Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
BA7176
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van de hoger beroepen wegens verval van procesbelang, omdat het UWV volledig aan betrokkenes bezwaren is tegemoet gekomen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3649 AAW/WAO en 04/6171 WAO



U I T S P R A A K




op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 28 mei 2004, 03/779 (hierna:
uitspraak I) en 30 september 2004, 04/680 (hierna: uitspraak II),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 maart 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, de hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft zich in het hoger beroep met betrekking tot uitspraak II bij rapport
van 5 december 2006 van verslag en advies laten dienen door de psychiater prof. dr. G.F. Koerselman.

Bij brief van 25 januari 2007 heeft het Uwv zijn standpunt nader bepaald, waarop mr. Voets bij brief van 22 februari 2007 heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide gedingen gevoegd plaatsgevonden op 9 maart 2007. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Nood.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 27 februari 2003 (bestreden besluit I) heeft het Uwv de bij besluit van 14 januari 2002 gedane afwijzing gehandhaafd van het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 20 oktober 1995. Bij laatstgenoemd besluit is appellant meegedeeld dat zijn uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 15 november 1995 werd ingetrokken, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum op minder dan 25% respectievelijk 15% in de zin van de AAW en de WAO moest worden gesteld. Bij uitspraak I heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I ongegrond verklaard.

Bij brief van 23 oktober 2002 heeft appellant verzocht om toekenning van een WAO-uitkering op grond van artikel 43a van de WAO wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid na 15 november 1995. Bij besluit van 26 februari 2004 (bestreden besluit II) heeft het Uwv de bij besluit van 6 maart 2003 gedane afwijzing van dit verzoek gehandhaafd. Bij uitspraak II heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaard.

Bij brief van 25 januari 2007 heeft het Uwv in reactie op het in rubriek I vermelde rapport van de psychiater Koerselman meegedeeld daarin reden te zien om aan appellant per 28 augustus 1998 een WAO-uitkering toe te kennen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij brief van 27 februari 2007 heeft appellant meegedeeld dat met de brief van 25 januari 2007 van het Uwv volledig aan zijn bezwaren tegemoet is gekomen en heeft hij verzocht het Uwv in de proceskosten in beroep en in hoger beroep te veroordelen.

Allereerst overweegt de Raad, dat anders dan van de zijde van appellant is gesteld, met de toekenning per 28 augustus 1998 van een WAO-uitkering niet is teruggekomen op de bij besluit I gehandhaafde afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit tot intrekking van die uitkering per 15 november 1995. Zowel de afwijzing als de intrekking per die datum blijven immers in stand.
Besluit II betreft de weigering om met ingang van enige datum na 15 november 1995 WAO-uitkering te verlenen. Op het in dit besluit ingenomen standpunt is het Uwv in die zin teruggekomen dat thans per 28 augustus 1998 aanspraak bestaat op uitkering ingevolge de WAO. Dit besluit bestrijkt immers mede de datum 28 augustus 1998, nu geen ander na 15 november 1998 jegens appellant genomen besluit ter uitvoering van de WAO valt aan te wijzen dat ziet op de datum 28 augustus 1998.

In lijn met hetgeen de Raad al eerder als zijn oordeel heeft kenbaar gemaakt (vide onder meer zijn uitspraak van 19 februari 2004, LJN AO5079) merkt de Raad op dat de bestuursrechter in het kader van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het algemeen slechts tot het beantwoorden van rechtsvragen is geroepen indien nog sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Van zodanig geschil is gelet op de brief van 27 februari 2007 van appellant in het onderhavige geval geen sprake meer. Een belang bij het handhaven van de hoger beroepen kan niet uitsluitend zijn gelegen in het verkrijgen van een uitspraak inzake de vergoeding van proceskosten in eerste aanleg, aangezien in een geval als hier aan de orde op grond van artikel 8:75 van de Awb een daartoe strekkende veroordeling kan worden uitgesproken en vernietiging van het bestreden besluit daarvoor niet nodig is.

Gelet hierop is de Raad van oordeel dat elk belang bij de beoordeling van de bestreden besluiten is komen te vervallen en dienen de ingestelde hoger beroepen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De Raad acht, gelet op het hiervoor overwogene met betrekking tot besluit I, geen termen aanwezig het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten.

Wel is er aanleiding, nu aan het bezwaar van appellant in het kader van besluit II tegemoet is gekomen, het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant, welke ten aanzien van het geding in eerste aanleg zijn begroot op 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand en in hoger beroep op 322,- aan kosten van verleende rechtsbijstand.

De Raad acht in de omstandigheid dat het procesbelang is komen te vervallen omdat het Uwv aan het bezwaar van appellant tegemoet gekomen is tevens termen aanwezig om te bepalen dat het door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep in het geding met betrekking tot besluit II betaalde griffierecht van in totaal 139,- dient te worden vergoed.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.R.H. van Roekel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x