Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
ZB8309
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-04-1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene wordt minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht. Het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de geselecteerde functies met het voor betrokkene geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Lisv niet in een verlies aan verdiencapaciteit.
 
 
 

 

 
Uitspraak 97/586 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A te B, appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de
Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt
het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats
van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is
het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor
Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur
van deze bedrijfsvereniging.

Bij het bestreden besluit van 15 februari 1996 heeft gedaagde
geweigerd aan appellante uitkeringen ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen,
onder overweging dat zij na afloop van de zogeheten wachttijd op
3 maart 1996 minder dan 25 respectievelijk 15% arbeidsongeschikt was.

De rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van
18 december 1996 het beroep tegen dat besluit ongegrond
verklaard. Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.

Namens appellante is mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, op
bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak
in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Desgevraagd heeft H.J. van den Brand, neuroloog te Rotterdam,
onder dagtekening 4 maart 1998 van verslag en advies gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 mei 1998,
waar voor appellante is verschenen mr. Klinkert voornoemd, terwijl
voor gedaagde is verschenen drs. A.J. Verdonk, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is
gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband
waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De enkelvoudige kamer van de Raad heeft besloten de zaak te
verwijzen naar de meervoudige kamer van de Raad.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 9
maart 1999. Voor appellante is daar verschenen
mr. Klinkert voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. drs. Verdonk voornoemd.




II. MOTIVERING


Het in rubriek I vermelde bestreden besluit van
15 februari 1996 berust op het standpunt dat appellante op 3
maart 1996, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen
ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met
inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden
verbonden aan de voor haar geselecteerde functies. Vergelijking
van de mediane loonwaarde van die functies met het voor haar
geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde niet in een
verlies aan verdiencapaciteit.

In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt het volgende.

Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde
beoordeling kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan het
op zijn verzoek door de neuroloog H.J. van den Brand op 4 maart
1998 omtrent appellante uitgebrachte rapport. Uit dit rapport
blijkt dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige akkoord
gaat met de door de verzekeringsgeneeskundige voor appellante
vastgestelde belastbaarheid. Voorts volgt uit dit rapport dat
appellante op de datum in geding in staat was om de voor haar
geselecteerde functies te vervullen.

Wat het arbeidskundig aspect van de schatting betreft overweegt
de Raad het volgende.

Appellante was voor haar uitval gedurende 21,25 uur per week
werkzaam als inpakster van flesjes parfum. Daarnaast was zij
gedurende 10 uur per week werkzaam als schoonmaakster. Voor haar
uitval was zij derhalve gedurende in totaal 31,25 uur per week
- en dus in deeltijd - werkzaam.

Namens appellante is aangevoerd dat de mate van
arbeidsongeschiktheid van een verzekerde die voor haar uitval in
deeltijd werkzaam was, dient te worden bepaald aan de hand van
deeltijdfuncties die in omvang ongeveer gelijk zijn aan de omvang
van de maatgevende functie. Voorts is aangevoerd dat de in
aanmerking te nemen deeltijdarbeid dient te worden omschreven in
de vorm van ten minste drie verschillende functies met tezamen
ten minste 30 arbeidsplaatsen, zoals bepaald in artikel 3 van het
Schattingsbesluit.

Gedaagde heeft dit bestreden en aangevoerd dat het voor de
schatting van een deeltijdwerkende voldoende is dat wordt
aangetoond dat de geselecteerde fulltime functies tevens parttime
kunnen worden vervuld en dat aan deze functies, met betrekking
tot de datum in geding, niet de eis mag worden gesteld dat
aangetoond moet worden dat zij aan evengenoemde
arbeidsplaatseneis beantwoorden.

Dienaangaande overweegt de Raad dat hij in zijn jurisprudentie
herhaaldelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat de resterende
verdiencapaciteit van een deeltijdwerker dient te worden bepaald
aan de hand van arbeid in een gelijke omvang als de verzekerde
arbeid die voldoet aan de in de artikelen 5 van de AAW en 18 van
de WAO neergelegde criteria. In dit verband wijst de Raad op zijn
uitspraak van 14 augustus 1996, gepubliceerd in RSV 1997/48. Uit
zijn rechtspraak met betrekking tot de schatting van een
deeltijdwerkende, voor wie niet op medische gronden een
urenbeperking geldt, komt voorts naar voren, zoals blijkt uit 's
Raads uitspraak van 12 maart 1993, gepubliceerd in
RSV 1993/99, dat niet de eis wordt gesteld dat de voorgehouden
functies in exact dezelfde omvang aanwijsbaar zijn als die waarin
de maatgevende arbeid werd verricht. Wel dient vast te staan dat
die functies op de in geding zijnde datum in deeltijd kunnen
worden vervuld, maar eventuele afwijkingen in de omvang van het
aantal uren van de maatgevende arbeid zijn te beschouwen als een
arbeidsmarktfactor die niet kan worden gebracht onder de in
artikel 5 van de AAW en artikel 18 van de WAO bedoelde
arbeidsongeschiktheid.

Dit betekent dat thans de vraag beantwoord moet worden of ten
minste drie functies zijn geselecteerd waarvan vaststaat dat zij
op de datum in geding in deeltijd op de arbeidsmarkt voorkwamen.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.

Blijkens de zich onder de gedingstukken bevindende
arbeidsmogelijkhedenlijst van 5 februari 1996 heeft gedaagde voor
appellante vijf functies geselecteerd die in vier zogeheten
FB-codes zijn ondergebracht. Het betreft de functies inpakker
koekjes (FB-code 9717, functienummer 2084-0097-001), samensteller
(FB-code 8463, functienummer 3483-0012-002), monteur
koffiezetters (FB-code 8539, functienummer
3697-0013-041) en brugwachter (FB-code 9734, functienummers
7421-0145-003 en 7421-0145-002). Deze functies vertegenwoordigen
respectievelijk 30, 40, 100, 8 en 4 arbeidsplaatsen.

Uit deze arbeidsmogelijkhedenlijst blijkt dat het gaat om
voltijdse functies en dat uitsluitend de functie van brugwachter
- met 8 arbeidsplaatsen - in deeltijd bestond. Gedaagde heeft
evenwel in hoger beroep een historische beschrijving van de
functie inpakster koekjes (FB-code 9717, functienummer 2084-0097-052)
ingezonden waaruit blijkt dat ook deze functie op de datum in geding parttime
voorkwam en toen 10 arbeidsplaatsen vertegenwoordigde. Voorts
heeft gedaagde in hoger beroep een historische beschrijving van
de functie monteur koffiezetters (FB-code 8539, functienummer
3697-0013-50) ingezonden waaruit blijkt dat deze functie eveneens
op de datum in geding parttime voorkwam; deze functie
vertegenwoordigde toen 10 arbeidsplaatsen. De Raad heeft
vastgesteld dat de belasting van deze functies de belastbaarheid
van appellante niet overschrijdt.

Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde van ten minste
drie passende functies - brugwachter, inpakster koekjes en monteur
koffiezetters - heeft aangetoond dat zij op de datum in geding in
deeltijd op de arbeidsmarkt voorkwamen.

Met betrekking tot het vereiste aantal arbeidsplaatsen overweegt
de Raad dat bij een verzekerde, die niet op medische gronden
aangewezen is op deeltijdarbeid, weliswaar de eis geldt dat de
geselecteerde functies op de datum in geding in deeltijd op de
arbeidsmarkt voorkwamen, maar niet dat de - ten minste - drie te
selecteren functies tezamen ten minste 30, in deeltijd vervulbare
arbeidsplaatsen dienen te vertegenwoordigen. Van elk van de voor
zulk een verzekerde geselecteerde fulltime functies is het
voldoende dat wordt aangetoond dat zij op de datum in geding in
een deeltijdse variant ten minste één arbeidsplaats
vertegenwoordigden, onverminderd het bepaalde in artikel 3 van
het Schattingsbesluit, inhoudende dat de geselecteerde (parttime
en fulltime) functies tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen
dienen te vertegenwoordigen.

Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat van de functies
brugwachter, inpakster koekjes en monteur koffiezetters is
aangetoond dat zij tezamen ten minste
30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op een
deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust en dat
de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen dat besluit
ongegrond is verklaard dient te worden bevestigd.

Aan het vorenstaande voegt de Raad nog - in dit geding ten
overvloede - toe dat gedaagde niet heeft aangetoond dat de functie
van samensteller (FB-code 8463) op de datum in geding in deeltijd
op de arbeidsmarkt voorkwam. Uit de enkele omstandigheid dat de
arbeidskundig analist J.P.M. Stoffers telefonisch tegenover de gemachtigde
van gedaagde heeft verklaard dat deze functie bij de betrokken werkgever ook
parttime was te verkrijgen, zij het dat de werkgever daarbij wel
inbreng wilde hebben, dat wil zeggen dat de werkgever als
uitgangspunt hanteert dat de vrijdag een niet te werken dag is
bij parttime dienstverbanden, kan niet worden afgeleid dat deze
functie op de datum in geding bij de geënquêteerde werkgever
bestond in deeltijdse variant en dat deze parttime functie een
gelijke belasting en beloning had als de voltijdse variant.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en
mr. R.M. van Male en mr. C.P.J. Goorden als leden, in
tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 6 april 1999.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) B.C. Rog.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x