Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / WFA / Gw
x
LJN:
x
AA1086
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 98/155 ABW
Datum uitspraak: 22 januari 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 47a ABW (= 136 Abw) (= 11 WFA) (n.v.t. op Wwb) / 10 Gw
Trefwoorden: rijksvergoeding kosten van bijstand; weigering; anonieme tips
Essentie: Terechte weigering rijksvergoeding van door de gemeente gemaakte kosten van bijstand. PrincipiŽle weigering door de gemeente om kennis te nemen van anonieme tips is onterecht.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 98/155 ABW




U I T S P R A A K




bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden, eiser,

tegen

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Het besluit van verweerder van 3 december 1997, kenmerk WBJA/SBB/97/0214/6.




2. Zitting


Datum: 11 januari 1999.

Namens eiser is verschenen drs. J.P. Laurier, wethouder Werk, Sociale Zaken, Stedelijk beheer en Wijkbeheer van de
gemeente Leiden, en mr. E. van der Schans, advocaat.

Verweerder werd vertegenwoordigd door mr. H.P.M. Schenkels en P.W.G. van Bethlehem.




3. Feiten


Bij besluit van 22 augustus 1997 heeft verweerder de aan eiser te betalen rijksvergoeding voor het dienstjaar 1995 vastgesteld ter zake van de uitvoering van zes door verweerder uitgevoerde regelingen, waaronder de Algemene Bijstandswet (hierna: ABW). Daarbij heeft verweerder, met toepassing van artikel 47a ABW, besloten dat de door de
gemeente Leiden gemaakte kosten van bijstand uit een oogpunt van bijstandverlening niet aanvaardbaar waren tot een bedrag van É38.300,-. De op grond van artikel 47b ABW aan de gemeente te betalen vergoeding werd als gevolg daarvan geweigerd tot genoemd bedrag.

Bij brief van 23 september 1997 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 augustus 1997, voor zover het betrekking heeft op de weigering om genoemd bedrag van
É38.300,- voor vergoeding in aanmerking te brengen.
Op 18 november 1997 is het bezwaarschrift namens eiser toegelicht op een door verweerder georganiseerde hoorzitting.
Bij het bestreden besluit is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 9 januari 1998 beroep ingesteld, welk beroepschrift is gemotiveerd bij brief van 25 februari 1998.
Verweerder heeft een verweerschrift, gedateerd 27 april 1998, ingediend.




4. Bewijsmiddelen


De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.




5. Motivering


Het onderhavige geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW zoals deze luidde tot 1 januari 1996.

Artikel 47a ABW luidt als volgt:
-1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan besluiten dat bepaalde door een gemeente gemaakte kosten van bijstand uit een oogpunt van bijstandverlening niet aanvaardbaar zijn. Het besluit wordt genomen binnen zes maanden nadat de definitieve kostenopgaven door de
gemeente over het desbetreffende dienstjaar zijn ingekomen.
-2. In de kosten ten aanzien waarvan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een besluit heeft genomen als bedoeld in het eerste lid wordt geen vergoeding op grond van de artikelen 47b, 48 of 49 verleend.

Artikel 47b, eerste lid, ABW bepaalt het volgende:
Het Rijk vergoedt 90 procent van de kosten van bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en van de kosten van bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, met toepassing van artikel 47a ABW, een bedrag van
É38.300,- aangemerkt als kosten van bijstand die uit een oogpunt van bijstandverlening niet aanvaardbaar zijn. Ingevolge het tweede lid van artikel 47a ABW heeft dat ertoe geleid dat deze kosten op grond van artikel 47b ABW niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat de rechtmatigheid van de door de
gemeente verstrekte bijstandsuitkeringen niet is verzekerd, omdat eiser feitelijk onderbouwde tips die hij van derden ontvangt niet betrekt bij het vaststellen van de rechtmatigheid van verstrekte uitkeringen indien deze tips anoniem zijn. Naar het oordeel van verweerder dient eiser van dergelijke tips wel kennis te nemen en, voor zover daar vervolgens aanleiding toe bestaat, nader onderzoek te verrichten en eventueel actie te ondernemen. De praktijk geeft aan dat bedoelde anonieme tips bruikbaar zijn, aldus het bestreden besluit.

Omdat de weigering van de
gemeente om van anonieme tips kennis te nemen principieel is en geen sprake is van een incident, heeft verweerder toepassing van artikel 47a ABW aangewezen geacht. Verweerder heeft zich daarbij laten leiden door paragraaf 3.4.3 van zijn bij Circulaire van 17 juli 1992 aan gemeentebesturen aangeboden "Nota uitgangspunten en normering toetsings- en maatregelenbeleid" (hierna: Nota maatregelenbeleid). Aldaar is aangegeven dat toepassing van artikel 47a ABW met name is bedoeld om bepaalde kosten niet aanvaardbaar te verklaren indien een van de wettelijke doelstellingen of wettelijke voorschriften afwijkend gemeentelijk beleid daartoe aanleiding geeft.
De keuze voor toepassing van artikel 47a ABW zou volgens verweerder gerechtvaardigd zijn, aangezien het in paragraaf 3.2 van de circulaire bedoelde traject van overleg en overreding niet het gewenste effect heeft gesorteerd.
Voor een neerslag van zijn beleid met betrekking tot het in behandeling nemen van tips is in het bestreden besluit voorts verwezen naar verweerders Circulaire van 4 juli 1995 ("Uitgangspunten M&O-beleid ten behoeve van een te voeren gemeentelijk M&O-beleid) [M&O: misbruik en oneigenlijk gebruik, red.].

In het verweerschrift heeft verweerder nader aangegeven zich op het standpunt te stellen dat eiser artikel 3, eerste lid, van het Besluit verantwoording en vergoeding uitkeringskosten ABW, Ioaw en Ioaz (Stcrt. 1987, 188; hierna: Bvvu) niet heeft nageleefd. Deze bepaling luidt als volgt:
"Behoudens met betrekking tot uitkeringen voor periodiek bijzondere bestaanskosten nemen burgemeester en wethouders uiterlijk binnen acht maanden na de datum van ingang van de uitkering dan wel van de beslissing naar aanleiding van het laatst uitgevoerde onderzoek een beslissing, na opnieuw alle gegevens die het recht op en de omvang van de periodieke uitkering beÔnvloeden te hebben onderzocht."

Onder "alle gegevens die het recht op en de omvang van de periodieke uitkering beÔnvloeden" dienen volgens verweerder mede anonieme tips te worden begrepen, voor zover feitelijk onderbouwd.

Kern van het beroepschrift van eiser is de stelling dat het reageren op anonieme tips zou bijdragen aan een verlaging van het niveau waarop burgers met elkaar samenleven. De
gemeente voelt daar principieel niet voor en acht die houding gerechtvaardigd mede vanuit de wetenschap dat het fraudebeleid in Leiden zodanig is opgezet dat het geenszins onvermijdelijk is om tips anoniem naar voren te brengen.
Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat sprake is van de uitvoering van de ABW in medebewind, waarbij hij een discretionaire bevoegdheid bezit om, uitgaande van de lokaal bepaalde omstandigheden, een zo effectief mogelijk fraudebeleid vast te stellen. Verweerder heeft de aldus bij eiser bestaande beleidsvrijheid veronachtzaamd.

De
rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De uitvoering van de ABW is in medebewind opgedragen aan de gemeentebesturen. Het Rijk vergoedt het overgrote deel van de met die uitvoering gemoeide kosten. Artikel 47a ABW biedt het Rijk als toezichthouder en financier een instrument om te stimuleren dat de ABW door de verschillende gemeenten op een in zijn ogen verantwoorde wijze wordt uitgevoerd. Door te besluiten dat gemaakte kosten van bijstand niet aanvaardbaar zijn, bewerkstelligt verweerder immers dat in deze kosten geen vergoeding wordt verleend.

Wanneer kosten niet aanvaardbaar zijn, is in artikel 47a ABW niet aangegeven.

Verweerder beroept zich ter interpretatie van dit begrip op een tweetal circulaires.

De eerste circulaire waar verweerder zich op beroept, is de Nota maatregelenbeleid uit 1992. Blijkens deze nota (blz. 7) is ten behoeve van het departementaal vaststellingsbeleid voor de rijksvergoeding als doelstelling geformuleerd: "Het van rijkswege aan de gemeenten toekennen van een vergoeding voor uitsluitend die kosten die voldoen aan de eis van rechtmatigheid en beleidsmatig aanvaardbaar zijn". Onder "rechtmatigheid" wordt blijkens een voetnoot verstaan "in overeenstemming met wet en regelgeving tot stand gekomen".
De beleidstoetsing heeft (blijkens blz. 10 van de nota) betrekking op tendenties van het uitvoeringsbeleid, waaronder wordt verstaan een uit gemeentelijke richtlijnen of uit het uitvoeringsbeleid blijkende consistente beleidslijn. Uitgangspunt bij die toetsing is volgens de nota dat, ofschoon na afloop van een overlegprocedure besloten kan worden tot het niet aanvaardbaar verklaren van kosten, Rijk en gemeenten elkaar - vanuit hun gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor een goede beleidsuitvoering - in het kader van het beleidsoverleg weten te vinden. De beleidstoetsing moet worden gezien als een zaak van overleg en beleidsevaluatie. Zij richt zich - voor zover hier van belang - op:
- doeltreffendheid van de inrichting van de uitvoering ten behoeve van een effectief beleid ter bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de voorziening (waaronder begrepen het sanctiebeleid);
- onderzoek naar de omstandigheden van de uitkeringsontvanger, waaronder begrepen de verificatie van de verkregen gegevens (blz. 10, 15 en 16 van de nota).

De Nota maatregelenbeleid gaat in deel 2, paragraaf 3.4.3, specifiek in op de maatregel van artikel 47a ABW. Dit toezichtsinstrument is met name bedoeld om bepaalde utgaven niet aanvaardbaar te verklaren indien een van de wettelijke doelstellingen of wettelijke voorschriften afwijkend gemeentelijk beleid daartoe aanleiding geeft. Uitgangspunt voor het toezicht is dat de kosten van bijstand der gemeenten aanvaardbaar wordt geacht, tenzij het tegendeel blijkt, aldus de nota.

De tweede circulaire waar verweerder zich op beroept, is eerder vermelde Circulaire van 4 juli 1995. Daarin heeft verweerder aan de gemeenten uitgangspunten bekendgemaakt van te voeren beleid ter voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van (onder meer) de ABW (aangeduid als M&O-beleid). In de circulaire is aangegeven waaraan een gemeentelijk M&O-beleid dient te voldoen. Als ťťn van de specifieke aspecten van het M&O-beleid komt in de circulaire het gebruik van tips van derden aan de orde. In paragraaf 3.4 wordt vermeld:
"Het gebruik van tips is een goed middel om fraude op te sporen. Daarbij ga ik uit van feitelijk onderbouwde tips. Feitelijk onderbouwd betekent in deze context dat in de tip zaken aangevoerd worden die de
gemeente voldoende mogelijkheden geeft om te kunnen gebruiken in een nader onderzoek. Het onderscheid tussen het gebruik van al dan niet anonieme tips is niet relevant."

Naar het oordeel van de
rechtbank stond het verweerder vrij - en was het uit een oogpunt van rechtszekerheid geboden - om nader aan te geven in welk soort situaties naar zijn mening artikel 47a ABW toepassing zou kunnen vinden. In de Nota maatregelenbeleid is zulks geschied in algemene termen. De rechtbank ziet geen reden aan te nemen dat verweerder daarbij de grenzen die artikel 47a beoogt te stellen te buiten is gegaan. De rechtbank acht het gerechtvaardigd dat verweerder als verantwoordelijke voor het toezicht op de uitvoering van de ABW en als financier van het overgrote deel van de bijstandsgelden in zijn beleidstoetsing als bedoeld in de nota mede de gemeentelijke inrichting van de uitvoering van de ABW betrekt op het punt van het door de gemeente te verrichten onderzoek, in het bijzonder ter bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
Wat bedoelde toetsing betekent voor de van de gemeenten verlangde benadering van anonieme tips, valt aan de hand van de Nota maatregelenbeleid niet vast te stellen. Duidelijkheid op dat punt wordt door verweerder gegeven in de circulaire uit 1995, waaruit valt op te maken dat feitelijk onderbouwde tips aanleiding dienen te geven tot onderzoek, waarbij niet van belang wordt geacht of deze anoniem zijn of niet.

Ook met de in de circulaire uit 1995 gegeven uitwerking is verweerder, zo overweegt de
rechtbank, niet getreden buiten de grenzen van artikel 47a ABW. De rechtbank overweegt in dit verband dat zij de stelling van verweerder, erop neerkomende dat in de regel meer misbruik zal worden opgespoord bij het in aanmerking nemen van anonieme tips (mits feitelijk onderbouwd), plausibel acht. Dat verweerder zich aldus inlaat met de wijze waarop gemeenten zich inspannen om misbruik aan het licht te brengen, is in overeenstemming met hetgeen in de Nota maatregelenbeleid is opgemerkt omtrent de inhoud van de blijkens de nota te verrichten beleidstoetsing. Bovendien is het verlangen dat ook anonieme tips worden bestudeerd te plaatsen in het kader van de in de nota voorziene rechtmatigheidstoetsing. Weliswaar staat niet vast dat ten onrechte bijstand is verleend, maar wel is aannemelijk dat tengevolge van het zonder voorbehoud negeren van alle anonieme tips in een aantal gevallen in strijd met de regelgeving een uitkering is verleend.

Gelet op het vorenstaande acht de
rechtbank het toelaatbaar dat verweerder in het kader van de toepassing van artikel 47a ABW verlangt dat feitelijk onderbouwde tips, ook als deze anoniem zijn, worden bestudeerd door de gemeente. Voor het trekken van die conclusie is niet vereist dat de handelwijze van burgemeester en wethouders tevens als overtreding van artikel 3 van het Bvvu valt aan te merken, zoals verweerder in het verweerschrift lijkt te veronderstellen. Of die bepaling zelf meebrengt dat ook bepaalde anonieme tips in behandeling moeten worden genomen, laat de rechtbank dan ook in het midden.

De
rechtbank constateert dat verweerder de toepassing van artikel 47a heeft laten ingaan op 1 augustus 1995. Toen was dus bijna een maand verstreken sinds de dagtekening van de Circulaire van 4 juli 1995, die - naar mag worden aangenomen - op of rond die datum aan de gemeenten ter kennis is gebracht. Hoewel de circulaire een aantal malen de nieuwe Algemene bijstandswet vermeldt, kan de rechtbank uit de inhoud van de circulaire niet opmaken dat niet zou zijn beoogd om daarin ook het vanaf dat moment nog voorafgaand aan 1 januari 1996 te voeren M&O-beleid weer te geven.

Voorafgaand aan de vaststelling van de circulaire heeft verweerder bij brief van 28 juni 1995 aan eiser laten weten het van belang te achten dat ook anonieme tips in behandeling worden genomen, voor zover deze aanknopingspunten bieden voor een nader onderzoek. Om die reden heeft verweerder bij deze brief een dringend beroep op eiser gedaan om zijn beleid ter zake te herzien. In de brief is gerefereerd aan een overleg op 20 januari 1995, waarin de Rijksconsulent Sociale Zekerheid het departementale standpunt ter zake van anonieme tips nog eens heeft uiteengezet aan eiser.

Aangezien de ingangsdatum van de getroffen maatregel is gelegen circa ťťn maand na zowel de dagtekening van de circulaire uit 1995 als de datering van genoemde brief en nu deze brief een vervolg vormt op eerder overleg, acht de
rechtbank de keuze voor bedoelde ingangsdatum niet ontoelaatbaar.
Gelet op het principiŽle karakter van het standpunt van eiser en mede in aanmerking nemende dat eiser dit standpunt ook na 22 augustus 1997 steeds is blijven betrekken, is er geen aanleiding te veronderstellen dat een herhaalde waarschuwing van verweerder eiser tot een ander gedrag aanleiding zou hebben gegeven.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat de Circulaire van 4 juli 1995 niet is vastgesteld in de vorm van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 11 ABW en derhalve verbindende kracht mist. De
rechtbank overweegt hieromtrent dat artikel 11 ABW de mogelijkheid biedt bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen te stellen ter bepaling van hetgeen in de voorgaande paragrafen is overgelaten aan het oordeel van burgemeester en wethouders. Die paragrafen betreffen algemene bepalingen betreffende de aanspraak op bijstand en bijzondere bepalingen betreffende verblijf in inrichtingen. Zij hebben geen betrekking op de verhouding tussen verweerder en eiser. Artikel 11 ABW ziet dus niet op hetgeen in de onderhavige zaak aan de orde is.

Voorts heeft eiser aangegeven dat verweerder hem geen verplichtingen kan opleggen bij circulaire, daarbij doelend op de circulaire uit 1995. Gemeenten kunnen slechts bij wet of algemene maatregel van bestuur verplicht worden door het Rijk vastgestelde (beleids)regels uit te voeren, aldus eiser. De
rechtbank overweegt dienaangaande dat verweerder zijn bevoegdheid tot het niet aanvaardbaar verklaren van gemaakte kosten niet ontleent aan bedoelde circulaire, maar aan artikel 47a ABW. De circulaire beoogt slechts gemeenten informatie te geven over - voor zover hier relevant - het belang dat verweerder, in het kader van de toepassing van deze bepaling, hecht aan de behandeling van anonieme tips en komt dus de rechtszekerheid ten goede. In samenhang met de Nota maatregelenbeleid uit 1992 en met eerder genoemde brief van 28 juni 1995 mocht op grond van de circulaire uit 1995 worden verwacht dat verweerder in het kader van het maatregelenbeleid consequenties zou verbinden aan een absolute weigering om anonieme tips te behandelen.

Eiser heeft tevens aangevoerd dat hij een succesvol fraudebeleid voert en hierbij bovengemiddeld scoort. Verweerder heeft dit erkend. Deze omstandigheid staat er, ook naar het oordeel van de
rechtbank, echter niet aan in de weg dat verweerder op straffe van toepassing van artikel 47a ABW verlangt dat ook bruikbare anonieme signalen betreffende misbruik van de ABW bij controle op de naleving van de wet worden benut. Dat eiser al goede resultaten boekt bij de fraudebestrijding verhindert verweerder niet om een nog beter resultaat van hem te mogen vragen indien daartoe concreet de mogelijkheid bestaat. Dat het in behandeling nemen van feitelijk onderbouwde anonieme tips onvermijdelijk zou leiden tot minder resultaat op andere terreinen van fraudebestrijding is een stelling die - voor zover eiser deze betrekt - niet voldoende is onderbouwd, noch anderszins aannemelijk is.

Eiser heeft gesteld dat de Wet persoonsregistraties (Wpr) eraan in de weg staat anonieme tips in behandeling te nemen. Hij heeft daartoe gesteld dat het hem ten aanzien van uit anonieme tips verkregen gegevens niet mogelijk zou zijn te voldoen aan artikel 29 Wpr, dat voorschrijft inlichtingen over de herkomst van opgenomen gegevens te verstrekken.
Het aldus door eiser naar voren gebrachte heeft de
rechtbank evenmin kunnen overtuigen van de onjuistheid van het bestreden besluit. De rechtbank overweegt in dit verband dat verweerder niet meer van eiser verlangt dan dat hij tot een onderzoek overgaat van feitelijk onderbouwde tips. De rechtbank ziet niet in dat eiser gehouden zou zijn op grond van de Wpr of het Privacyreglement Uitkeringsadministraties in de desbetreffende persoonsregistraties meer te vermelden dan gegevens die het resultaat zijn van dat eigen onderzoek. Inlichtingen over de herkomst van die gegevens kan eiser verschaffen met verwijzing naar bedoeld onderzoek. Niet valt in te zien dat eiser gehouden zou zijn daarbij tevens te vermelden wat de aanleiding vormde voor het onderzoek.

Eiser heeft voorts gesteld dat het gebruik van anonieme tips zich niet verhoudt tot het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals gewaarborgd door artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 10 van de Grondwet. Hij heeft daartoe gesteld dat niet is voldaan aan de door die bepalingen gestelde eis dat inmenging door het openbaar gezag in de persoonlijke levenssfeer slechts is toegestaan voor zover dit bij de wet is voorzien.
De
rechtbank overweegt hieromtrent dat de vraag of de in een anonieme tip vermelde gegevens bij gebruik ervan een schending van de genoemde bepalingen opleveren pas kan worden beantwoord als de tip is beoordeeld en eventueel nader onderzocht. Door het voeren van een beleid waarbij iedere anonieme tip geheel wordt genegeerd, heeft eiser zich de mogelijkheid tot een zodanige beoordeling en onderzoek bij voorbaat ontnomen. Verweerder verlangt van eiser bovendien slechts dat hij zijn eigen onderzoeksbevoegdheden aanwendt indien sprake is van een feitelijk onderbouwde tip. Van hem wordt niet verlangd dat hij zijn wettelijke bevoegdheden te buiten gaat. Evenmin wordt verlangd dat hij het indienen van tips, ongeacht de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen, stimuleert.
Overigens overweegt de rechtbank in dit verband nog dat de stellingname van eiser op dit punt niet geheel consequent overkomt. Immers, eiser pleegt niet-anonieme tips wel in behandeling nemen. Ook ten aanzien van die tips is denkbaar dat de daarin opgenomen informatie op onrechtmatige wijze is verkregen. Kennelijk gaat eiser ervan uit dat hij door die tips in behandeling te nemen zich niet schuldig maakt aan een ongeoorloofde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.

Eiser heeft tot slot aangevoerd het niet eens te zijn met de maatstaf aan de hand waarvan de maatregel is opgelegd.
De
rechtbank overweegt naar aanleiding van deze grief het volgende.
Uit artikel 47a ABW vloeit voort dat in de kosten die als niet aanvaardbaar zijn aangemerkt geen vergoeding wordt verleend.
Verweerder heeft overwogen dat de omvang van deze kosten niet is vast te stellen, nu de anonieme tips niet zijn benut, zijn weggegooid en er geen registratie van is bijgehouden. Verweerder heeft overwogen dat op grond van het in 1994 geldende maatregelenbeleid in een dergelijk geval de maatregel op een forfaitair percentage zou zijn vastgesteld, leidend (uitgaande van een lichte tekortkoming) tot het niet vergoeden van
É461.192,-. Vanwege het aanvaardbare niveau van de uitvoering van de ABW in het algemeen door eiser heeft verweerder besloten tot mitigering van dit bedrag tot É38.300,- over vijf maanden. Ter bepaling van dat bedrag heeft hij aangesloten bij de Regeling forfaitaire percentages maatregelen Abw, Ioaw en Ioaz. Verweerder heeft daarbij het laagste van de percentages genomen die worden vermeld voor tekortkomingen verband houdende met periodieke heronderzoeken.
De rechtbank acht de omvang van de geweigerde vergoeding aldus deugdelijk onderbouwd en ziet niet in waarom verweerder in redelijkheid niet had mogen besluiten tot vaststelling van de geweigerde vergoeding op het aldus gemitigeerde bedrag. Dat het toegepaste forfaitaire percentage ontleend is aan een regeling die is gebaseerd op de nieuwe Algemene bijstandswet belet verweerder niet bij de toepassing van artikel 47a ABW reden te zien, aanknopend bij die nieuwe regeling, ditzelfde percentage te hanteren.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Van omstandigheden op grond waarvan ťťn van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de
rechtbank niet gebleken.




6. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.




7. Rechtsmiddel


Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.




Aldus gegeven door mr. C.J. Borman, mr. J.L.W. Aerts en mr. J.L. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 1999, in tegenwoordigheid van de griffier F.P. Krijnen.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden:




NB: Zie ook LJN AE4538, red.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
             
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Awb / Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA3441
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: 98/4 NABW Z NAE
Datum uitspraak: 24 november 1998
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 6:8, 6:9 en 7:12 Awb
Trefwoorden: bezwaar; niet-ontvankelijk; termijnoverschrijding; bezwaarschrift; niet tijdig; indienen; verzendtheorie; terpostbezorging
Essentie: Onterechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, omdat het bezwaarschrift weliswaar niet tijdig is ontvangen, maar wel tijdig ter post is bezorgd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Maastricht 98/4 NABW Z NAE




U I T S P R A A K




inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, gevestigd te Heerlen, verweerder.



Datum van het bestreden besluit: 30 oktober 1997, kenmerk 01.21/B97395SV/T97034SV.
Datum van behandeling ter zitting: 14 oktober 1998.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 30 oktober 1997 (verzonden op 24 november 1997) heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaarschrift van 16 september 1997 tegen het door verweerder genomen besluit van 5 augustus 1997 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit heeft eiser bij schrijven van 5 januari 1998 beroep ingesteld. Bij brief van 16 april 1998 heeft mr. W.J.Th.B. Gerlag, advocaat te Kerkrade, zich als gemachtigde van eiser gesteld.

Bij brief van 2 juni 1998 (met bijlage) heeft voornoemde gemachtigde het standpunt van eiser nader toegelicht.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn op 22 juli 1998 in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de
rechtbank op 14 oktober 1998, alwaar namens eiser is verschenen mr. Gerlag, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. I.M.T. Timmermans-Wijnands, ambtenaar ter gemeentesecretarie.




II. Overwegingen


Bij besluit van 5 augustus 1997 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van een ten aanzien van hem genomen besluit ingevolge de Algemene Bijstandswet.

Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend, gedateerd 16 september 1997 en ingekomen bij verweerder op 18 september 1997.

Bij brief van 23 september 1997 is eiser in de gelegenheid gesteld om op 20 oktober 1997 op het bezwaarschrift te worden gehoord. Van die gelegenheid heeft eiser geen gebruik gemaakt.

Desgevraagd heeft eiser verweerder bij brief van 29 oktober 1997 nadere inlichtingen verstrekt omtrent de redenen van het - door verweerder gestelde - te laat indienen van het bezwaarschrift.

Vervolgens heeft verweerder bij het thans bestreden besluit het bezwaarschrift van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
Hiertoe heeft verweerder overwogen dat het bezwaarschrift, nu het poststempel van de desbetreffende envelop gedateerd is op 17 september 1997, ťťn dag na het verstrijken van de bezwaartermijn en derhalve niet tijdig is ingediend. Voorts heeft verweerder overwogen dat volgens constante jurisprudentie vakantie geen omstandigheid is die termijnoverschrijding verschoonbaar maakt en dat de door eiser aangevoerde omstandigheden dan ook niet zodanig van aard zijn dat eiser zich daarop kan beroepen en er voldoende tijd is geweest om in ieder geval een voorlopig bezwaarschrift in te dienen.

In beroep is namens eiser - kort gezegd - aangevoerd dat eiser het bezwaarschrift op 16 september 1997 heeft geschreven en op dezelfde dag, derhalve tijdig, in de brievenbus heeft gedeponeerd casu quo ter post heeft bezorgd. Voorts heeft eisers gemachtigde aangevoerd dat het poststempel op de envelop niet meer dan een vermoeden van het toevertrouwen aan de PTT oplevert en heeft hij gewezen op de optredende vertragingen in de postverwerking gedurende de laatste jaren.

In het verweerschrift is - samengevat - het standpunt ingenomen dat eiser redelijkerwijs het mogelijke moet doen om tijdige verzending aannemelijk te maken en wel door middel van een bewijs van terpostbezorging, een bewijs van verzending met ontvangstbevestiging, een bewijs van aangetekende verzending of met behulp van een getuige en dat eiser hiervan geen gebruik heeft gemaakt.

In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder terecht en op goede gronden het bezwaarschrift van eiser van 16 september 1997 niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Met name ter voorlichting van eiser merkt de
rechtbank op dat de vraag of het besluit van 5 augustus 1997 terecht en op goede gronden is genomen in dit geding niet aan de orde kan komen nu het bestreden besluit daar geen betrekking op heeft.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid overweegt de
rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge het bepaalde in artikel 3:41 juncto artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan op de dag nadat het besluit is verzonden.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het vůůr het einde van de termijn is ontvangen. Krachtens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel is een bezwaarschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het vůůr het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan ťťn week na afloop van de termijn is ontvangen.

Niet in geschil is dat het primaire besluit op 5 augustus 1997 aan eiser is verzonden. De bezwaartermijn heeft derhalve een aanvang genomen op woensdag 6 augustus 1997 en de laatste dag van de indiening van het bezwaarschrift was dinsdag 16 september 1997. Verder staat vast dat het bezwaarschrift op 18 september 1997 door verweerder is ontvangen, zodat in zoverre aan het laatste zinsdeel van het bepaalde in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is voldaan.

Derhalve resteert de vraag of het bezwaarschrift vůůr het einde van de termijn, dus uiterlijk op 16 september 1997, ter post is bezorgd.

Eiser heeft in zijn brief aan verweerder van 29 oktober 1997 onder meer aangevoerd dat hij het bezwaarschrift op 16 september 1997 heeft opgestuurd. In het nadere beroepschrift en ter zitting is door eisers gemachtigde herhaald dat eiser het bezwaarschrift op 16 september 1997 in de (PTT-)brievenbus heeft gedeponeerd.

Op de envelop, behorende bij het bezwaarschrift van 16 september 1997, is - zoals ter zitting is vastgesteld - een duidelijk leesbaar poststempel geplaatst dat het volgende vermeldt: "17.IX.97 2". Laatstbedoelde datumaanduiding zou, op zichzelf beschouwd, tot de conclusie kunnen voeren dat het bezwaarschrift niet tijdig ter post is bezorgd. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit aan de hand van de datum van het poststempel geconcludeerd dat het bezwaarschrift niet tijdig, immers ťťn dag te laat, is ingediend.

De
rechtbank is evenwel, gelet op het door en namens eiser naar voren gebrachte omtrent het tijdstip van terpostbezorging enerzijds en de aanduiding "17.IX.97 2" op het poststempel anderzijds, van oordeel dat het tijdens eiser gestelde tijdstip van terpostbezorging in overeenstemming is te brengen met de afstempeling van de envelop. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit ingewonnen informatie bij het sorteercentrum te 's-Hertogenbosch van PTT-post is gebleken dat het cijfer "2" achter de datum "17.IX.97" betrekking heeft op het tijdstip 02.00 uur van 17 september 1997 en dat de desbetreffende envelop, aldus die informatie, derhalve op 16 september 1997 op de bus moet zijn gedaan. Gelet op het voorgaande moet dan ook worden geoordeeld dat verweerder ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat eisers bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.

Daarbij overweegt de
rechtbank dat, met name in die situaties waarin een poststuk na de laatste dag van de termijn is afgestempeld, maar op dat poststuk een stempel van een zodanige dag en een zodanig tijdstip is vermeld dat het aannemelijk is dat het geschrift binnen de termijn in de PTT-brievenbus is gedeponeerd, aan de datum van het poststempel op zichzelf geen beslissende betekenis behoeft te worden toegekend. In dit verband verwijst de rechtbank voorts naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 september 1997 (Rawb 1998, 85), waarin aan de datum van het poststempel een - weerlegbaar - vermoeden wordt ontleend omtrent het tijdstip van terpostbezorging, alsmede naar het arrest van (de belastingkamer van) de Hoge Raad van 29 mei 1996 (JB 1996, 171), waarin is overwogen dat het oordeel dat een poststuk eerst ter post is bezorgd nadat het van het poststempel is voorzien van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, aangezien een poststuk reeds ter post is bezorgd op het moment dat het in de (PTT-)brievenbus is gedeponeerd dan wel op het moment dat het op het postkantoor is aangeboden.

Hetgeen namens verweerder in het verweerschrift naar voren is gebracht omtrent het vereiste dat door eiser aannemelijk moet kunnen worden gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend, kan naar het oordeel van de
rechtbank in de onderhavige situatie in het midden blijven, nu verweerder ten onrechte in de bezwaarprocedure en in het thans bestreden besluit geen aandacht heeft besteed aan eisers stelling dat hij het bezwaarschrift wel tijdig ter post heeft bezorgd.

Gelet op het eerder overwogene heeft verweerder in het onderhavige geval een onjuiste toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.

Voorts overweegt de
rechtbank het volgende.

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder tevens het standpunt ingenomen dat de - door verweerder gestelde - termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, aangezien de door eiser aangevoerde vakantie volgens constante jurisprudentie geen verschoonbare termijnoverschrijding oplevert. Alhoewel de
rechtbank met deze laatste opvatting kan instemmen, moet worden geconstateerd dat eiser in zijn brief aan verweerder van 29 oktober 1997 - naast zijn eerder aangehaalde opmerking dat hij het bezwaarschrift op 16 september 1997 heeft opgestuurd, op welke omstandigheid verweerder in het bestreden besluit niet nader is ingegaan - heeft vermeld dat hij van 2 tot 30 augustus 1997 met vakantie is geweest. Gelet op de omstandigheid dat eiser gedurende de resterende bezwaartermijn - welke zoals eerder vermeld, liep tot en met 16 september 1997 - niet op vakantie was, heeft verweerder ten onrechte gesteld dat de vakantie van eiser geen verschoonbare termijnoverschrijding opleverde. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Uit het vorenoverwogene volgt dat verweerder het bezwaarschrift van eiser bij het thans bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Voorts acht de
rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De
rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 1 punt met een waarde van É710,- toe voor de indiening van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x É710,- x 1 = É1420,-.

Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze
rechtbank.

Gelet op het bepaalde in artikel 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt mitsdien als volgt beslist.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 16 september 1997 met inachtneming van deze uitspraak;
3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad
É55,- wordt vergoed door de gemeente Heerlen;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de
rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op É1420,-, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Heerlen aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Maastricht.

Aldus gedaan door mr. W.L.J. Voogt in tegenwoordigheid van E.S.J.M. Naebers als griffier en in het openbaar uitgesproken op door mr. Voogt voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E.S.J.M. Naebers            w.g. W.L.J. Voogt




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

verzonden op:




Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Awb / ABW / Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA3443
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 97/242 ABW
Datum uitspraak: 20 oktober 1998
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 6:7, 6:10 en 6:11 Awb
Trefwoorden: bezwaar; niet-ontvankelijk; eerder besluit op bezwaar; termijnoverschrijding
Essentie: Terechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, niet wegens termijnoverschrijding, maar omdat reeds op het bezwaar was beslist.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 97/242 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, appellant,

en

[gedaagde A], wonende te [woonplaats B], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op de bij aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld tegen de onder dagtekening 5 december 1996 door de arrondissementsrechtbank te Zutphen tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Als gemachtigde van gedaagde heeft mr. E.G. Schelhaas, advocaat en procureur te Ermelo, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 augustus 1998, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door W. Hummel, werkzaam bij de
gemeente Harderwijk, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Schelhaas, voornoemd.




II. Motivering


De
Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan gedaagde is met ingang van 10 mei 1994 een uitkering toegekend ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww). Hij was toen eigenaar van de door hemzelf bewoonde woning aan de [...]straat te B. Op 20 februari 1995 heeft hij deze woning verkocht aan zijn broer C te B.

Bij besluit van 12 mei 1995 heeft appellant de betaling van de uitkering ingevolge de Rww aan gedaagde met ingang van 1 mei 1995 gestaakt. Hij heeft daartoe het volgende overwogen:

"De reden hiervoor is dat u uw woning in eigendom zonder overleg met Sociale Zaken hebt verkocht aan uw broer, de heer C te B. Voorts is door derden meegedeeld dat u niet meer op bovenstaand adres zou wonen. Hiervan heeft u op geen enkele wijze melding gemaakt. U bent derhalve willens en wetens uw meldingsplicht niet nagekomen.
Zolang het bovenstaande niet duidelijk wordt, blijft de blokkering in stand. Over de beŽindiging of voortzetting van uw uitkering zult u nader bericht ontvangen."

Gedaagde heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij door appellant op 18 mei 1995 ontvangen brief.

Bij besluit van 30 mei 1995 heeft appellant vervolgens de uitkering van gedaagde met ingang van 1 mei 1995 beŽindigd op de grond dat gedaagde met ingang van genoemde datum niet in de gemeente B verblijft.

In een rapportage d.d. 6 juli 1995 die is opgesteld naar aanleiding van het door gedaagde gemaakte bezwaar is onder meer het volgende vermeld:
"Omdat de beschikking waarin de uitkering is geblokkeerd en de beschikking waarin de uitkering is beŽindigd niet afdoende is gemotiveerd, betekent dat het bezwaar formeel waarschijnlijk gegrond moet worden verklaard. Materieel is het waarschijnlijk wel terecht dat de uitkering is gestaakt en vervolgens beŽindigd. De belangrijkste zaken die in de hoorzitting aan de orde moeten worden gesteld zijn de feitelijke verblijfsituatie en de vraag of hij niet over meer vermogen beschikt dan het vrij te laten bescheiden vermogen (
É9200,-). De woning zou met een winst van É55.000,- zijn verkocht, zodat de heer A te B zou kunnen beschikken over een vermogen wat ver uitkomt boven het vrij te laten vermogen."

Blijkens het verslag van de naar aanleiding van het bezwaar van gedaagde op 10 juli 1995 gehouden hoorzitting heeft gedaagde zich ermee akkoord verklaard dat zijn bezwaren tegen zowel de blokkering als de beŽindiging van zijn uitkering gezamenlijk worden afgehandeld.

Vervolgens heeft appellant op 7 augustus 1995 een besluit genomen, waaraan het volgende wordt ontleend: "Gehoord de Commissie Rijksgroepsregeling werkloze werknemers, hebben wij besloten uw bezwaarschrift gegrond te verklaren voor wat betreft de motivering van de bestreden beschikking. Uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het bezwaarschrift door u naar voren werd gebracht en uit hetgeen uit de stukken naar voren kwam, blijkt dat de uitkering wel terecht is geblokkeerd en vervolgens beŽindigd.

Uit de verkoop van de woning aan de [...]straat te B per 1 maart 1995 ontving u een bedrag van ruim
É50.000,-. Op grond van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, Algemene Bijstandswet wordt bij de beoordeling van de mate waarin een persoon beschikt over middelen een bescheiden vermogen buiten beschouwing gelaten.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, Bijstandsbesluit landelijke normering bedraagt het vrij te laten bescheiden vermogen voor een alleenstaande
É9200,-. Vermogen dat deze grens te boven gaat, staat bijstandverlening in de weg, aangezien u daarmee zelf over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Tijdens de mondelinge behandeling van het bezwaarschrift d.d. 10-07-1995 verklaarde u over een vermogen te beschikken van É15.000,- en daarnaast nog onlangs een camper te hebben aangeschaft met een waarde van É20.000,-. Afgezien van een lening bij de ING-bank van É10.400,- waarop u een bedrag van É200,- per maand af moest lossen, waren er volgens uw verklaring verder geen schulden. Onder deze omstandigheden bestaat er geen recht op bijstand aangezien uw vermogen groter is dan het vrij te laten bescheiden vermogen.

U verklaarde tevens dat u vanaf 1 maart 1995 bij uw vader in Friesland verblijft gedurende vijf dagen in de week. Uw moeder is per 1 maart 1995 bij uw broer - die per 1 maart 1995 de woning aan de [...]straat te B van u had gekocht - ingetrokken.

Ondanks het feit dat u formeel nog staat ingeschreven als inwoner van de gemeente B, is het voor de bijstandverlening van belang waar u feitelijk verblijft. Nu u feitelijk voor het grootste gedeelte van de week buiten B verblijft, is de gemeente B niet de aangewezen gemeente als bedoeld in artikel 14 Algemene Bijstandswet om aan u bijstand te verlenen, voor het geval dat u daar recht op zou hebben."

Bij brief van 12 april 1996 heeft mr. F.C.C. van den Broek, advocaat en procureur te Ermelo, namens gedaagde onder andere bezwaar gemaakt tegen het (primaire) besluit van 30 mei 1995 waarbij de uitkering van gedaagde met ingang van 1 mei 1995 is beŽindigd.

Bij het thans bestreden besluit van 23 mei 1996 heeft appellant gedaagde niet-ontvankelijk verklaard in zijn op 12 april 1996 ingediende bezwaarschrift tegen het besluit van 30 mei 1995 op de grond dat dat bezwaarschrift buiten de daarvoor in artikel 6:7 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn is ingediend en er geen reden is die termijnoverschrijding met toepassing van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar te achten.

Voor zover hier van belang heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak - waarin appellant als verweerder en gedaagde als eiser is aangeduid - het beroep tegen het besluit van 23 mei 1996 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd op grond van de volgende overwegingen:

"In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder op goede gronden eisers bezwaarschrift, gericht tegen verweerders besluit van 30 mei 1996, niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank beantwoordt die vraag om de navolgende redenen ontkennend.

De rechtbank constateert dat blijkens het verslag van de hoorzitting d.d. 10 juli 1995 - gehouden in het kader van de behandeling van eisers bezwaar tegen het besluit van 12 mei 1995 - door verweerders Kommissie Werkloze Werknemers is voorgesteld om tevens verweerders besluit van 30 mei 1995 (betreffende de beŽindiging van de uitkering) in het kader van het ingediende bezwaarschrift te behandelen. Blijkens genoemd verslag is eiser met dit voorstel akkoord gegaan.

De rechtbank merkt in dit verband op dat ten tijde van de hoorzitting d.d. 10 juli 1995 de termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter zake van verweerders besluit van 30 mei 1995 nog niet verstreken was. Verweerders Kommissie heeft daarbij met haar voorstel kennelijk beoogd eisers bezwaarschrift van 18 mei 1995, gericht tegen het besluit van 2 mei 1995, mede gericht te achten tegen het inmiddels door verweerder genomen besluit van 30 mei 1995. Gelet op de inhoud van eisers bezwaarschrift, alsmede gelet op hetgeen in artikel 6:10 van de Awb ten aanzien van voortijdig ingediende bezwaarschriften is bepaald, moet deze handelwijze van genoemde Kommissie naar het oordeel van de rechtbank voor juist worden gehouden.
De rechtbank stelt in dit verband voorts vast dat verweerders besluit op bezwaar d.d. 7 augustus 1995 - in weerwil van hetgeen tijdens de hoorzitting van 10 juli 1995 ter zake werd voorgesteld - slechts een heroverweging bevat van verweerders besluit van 12 mei 1995 aangaande de blokkering van eisers uitkering.

Nu een heroverweging naar aanleiding van eisers bezwaarschrift ten aanzien van het besluit van 30 mei 1995 vooralsnog ontbrak, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het schrijven van eisers gemachtigde van 12 april 1996 ten onrechte opgevat als een bezwaarschrift gericht tegen dat besluit en is mitsdien eveneens op onjuiste gronden overgegaan tot niet-ontvankelijk verklaring van het (vermeende) bezwaarschrift.

Het schrijven van eisers gemachtigde had naar het oordeel van de rechtbank voor verweerder aanleiding dienen te zijn alsnog (onverwijld) zijn heroverweging aangaande het besluit van 30 mei 1996 neer te leggen in een nader besluit op bezwaar. De rechtbank vertrouwt erop dat verweerder hier op korte termijn alsnog toe zal overgaan.

Gelet op het hierboven overwogene komt het bestreden besluit - als strijdig met het bepaalde in artikel 6:10 van de Awb - voor vernietiging in aanmerking."

Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen.
Zoals hij reeds in eerste aanleg kenbaar heeft gemaakt, is appellant van oordeel dat zijn hiervoor vermelde besluit van 7 augustus 1995 genomen is na heroverweging van zowel de blokkering als de beŽindiging van gedaagdes uitkering. Appellant is dan ook nader van oordeel dat het bezwaarschrift van 12 april 1996 niet wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, maar op de grond dat reeds op het bezwaar tegen de beŽindiging van de uitkering was beslist.

De
Raad onderschrijft het oordeel van appellant. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant de door gedaagde tijdens de hoorzitting op 10 juli 1995 geuite en in het verslag van die zitting vastgelegde bezwaren tegen de in het besluit van 30 mei 1995 neergelegde beŽindiging van diens uitkering kon aanmerken als een bezwaarschrift tegen dat besluit aangezien op die datum de daarvoor in artikel 6:7 van de Awb gestelde termijn nog niet was verstreken.
Voorts is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat bij het besluit van 7 augustus 1995 is beslist zowel op het bezwaar tegen de blokkering van de uitkering van gedaagde als tegen de beŽindiging daarvan. Zulks blijkt niet alleen uit de rapportage d.d. 6 juli 1995 en het verslag van de hoorzitting op 10 juli 1995, maar ook uit de bewoordingen van dat besluit ("..., blijkt dat de uitkering wel terecht is geblokkeerd en vervolgens beŽindigd"). Daaraan kan niet afdoen dat in de aanhef van voormeld besluit slechts wordt verwezen naar het besluit inzake de blokkering van de bijstand d.d. 12 mei 1995. Aangezien appellant derhalve reeds een beslissing op bezwaar tegen het besluit van 30 mei 1995 had genomen, kon gedaagde niet andermaal naar aanleiding van het tegen dat besluit bij brief van 12 april 1996 gemaakte bezwaar een besluit op bezwaar nemen zodat gedaagde ter zake niet-ontvankelijk was. Appellant heeft gedaagde bij het bestreden besluit dan ook terecht niet-ontvankelijk geacht in zijn bij brief van 12 april 1996 gemaakte bezwaar tegen het besluit van 30 mei 1995.

Gelet op het hiervoor overwogene dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en het inleidende beroep alsnog ongegrond te worden verklaard.

De
Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. C.G. Kasdorp en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr. G. Leppink-Kooistra als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 1998.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) G. Leppink-Kooistra.

 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA3468
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 99/217 NABW 58
Datum uitspraak: 22 juni 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 13, 42, 43 en 45 Abw (= 18, 31, 31 en 31 Wwb) / 8:73 Awb
Trefwoorden: inkomsten; dividenduitkering; dividendbelasting, opbrengst uit vermogen; immateriŽle schadevergoeding; vergoeding renteschade; vordering wettelijke rente
Essentie: Terechte aanmerking van dividenduitkering als inkomsten, maar eerst na aftrek van dividendbelasting. Afwijzing vergoeding renteschade.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zutphen 99/217 NABW 58




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 12 januari 1999.




2. Feiten


Eiseres ontvangt van de zijde van verweerder een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). In 1988 is eiseres het slachtoffer geweest van een ernstig auto-ongeval, in verband waarmee aan haar medio 1997 een immateriŽle schadevergoeding is toegekend ad
É60.000,-.

Op grond van het bepaalde in artikel 43, tweede lid, onderdeel j, van de Abw heeft verweerder laatstgenoemd bedrag niet als middelen in de zin van die wet aangemerkt. Eiseres heeft genoemd bedrag vervolgens belegd in een tweetal beleggingsfondsen. In april 1998 is door deze beleggingsfondsen aan eiseres in totaal
É1014,45 (inclusief dividendbelasting) aan dividend uitgekeerd, welk bedrag door eiseres is herbelegd.

Bij besluit van 13 juli 1998 heeft verweerder eiseresses bijstandsuitkering over de maand april 1998 herzien en daarop alsnog een bedrag ad
É1014,45 aan inkomsten in mindering gebracht. Voorts is bij genoemd besluit de te veel betaalde uitkering over de maand april 1998 tot het hiervoor genoemde bedrag van eiseres teruggevorderd.

Bij het bestreden besluit is eiseresses bezwaar tegen het besluit van 13 juli 1998 ongegrond verklaard.




3. Procesverloop


Namens eiseres is door mevr. mr. Q.J. van Leeuwen, verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te Zutphen, beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Vervolgens hebben partijen hun standpunten schriftelijk nader uiteengezet.

Het beroep is behandeld ter zitting van 16 juni 1999, waar namens eiseres is verschenen mr. Van Leeuwen voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B.H.P.G. Buiting en A.G. Roesink.




4. Gronden


4.1. Partijen houdt verdeeld de vraag of de dividenduitkering over de maand april 1998 in het kader van de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw) terecht op eiseresses uitkering in mindering is gebracht.

4.2. Ingevolge artikel 13 van de Abw stemmen burgemeester en wethouders de bijstand af op (onder meer) de middelen van de betrokken persoon.

Ingevolge artikel 42 van de Abw worden tot de middelen gerekend alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover de bijstandsgerechtigde beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.3. Gelet op het in artikel 42 van de Abw neergelegde uitgangspunt dat in beginsel alle inkomens- en vermogensbestanddelen van invloed zijn op de bijstandsuitkering, is de rechtbank van oordeel dat een dividenduitkering, zoals door eiseres genoten, in beginsel tot de middelen dient te worden gerekend, tenzij een dergelijke uitkering expliciet bij of krachtens de Abw van het middelenbegrip is uitgezonderd. De rechtbank is van oordeel dat dit laatste niet het geval is.

Ingevolge artikel 43, tweede lid, onderdeel g, van de Abw wordt weliswaar niet tot de middelen gerekend rente ontvangen over op grond van artikel 52, eerste lid, onderdeel b, c en d, van de Abw niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden, een immateriŽle schadevergoeding wordt evenwel expliciet in onderdeel e van laatstgenoemd artikellid als niet in aanmerking te nemen vermogen vermeld. De rechtbank laat in dit verband nog daar de vraag of een dividenduitkering gelijkgesteld kan worden met rente, als in artikel 43, tweede lid onderdeel g, van de Abw genoemd.

Voorts kunnen opbrengsten uit een uitkering in verband met geleden immateriŽle schade naar het oordeel van de rechtbank niet gelijkgesteld worden met die uitkering zťlf, welke in artikel 43, tweede lid, onderdeel j, van de Abw als niet in aanmerking te nemen middelen wordt genoemd.

Gelet op het voorgaande kan in het bepaalde van artikel 43 Algemene bijstandswet (Abw), alsook in enige andere bepaling bij of krachtens die wet gesteld, naar het oordeel van de rechtbank geen grond worden gevonden om dividendopbrengsten uit een immateriŽle schadevergoeding uit te zonderen van het middelenbegrip.

4.4. De rechtbank stelt evenwel vast dat in het bedrag dat door verweerder op de uitkering in mindering is gebracht tevens een (niet nader omschreven) bedrag aan dividendbelasting is begrepen. Verweerder heeft ter zake het standpunt ingenomen dat eiseres deze afgedragen belasting aan de fiscus kan terugvragen.

De rechtbank is van oordeel dat deze benadering van verweerder niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 45 van de Abw. Genoemd artikel heeft blijkens zijn inhoud als uitgangspunt dat bij de in aanmerking te nemen middelen in beginsel de feitelijk besteedbare middelen bepalend dienen te zijn. Op grond hiervan is in genoemd artikel bepaald dat de middelen slechts in aanmerking worden genomen tot het bedrag dat resteert na aftrek van verschuldigde belastingen en/of verplichte inhoudingen welke ten laste van de belanghebbende komen. Blijkens de toelichting op deze wetsbepaling dienen eventuele toekomstige belastingteruggaven daarbij in ogenschouw te worden genomen op het moment dat de belanghebbende deze feitelijk ontvangt (MvT, Kamerstukken II 1991-1992, 22 545).

Het vorenstaande in aanmerking nemende, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte de ten laste van eiseres afgedragen dividendbelasting als middelen in aanmerking genomen. De herziening van eiseresses uitkering, alsook de daarop gebaseerde terugvordering, zijn in zoverre strijdig te achten met artikel 45 van de Algemene bijstandswet (Abw).

De rechtbank zal het bestreden besluit, nu daarbij eiseresses bezwaar ten onrechte ongegrond is verklaard, vernietigen. Verweerder zal nader op eiseresses bezwaar dienen te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

4.5. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd.

4.6. Namens eiseres is tevens verzocht om toepassing van artikel 8:73 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), bestaande uit vergoeding van de wettelijke rente over de ten onrechte niet toegekende uitkering. De rechtbank stelt vast dat uit de aard van verweerders besluitvorming, welke betrekking heeft op herziening en terugvordering van reeds verstrekte uitkering, als zodanig niet voorvloeit dat door eiseres renteschade, als door haar gesteld, zou zijn geleden. Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen.




5. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder nader op het bezwaar beslist, met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst af het verzoek om schadevergoeding;
- bepaalt dat de gemeente Zutphen het betaalde griffierecht van
É55,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt de gemeente Zutphen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
É1420,- ter zake van verleende rechtsbijstand.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA3498
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: AWB 96/4968 ABW
Datum uitspraak: 1 februari 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 5a ABW (= 3 Abw) (= 3 Wwb)
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; woningdeling; ongehuwden ABW
Essentie: Ten onrechte is (ten tijde van de ABW) woningdeling aangemerkt als gezamenlijke huishouding van twee ongehuwde personen, terwijl belanghebbende nog gehuwd was met een derde.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank 's-Hertogenbosch
AWB 96/4968 ABW




U I T S P R A A K




ingevolge artikel 8:70 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

[eiseres A], wonende te [woonplaats B], eiseres,
gemachtigde: mr. R.C. Vermeer, advocaat te Rhenen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeloon [zie gemeente Bladel, red.], verweerder,
gemachtigde: A. van de Borne.




I. Procesverloop


Eiseres was sedert 18 augustus 1989 gehuwd met C. Staande dat huwelijk zijn drie kinderen geboren, in 1990, 1992 en 1995. Op 13 juli 1995 heeft eiseres met haar kinderen de echtelijke woning (te E) verlaten. Daarna heeft zij haar intrek genomen in de woning van D (verder te noemen: D) te B. Met ingang van 25 september 1995 heeft verweerder aan eiseres bijstandsuitkering verstrekt naar de norm voor een eenoudergezin met aftrek van een bedrag van
É222,- wegens het niet verschuldigd zijn van woonkosten en met een zogenaamde woningdelerskorting.

Bij besluit van 6 februari 1996 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 december 1995 beŽindigd op grond van de overweging dat zij duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde met D.

Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit op bezwaar van 14 mei 1996 ongegrond verklaard.

Namens eiseres is tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld op bij beroepschrift aangevoerde gronden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 6 maart 1998, waar eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde.
Verweerder heeft zich op die zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Vervolgens is het onderzoek heropend teneinde van verweerder schriftelijk antwoord te verkrijgen op een door de rechtbank te stellen vraag.

Bij brief van 28 april 1998 (met bijlage) heeft verweerder een vraag van de rechtbank beantwoord.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van 22 december 1998, waar van partijen verweerder bij gemachtigde is verschenen.




II. Overwegingen


In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder eiseresses bijstandsuitkering terecht met ingang van 1 december 1995 heeft beŽindigd.

Die beŽindiging berust op de overweging dat eiseres duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde met D (die over zodanige middelen van bestaan beschikte dat eiseres dan niet zou zijn aangewezen op een bijstandsuitkering).

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 5a, tweede lid, van de (tot 1 januari 1996 geldende) Algemene Bijstandswet (ABW) kan er slechts sprake zijn van een gezamenlijke huishouding indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en in elkaars verzorging. Vaststaat dat eiseres op 1 december 1995 nog gehuwd was met C, zodat reeds om deze reden niet wordt voldaan aan de wettelijke omschrijving van het begrip gezamenlijke huishouding. Hierbij wordt opgemerkt dat in de tekst van de destijds geldende ABW degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is (nog) niet werd gelijkgesteld met een ongehuwde.

Aan het voorgaande doet niet af dat in het eerste lid van genoemd artikel wordt gesproken over (bijstand aan) "niet met elkaar gehuwde personen". Dit gegeven sluit immers niet uit dat de in het eerste lid aangeduide kring van personen in het tweede lid wordt beperkt (het woord "slechts" in dat tweede lid kan daar ook op duiden) tot die niet met elkaar gehuwde personen die ook niet met een derde zijn gehuwd. Maar ook al zou dit anders zijn, de uitdrukking "ongehuwde personen" laat niet toe daar personen onder te begrijpen die met wie dan ook gehuwd zijn.

Verweerder heeft gewezen op de door de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal gestuurde notitie "Fraudegevoeligheid van de regelgeving met betrekking tot de leefvormen in de bijstand" d.d. 19 december 1991. Op bladzijde 6 van die notitie staat vermeld dat met de zinsnede "twee ongehuwde personen" wordt gedoeld op twee niet met elkaar gehuwde personen, hetgeen onder meer zou kunnen worden opgemaakt uit de samenhang van het eerste lid van artikel 5a ABW met het tweede lid van artikel 5a ABW. De rechtbank wil er in dit verband op wijzen dat de term "twee ongehuwde personen" volkomen duidelijk is en dat een normaal taalgebruik eraan in de weg staat om die term zo beperkt op te vatten als door verweerder en genoemde staatssecretaris wordt gewenst.

Voorts wil de rechtbank hier niet onvermeld laten dat het niet tot de taak van de rechter kan worden gerekend om - zolang het tenminste niet gaat om de doorwerking van internationaal en supranationaal recht of om een zeer uitzonderlijk geval waarin het ongeschreven recht bewerkstelligt dat toepassing van een wet in formele zin niet langer rechtsplicht kan zijn - de wet te corrigeren al naargelang de behoeften van de praktijk. Het is ook niet aanvaardbaar om justitiabelen - die rechtszekerheid moeten kunnen ontlenen aan hetgeen als wet in formele zin is gepubliceerd - te confronteren met een van de tekst afwijkende toepassing van de wet. In dit verband wijst de rechtbank nog op een uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van 13 augustus 1998, 97/3426 WW, gepubliceerd in RSV 1998 nr. 287.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat eiseres op 1 december 1995 geen gezamenlijke huishouding voerde met D. De in de eerste alinea van deze rubriek geformuleerde vraag dient derhalve ontkennend te worden beantwoord, zodat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zal de rechtbank tevens het primaire besluit van 6 februari 1996 herroepen en bepalen dat eiseres met ingang van 1 december 1995 recht heeft op voortzetting van haar bijstandsuitkering.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal
É1420,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: * 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift; * 1 punt voor het verschijnen ter zitting; * waarde per punt É710,-; * wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerders gemeente aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.




III. Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit van 6 februari 1996 en bepaalt dat eiseres met ingang van 1 december 1995 recht heeft op voortzetting van haar bijstandsuitkering;
- gelast verweerders gemeente aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht;
- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op
É1420,-, te vergoeden door verweerders gemeente en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. A.W. Govers als rechter, in tegenwoordigheid van C.A.J. Beuger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 1999.

Afschrift verzonden:




Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x