Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
ZB8931
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-08-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht AAW/WAO-uitkering geweigerd onder overweging dat betrokkene na afloop van de wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt was? Bij een mogelijke strijd met de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM moet het gaan om de termijn van de gerechtelijke procedure. Onder omstandigheden kan het optreden van het bestuursorgaan (ten dele) bij die termijn worden betrokken.
 
 
 

 

 
Uitspraak 97/7917 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de
betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv
in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van
deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 4 augustus 1995 heeft gedaagde geweigerd aan
appellant uitkeringen ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder
overweging dat hij na afloop van de wachttijd op 5 april 1990
minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

De rechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 17 juli 1997 het
beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Naar die uitspraak
wordt hierbij verwezen.

Namens appellant is mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in
hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellants gemachtigde heeft nadere stukken ingezonden.

Gedaagde heeft vragen van de Raad beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 juli 2000,
waar voor appellant is verschenen mr. De Bruin, voornoemd, terwijl
voor gedaagde is verschenen mr. P.C.M. Huijzer, werkzaam bij Gak
Nederland B.V.




II. MOTIVERING


Appellant was sedert 7 maart 1989 werkzaam als schoonmaker. Op 4
april 1989 heeft hij zich ziek gemeld. Gedaagde heeft appellant
vervolgens tot november 1989 ziekengeld ingevolge de Ziektewet
betaald. In 1993 is het ziekengeld over de resterende termijn van
de maximale aanspraak betaald.

Enkele maanden na zijn ziekmelding is appellant naar Marokko
vertrokken. Hij verbleef daar tot eind 1992 of begin 1993 (begin
januari 1993 bezocht hij gedaagdes kantoor). In 1993 is appellant
weer naar Marokko vertrokken, waarna hij in mei 1994 in Nederland
terugkeerde.

Op 19 juli 1994 werd appellant onderzocht door de
verzekeringsgeneeskundige J. van Oort. Op diens verzoek brachten de
chirurg H. de Ruiter, de psychiater A. Korzec en de internist dr.
H.J. Voerman rapport uit omtrent appellants gezondheidstoestand.
Voorts ontving genoemde verzekeringsgeneeskundige inlichtingen van
appellants huisarts G.C. Horn.

Op 29 maart 1995 rapporteerde de verzekeringsgeneeskundige Van Oort
opnieuw. Naar aanleiding van de door hem omtrent appellants
gezondheidstoestand verkregen gegevens alsmede op basis van zijn
eigen onderzoek stelde deze verzekeringsgeneeskundige voor
appellant een belastbaarheidspatroon vast.

Vervolgens werd op 28 juni 1995 rapport uitgebracht door de
arbeidsdeskundige J.H.F. Kitzen. Deze selecteerde een
aantal functies voor appellant. Vergelijking van de mediane
loonwaarde van die functies met het voor appellant geldende
maatmaninkomen, door de arbeidsdeskundige Kitzen gesteld op
diezelfde mediane loonwaarde, leidde hem tot de conclusie dat bij
appellant op de in geding zijnde datum, 5 april 1990, geen sprake
was van een verlies aan verdiencapaciteit.

Op grond daarvan heeft gedaagde het in rubriek I omschreven
bestreden besluit van 4 augustus 1995 genomen. In geding is de
vraag of dit besluit in rechte stand kan houden. De Raad overweegt
daaromtrent het volgende.

Appellants gemachtigde heeft aangevoerd dat bij de totstandkoming
van het bestreden besluit niet een redelijke termijn als bedoeld in
artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en
de fundamentele vrijheden (EVRM) in acht is genomen.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak,
gepubliceerd in AB 99/131, RSV 99/93 en RAwb 99/94, moet het bij
artikel 6 EVRM gaan om de termijn van de gerechtelijke procedure.
Weliswaar kan het optreden van het bestuursorgaan onder
omstandigheden bij die termijn (ten dele) worden betrokken, maar
dan dient voor het aanvangen van een termijn in de zin van artikel
6 EVRM toch ten minste een standpunt van het bestuursorgaan voor
handen te zijn dat de betrokkene aanleiding kan geven een geschil
(in casu een burgerlijk recht betreffende) op te werpen. In casu
was zulks gedurende de termijn welke appellants gemachtigde in
aanmerking genomen wenst te zien, lopende van het eerste
verzekeringsgeneeskundige rapport in 1991 tot de datum van het
bestreden besluit 4 augustus 1995, niet het geval, althans niet tot
de datum van de aan het bestreden besluit voorafgegane aanzegging
van 24 juli 1995.

Dit neemt niet weg dat een vertraging in de afgifte van een besluit
als het onderhavige onrechtmatigheid in bestuursrechtelijke zin kan
meebrengen, in welk verband appellants gemachtigde met name heeft
gewezen op de bewijsproblemen ten aanzien van zijn ziekte in welke
problemen appellant als gevolg van de opgetreden vertraging is
komen te verkeren.

Dit laatste in aanmerking nemend, overweegt de Raad het volgende
met betrekking tot het bestreden besluit.

In het tweede lid van de artikelen 24 van de AAW en 34 van de WAO,
zoals deze op de in geding zijnde datum luidden, vindt ambtshalve
toekenning van uitkeringen ingevolge deze wetten plaats indien de
betrokkene aansluitend aan de uitkering van ziekengeld krachtens de
Ziektewet voor uitkering in aanmerking komt. Op gedaagde rustte
derhalve de verplichting ambtshalve te bezien of appellant na
afloop van zijn wachttijd op 5 april 1990 aanspraak had op
uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO.

Naar het oordeel van de Raad heeft het onderzoek naar appellants
aanspraken niet met de vereiste zorgvuldigheid plaatsgevonden.

De Raad merkt in de eerste plaats op dat geruime tijd sprake is
geweest van een persoonsverwisseling doordat in gedaagdes
administratie sprake was van twee personen met dezelfde naam.
Voorts is bij herhaling op stukken, onder andere op adviesaanvragen
aan de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) een onjuiste
geboortedatum vermeld en zijn aan die instelling inlichtingen
omtrent appellants gezondheidstoestand gevraagd terwijl het
ziektewetjaar reeds lang was verstreken, zodat de CNSS geen
controletaken meer verrichtte. Deze laatste omstandigheden kunnen
er zeer wel debet aan zijn geweest dat van de zijde van de CNSS
ondanks herhaalde verzoeken niets werd vernomen.

De Raad wijst er voorts op dat langdurig onderzoek is
verricht naar de verblijfplaats van appellant terwijl gedaagde in
elk geval sedert januari 1992 over appellants adres in Marokko en
in elk geval sedert december 1992 over het adres van appellants
broer in Nederland beschikte.

Uit de gedingstukken kan de Raad voorts niet afleiden dat aan
appellant op enig moment kenbaar is gemaakt dat hij zich in
Nederland diende te vervoegen opdat een beoordeling van zijn
aanspraken ingevolge de AAW en de WAO kon plaatsvinden. Wel is aan
appellant verzocht te bevorderen dat onderzoek door de CNSS plaats
zou vinden. Die instelling heeft appellant evenwel vervolgens laten
weten daartoe niet over te gaan omdat het ziektewetjaar was
verstreken.

De Raad weegt verder mee dat het dossier verre van compleet is. Zo
ontbreekt de door de verzekeringsgeneeskundige Van Oort in zijn
rapport van 19 januari 1991 genoemde informatie van de arts Rachid
Lahari en ontbreken gegevens omtrent de ziektewetperiode.

De Raad neemt ook nog in aanmerking dat, toen in 1994 het onderzoek
naar appellants aanspraken is gestart, waarbij expertises werden
gevraagd aan de bovengenoemde artsen, dat onderzoek zich met name
heeft gericht op appellants gezondheidstoestand bij de aanvang van
zijn werkzaamheden in maart 1989. Met name in de verzoeken om
expertise aan meergenoemde artsen is niet gevraagd naar appellants
toestand op de hier van belang zijnde datum 5 april 1990, over
welke datum deze artsen zich ook niet hebben uitgesproken.

Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot het oordeel dat het
bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet
bestuursrecht geen stand kan houden. Dit besluit dient te worden
vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit
in stand is gelaten.

Gedaagde zal ten aanzien van appellants aanspraken
ingevolge de AAW en de WAO een nieuw besluit moeten nemen. De Raad
wijst erop dat gedaagde daarbij in aanmerking zal moeten nemen dat
appellant door het lange tijdsverloop, welk verloop - zoals uit het
hierboven overwogene blijkt - zeker niet aan appellant is te wijten,
in een slechte bewijspositie is komen te verkeren, zodat er
aanleiding is eventuele twijfel in zijn voordeel uit te leggen.
De Raad tekent daarbij aan dat er naar zijn oordeel reeds nu
vraagtekens zijn te plaatsen bij de vaststelling van de
verzekeringsgeneeskundige Van Oort dat appellant in psychisch
opzicht niet beperkt is. Die verzekeringsgeneeskundige is daarbij
uitgegaan van de expertise van de psychiater Korzec. Deze stelde
bij zijn onderzoek weinig ernstige psychopathologie vast. Met
betrekking tot appellants toestand in het verleden merkt hij op dat
in 1989 mogelijkerwijs sprake was van een angststoornis of een
aanpassingstoornis met angst en dat het beloop na 1989 onduidelijk
is. Uit een door appellants gemachtigde overgelegde verklaring van
de neuropsychiater Ben Tahar Fouzia van 15 januari 1990 blijkt
echter dat appellant op dat moment leed aan een ernstig
anxiodepressief syndroom.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze
kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in
eerste aanleg en f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in hoger
beroep.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
de artikelen 24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad
ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als
in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden
vergoed.

Beslist wordt derhalve als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en
vernietigt dat besluit;
Verstaat dat gedaagde een nader besluit zal nemen met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste
aanleg tot een bedrag groot f 1.420,- en in hoger beroep tot een
bedrag groot f 1.420,-;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 210,-
vergoedt.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr.
M.M. van der Kade en mr. T. Hoogenboom als leden, in
tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2000.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x