Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA3501
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: 97/1426 NABW Z DRM en 98/780 NABW Z DRM
Datum uitspraak: 5 maart 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 35 en 38 Abw (= 27 en 30 Wwb)
Trefwoorden: verlaging bijstandsnorm of toeslag; geen woonkosten; woonlasten; eigen woning
Essentie: Onterechte verlaging van de toeslag voor zover het betreft het buiten aanmerking laten van voor rekening van belanghebbende komende lasten van de eigen woning.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank Maastricht 97/1426 NABW Z RDM en 98/780 NABW Z DRM




U I T S P R A A K




inzake:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul, gevestigd te Valkenburg, verweerder.



Datum van de bestreden besluiten: 28 april 1997 en 20 mei 1998, kenmerk 823/SoZa/Ste en 3834/SoZa/RBR.
Datum zitting: 22 oktober 1998.




I. Ontstaan en loop van de gedingen


In zaak AWB 97/1426 NABW E V:

Bij besluit van 28 april 1997 heeft verweerder de bezwaren van eiseres gericht tegen het door verweerder genomen besluit van 31 december 1996 ongegrond verklaard.

Op 9 juni 1997 is door mr. A.J.J. Kreutzkamp namens eiseres tegen dit besluit bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende stukken zijn op 9 september 1997 in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Bij brief van 30 september 1997 zijn gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft op 17 november 1997 een verweerschrift ingediend. Dit is op 19 november 1997 in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

In zaak AWB 98/0780 NABW E V:

Bij besluit van 20 mei 1998 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van verweerder van 29 augustus 1997 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft voornoemde gemachtigde bij brief van 3 juni 1998 namens eiseres beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingediende stukken zijn op 23 juli 1998 aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Bij brief van 21 augustus 1998 zijn namens eiseres de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft op 22 september 1998 een verweerschrift ingediend. Dit is op 28 september 1998 in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

In beide zaken:

Voornoemde beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank op 22 oktober 1998, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde.
Namens verweerder is verschenen de heer R.J.L. Brauwers, ambtenaar der gemeente Valkenburg aan de Geul.




II. Overwegingen


II.I. Eiseres is een alleenstaande, gescheiden, ouder. De woning die zij bewoont is haar eigendom. De op de woning rustende hypotheeklasten worden door haar ex-echtgenoot betaald.

In verband met de inwerkingtreding van de nieuwe Algemene bijstandswet (Abw) op 1 januari 1996 heeft verweerder het recht op uitkering van eiseres opnieuw beoordeeld.

Bij besluit van 31 december 1996 heeft verweerder aan eiseres een bijstandsuitkering ingevolge de Abw toegekend naar de norm van een eenoudergezin. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat eiseres recht heeft op een toeslag van 20% van het wettelijk minimumloon, omdat eiseres de kosten van het bestaan niet kan delen met een ander.
Verweerder heeft voorts aangegeven dat op de uitkering van eiseres een korting wordt toegepast van 20% van het wettelijk minimumloon, onder de overweging dat eiseres geen woonlasten heeft zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, onder 2, van de Verordening toeslagen- en verlagingsbeleid van 19 december 1995 (hierna: de verordening).

Tegen laatstgenoemd besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt, waarbij eiseres de op haar uitkering toegepaste korting heeft bestreden, daarbij onder meer aanvoerende dat zij wel woonlasten heeft.

Dit bezwaarschrift heeft verweerder bij het in rubriek I genoemde besluit van 28 april 1997 ongegrond verklaard.

II.2. Naar aanleiding van een in augustus 1997 uitgevoerd rechtmatigheidsonderzoek heeft verweerder eiseres bij besluit van 29 augustus 1997 meegedeeld dat de aan haar toegekende bijstandsuitkering ongewijzigd wordt gecontinueerd.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt, omdat zij van mening is dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat zij geen woonlasten zou hebben.

Bij het bestreden besluit van 20 mei 1998 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

II.3. Zowel het bestreden besluit van 28 april 1997 als dat van 20 mei 1998 berusten op inhoudelijk gelijkluidende adviezen van de Commissie bezwaar- en beroepschriften (hierna: de Commissie) van verweerders gemeente. In dit advies heeft de Commissie het standpunt ingenomen dat in een geval als het onderhavige slechts dan niet tot verlaging van de norm of toeslag dient te worden overgegaan wanneer alle lasten als genoemd in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, onder 2, van de verordening voor rekening van de persoon in kwestie zouden komen. Nu in casu vast staat dat in ieder geval de hypotheeklasten voor rekening van de ex-echtgenoot van eiseres komen, is de Commissie van oordeel dat aan voornoemde voorwaarde niet is voldaan en verweerder dus niet gehouden is van toepassing van de korting af te zien.

II.4. In beroep tegen beide bestreden besluiten is slechts de door verweerder op de uitkering van eiseres toegepaste korting wegens het ontbreken van woonlasten bestreden. Daarbij is namens eiseres aangegeven dat eiseres een eigen woning bewoont, dat het inderdaad zo is dat de ex-echtgenoot van eiseres de hypotheeklasten voor zijn rekening neemt, maar dat eiseres de op de woning berustende zakelijke lasten, zoals de onroerende zaakbelasting, de afvalstoffenheffing, de rioolrechten, de heffing Zuiveringschap Limburg en de heffing Waterschap Roer en Overmaas betaalt. Voorts is aangegeven dat eiseres dringend kosten voor groot onderhoud moet maken, welke kosten ook als woonkosten in de zin van de verordening dienen te worden aangemerkt. Naar het oordeel van de gemachtigde van eiseres heeft verweerder, in navolging van de Commissie, een onjuiste uitleg aan de desbetreffende bepaling van de verordening gegeven. Naar het oordeel van de gemachtigde van eiseres is ook reeds sprake van woonkosten in de zin van de verordening als alleen de zakelijke lasten worden betaald.

II.5. In de omstandigheid dat in het tweede bestreden besluit van 20 mei 1998 dezelfde motivering ten grondslag is gelegd als aan het eerste bestreden besluit van 28 april 1997 en de tegen deze besluiten ingestelde beroepen op, in essentie, dezelfde gronden berusten, ziet de rechtbank geen aanleiding het beroep tegen het tweede bestreden besluit van 20 mei 1998 niet-ontvankelijk te verklaren, nu dit besluit niet kan worden opgevat als een loutere herhaling van het eerste bestreden besluit, aangezien het tweede bestreden besluit berust op een nieuw, afzonderlijk, onderzoek naar de uitkeringsrechten van eiseres.

II.6. Aldus is ter zake van beide bestreden besluiten in geding de vraag of verweerder, wegens het ontbreken van woonkosten, terecht en op goede gronden een korting van 20% van het nettominimumloon heeft toegepast op de bijstandsuitkering van eiseres. De rechtbank overweegt als volgt.

II.7. Artikel 35, eerste lid, van de Abw bepaalt dat burgemeester en wethouders de bijstandsnorm of de toeslag, bedoeld in artikel 33 van de Abw, lager kunnen vaststellen, voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden.

Ingevolge het tweede lid van artikel 35 van de Abw vindt de in het eerste lid bedoelde verlaging bij voorrang plaats op de toeslag.

Artikel 38, eerste lid, van de Abw vermeldt dat het gemeentebestuur bij verordening vaststelt voor welke categorien de bijstandsnorm dient te worden verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.

Het derde lid van artikel 38 van de Abw geeft aan dat in de verordening uitsluitend verhogingen en verlagingen worden vastgesteld als bedoeld in de artikelen 33 tot en met 37 van de Abw.

Door de raad van verweerders gemeente werd, mede gelet op het bepaalde in artikel 38 van de Abw, bij besluit van 19 december1995 voornoemde verordening vastgesteld. De verordening is op 1 januari 1996 in werking getreden.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de verordening wordt de norm of toeslag lager vastgesteld indien de uitkeringsgerechtigden een woning bewonen waaraan geen kosten verbonden zijn.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de verlaging 20% van het nettominimumloon bedraagt.

In het derde lid is bepaald dat de verlaging bij voorrang plaatsvindt op de toeslag.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, onder 2, van de verordening worden, indien een eigen woning wordt bewoond, onder woonkosten verstaan: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten. Daarbij wordt onder zakelijke lasten verstaan: de rioolrechten, het eigenaarsaandeel van de onroerendezaakbelasting, de opstalverzekering, het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten en het groot onderhoud.

II.8. De rechtbank is allereerst van oordeel dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat artikel 35, eerste lid, van de Abw zo moet worden gelezen dat burgemeester en wethouders tot de in dit artikel bedoelde verlaging van de bijstandsnorm of de toeslag bevoegd zijn, voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of toeslag voorziet, als gevolg van een bewoning van een woning waaraan voor de belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. In dat geval zijn de noodzakelijke kosten van het bestaan voor de belanghebbende immers lager dan wanneer de woonkosten wel te zijner of harer laste zouden komen.

Volgens deze uitleg zou voor verlaging van de uitkering van eiseres aanleiding kunnen zijn indien aan de bewoning van de woning van eiseres weliswaar woonkosten verbonden zijn, maar deze volledig voor rekening van haar ex-echtgenoot komen.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat, waar in de tekst van artikel 4 van de verordening wordt gesproken over "kosten", in ieder geval ook woonkosten dienen te worden verstaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, onder 2, van de verordening.

De rechtbank is voorts van oordeel dat ingevolge laatstgenoemde bepaling zowel de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente als de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten als woonkosten dienen te worden beschouwd. Gelet hierop kan de rechtbank zich niet verenigen met het standpunt van verweerder dat er eerst dan sprake is van woonkosten als n de hypotheekrente n de zakelijke lasten n het groot onderhoud ten laste van eiseres komen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de beroepen gegrond, nu de bestreden besluiten berusten op een onjuiste uitleg van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, juncto artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, onder 2, van de verordening. De bestreden besluiten dienen te worden vernietigd en verweerder zal bij het nemen van nieuwe besluiten een nader onderzoek dienen in te stellen naar de vraag of en in hoeverre eiseres ter zake van de bewoning van haar woning zakelijke lasten verschuldigd is als bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, onder 2, van de verordening. In verband met het door verweerder in het verweerschrift van 22 september 1998 gestelde voegt de rechtbank hieraan toe dat het bij de beantwoording van de zojuist bedoelde vraag aankomt op de lasten die eiseres feitelijk in verband met de bewoning van haar woning moet voldoen.

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beide samenhangende beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskostenveroordeling heeft in de eerste plaats betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht en overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van laatstgenoemd besluit.

De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten met een waarde van
710,- toe voor de indiening van de beide beroepschriften en 1 punt met een waarde van 710,- voor het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 3 x
710,- x 1 = 2130,-.

De proceskostenveroordeling heeft voorts betrekking op de reiskosten van eiseres wegens het bijwonen van de zitting. Het bedrag daarvan wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en artikel 6, eerste lid, onderdeel III, van het Besluit tarieven in strafzaken door de rechtbank vastgesteld op
12,88, zijnde de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.

Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten van 28 april 1997 en 20 mei 1998;
2. draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften van 24 februari 1997 en van 22 september 1997 met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;
3. bepaalt dat aan eiseres de door haar betaalde griffierechten ten bedrage van
110,- worden vergoed door de gemeente Valkenburg aan de Geul;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op
2142,88 (waarvan wegens de kosten van rechtsbijstand 2130,-), te betalen door de gemeente Valkenburg aan de Geul aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Maastricht.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. M.M.P. Driessen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 1998 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Driessen            w.g. R.E. Bakker




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op: 21 januari 1999.




Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken. Bij een spoedeisend belang staat voor het bestuursorgaan en een belanghebbende tevens de mogelijkheid open om de Voorzitter van de Centrale Raad van Beroep te adiren met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
             
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA3503
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: 97/2023 NABW Z BIM
Datum uitspraak: 15 maart 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 42, 51, 52 en 54 Abw (= 31, 34, 34 en 34 Wwb)
Trefwoorden: vermogen bij aanvang bijstand; pensioengelden; aanspraak op vermogen; oververmogen; interen
Essentie: Terecht zijn (na ontslag ineens uit te keren) pensioengelden - bekend bij aanvang van de bijstand, maar eerst acht maanden nadien ontvangen - opgeteld bij het bij aanvang van de bijstand aanwezige vermogen, zodat diende te worden ingeteerd op oververmogen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank Maastricht 97/2023 NABW Z BIM




U I T S P R A A K




inzake: 

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, gevestigd te Heerlen, verweerder.



Datum van het bestreden besluit: 8 juli 1997, kenmerk: 01.21/4684/B96264MT.
Datum zitting: 10 februari 1999.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 8 juli 1997 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser d.d. 4 december 1996 gericht tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag voor een bijstandsuitkering alsmede tegen het besluit van 12 december 1996, waarbij zijn aanvraag is afgewezen, gegrond verklaard in die zin dat zijn vermogen is bepaald op [
16.588,-, red.] en voor het overige ongegrond.
Voorts is hem met ingang van 15 december 1996 een bijstandsuitkering toegekend naar de voor hem geldende norm. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Blijkens hetgeen door hem in beroep is gesteld, kan hij zich niet met dit besluit verenigen. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de
Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden. De inhoud van deze stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd. De tijdens de loop van het geding aan het dossier toegevoegde stukken zijn aan partijen gezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 10 februari 1999.
Eiser is met kennisgeving niet verschenen.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevr. I.M.T. Timmermans.




II. Beoordeling


In deze staat vast dat eiser begin augustus 1996 vanuit Zwitserland naar Nederland is teruggekeerd, nadat zijn huwelijk was stukgelopen. Het echtscheidingsvonnis is door de Zwitserse rechter op 5 maart 1997 uitgesproken.

Eiser heeft op 28 augustus 1996 een aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend.

Partijen zijn het erover eens dat het bedrag van
6500,- waarvoor hij zijn auto heeft verkocht, tot zijn vermogen per 28 augustus 1996, de datum aanvraag, moet worden gerekend.

Het staat voorts vast dat eiser in mei 1997 de beschikking heeft gekregen over
10.088,- aan pensioengelden, die hem in verband met zijn echtscheiding zijn toegekend.

Vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag heeft eiser op 4 december 1996 een bezwaarschrift ingediend alsmede een voorlopige voorziening voor deze rechtbank aanhangig gemaakt.

Verweerder heeft op 12 december 1996 negatief beslist op de aanvraag van eiser vanwege overschrijding van het vrij te laten vermogen, het ontbreken van voldoende stukken en een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

De president van deze rechtbank heeft eiser bij wijze van voorlopige voorziening d.d. 20 december 1996 onder meer voorschotten in de vorm van een geldlening ter hoogte van 80% van de voor hem geldende bijstandsnorm toegekend.

Eiser heeft tegen het voor hem negatieve besluit van 12 december 1996 bezwaar aangetekend. Hij heeft zijn bezwaar op 22 januari 1997 en 24 mei 1997 nader onderbouwd, waarna hij heeft afgezien van een hoorzitting.

Verweerder heeft daarop het bestreden besluit genomen, waartegen eiser gemotiveerd beroep heeft ingesteld.

Verweerder hanteert in het bestreden besluit n peildatum, namelijk 28 augustus 1996, de datum van de aanvraag, en stelt zich op het standpunt dat beide vermogensbestanddelen, de waarde van de auto en de pensioengelden, op die datum tot het vermogen, groot [
16.588,-, red.] behoren. Van dit vermogen geldt 9300,- als het vrij te laten vermogen, wat inhoudt dat eiser het overige, te weten 7288,-, dient in te teren alvorens hij in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering. Dit laatste is het geval op 15 december 1996.

Eiser stelt daarentegen in beroep dat zijn vermogen op twee data dient te worden gepeild, namelijk op de datum van de aanvraag (28 augustus 1996) en per (1) mei 1997, de datum waarop hij feitelijk over zijn pensioengelden beschikte.

Eiser stelt dat hem per datum aanvraag een bijstandsuitkering had moeten worden toegekend, omdat zijn vermogen (
6500,-, de waarde van de auto) op dat moment lager was dan het vrij te laten bedrag van 19.300,-.
Voorts stelt hij dat het verschil tussen de bijstandsuitkering (
1296,42) en de uitkeringsnorm (2032,48), te weten 736,-, per maand op zijn vermogen in mindering mag worden gebracht, zodat zijn vermogen op 1 mei 1997 was geslonken tot 612,-. Per deze laatste datum nam zijn vermogen door de uitbetaling van zijn pensioengelden met 10.088,- toe, zodat verweerder zijn vermogen toen weer opnieuw had moeten vaststellen. Het vrij te laten vermogen werd op dat moment met 1400,- overschreden, hetgeen betekent dat hij mogelijk alleen over mei 1997 geen recht op bijstand had.

Verweerder heeft bij verweerschrift gesteld dat het niet juist zou zijn dat iemand die op verschillende achtereenvolgende tijdstippen over vermogen beschikt in de tussentijd op dat vermogen mag interen en dus steeds over het maximale vrijgestelde vermogen beschikt. Als eiser per datum aanvraag bijstand zou hebben ontvangen, dan zou deze bijstand een voorlopig karakter hebben gehad, omdat de omvang van de pensioengelden op die datum een onzekere factor was. Op het moment dat hij over die gelden beschikt, zou verrekening hebben plaatsgevonden en zou hij ook per 15 december 1996 recht op bijstand hebben gehad. Bij het bestreden besluit is alles achteraf in een keer meegenomen met uiteindelijk hetzelfde resultaat.

Deze stellingen zijn ter zitting aangevuld door te verwijzen naar de memorie van toelichting bij artikel 51, waarin, kort samengevat, wordt gesteld dat een aanspraak op vermogen, die bestaat bij de beoordeling van de aanvraag, terwijl men er feitelijk niet over kan beschikken, als op dat moment aanwezig vermogen dient te worden beschouwd.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden het vermogen van eiser per datum aanvraag heeft vastgesteld op
16.588,-.

Partijen verschillen op de eerste plaats van mening over de vraag of het vermogen van eiser aan de hand van n peildatum, te weten 28 augustus 1996, dient te worden vastgesteld of aan de hand van twee peildata, namelijk 28 augustus 1996 en 1 mei 1997.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Onder middelen verstaat de wetgever in artikel 42 van de Abw alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

De rechtbank is van oordeel dat de pensioengelden die in deze zaak centraal staan vermogensbestanddelen zijn in de zin van artikel 42 van de Abw (zie CRvB 9 december 1997, JABW 1998/31).

Onder vermogen verstaat de wetgever in artikel 51, eerste lid, van de Abw:
a. de waarde van bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij aanvang van de bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden;
b. de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen die worden ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, voor zover deze geen inkomen zijn als bedoeld in artikel 47.

In artikel 52, eerste lid, van de Abw is bepaald wat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen: b. het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54; c. vermogen ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, tot het bedrag dat het bij de aanvraag om bijstand aanwezige vermogen minder bedroeg dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54; (...).

Eiser had blijkens het overzicht van de Pensionskasse der Stadt Aarau d.d. 17 april 1997 vanaf 31 juli 1996, de datum waarop hij uit de pensioenvoorziening trad wegens beindiging van zijn werkkring, een aanspraak op de door hem opgebouwde pensioenrechten. Gegeven is daarmee dat hij op de datum aanvraag, 28 augustus 1996, aanspraak had op pensioengelden.

In de memorie van toelichting (verder: MvT) bij artikel 51 van de Abw (Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nr. 3, blz. 52) staat dat het uitgangspunt ten aanzien van de vaststelling van de omvang van iemands vermogen is dat het tijdstip waarop middelen feitelijk worden ontvangen niet van invloed dient te zijn op het recht op bijstand en dat daarom volgens de Abw wordt gehandeld alsof deze middelen al aanwezig waren bij de aanvang van de bijstand. Het bij de aanvraag beschikbare vermogen, het tijdens de bijstandsperiode ontvangen vermogen, alsmede het vermogen waarop bij de aanvraag wel een aanspraak bestond, maar waarover feitelijk nog niet kon worden beschikt, worden volgens de MvT alle beoordeeld als waren zij reeds aanwezig ten tijde van de bijstandsaanvraag.

In het geval van eiser bestond op het moment van de aanvraag aanspraak op pensioengelden, terwijl hij daarover feitelijk nog niet beschikte c.q. kon beschikken. Uitbetaling vond immers pas plaats in mei 1997. Omdat blijkens de MvT voor de vaststelling van de omvang van het vermogen van de aanvrager enkel bepalend is of er een aanspraak bestaat op het moment van de aanvraag en eiser op dat moment een dergelijke aanspraak had, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de pensioengelden, welke som ten tijde van het bestreden besluit inmiddels bekend was, terecht betrokken bij de vaststelling van de omvang van het vermogen op de datum aanvraag. Eisers grief op dit punt slaagt niet.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de stelling van eiser ter zake het interen op zijn vermogen in de periode tussen de datum aanvraag en de datum waarop hij over de pensioengelden kon beschikken onjuist is. Vermogensbestanddelen die tijdens de periode van bijstandverlening worden verworven en die niet onder de vrijlatingen van artikel 52 van de Abw vallen, zoals in dit geval, zijn van invloed op het vermogenssaldo, zoals dat in de vermogensstaffel wordt weergegeven. Deze nieuwe vermogensbestanddelen worden opgeteld bij het reeds aanwezige vermogen. Het aanvangsvermogen blijft dus steeds in zijn geheel onderdeel van die vermogensstaffel, waarbij van intering geen sprake is. Ook deze grief baat eiser daarom niet.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. G.J. Haack in tegenwoordigheid van mr. C. Schrammen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 1999 door mr. Haack voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Schrammen            w.g. G.J. Haack




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden: 15 maart 1999.




Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken. Bij een spoedeisend belang staat voor het bestuursorgaan en een belanghebbende, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid open om de Voorzitter van de Centrale Raad van Beroep te adiren met een verzoek ex artikel 8:81 van de Awb.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA3508
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 98/756 ABW
Datum uitspraak: 9 maart 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 4, 9, 10, 17 en 48 Abw (= 4, 13, 12, 15 en 33 Wwb) / 3:2, 3:46 en 7:12 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; reiskosten; voorliggende voorziening; basistoelage WTS; WTOS; inkomsten; alleenstaande; ten laste komend kind; garantietoeslag voormalig eenoudergezin; alleenstaande ouder
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor reiskosten van een schoolgaand, inwonend, meerderjarig kind wegens voorliggende voorziening (WTS) nu de noodzaak van die kosten en van de bijzonderebijstandverlening niet is onderzocht? De WTS-basistoelage wordt terecht als zijnde inkomsten ingehouden op de gezinsbijstand, bestaande uit de alleenstaandennorm plus garantietoeslag voormalig eenoudergezin.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank Zutphen 98/756 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 7 juli 1998.




2. Feiten


Eiseres ontvangt van verweerder een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 20% [van de gehuwdennorm, red.], alsmede een "garantietoeslag voormalige alleenstaande ouder". Deze laatste toeslag is toegekend omdat de inwonende zoon van eiseres sedert 23 februari 1996 ouder is dan 18 jaar en eiseres daardoor geen recht meer heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

De garantietoeslag is gebaseerd op gemeentelijk beleid, dat tot doel heeft de (voormalige) alleenstaande ouder en diens nog inwonende meerderjarig geworden kind een gezamenlijk inkomen te garanderen tot de bijstandsnorm voor gehuwden. Bij de bepaling van de hoogte van de toeslag wordt het eventuele eigen inkomen van het kind in aanmerking genomen. In het geval van eiseres heeft verweerder als inkomen van haar zoon in aanmerking genomen diens basistoelage ingevolge de Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS) ten bedrage van
176,25 per maand. Het totaal van de bijstandsuitkering van eiseres (inclusief de toeslagen) en de basistoelage van haar zoon komt aldus overeen met de bijstandsnorm voor gehuwden.

Op 6 oktober 1997 heeft eiseres een aanvraag ingediend om bijstand voor de reiskosten van haar zoon in verband met het volgen van onderwijs (HAVO) in Apeldoorn. Zij heeft aangegeven dat deze kosten
237,- per maand bedragen en dat de tegemoetkoming voor "overige studiekosten" van 65,58 per maand - die haar zoon ontvangt naast de basistoelage en de cursusgeldvergoeding - dus niet toereikend is, te meer nu daaruit de leermiddelen moeten worden bekostigd.

Bij besluit van 3 februari 1998 heeft verweerder hierop afwijzend beslist onder de overweging dat "uw zoon ouder dan 18 jaar is en in deze de WTS als voorliggende voorziening wordt aangemerkt waarbij geen bijzondere bijstand mogelijk is".

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Zij heeft hierbij gesteld dat ofwel bijzondere bijstand voor de reiskosten moet worden toegekend, ofwel de basistoelage van haar zoon niet bij de berekening van haar uitkering in aanmerking moet worden genomen, zodat deze basistoelage kan worden aangewend voor de reiskosten.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.




3. Procesverloop


Eiseres heeft beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft hierop schriftelijk gereageerd en daarna haar zienswijze nogmaals schriftelijk uiteengezet.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 januari 1999, waar eiseres in persoon is verschenen.
Verweerder zich heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Roesink en P.H.G.M. Buiting.




4. Gronden


De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder het bezwaarschrift van eiseres terecht ongegrond heeft verklaard, voor zover dat was gericht tegen de weigering om de uitkering van eiseres aan te passen in verband met de reiskosten van haar zoon. Nog daargelaten dat de aanvraag niet specifiek was gericht op zodanige aanpassing, is de rechtbank van oordeel dat de uitkering correct is opgebouwd en berekend, gelet op verweerders uitvoerige uiteenzetting daaromtrent in het bestreden besluit.

De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder eiseres terecht heeft aangemerkt als een alleenstaande, gelet op de definitie van dat begrip in artikel 4, onderdeel a, van de Algemene bijstandswet (Abw), welke definitie als volgt luidt: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Ingevolge artikel 4, onderdeel e, wordt verstaan onder ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of
de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.
Omdat de zoon van eiseres ouder is dan 18 jaar, is hij dus niet een "ten laste komend kind" in de zin van de Abw. Hieraan kan niet afdoen dat eiseres nog een civielrechtelijke onderhoudsplicht heeft jegens haar zoon en evenmin dat zij in tariefgroep IV van de inkomstenbelasting valt. Ook hetgeen eiseres in dit verband verder nog naar voren heeft gebracht, kan er niet toe leiden dat de rechtbank voorbij zou moeten gaan aan het bepaalde in artikel 4 van de Abw.

Voorts merkt de rechtbank op dat het gemeentelijke beleid inzake de garantietoeslag, zoals hiervoor in rubriek 2 weergegeven, alleszins redelijk en aanvaardbaar is te achten. Gelet op de cijfermatige gegevens als vermeld in het bestreden besluit, heeft verweerder dit beleid bij de bijstandverlening aan eiseres op correcte wijze toegepast.

De rechtbank acht het daarbij juist dat verweerder de basistoelage in aanmerking heeft genomen als inkomen van de zoon van eiseres. Dit strookt ook - anders dan eiseres meent - met het bepaalde in artikel 48, derde lid, van de Abw. De rechtbank heeft eiseres in dit verband overigens niet kunnen volgen in haar stelling dat haar zoon niet onder hoofdstuk III van de WTS valt. Hoofdstuk III van de WTS luidt: "Studerenden van 18 jaren tot 27 jaren die volledig onderwijs volgen" en uit artikel 22 WTS blijkt dat tot dat onderwijs ook de HAVO-opleiding behoort.

Ten aanzien van de gevraagde bijzondere bijstand voor de reiskosten in verband met het volgen van onderwijs in Apeldoorn stelt de rechtbank voorop dat eiseres daarvoor niet in aanmerking kan komen, aangezien haar zoon ouder dan 18 jaar is en in beginsel behoort tot de kring van rechthebbenden op bijstand. Strikt genomen had de zoon de aanvraag zelf moeten indienen dan wel zijn moeder moeten machtigen de aanvraag namens hem in te dienen.

Verweerder heeft evenwel nagelaten eiseres daarop te attenderen en de aanvraag gewoon in behandeling genomen zonder naar een machtiging te vragen. Voorts heeft eiseres op het aanvraagformulier vermeld dat de bijstand voor reiskosten naar de bankrekening van haar zoon zou moeten worden overgemaakt. Onder deze omstandigheden dient de aanvraag naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als een aanvraag om bijzondere bijstand ten behoeve van de zoon. De rechtbank gaat ervan uit dat deze ermee heeft ingestemd dat zijn moeder bijstand voor hem zou aanvragen.

Verweerder heeft de afwijzing van de aanvraag gemotiveerd met de overweging dat de WTS in het onderhavige geval als een voorliggende voorziening wordt aangemerkt en daarom geen bijzondere bijstand mogelijk is. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze motivering gehandhaafd. Ter zitting is gesteld dat de afwijzing mede is ingegeven door het bepaalde in de artikelen 9 en 10 van de Abw.

In artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, Abw is bepaald - voor zover hier van belang - dat geen recht op algemene bijstand heeft degene die onderwijs volgt als bedoeld in hoofdstuk III van de WTS.

In artikel 10 Abw is bepaald dat een persoon van 18, 19 of 20 jaar slechts recht heeft op bijzondere bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat: a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Abw bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de betrokkene toereikend en passend te zijn.

Ter zitting heeft verweerder erkend dat de tegemoetkoming voor studiekosten ingevolge hoofdstuk III van de WTS niet geacht kan worden toereikend te zijn indien de betrokken thuiswonende student onderwijs volgt in een andere gemeente en in verband daarmee kosten moet maken voor interlokaal reizen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust en niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Verweerder had - zoals ter zitting eveneens is erkend - moeten nagaan of de onderhavige reiskosten noodzakelijk zijn te achten, hetgeen zich toespitst op de vraag naar de noodzaak van het volgen van de HAVO-opleiding voor volwassenen te Apeldoorn in plaats van een HAVO-opleiding dichter bij huis. Vervolgens had verweerder moeten nagaan of wordt voldaan aan de in artikel 10 van de Abw vermelde voorwaarden voor toekenning van bijzondere bijstand, omdat de zoon van eiseres ten tijde van de aanvraag 19 jaar was.

Het bestreden besluit kan derhalve niet in stand blijven en verweerder zal opnieuw dienen te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank acht het aangewezen daarvoor een termijn van zes weken te stellen.

Voorts dient verweerder te worden veroordeeld in proceskosten van eiseres, aangezien een voorlopig beroepschrift is ingediend door een advocaat, die zich later heeft teruggetrokken. De rechtbank kent 1 punt toe met een wegingsfactor 0,5.




5. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak en binnen zes weken na de verzenddatum;
- gelast de gemeente Zutphen het door eiseres betaalde griffierecht van
55,- te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
355,-, te betalen door de gemeente Zutphen.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Wet BMT / Awb
x
LJN:
x
AA3543
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Roermond
Zaaknummer: 98/407 NABW K2
Datum uitspraak: 30 december 1998
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 82 Abw (= 58 Wwb) / XVI Wet BMT / 1:3 en 8:73 Awb
Trefwoorden: vermogen bij aanvang bijstand; aanspraak op vermogen na echtscheiding; overvemogen; interen; beindiging bijstand; terugvordering; vordering wettelijke rente
Essentie: Ten onrechte is de schriftelijke mededeling van toekomstige terugvordering van bijstand wegens toekomstig (over)vermogen na echtscheiding aangemerkt als terugvorderingsbesluit. Een verzoek om vergoeding van de wettelijke rente over nabetaalde bijstand levert een appellabel besluit op.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak
meervoudige kamer Rechtbank Roermond 98/407 NABW K2




U I T S P R A A K




inzake:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasbracht, te Maasbracht, verweerder.



Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 23 maart 1998, kenmerk SWO/MaG/B 22.
Datum van terechtzitting: 9 december 1998.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen een besluit waarbij de haar toegekende bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 1997 is beindigd en waarbij de betaalde bijstand over de periode van 10 januari 1996 tot 1 juli 1997 is teruggevorderd, niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betreft de terugvordering en ongegrond voor zover het betreft de beindiging.

Tegen dit besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 9 december 1998, waar eiseres in persoon is verschenen en bijgestaan door mr. B. de Leeuw, en waar verweerder - opgeroepen bij gemachtigde te verschijnen - zich heeft doen vertegenwoordigen door G.G.J. Maat, ambtenaar van de afdeling Sociale Zaken, Welzijn en Onderwijs van verweerders gemeente.




II. Overwegingen


Eiseres heeft zich op 10 januari 1996 tot verweerders sociale dienst gewend met het verzoek in aanmerking te worden gebracht voor bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ter voorziening in de kosten van levensonderhoud voor haar zelf en haar kind. Zij heeft daarbij aangegeven aanspraak te maken op bijstand in verband met echtscheiding. Bij besluit van 21 maart 1996 is aan eiseres met ingang van de datum van de aanvraag bijstand toegekend naar de norm van een alleenstaande ouder (met een toeslag van 4%). Bij dat besluit is het vermogen van eiseres bij de aanvang van de bijstandverlening vastgesteld op nihil, in afwachting van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap. Bij dat besluit heeft verweerder voorts onder meer nog meegedeeld dat op grond van artikel 82 van de Abw de gemaakte en te maken kosten van bijstand worden teruggevorderd indien en voor zover de opbrengst van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap, vermeerderd met het vermogen van eiseres op het moment van aanvang van de bijstandverlening, het bedrag van het vrij te laten vermogen te boven gaat.
Op het inkomstenformulier over april 1997 geeft eiseres kennelijk aan dat zij een bedrag van
3000,- heeft ontvangen aan alimentatie en dat haar vermogen is gestegen met een bedrag van 16.500,- wegens boedeldeling. In het kader van het daaropvolgende heronderzoek blijkt dat de woning waar eiseres voorheen met haar ex-echtgenoot heeft gewoond bij verkoop een over de echtelieden te verdelen bedrag heeft opgeleverd van 104.392,77. Uit het ter zake opgemaakte rapport blijkt dat eiseres een bedrag van 16.500,- heeft ontvangen en dat de rest van de haar toekomende 52.196,39 is aangewend om een schuld aan haar moeder te vereffenen. Die schuld is ontstaan tijdens een periode van inwoning; de moeder van eiseres heeft in de bij de woning van eiseres en haar echtgenoot behorende garage gewoond en de verbouwing van die garage tot woning is door de moeder betaald. Van die schuld zijn geen bewijsstukken voorhanden en eiseres heeft ten tijde van de aanvraag die schuld niet vermeld.

Bij besluit van 25 juli 1997 deelt verweerder eiseres mee dat haar bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 1997 is beindigd in verband met het feit dat zij door de opbrengst van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap over voldoende middelen kan beschikken ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.
Voorts deelt verweerder mee dat op grond van artikel 82 van de Abw de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van
26.285,82 van eiseres worden teruggevorderd.

Namens eiseres wordt een - ongemotiveerd - bezwaarschrift ingediend en eerst ter hoorzitting op 11 december 1997 wordt aangevoerd op welke gronden bezwaar wordt gemaakt. Eiseres doet aanvoeren dat zij zich niet kan verenigen met de wijze waarop het aan haar toe te rekenen vermogen is berekend en evenmin met de terugvordering. In de visie van eiseres bestaat er geen rechtsgrond om een bedrag van
26.285,82 terug te vorderen. Indien en voor zover het vermogen de grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt, kan dit alleen gevolgen hebben voor de verlening van bijstand in de toekomst.
Met betrekking tot de vermogensberekening brengt eiseres naar voren dat de schuld aan haar moeder zowel moeders aandeel in de aflossing van de hypotheek als moeders financiering van de verbouwing omvatte. Zij legt een verklaring over waarin de moeder van eiseres verklaart van 1 oktober 1991 tot en met 5 augustus 1996 in de garage achter de echtelijke woning te hebben gewoond en in die periode te hebben meebetaald aan de aflossing van de hypotheek, alsmede het bewoonbaar maken van de garage te hebben bekostigd. Moeder stelt dat zij zowel het geld voor het bewoonbaar maken van de garage als het meebetalen aan de hypotheek terug wilde hebben bij de verkoop van de woning. Eiseres heeft zich verplicht gevoeld voornoemde uitgaven van haar moeder terug te betalen uit de verkoopopbrengst van het huis; deze verplichting bestaat ook voor haar ex-echtgenoot.

Uit overgelegde afschriften van bankrekeningen blijkt dat het bedrag van
52.196,39 door de notaris op 15 april 1997 aan de moeder van eiseres is overgemaakt en dat de moeder vervolgens op 17 april 1997 16.500,- heeft overgemaakt naar eiseres. Desgevraagd wordt aangegeven dat niet kan worden aangetoond hoe het door eiseres gehanteerde schuldsaldo precies is berekend. Eiseres is van mening dat verweerder ten onrechte haar vermogen op een bedrag van 52.196,39 heeft vastgesteld in plaats van op 16.500,-.

Voorts voert eiseres aan dat er, aangezien zij het verkrijgen van vermogen betwist, voor de terugvordering geen rechtsgrond bestaat. Verweerder doet naar voren brengen dat niet kan worden geconcludeerd dat er een schuld zou bestaan van eiseres aan haar moeder ten bedrage van
35.696,39.

Het uitbrengen van advies door de bezwaarschriftencommissie wordt vervolgens aangehouden teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen bewijsstukken aan te leveren die het bestaan van de schuld aan haar moeder kunnen aantonen.

Bij brief van 19 december 1997 legt de gemachtigde van eiseres in afschrift een bladzijde uit een taxatierapport over waarin is beschreven dat de garage verwarmd is en voorzien van een keukenblok, badkamer met ligbad en toilet.

Op 21 januari 1998 adviseert de bezwaarschriftencommissie het bezwaar voor zover het is gericht tegen de terugvordering niet-ontvankelijk te verklaren, op grond van de overweging dat de terugvordering is gebaseerd op het terugvorderingsbesluit van 21 maart 1996. Voorts adviseert de commissie het bezwaar voor zover het is gericht tegen de beindiging van de bijstandsuitkering ongegrond te verklaren, op grond van de overweging dat niet is gebleken van het ontstaan en bestaan van een schuld van eiseres aan haar moeder. Dienovereenkomstig heeft verweerder besloten.

In beroep wordt betwist dat de terugvordering is gebaseerd op de beschikking van 21 maart 1996 en wordt aangevoerd dat bij besluit van 25 juli 1997 voor het eerst het bedrag van
26.285,82 wordt genoemd. Van de zijde van eiseres wordt gesteld dat, nu het in bezwaar aangevochten besluit is genomen na 1 juli 1997, de competentie ter zake van het terugvorderingsbesluit bij de bestuursrechter is gelegen.

Voorts wordt aangevoerd dat de moeder van eiseres bijna vijf jaar lang een maandelijkse bijdrage heeft geleverd van
250,- in de aflossing van de woning en dat de moeder de verbouwing van de garage heeft betaald, maar dat daar geen bewijsstukken meer van voorhanden zijn. Destijds was er geen aanleiding n en ander schriftelijk vast te leggen.

Eiseres heeft er bij de aanvraag van de uitkering niet aan gedacht de schuld aan haar moeder op te geven, omdat zij de vordering van haar moeder niet als schuld heeft ervaren; zij zag het als een bedrag dat automatisch verrekend zou worden met de overwaarde van het huis.

In het verweerschrift geeft verweerder aan zich op het standpunt te stellen dat bij beschikking van 21 maart 1996 het oorspronkelijke besluit tot terugvordering is genomen en dat bij de beschikking van 25 juli 1997 slechts nader invulling van het oorspronkelijke terugvorderingsbesluit wordt gegeven door een specificatie. Wat de beindiging van de uitkering betreft, herhaalt verweerder in het verweerschrift dat eiseres nimmer melding heeft gemaakt van de schuld en dat uit geen enkel bewijsstuk blijkt van die schuld.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Daartoe wordt, voor zover eiseres niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar, overwogen als volgt. Op 1 juli 1997 is de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale verzekering (hierna: de Wet BMT) in werking getreden voor de Abw. De Wet BMT heeft wijzigingen gebracht in het regime van terugvordering, invordering, boeten en maatregelen van de Abw. Het ingang van 1 juli 1997 is het toetsen van de terugvordering van bijstandsuitkeringen een bestuursrechtelijke aangelegenheid, waarbij de toetsing volgens de voor terugvordering geldende bestuursrechtelijke regels plaatsvindt. Terugvorderingsbesluiten afgegeven n 1 juli 1997 behoren vanaf die datum tot de competentie van de bestuursrechter. Artikel XVI van de Wet BMT is een overgangsbepaling, waarbij in het eerste lid is bepaald, voor zover hier van belang, dat ten aanzien van de (materile) bevoegdheid tot terugvordering van hetgeen vr 1 juli 1997 onverschuldigd is betaald door het in werking treden van de Wet BMT geen wijziging wordt gebracht. In het tweede lid van artikel XVI van de Wet BMT is bepaald dat ten aanzien van besluiten tot weigering, terugvordering of verrekening die vr de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn bekendgemaakt het recht zoals dat vr die datum gold van toepassing blijft. Deze bepaling is geschreven voor het scheppen van duidelijkheid in toepasselijkheid van oud of nieuw procesrecht en om te voorkomen dat er (te lang) onduidelijkheid in de in te roepen rechtsbescherming bestaat. Indien en voor zover er sprake is van een ten aanzien van eiseres genomen terugvorderingsbesluit van vr 1 juli 1997 blijft derhalve op grond van artikel XVI, tweede lid, van de Wet BMT het oude recht - en de oude procedure - op die terugvordering van toepassing.
De rechtbank ziet zich derhalve geplaatst voor beantwoording van de vraag of verweerders toekenningsbesluit van 21 maart 1996 - mede - is aan te merken als een besluit met betrekking tot terugvordering als bedoeld in artikel XVI, tweede lid, van de Wet BMT.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat met het toekenningsbesluit van 21 maart 1996 ook een beslissing is genomen ten aanzien van terugvordering van bijstand, indien en voor zover de opbrengst van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap daartoe aanleiding geeft.

De rechtbank volgt verweerder daarin niet. De beslissing van 21 maart 1996 kan, voor zover het betreft de mededeling over terugvordering, niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel XVI, tweede lid, van de Wet BMT en mitsdien niet als een besluit ter zake waarvan de oude processuele bepalingen inzake de rechtsgang en de rechtsbescherming van de bijstandswet, zoals die luidde tot 1 juli 1997, blijven gelden.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor de veronderstelling dat de wetgever in artikel XVI, tweede lid, van de Wet BMT met de term besluit iets anders bedoeld heeft dan een besluit in de zin van de Awb en derhalve een besluit dat aan alle daaraan te stellen eisen moet voldoen.

Voor zover het de terugvordering van bijstand betreft, wordt bij de beslissing van 21 maart 1996 niet de rechtsbetrekking tussen partijen volledig en definitief vastgelegd, nu vermelding van een mogelijke toepassing van het bepaalde in artikel 82 van de Abw nog niet wijst op een als definitief bedoeld oordeel van verweerder omtrent de toepasselijkheid van dat wettelijk voorschrift in het concrete geval van eiseres. Vermelding van artikel 82 van de Abw is geen constituerend element van die beslissing geweest en in die zin is die vermelding niet op rechtsgevolg gericht geweest. Op 21 maart 1996 was voorts nog niet zeker en niet duidelijk of en in hoeverre er toepassing gegeven zou gaan worden aan het bepaalde in artikel 82 van de Abw.

Verweerder heeft ter zitting van de rechtbank nog aangegeven dat eiseres naar aanleiding van het toekenningsbesluit van 21 maart 1996, juist vanwege de - voorgenomen - toepassing van artikel 82 van de Abw, is opgenomen in de debiteurenadministratie. Een dergelijke handeling verleent echter aan de beslissing van 21 maart 1996, voor zover daarbij is beoogd toepassing te geven aan artikel 82 van de Abw, nog niet het karakter van een besluit. En en ander doet aan het oordeel van de rechtbank dan ook niet af.

De rechtbank ziet verweerders toekenningsbesluit van 21 maart 1996 niet als een besluit waarbij van meet af aan de verleende bijstand als terugvorderbare bijstand is verleend en waarbij de terugbetaling op grond van het bepaalde in artikel 82 van de Abw als een noodzakelijk aan de verleende bijstand verbonden voorwaarde aan de bijstandverlening is verbonden.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder ten onrechte het bezwaar van eiseres voor zover dat is gericht tegen de in het besluit van 25 juli 1997 opgenomen terugvordering niet-ontvankelijk verklaard. In zoverre is het beroep van eiseres gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw hebben te beslissen op het bezwaar van eiseres tegen de terugvordering van bijstand.

Voor zover het bezwaar van eiseres tegen beindiging van bijstand per 1 juli 1997 ongegrond is verklaard, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres per 1 juli 1997 de beschikking heeft over meer dan het vrij te laten bescheiden vermogen en heeft op die grond het recht van eiseres op bijstand per 1 juli 1997 beindigd.
Daarbij gaat verweerder ervan uit dat eiseres geacht moet worden per 1 juli 1997 de beschikking te hebben over een bedrag van (
52.196,39 - 26.285,82 =) 25.910,57. Door de vorenstaande uitspraak van de rechtbank ter zake van de terugvordering van bijstand is echter de grondslag aan de vermogensvaststelling per 1 juli 1997 komen te ontvallen. De vermogensvaststelling per 1 juli 1997 is immers niet los te zien van de uitkomst van verweerders heroverweging ten aanzien van de toepassing van artikel 82 van de Abw, waarbij - voorafgaand aan een eventuele beindiging - eerst vastgesteld moet worden of, en zo ja, in hoeverre eiseres naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen beschikt of kan beschikken.

Het beroep van eiseres komt ook op dit onderdeel voor gegrondverklaring in aanmerking. Het bestreden besluit wordt ook in zoverre vernietigd en verweerder zal opnieuw dienen te beslissen op het bezwaar van eiseres.

De gemachtigde van eiseres heeft verzocht om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb een veroordeling uit te spreken tot vergoeding van de wettelijke rente over de ten onrechte niet betaalde uitkering vanaf 1 juli 1997. Nu niet met zekerheid is te zeggen of het door verweerder ingevolge deze uitspraak te nemen nieuwe besluit op bezwaar zal leiden tot een, wat het recht op uitkering betreft, voor eiseres gunstiger resultaat, en indien zulks het geval is, in welke mate dat resultaat gunstiger is, kan dat verzoek thans niet worden gehonoreerd. Mocht echter onderhavige vernietiging inderdaad een nabetaling van uitkering ten gevolge hebben, dan kan eiseres - indien en voor zover verweerder dat al niet eigener beweging doet - aan verweerder verzoeken om de wettelijke rente te vergoeden, welke beslissing op zich zelf is te beschouwen als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, n en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt voor het beroepschrift en het verschijnen ter zitting van de rechtbank 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Mitsdien wordt beslist als volgt.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Roermond:

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:73, 8:74 en 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van het bij deze uitspraak bepaalde;
veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op
1420,- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door verweerders gemeente aan de griffier der gerechten in het arrondissement Roermond;
bepaalt dat verweerders gemeente aan eiseres het door deze gestorte griffierecht volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken (voorzitter), F.J.C. Huijbers en R.H. Smits, in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 december 1998.


Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

verzonden op:




Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Wet BMT / Awb
x
LJN:
x
AA3546
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Roermond
Zaaknummer: 98/556 NABW K1
Datum uitspraak: 18 december 1998
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 47, 81 en 82 Abw (= 32, 58 en 58 Wwb) / XVI Wet BMT / 6:22 Awb
Trefwoorden: belastingteruggave; terugvordering bijstand; algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan; reiskosten; sollicitatiekosten; verwervingskosten
Essentie: Terechte terugvordering van bijstand wegens ontvangen belastingteruggave op grond van kosten die tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren (reis- en sollicitatiekosten ter verkrijging van arbeid).

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Roermond 98/556 NABW K1




U I T S P R A A K




inzake:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert, gevestigd te Nederweert, verweerder.



Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 12 mei 1998, kenmerk 71390560/97001249.
Datum van terechtzitting: 23 oktober 1998.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het door eiseres ingediende bezwaarschrift, gericht tegen het eerdere besluit van 30 september 1997 inhoudende terugvordering van bijstandsuitkering tot een bedrag van
923,-, ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is beroep ingesteld. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 23 oktober 1998, alwaar eiseres in persoon is verschenen.
Namens verweerder is verschenen dhr. G.J. Gerits.




II. Overwegingen


Eiseres is sedert 29 maart 1990 in het genot van een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW). Deze uitkering is per 1 juni 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de nieuwe Algemene bijstandswet (Abw). Door de Belastingdienst Weert is aan eiseres op 13 juni 1997 toegezonden de aanslag 1996 inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Uit deze aanslag blijkt dat eiseres over dat jaar een bedrag zal terugontvangen van
923,-. Dit bedrag is in juni 1997 betaalbaar gesteld. Nadat deze belastingteruggave bij verweerder bekend werd, heeft verweerder bij besluit van 30 september 1997 (verzonden op 2 oktober 1997) aan eiseres onder meer het volgende medegedeeld:

"Naar aanleiding van een door ons gehouden onderzoek hebben wij besloten tot terugvordering over te gaan van bijstand die wij in 1996 aan u hebben verleend. Het gaat hier om een belastingteruggave ad
923,- over het jaar 1996.

Op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a en b, van de Abw kan voornoemd bedrag worden aangemerkt als inkomsten en zal het bedrag ad
923,- ook volledig van u worden teruggevorderd.

Wij verzoeken u dan ook de schuld vr 15 oktober 1997 over te maken op n van bovenstaande rekeningnummers onder vermelding terugbetaling Abw
. Als u het bedrag niet ineens kunt terugbetalen, dient u met de afdeling Sociale Zaken een terugbetalingsregeling te treffen."

Tegen dit besluit is door eiseres een bezwaarschrift, gedagtekend 14 oktober 1997, ingediend.

Het bezwaarschrift is behandelend op een hoorzitting van de Commissie bezwaar- en beroepschriften.

Conform het advies van genoemde commissie heeft verweerder bij het thans bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen aangevoerd dat het betreft een teruggave van inkomstenbelasting die onder meer verband houdt met reiskosten en sollicitatiekosten in verband met het verkrijgen van arbeid. Zij verzoekt "de beslissing van de gemeente te herzien met bepaling c.q. te herroepen met bepaling dat de belastingteruggave om voormelde aangevoerde reden niet hoeft te geschieden alsook binnen de rede van de wet niet van appellante geist kan worden genoemd bedrag aan de gemeente te voldoen".

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit op bezwaar de rechterlijke toets kan doorstaan.

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.



Wettelijk regime

De rechtbank stelt voorop dat terugvorderingsbesluiten, afgegeven na 1 juli 1997, vanaf die datum tot de competentie van de bestuursrechter behoren.

Op 1 juli 1997 is de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale verzekering (hierna: de Wet BMT) in werking getreden voor de Abw. De Wet BMT heeft wijzigingen gebracht in het regime van terugvordering, invordering, boeten en maatregelen van de Abw.

Het eerste lid van artikel XVI van die wet bepaalt, voor zover hier van belang, dat ten aanzien van de bevoegdheid tot terugvordering van hetgeen vr 1 juli 1997 onverschuldigd is betaald door het in werking treden van de Wet BMT geen wijziging wordt gebracht. Nu het in casu gaat om terugvordering van in 1996 betaalde bijstandsuitkering is het materile terugvorderingsregime zoals dat is gaan luiden vanaf 1 juli 1997 niet van toepassing. Ter vaststelling van de wel van toepassing zijnde materile bepalingen overweegt de rechtbank het volgende.
Op 1 januari 1996 is de herinrichting van de Algemene Bijstandswet in werking getreden. Het overgangsrecht met betrekking tot deze inwerkingtreding is geregeld in de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 200). Nu het hier betreft terugvordering van in 1996 betaalde bijstandsuitkering is materieel van toepassing het terugvorderingsregime zoals dat is neergelegd in de Abw zoals die sedert 1 januari 1996 geldt.

Naar het oordeel van de rechtbank dient in casu artikel 82 van de Abw, zoals dat luidde in de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997, en het daarbij behorende terugvorderingsregime het toetsingskader te vormen. Die bepaling luidde - voor zover hier van belang - als volgt:
"Kosten van bijstand worden van de belanghebbende teruggevorderd voor zover: a. hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken; b. (...)."

In het in hoofdstuk IV, afdeling 3, opgenomen artikel 47, eerste lid, is - voor zover hier van belang - het navolgende bepaald:
"Onder inkomen wordt verstaan de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, (...), teruggave van loonbelasting en premies volksverzekeringen, (...); en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan."



Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat noch uit het primaire besluit, noch uit het bestreden besluit op bezwaar blijkt welk artikel aan de terugvordering ten grondslag is gelegd. Slechts artikel 47, eerste lid, onderdeel a en b, van de Abw wordt vermeld, doch in deze bepaling is niets over terugvordering geregeld. Het bestreden besluit berust in zoverre mitsdien op een gebrekkige motivering. Nu uit de motivering van het bestreden besluit echter blijkt dat verweerder materieel wl toepassing heeft gegeven aan de toepasselijke terugvorderingsbepaling en niet aannemelijk is dat eiseres door het niet vermelden van die bepaling in haar processuele belangen is geschaad, acht de rechtbank termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 6:22 van de Awb en de bestreden terugvordering wl inhoudelijk te toetsen.

De teruggave van inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen, waarvan in het onderhavige geval sprake is, betreft het jaar 1996.
Eiseres genoot ook toen bijstandsuitkering. Deze teruggave moet, gelet op het hiervoor geciteerde artikel 47, eerste lid, van de Abw, worden aangemerkt als inkomen en evenzeer als voor terugvordering "in aanmerking te nemen middelen" in de zin van artikel 82, eerste lid, van de Abw. Hieraan kan niet afdoen hetgeen eiseres heeft aangevoerd. Met name is niet gebleken dat de onderhavige teruggave van belasting en premies is geschied op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren.

Geconcludeerd moet dan ook worden dat aan de voorwaarden voor terugvordering als vermeld in artikel 82 van de Abw is voldaan. Verweerder is op grond van die bepaling gehouden tot terugvordering over te gaan als aan de daarin vermelde voorwaarden is voldaan. De rechtbank is niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat volledige terugvordering geen rechtsplicht meer is.

De rechtbank merkt nog op dat zij van oordeel is dat in gevallen waarop de bijzondere terugvorderingsbepaling van artikel 82 van de Abw (zoals dat artikel luidde vr en na 1 juli 1997) ziet de terugvordering niet behoeft te worden voorafgegaan door een beslissing tot herziening van het toekenningsbesluit met terugwerkende kracht, nu immers de grondslag van de terugvordering in die bepaling zelf eenduidig is omschreven en dus ook onderdeel uitmaakt van een op die bepaling gebaseerd terugvorderingsbesluit.
Zodanig herzieningsbesluit is wl vereist ingevolge de algemene terugvorderingsbepaling van artikel 81 van de Abw zoals dat luidt sinds 1 juli 1997, aangezien uit die bepaling volgt dat er pas tot terugvordering kan worden besloten en overgegaan nadat als gevolg van een (herzienings)besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, is komen vast te staan dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Zulks geldt - ingevolge vaste jurisprudentie van deze rechtbank in navolging van een uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep d.d. 26 juli 1994, RSV 1995/93 - k bij de toepassing van de algemene terugvorderingsbepaling van artikel 81 van de Abw zoals dat artikel luidde van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997, nu immers ook in die bepaling slechts een algemene - bij herzieningsbesluit nader te duiden - grondslag voor terugvordering van tot een te hoog bedrag of ten onrechte verleende bijstand was opgenomen. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Roermond:

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de
Algemene wet bestuursrecht;
verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R.H. Smits, in tegenwoordigheid van J.B.J. Caelers-Sijbers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 december 1998.

Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

verzonden op:




Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x