttijd berekend aan de hand van de gemiddelde winst over de jaren 1988, 1989 en 1990, die per einde wachttijd, 20 november 1992, werd geactualiseerd aan de hand van de branche-indexcijfers voor de detailhandel. Het aldus vastgestelde maatmaninkomen is voor de in dit geding van belang zijnde jaren 1994 tot en met 1997 per jaar afzonderlijk geïndexeerd met de indexcijfers totaal van de regelingslonen voor volwassenen van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De Raad is van oordeel dat de vaststelling van het maatmaninkomen aldus op de juiste wijze heeft plaatsgevonden met inachtneming van artikel 6 van het op 10 augustus 1994 in werking getreden Schattingsbesluit. Wanneer het aldus over de jaren 1994 tot en met 1997 vastgestelde maatmaninkomen wordt vergeleken met de door appellant per jaar behaalde winst blijkt dat appellant in feite elk jaar in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse had moeten worden ingedeeld, zodat sprake was van onevenredig hoge inkomsten. Hieruit volgt dat het Uwv terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 33 AAW. De omstandigheid dat appellant zijn inkomsten heeft verworven met minder arbeidsuren dan voorheen en met de helft van zijn voormalige klantenbestand is in het licht van inhoud en strekking van artikel 33 AAW in het geheel niet relevant, gelijk de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 20 december 2002, gepubliceerd in RSV 2003/74.
Gelet op de beschikbare gegevens heeft het Uwv de (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid voorts terecht berekend op 25 tot 35% over 1994, 35 tot 45% over 1995, 55 tot 65% over 1996 en 65 tot 80% over de periode van 1 januari 1997 tot 7 augustus 1997.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant ter zitting meegedeeld dat hij met zijn grief dat de afhandeling van de bezwaren van appellant door het Uwv te lang heeft geduurd, slechts beoogt te stellen dat er tijdig moet worden beslist, zonder dat hij daar verdere consequenties aan wil verbinden. De Raad ziet dan ook geen aanleiding nader op deze grief in te gaan.

In het voorgaande ziet de Raad aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit I met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand blijven.



Ten aanzien van de aangevallen uitspraak II

Bij brief van 30 juni 2003 met als onderwerp “beschikking over de hoogte van uw AAW/WAZ-uitkering” deelde het Uwv appellant onder meer het volgende mee:
“U heeft enige tijd geleden bezwaar gemaakt tegen onze beslissingen van 1 november 2001. Inmiddels is duidelijk dat u met ingang van 1 januari 1994 tot 7 augustus 1997 recht heeft op verhoging van uw uitkering op grond van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Hieronder lichten wij deze beslissing aan u toe.”
Vervolgens werd appellant meegedeeld dat zijn uitkering over het jaar 1994 wordt uitbetaald naar de klasse van 25 tot 35%, over het jaar 1995 naar 35 tot 45%, over het jaar 1996 naar 55 tot 65% en over de periode van 1 januari 1997 tot 7 augustus 1997 naar 65 tot 80%.
Ten slotte bevatte de brief aanwijzingen voor het maken van bezwaar.
Appellant heeft inderdaad bezwaar gemaakt, welk bezwaar het Uwv bij besluit van 29 april 2005 (hierna: bestreden besluit II) ongegrond heeft verklaard.
Het beroep dat appellant tegen het bestreden besluit II heeft ingesteld is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak II ongegrond verklaard.

Zoals ter zitting door het Uwv is erkend is de brief van 30 juni 2003 niets anders dan een herhaling van het bestreden besluit I. De Raad stelt vast dat die brief, ondanks het feit dat daarin een bezwarenclausule is opgenomen, niet is gericht op rechtsgevolg. Het bezwaar van appellant had daarom niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Nu dit niet is gebeurd kan het bestreden besluit II niet in stand blijven. Hetzelfde lot treft de aangevallen uitspraak.

De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, doen wat het Uwv had behoren te doen en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit II.

De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 Awb het Uwv in beide gedingen te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden voor het geding tegen het bestreden besluit I begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 483,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.127,--.
Voor het geding tegen het bestreden besluit II worden de kosten begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 805,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.449,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak I;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit I geheel in stand blijven;
Vernietigt de aangevallen uitspraak II;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond en vernietigt dat besluit;
Verklaart het bezwaar tegen de brief van 30 juni 2003 niet-ontvankelijk;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beide gedingen in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2.576,-- , te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uvw aan appellant het betaalde griffierecht van € 273,-- (€ 31,-- + € 102, -- + € 37,-- + € 103,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x