Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA3555
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 98/1017 ABW en 98/1108 ABW
Datum uitspraak: 4 december 1998
Soort procedure: voorlopige voorziening en beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 69 Abw (= 54 Wwb) / 8:86 en 8:88 Awb
Trefwoorden: herzieningsverzoek; revisie; beŽindigingsbesluit; strafrechtelijke vrijspraak; nieuwe feiten of omstandigheden
Essentie: Terechte afwijzing verzoek tot herziening beŽindigingsbesluit, omdat geen sprake is van nieuwe (bestuursrechtelijke) feiten of omstandigheden, i.c. de strafrechtelijke vrijspraak van uitkeringsfraude. Strafrecht stelt hogere eisen aan het bewijs dan bestuursrecht. In het bestuursrecht is voldoende dat de aan een besluit van een bestuursorgaan ten grondslag gelegde feiten genoegzaam aannemelijk zijn gemaakt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Zutphen 98/1017 ABW en 98/1108 ABW




U I T S P R A A K




op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], verzoeker/eiser, hierna: eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 13 oktober 1998.




2. Feiten en procesverloop


Bij besluit van 29 december 1994 heeft verweerder eisers uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet met ingang van 1 januari 1995 beŽindigd onder de overweging dat eiser samenwoont met zijn ex-echtgenote, mevrouw X, en de gezamenlijke inkomsten de toepasselijke bijstandsnorm overschrijden.

Eiser heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend, dat door verweerder bij besluit van 21 februari 1995 ongegrond is verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is vervolgens door de rechtbank ongegrond verklaard bij uitspraak van 16 augustus 1995, reg.nr. 95/759 ABW. Het hoger beroep van eiser tegen deze uitspraak is niet-ontvankelijk verklaard door de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 11 juni 1996, reg.nr. 95/6784 ABW.

Bij brief van 4 februari 1998 heeft eiser verweerder verzocht het besluit van 29 december 1994 te herzien en zijn uitkering met ingang van 1 januari 1995 te heropenen.

Bij besluit van 3 juli 1998 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 augustus 1998 een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 8 oktober 1998 heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij besluit van 13 oktober 1998 heeft verweerder het bezwaarschrift van 10 augustus 1998 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 3 november 1998 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het geschil is - gevoegd met de zaken onder registratienummers 98/1018, 98/1019, 98/1020, 98/1109 en 98/1110 ABW - behandeld ter zitting van 26 november 1998.
Eiser is in persoon verschenen.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Roesink en B. Buiting.




3. Motivering


Indien de president na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van deze bevoegdheid wordt in dit geval gebruik gemaakt.

Ter beoordeling staat de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering van verweerder om terug te komen van zijn besluit tot beŽindiging van eisers bijstandsuitkering met ingang van 1 januari 1995. Dit beŽindigingsbesluit is in rechte onaantastbaar geworden als gevolg van de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van eiser, zoals vermeld in rubriek 2.

Volgens vaste rechtspraak dient een weigering om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit te worden geŽerbiedigd, tenzij aan dat eerdere besluit dusdanige gebreken kleven dan wel zich dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan dat het bestuursorgaan in redelijkheid niet had mogen weigeren dat eerdere besluit ongedaan te maken. Daarbij ligt het op de weg van de betrokkene die van het bestuursorgaan verlangt dat het terugkomt van een rechtens onaantastbaar geworden besluit feiten of omstandigheden aan te dragen die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin destijds als beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht dan wel de evidente onjuistheid van dat besluit aan te tonen.

Eiser heeft zijn verzoek aan verweerder onderbouwd met het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 27 januari 1998, waarbij hij is vrijgesproken van de hem te laste gelegde uitkeringsfraude in het tijdvak van 1 maart 1994 tot 26 oktober 1994. Deze vrijspraak steunt in het bijzonder op de overweging dat het hof niet bewezen acht dat eiser in de te laste legde periode heeft samengewoond met X.

Deze (strafrechtelijke) vrijspraak kan op zich zelf niet worden aangemerkt als een omstandigheid op grond waarvan verweerder gehouden zou zijn om van zijn besluit tot beŽindiging van eisers uitkering terug te komen, aangezien in het strafrecht hogere eisen aan het bewijs worden gesteld dan in het bestuursrecht. In het bestuursrecht is voldoende dat de aan een besluit van een bestuursorgaan ten grondslag gelegde feiten genoegzaam aannemelijk zijn gemaakt.

Overigens heeft eiser geen feiten of omstandigheden aangedragen die bij verweerders eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin destijds als beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht. Evenmin heeft hij de evidente onjuistheid van het beŽindigingsbesluit van 29 december 1994 aangetoond.

De slotsom moet dan ook zijn dat het thans bestreden besluit de vorenbedoelde marginale toetsing kan doorstaan.

Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Gelet hierop is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Voor een veroordeling in proceskosten zijn geen termen aanwezig.




4. Beslissing


De president van de rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 1998 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak, voor zover deze de ongegrondverklaring van het beroep betreft, kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
             
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA3589
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: Awb 99/3016 NABW
Datum uitspraak: 6 september 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 7 Abw (= 11 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; beŽindiging bijstand; afwijzing bijstand; geen gelijkstelling met Nederlander; niet-tijdige aanvraag verlenging verblijfsvergunning; verschoonbare termijnoverschrijding
Essentie: Terechte beŽindiging van de bijstand, omdat de betrokken vreemdeling ingevolge de Abw c.a. niet langer kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Verschoonbare overschrijding van de termijn voor indiening van de aanvraag verlenging verblijfsvergunning kan niet ter beoordeling van B&W zijn.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank 's-Hertogenbosch 99/3016 NABW




U I T S P R A A K




ingevolge artikel 8:70 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. P.J.M. van Kuppenveld, advocaat te 's-Hertogenbosch,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Uden, verweerder,
gemachtigde: H. van Tiel.




I. Procesverloop


Eiser ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 10 februari 1999 heeft verweerder die uitkering met ingang van 27 december 1998 beŽindigd, om reden dat eiser vanaf laatstgenoemde datum niet meer over een geldige verblijfsvergunning beschikt.

Eiser heeft tegen de beŽindiging van zijn uitkering bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 april 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op de daartoe in het beroepschrift van 21 april 1999 uiteengezette gronden heeft eiser tegen dat besluit beroep ingesteld en gevorderd het bestreden besluit te vernietigen. Bij schrijven van gelijke datum heeft eiser de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek strekte ertoe dat aan eiser onverwijld bijstand zou worden verleend.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is op 11 mei 1999 behandeld ter zitting. Bij uitspraak van 19 mei 1999, aan partijen verzonden op 20 mei 1999, heeft de president van de rechtbank dit verzoek afgewezen.

Bij brief van 2 juni 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Eisers gemachtigde heeft vervolgens bij schrijven van 18 juni 1999 de gronden van het beroep nader aangevuld.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 29 juni 1999. Eiser is aldaar verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.




II. Overwegingen


Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 15 april 1999 in rechte stand kan houden. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser, gericht tegen de beŽindiging van zijn bijstandsuitkering met ingang van 27 december 1998, ongegrond verklaard.



Wettelijk kader

Met ingang van 1 juli 1998 is de Koppelingswet in werking getreden (voluit: de Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland). Met deze wet zijn wijzigingen aangebracht in onder meer de bijstandverlening aan vreemdelingen. Dienaangaande is in de Abw thans het volgende bepaald.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Abw wordt met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw).

Ingevolge artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw kan bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) voor de toepassing van de Abw voorts met een Nederlander gelijk worden gesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Een AMvB als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Abw is getroffen bij het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw en Ioaz van 27 april 1998, Stb. 1998, 308 (hierna: Besluit gelijkstelling).

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit gelijkstelling wordt voor de toepassing van onder meer de Abw met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw voor de beŽindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating.



De relevante feiten en het bestreden besluit

Eiser heeft de Somalische nationaliteit en was in het bezit van een vergunning tot verblijf met een geldigheidsduur tot 27 december 1998. Laatstelijk sedert 15 mei 1997 ontving eiser een uitkering ingevolge de Abw. In het kader van een begin januari 1999 uitgevoerd periodiek heronderzoek is aan het licht getreden dat de geldigheidsduur van eisers vergunning tot verblijf was verlopen. Bij besluit van 5 januari 1999 heeft verweerder daarop de bijstandverlening aan eiser met ingang van 1 januari 1999 geschorst. Eiser is daarbij in de gelegenheid gesteld om vůůr 6 februari 1999 alsnog een geldige verblijfsvergunning te overleggen. Eiser is hiertoe niet in staat gebleken. Bij besluit van 10 februari 1999 heeft verweerder vervolgens de bijstandverlening aan eiser met ingang van 27 december 1998 beŽindigd op de grond dat eiser vanaf laatstgenoemde datum niet meer over een geldige verblijfsvergunning beschikt.



Standpunt van eiser

Eiser doet in de eerste plaats een beroep op de bedoeling van de Koppelingswet om niet-rechtmatig verblijf van vreemdelingen in Nederland tegen te gaan en wijst er in dit verband op dat hij rechtmatig in Nederland verblijft. Weliswaar niet op grond van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, zoals vereist in artikel 7, tweede lid, van de Abw, maar wel op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. Hij zou namelijk op 7 januari 1999 een aanvraag om (verlenging van) een verblijfsvergunning hebben ingediend en zou de beslissing op die aanvraag in Nederland mogen afwachten. Eiser stelt voorts dat uit antwoorden van de Staatssecretaris van Justitie op vragen van het Tweede-Kamerlid Rijpstra tijdens de parlementaire behandeling van de Koppelingswet (Kamerstukken II 1996-1997, 24 233, nr. 16, blz. 18) blijkt dat vreemdelingen die in afwachting zijn van een beslissing van de president van de rechtbank op een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting recht hebben op continuering van bijstandverlening. Volgens eiser zou dit a fortiori moeten gelden voor vreemdelingen zoals eiser die nog in afwachting zijn van de beslissing op een aanvraag of wachten op een schorsingsbeslissing van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het ministerie van Justitie (IND). Eiser heeft gewezen op het vonnis in kort geding van de president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 7 oktober 1998, nr. 98/1056 (gepubliceerd in JV 1998/198), en heeft mede naar aanleiding hiervan een beroep gedaan op het recht op gelijke behandeling zoals neergelegd in artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). Gezien het doel van de Koppelingswet kan de uitsluiting zoals de Abw die kent van rechtmatig verblijvende vreemdelingen worden gezien als disproportioneel en niet noodzakelijk om het doel van de regeling te bereiken, aldus eiser. Eiser acht de rechtvaardigingsgrond voor het onderscheid dat in de Abw wordt gemaakt naar verblijfsstatus en daardoor naar nationaliteit betwistbaar. Eiser heeft hierbij verwezen naar een gedeelte uit een inleiding door mr. P.E. Minderhoud over de Koppelingswet. Door eiser is in dit verband voorts een beroep gedaan op hetgeen is geoordeeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 maart 1999 (gepubliceerd in AB 1999/219) omtrent de weigering van afgifte van een vervangend rijbewijs aan een vreemdeling die geen bestendig verblijf heeft in Nederland. Tot slot heeft eiser naar voren gebracht dat hem niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning heeft ingediend, nu hij immers ziek was op het moment dat de geldigheidsduur van zijn vergunning afliep en hij bovendien door de vreemdelingendienst er niet vooraf op is gewezen dat op grond van de gewijzigde regelgeving verlenging van zijn vergunning moest worden gevraagd vůůr afloop van de geldigheidsduur daarvan.



Standpunt van verweerder

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gelet op de duidelijke bewoordingen van atikel 7, tweede en derde lid, aanhef en onder b, van de Abw en artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit gelijkstelling niet mogelijk is om bijstand te verlenen aan een vreemdeling die, zoals eiser, niet tijdig een verzoek om voortgezet verblijf heeft ingediend. Op grond van genoemde artikelen heeft verweerder derhalve de plicht om te bezien of een aanvraag om verlenging tijdig is ingediend en de wetgever heeft verweerder niet de mogelijkheid gegeven om, indien deze aanvraag niet tijdig is ingediend, te toetsen of er op individuele gronden sprake is van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Verweerder kan op dit punt geen eigen beleid voeren. De omstandigheid dat er geen sprake is van overgangsrecht doet hieraan naar de overtuiging van verweerder niet af. De door eiser aangevoerde redenen voor de te late indiening van zijn aanvraag om voortgezette toelating, die door verweerder overigens zwak worden geacht, hebben daarom bij verweerders besluit om de bijstandverlening aan eiser te beŽindigen geen rol kunnen spelen, aldus verweerder. Het is aan de Staatssecretaris van Justitie om bij de te nemen beslissing op eisers aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning te beoordelen of de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht.



Oordeel van de rechtbank

De eerste namens eiser aangevoerde beroepsgrond, die er kort gezegd op neer komt dat eiser rechtmatig in Nederland verblijft en dat er gelet op de bedoeling van de Koppelingswet om niet-rechtmatig verblijf tegen te gaan derhalve geen grond is om hem een bijstandsuitkering te weigeren, kan niet slagen.
In de eerste plaats staat het voor de rechtbank niet vast dat eiser rechtmatig verblijf houdt in Nederland als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. Het dossier van eiser bevat immers geen stukken waaruit blijkt dat eiser op 7 januari 1999 een aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning heeft aangevraagd en dat hij de beslissing op deze aanvraag in Nederland mag afwachten hoewel deze aanvraag eerst is ingediend nadat zijn vergunning reeds was verlopen. Doch ook indien wordt aangenomen dat eiser op die grond rechtmatig verblijf houdt in Nederland kan deze beroepsgrond niet slagen. Met de Koppelingswet heeft de wetgever niet alleen bedoeld vreemdelingen die hier te lande geen rechtmatig verblijf houden uit te sluiten van aanspraken op collectieve voorzieningen, maar ook om de aanspraken van vreemdelingen die wel rechtmatig verblijf houden te laten verschillen al naargelang de aard van het (rechtmatig) verblijf. Uitgangspunt is blijkens de parlementaire geschiedenis dat vreemdelingen die onvoorwaardelijk zijn toegelaten meer aanspraken kunnen maken dan vreemdelingen die nog niet onvoorwaardelijk zijn toegelaten, nu voor deze laatsten geldt dat de besluitvorming niet doorkruist mag worden door een te ruim voorzieningenbeleid. In de zogenaamde materiewetten, waaronder de Abw, zijn de uitgangspunten zoals neergelegd in de artikelen 8b en 8c van de Vw nader uitgewerkt en worden onder bepaalde voorwaarden aan bepaalde in artikel 1b van de Vw onderscheiden categorieŽn van rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen aanspraken toegekend.

Met betrekking tot het beroep dat door eisers gemachtigde is gedaan op hetgeen de Staatssecretaris van Justitie tijdens de parlementaire behandeling van de Koppelingswet heeft verklaard naar aanleiding van een vraag van Tweede-Kamerlid Rijpstra overweegt de rechtbank als volgt. De vraag van de heer Rijpstra had betrekking op de opschorting van betaling van uitkeringen ingevolge socialeverzekeringswetten. De Staatssecretaris heeft in het antwoord niet meer gezegd dan dat vreemdelingen die de behandeling van een ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in Nederland mogen afwachten rechtmatig verblijf houden in Nederland als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw en dat, nu op grond van de desbetreffende bepalingen in de (sociale)verzekeringswetten opschorting van betaling slechts plaatsvindt ingeval geen sprake is van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b van de Vw, in een dergelijk geval dus geen opschorting plaatsvindt. De rechtbank merkt hierbij op dat ťťn en ander niet strookt met de tekst van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, nu uit die tekst volgt dat dit artikelonderdeel slechts betrekking heeft op vreemdelingen op wier aanvraag nog niet is beslist. Doch afgezien hiervan is de rechtbank van oordeel dat uit dit antwoord van de Staatssecretaris van Justitie niet de conclusie kan worden getrokken, zoals eiser veronderstelt, dat vreemdelingen die de behandeling van een ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in Nederland mogen afwachten recht hebben op continuering van bijstandverlening. Anders dan in de socialeverzekeringswetten, waarop het antwoord van de Staatssecretaris van Justitie doelt en waarin is bepaald dat de betaling van de uitkering doorgang vindt zolang er sprake is van rechtmatig verblijf van de vreemdeling in de zin van (ťťn van de onderdelen van) artikel 1b van de Vw, is in de hier van belang zijnde bepalingen van de Abw en het Besluit gelijkstelling bepaald dat slechts voor bijstandverlening in aanmerking komen vreemdelingen die rechtmatig verblijf houden in Nederland in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw (artikel 7, tweede lid, van de Abw), alsmede vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in Nederland in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, tijdig een aanvraag om voortgezette toelating hebben verzocht (artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw juncto artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit gelijkstelling). Reeds hierom wordt deze grief van eiser verworpen.

Wat betreft het door eisers gemachtigde gedane beroep op artikel 26 van het IVBPR - dat bepaalt dat allen gelijk zijn voor de wet en zonder discriminatie aanspraak hebben op gelijke bescherming door de wet - wil de rechtbank opmerken dat het haar niet volledig duidelijk is geworden welke groepen van personen hier door die gemachtigde met elkaar vergeleken worden. De rechtbank meent aan de bedoeling van eisers gemachtigde het meest recht te doen door het op artikel 26 van het IVBPR betrekking hebbende argument te belichten vanuit twee verschillende premisses: a. ondanks de pas na 27 december 1998 gedane aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning wordt toch beslist dat eisers uitzetting achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten; b. er wordt beslist dat die uitzetting niet achterwege dient te blijven.

In de onder a genoemde premisse is eisers verblijf in Nederland (ook) sedert 27 december 1998 rechtmatig krachtens het bepaalde in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. Indien hij in die situatie dan toch niet (ook) vanaf 27 december 1998 bijstand ontvangt, wordt hij anders behandeld dan de vreemdeling wiens verblijf in Nederland om dezelfde reden als rechtmatig wordt beschouwd, doch die vanwege zijn nationaliteit (anders dan eiser) valt onder de bescherming van het Europees verdrag betreffende de sociale en medische bijstand. Uit hoofde van de artikelen 1 en 11, onderdeel a, van dat verdrag heeft die andere vreemdeling dan immers recht op bijstand (vergelijk het vonnis in kort geding van de president van de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 7 oktober 1998, nr. 98/1056, gepubliceerd in JV 1998/198). Die ongelijke behandeling vloeit dus niet voort uit de wet, maar uit een verdrag. Artikel 26 van het IVBPR (dat spreekt over gelijkheid "voor de wet" en gelijke bescherming "door de wet") heeft daarop geen betrekking. Een ander standpunt zou overigens tot de onaanvaardbare conclusie leiden dat elk bovennationaal voorschrift omtrent bevoor- of benadeling van bepaalde personen, staten of instanties zou moeten worden getoetst aan artikel 26 van het IVBPR.

Voorts kan - nog steeds in de onder a genoemde premisse - worden gezegd dat eiser dan anders wordt behandeld dan de vreemdeling wiens verblijf rechtmatig wordt geacht op grond van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw (welke andere vreemdeling immers krachtens artikel 7, tweede lid, van de Abw recht heeft op bijstand). Dan is er sprake van een onderscheid tussen vreemdelingen naargelang de aard van de verblijfsstatus. De rechtbank acht dat onderscheid objectief gerechtvaardigd. Als middel ter effectuering van een restrictief vreemdelingenbeleid is het namelijk redelijk en effectief om vreemdelingen wier verblijfsstatus weinig fundament en bestendigheid bezit van bepaalde sociale voorzieningen uit te sluiten. Van discriminatie in de zin van artikel 26 IVBPR kan hier dan ook niet worden gesproken.

In de onder b genoemde premisse verblijft eiser sedert 27 december 1998 onrechtmatig in Nederland, gezien het bepaalde in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. Indien hij dan geen bijstand ontvangt, wordt hij anders behandeld dan de vreemdeling wiens verblijf rechtmatig wordt geacht op grond van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw. Ook dat verschil in behandeling is gerechtvaardigd te achten vanuit het oogpunt van het effectueren van een restrictief vreemdelingenbeleid.

Gezien hetgeen in de voorgaande vier alinea's is overwogen, kan het beroep op artikel 26 van het IVBPR dan ook niet slagen.

Resteert de vraag of de verwijtbaarheid van het niet tijdig indienen van een aanvraag om voortgezette toelating een rol dient te spelen bij de toepassing door verweerder van artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit gelijkstelling.

De Staatssecretaris van Justitie, het bestuursorgaan dat is belast met de uitvoering van de Vw, heeft - bij gebreke van een wettelijke bepaling op dit punt - in hoofdstuk A4/6.7.2 van de Vreemdelingencirculaire 1994 bepaald dat een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning vanaf 1 juli 1998 moet worden ingediend vůůr het tijdstip waarop de vergunning haar geldigheid verliest. In datzelfde hoofdstuk is bepaald dat indien geoordeeld wordt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, de aanvraag dient te worden aangemerkt als een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur ingediend vůůr het verstrijken van de geldigheidsduur. Bij de te nemen beslissing op eisers aanvraag om voortgezette toelating zal de IND derhalve dienen te beoordelen in hoeverre de te late indiening van de aanvraag eiser kan worden verweten.

Verweerder is het bestuursorgaan dat belast is met de uitvoering van de Abw. In welke gevallen en onder welke voorwaarden een vreemdeling in aanmerking komt voor bijstandverlening is vastgelegd in de Abw en het Besluit gelijkstelling. In artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw is bepaald dat voortgezette toelating "tijdig" moet zijn gevraagd. In het op basis van dit artikel gegeven Besluit gelijkstelling is in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, bepaald dat een aanvraag om voortgezette toelating moet zijn ingediend "voor de beŽindiging van het verblijf". Deze wettelijke bepalingen in onderlinge samenhang gelezen bieden verweerder volstrekte duidelijkheid omtrent het tijdstip waarop een aanvraag moet zijn ingediend. De wetgever heeft verweerder geen ruimte gelaten om tot een eigen invulling van het begrip "tijdig" te komen, zoals de Staatssecretaris van Justitie dat voor de uitvoering van de Vw heeft gedaan in de Vreemdelingencirculaire. Het al dan niet verschoonbaar zijn van een termijnoverschrijding als de onderhavige is dus voor de toepassing van de Abw, anders dan in het vreemdelingenrecht, van geen belang. De rechtbank miskent niet dat hierdoor de situatie kan ontstaan dat aan een vreemdeling die geheel buiten zijn schuld niet vůůr het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning een aanvraag om voortgezette toelating heeft gedaan, waardoor deze termijnoverschrijding vreemdelingrechtelijk bezien zonder gevolgen blijft, niettemin een bijstandsuitkering moet worden geweigerd omdat niet tijdig een aanvraag is gedaan. Dit valt des te meer op omdat tot 1 juli 1998 een aanvraag om voortgezette toelating nog kon worden ingediend tot zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en er geen overgangsregeling is getroffen. De rechtbank ziet hierin evenwel onvoldoende grond om te oordelen dat verweerder bij de uitvoering van de Abw en het Besluit gelijkstelling zou dienen af te wijken van de - niets aan duidelijkheid te wensen overlatende - tekst van deze regelgeving door zich te buigen over de vraag of bij een niet tijdig ingediende aanvraag om voortgezette toelating wellicht sprake is van verschoonbaarheid. Deze vraag ligt ter beantwoording voor aan de Staatssecretaris van Justitie, die daarbij toepassing geeft aan de ter uitvoering van de vreemdelingenwetgeving uitgevaardigde beleidsregels, neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994.

De rechtbank is daarom van oordeel dat ook eisers beroep op verschoonbaarheid van de overschrijding van de termijn voor indiening van een aanvraag om voortgezette toelating niet kan slagen.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met geschreven of ongeschreven rechtsregels.

Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan ťťn van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Beslist wordt mitsdien als volgt.




III. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A. Stehouwer, als voorzitter van de meervoudige kamer en mr. A.W. Govers en mr. J.L.M. Schell als leden van die kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Hofman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 september 1999.

Afschrift verzonden:




Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA3611
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: 98/869 NABW Z en 98/1126 NABW Z
Datum uitspraak: 21 juni 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 39 Abw (= 35 Wwb) / 1:3, 6:2, 7:10, 8:41 en 8:74 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten kinderopvang; niet tijdig genomen besluit; vergoeding griffierecht
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van kinderopvang, omdat de echtgenoot, ondanks zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, het kind kan verzorgen bij afwezigheid van zijn echtgenote. Het beroep tegen een niet tijdig genomen besluit is niet-ontvankelijk, nu alsnog is beslist op de aanvraag; het betaalde griffierecht dient door de gemeente te worden vergoed.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Maastricht 98/869 NABW Z en 98/1126 NABW Z




U I T S P R A A K




inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen, gevestigd te Meerssen, verweerder.



Datum en aanduiding van het bestreden besluit:
- het als een besluit in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan te merken niet tijdig beslissen op het door eiser gemaakte bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag om vergoeding van kosten voor kinderopvang;
- het besluit van verweerder van 14 augustus 1998.
Datum van behandeling ter zitting: 11 mei 1999.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij brief van 21 juni 1998 heeft eiser bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door "de gemeente Gulpen c.q. gemeente Meerssen".

Bij brief van 26 augustus 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen (hierna: B&W van Gulpen) een verweerschrift ingediend. Daarbij is onder andere overgelegd een beslissing van 14 augustus 1998, waarbij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen (hierna: B&W van Meerssen) afwijzend heeft beschikt op een door eiser gedaan verzoek om vergoeding van kosten van kinderopvang.

Op 31 augustus 1998 heeft de rechtbank eiser verzocht aan te geven of met de beslissing van 14 augustus 1998 geheel aan zijn bezwaren is tegemoet gekomen.

Bij brief, met bijlagen, van 2 september 1998 heeft eiser de rechtbank meegedeeld het niet eens te zijn met de beslissing van 14 augustus 1998.

Op 4 september 1998 heeft de rechtbank een aantal door B&W van Gulpen ingediende stukken in afschrift aan eiser gezonden.

Op 14 september 1998 heeft de rechtbank eiser en B&W van Gulpen meegedeeld dat de beslissing d.d. 14 augustus 1998 van B&W van Meerssen in de met het beroepschrift van 21 juni 1998 aangevangen procedure wordt betrokken.

Bij brief van 1 oktober 1998 hebben B&W van Gulpen nog een gedingstuk ingediend. Dit is op 4 november 1998 in afschrift aan eiser verzonden.

Bij brief van 16 april 1999 heeft de rechtbank B&W van Meerssen ambtshalve in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 mei 1999.
Eiser is niet ter zitting verschenen.
Namens B&W van Gulpen is verschenen de heer H.G.M. Laheije.
Namens B&W van Meerssen is verschenen de heer R.A.G.M. Platte.




II. Overwegingen


II.1. Eiser, die de Nederlandse nationaliteit bezit, is sedert 1995 gehuwd met een Poolse vrouw. Sedert hun huwelijk wonen ze in Nederland. In mei 1997 is hun kind geboren. De echtgenote van eiser heeft een inburgeringscontract gesloten met de gemeente Gulpen. Teneinde in te burgeren, dient ze een taalcursus Nederlands te volgen en een inleiding oriŽntatie gedurende een aantal ochtenden per week. Die cursussen kan ze volgen via het Heuvelland integratieprogramma. Eiser stelt niet op zijn kind te kunnen passen als zijn echtgenote de lessen volgt, omdat hij deels arbeidsongeschikt is.

II.2. Op 29 september 1997 heeft eiser zich tot B&W van Gulpen gewend met een aanvraag om bijzondere bijstand, die onder meer betrekking heeft op kosten voor de opvang van het kind.

Bij brief van 3 november 1997 heeft eiser zich opnieuw tot B&W van Gulpen gewend met een verzoek om vergoeding van de kosten van de oppas.

Bij besluit van 3 december 1997 hebben B&W van Gulpen het door eiser op 29 september 1997 gedane verzoek om bijzondere bijstand gedeeltelijk ingewilligd. B&W van Gulpen hebben echter besloten eiser bijzondere bijstand in de kosten voor kinderopvang te weigeren, onder de overweging dat voor deze kosten een voorliggende voorziening van toepassing is. Daarbij is eiser verwezen naar de door het algemeen maatschappelijk werk uitgevoerde regeling kinderopvang in het kader van het Heuvelland integratieprogramma.

Tegen het besluit van 3 december 1997 heeft eiser geen bezwaar gemaakt, zodat dit in rechte onaantastbaar is geworden.

II.3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat B&W van Meerssen kort na 3 december 1997 op de hoogte zijn geraakt van eisers aanvraag om vergoeding van de kosten van kinderopvang. Dit blijkt met name uit het feit dat, zoals ter zitting van de zijde van B&W van Gulpen en B&W van Meerssen is bevestigd, B&W van Gulpen op verzoek van B&W van Meerssen op 11 maart 1998 de GGD Oostelijk Zuid-Limburg (hierna: GGD) hebben benaderd met het verzoek te beoordelen of eiser om medische redenen niet in staat is voor zijn kind te zorgen als zijn echtgenote niet thuis is. De GGD heeft op 6 mei 1998 aan B&W van Gulpen advies uitgebracht, welk advies vervolgens is doorgezonden aan B&W van Meerssen. B&W van Meerssen hebben dit advies ten grondslag gelegd aan de thans bestreden beslissing van 14 augustus 1998.

Intussen had eiser bij brief van 18 maart 1998 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om vergoeding van de kosten van kinderopvang. Vermoedelijk - ook ter zitting bleek dit niet met zekerheid te achterhalen - heeft eiser deze brief toegezonden aan de gemeente Meerssen, gelet op het noemen van de heer Platte in kop van de brief.

Nu B&W van Meerssen, gelet op het voorgaande, kennelijk kort na 3 december 1997 op de hoogte zijn geraakt van eisers aanvraag en deze vervolgens kennelijk in behandeling hebben genomen, zij het met tussenkomst van B&W van Gulpen, en B&W van Meerssen uiteindelijk ook de door eiser bestreden reŽle beslissing van 14 augustus 1998 hebben genomen, acht de rechtbank het aangewezen B&W van Meerssen aan te merken als het verwerende orgaan. B&W van Meerssen zullen in het vervolg van deze uitspraak dan ook worden aangeduid als verweerder.

IIA. Gelet op hetgeen in de vorige rubriek is overwogen, acht de rechtbank het voorts aangewezen eisers brief van 18 maart 1998 aan te merken als een bezwaarschrift tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op eisers aanvraag om vergoeding van de kosten van kinderopvang.

Het door eiser op 21 juni 1998 ingediende beroepschrift merkt de rechtbank aan als te zijn gericht tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het op 18 maart 1998 ingediende bezwaarschrift.

II.5. De vraag doet zich nu voor of de rechtbank bevoegd is van dit beroep kennis te nemen. Deze vraag zal slechts bevestigend beantwoord kunnen worden als het reŽle besluit van 14 augustus 1998 beschouwd kan worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank.

Uit de gedingstukken blijkt dat het Heuvelland integratieprogramma voorziet in de uitvoering op regionaal niveau van door het kabinet met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gemaakte afspraken over de inburgering van nieuwkomers.

Onder nieuwkomers wordt verstaan: toegelaten vluchtelingen, houders van een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden, houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, gezinsherenigers of -vormers en Nederlanders afkomstig van de Nederlandse Antillen of Aruba. Niet in geding is dat eisers echtgenote als nieuwkomer kan worden aangemerkt.

Het Heuvelland integratieprogramma voorziet in een inburgeringsprogramma waarvoor gelden ter beschikking worden gesteld door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Deze gelden worden door de centrale overheid weliswaar uitbetaald aan de afzonderlijke gemeenten die in het project deelnemen, maar worden vervolgens doorgesluisd naar de gemeente Meerssen, die is aangemerkt als centrumgemeente voor de uitvoering van het programma. Blijkens de stukken hebben de door de centrale overheid aldus verstrekte gelden mede betrekking op de kosten van kinderopvang.

Op grond van hetgeen in de voorgaande alinea is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat een beslissing van verweerder tot het al dan niet toekennen van een vergoeding in de kosten van kinderopvang in het kader van het Heuvelland integratieprogramma, dient te worden aangemerkt als het vervullen van een publiekrechtelijke taak, ter uitvoering waarvan door de overheid gelden ter beschikking zijn gesteld. Hierin acht de rechtbank voldoende aanleiding gelegen om een beslissing op de aanvraag van kinderopvang in het kader van het Heuvelland integratieprogramma aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen ingevolge de Awb bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld. Mitsdien kan op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, ook tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag bezwaar worden gemaakt en tegen het uitblijven van een beslissing op dit bezwaar beroep worden ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank acht zich dan ook bevoegd van de beroepen kennis te nemen.

II.6. Eiser heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat verweerder niet tijdig op het bezwaarschrift heeft beslist. Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb dient binnen zes weken - of indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld - binnen tien weken op het bezwaarschrift te zijn beslist. Het bezwaarschrift is ingediend op 18 maart 1998, terwijl verweerder eerst op 14 augustus 1998 heeft beslist. Nu van een opschorting van de termijn voor het beslissen op bezwaar als bedoeld in het tweede lid van artikel 7:10 van de Awb en van een verdaging als bedoeld in het derde lid niet is gebleken en eiser evenmin heeft ingestemd met verder uitstel van de beslissing op bezwaar, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat te laat op het bezwaarschrift is beslist.

Nu verweerder op 14 augustus alsnog heeft beslist op de aanvraag van eiser is de rechtbank, gelet op vaste jurisprudentie, van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van het tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift gerichte beroep. Eiser is dan ook in dit beroep niet-ontvankelijk. Dit neemt niet weg dat verweerders gemeente gehouden is het door eiser ter zake van de indiening van zijn beroepschrift van 21 juni 1998 betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Van door eiser in verband met de behandeling van zijn tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift ingediende beroep gemaakte en op grond van de Awb te vergoeden proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

II.7. Ten aanzien van eisers beroep tegen het besluit van 14 augustus 1998 overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals hiervoor is aangegeven, heeft verweerder, met tussenkomst van B&W van Gulpen, de GGD verzocht hem te adviseren over de vraag of eiser om medische redenen niet in staat is voor zijn kind te zorgen als zijn echtgenote niet thuis is.

In een uitgebreid gemotiveerd advies van 6 mei 1998 heeft de GGD aangegeven dat eiser op grond van het door de GGD zelf uitgevoerde onderzoek, alsmede op grond van aanvullende informatie van de verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige van GAK Nederland BV, weliswaar beperkt arbeidsongeschikt is te achten, maar dat zijn beperkingen niet zover gaan dat hij niet in staat zou zijn om zijn tien maanden oude kind te verzorgen.

Nu van de zijde van eiser geen medische gegevens zijn aangereikt die op het tegendeel duiden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser in afwezigheid van zijn echtgenote zelf voor zijn kind kan zorgen en mitsdien niet in aanmerking komt voor een vergoeding van de kosten van kinderopvang in het kader van het Heuvelland integratieprogramma. Het beroep tegen het besluit van 14 augustus 1998 is dan ook ongegrond.

Gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Awb wordt dan ook als volgt beslist.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep tegen het als een besluit in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb aan te merken niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 18 maart 1998 niet-ontvankelijk;
2. verklaart het beroep tegen het besluit van 14 augustus 1998 ongegrond;
3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van
É55,- wordt vergoed door de gemeente Meerssen.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. M.J.H.T. Peters, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 1999 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Peters            w.g. R.E. Bakker




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op:




Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
Bij een spoedeisend belang staat voor het bestuursorgaan en een belanghebbende, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid open om de President van de Centrale Raad van Beroep te benaderen met een verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van de Awb.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA3687
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 98/141 ABW V12 en AWB 98/246 ABW V12
Datum uitspraak: 12 oktober 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 3, 65, 69, 78, 81 en 138 Abw (= 3, 17, 54, 58, 58 en 79 Wwb) / 6:2, 8:41, 8:52, 8:53, 8:74 en 8:75 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; onderhuurder; ex-partner; schending inlichtingenverplichting; opschorting bijstand; beŽindiging; terugvordering; fraude; niet tijdig genomen besluit; versnelde behandeling; gewone behandeling; vergoeding griffierecht
Essentie: Terechte opschorting, beŽindiging en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding met een onderhoudsplichtige. Dat belanghebbende en de onderhuurder eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt, levert een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding op. Het beroep tegen een niet tijdig genomen besluit is niet-ontvankelijk, nu alsnog is beslist op het bezwaar; het betaalde griffierecht dient door de gemeente te worden vergoed.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 98/141 ABW V12 en AWB 98/246 ABW V12




U I T S P R A A K




inzake de geschillen tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. R. van Asperen, advocaat en procureur te Groningen,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerders.




1. Procesverloop


Verweerders hebben eiseres op 2 oktober 1997 mondeling medegedeeld dat de aan haar toegekende uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 september 1997 feitelijk is beŽindigd.

Eiseres heeft op 6 oktober 1997 op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een bezwaarschrift ingediend tegen de feitelijke beŽindiging van haar bijstandsuitkering met ingang van 1 september 1997.

Bij beroepschrift van 13 januari 1998 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerders op haar bezwaarschrift van 6 oktober 1997.

Bij brief van 16 januari 1998 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de zaak verder met toepassing van afdeling 8.2.3 Awb versneld wordt behandeld.

Bij uitspraak van 6 februari 1998, reg.nr. AWB 98/67 ABW V04, heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard en het met een besluit gelijk te stellen niet beslissen door verweerders op het bezwaarschrift van eiseres van 6 oktober 1997 vernietigd. Voorts is bepaald dat verweerders binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak een beslissing dienen te nemen op het bezwaarschrift van eiseres van 6 oktober 1997.

Bij besluit van 16 oktober 1997, cliŽntnummer ATT01974875K, hebben verweerders de uitkering van eiseres ingevolge de Abw vanaf 1 juli 1997 ingetrokken, onder de overweging dat eiseres niet, niet volledig en/of correct heeft voldaan aan de in artikel 65 Abw neergelegde verplichting tot het verstrekken van inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van het recht op uitkering. Voorts hebben verweerders bij dit besluit van eiseres een bedrag van
É3408,62 teruggevorderd over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 augustus 1997.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 24 oktober 1997 op grond van artikel 7:1 Awb
een bezwaarschrift ingediend.

Eiseres heeft tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar bij beroepschrift van 2 februari 1998 op nader in het beroepschrift aangegeven gronden beroep ingesteld (reg.nr. AWB 98/141 ABW V12).

De rechtbank heeft partijen op 4 februari 1998 meegedeeld het beroep met toepassing van afdeling 8.2.3 Awb
versneld te behandelen.

Verweerders hebben op 12 februari 1998 de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.

Verweerders hebben bij besluit van 3 maart 1998 de bezwaarschriften van eiseres van 6 en 24 oktober 1997 gericht tegen de feitelijke beŽindiging van haar uitkering ingevolge de Abw per 1 september 1997 respectievelijk tegen voornoemd besluit van 16 oktober 1997 ongegrond verklaard.

Daarbij is ten aanzien van de vaststelling van de gezamenlijke huishouding verwezen naar artikel 3, derde lid, onderdeel a en c, Abw. Voorts is bepaald dat de aflossing zal plaatsvinden middels 10% inhouding van de voor eiseres geldende bijstandsnorm inclusief de vakantietoeslag.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij beroepschrift van 10 maart 1998, op nader in het aanvullend beroepschrift van 31 maart 1998 aangegeven gronden, beroep ingesteld (reg.nr. AWB 98/246 ABW V12).

Bij brief van 11 maart 1998 heeft de rechtbank partijen bericht het beroep, geregistreerd onder nummer AWB 98/141 ABW V12, op de gewone wijze te behandelen.

Verweerders hebben op 28 april 1998 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 juni 1998 heeft eiseres van repliek gediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

De geschillen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 1 oktober 1999. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door H. Blokzijl.

Eiseres en haar gemachtigde hebben afgezien van het ter zitting (doen) horen van de door de gemachtigde van eiseres bij faxbericht van 23 september 1999 aangezegde getuige X.




2. Rechtsoverwegingen


De feiten

Eiseres ontving sedert 29 januari 1984 een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet (hierna: ABW). Na een kennismakingsperiode van drie maanden hebben eiseres en X gedurende de periode van mei 1993 tot april 1994 een duurzame gezamenlijke huishouding gevoerd. Bij besluit van 19 april 1994 is eiseres met ingang van 1 april 1994 een uitkering krachtens de ABW verstrekt naar de norm voor een eenoudergezin.

Op de door haar op 21 juli 1997 ondertekende maandverklaring van de maand juli 1997 heeft eiseres verklaard dat zij met ingang van 1 juli 1997 een huurder had. Uit de gemeentelijke basisadministratie bleek dat deze huurder een ex-partner van eiseres betrof, te weten X. Vervolgens is de Abw-uitkering van eiseres per 1 september 1997 feitelijk geblokkeerd in afwachting van een nader onderzoek.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 6 oktober 1997 een bezwaarschrift ingediend bij verweerders.

Eiseres is op 2 oktober 1997 uitgenodigd voor een gesprek. In dit gesprek heeft zij verklaard dat de huurder X is en dat hij inkomsten uit arbeid ontvangt.

Bij besluit van 16 oktober 1997 hebben verweerders de uitkering van eiseres ingevolge de Abw vanaf 1 juli 1997 ingetrokken, onder de overweging dat eiseres niet, niet volledig en/of correct heeft voldaan aan de in artikel 65 Abw neergelegde verplichting tot het verstrekken van inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van het recht op uitkering. De over de periode van 1 juli tot en met 31 augustus 1997 aan eiseres verstrekte uitkering, een bedrag van
É3408,62, is bij dit besluit van haar teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 24 oktober 1997 een bezwaarschrift ingediend bij verweerders. Daarbij heeft zij ontkend onvolledige of onjuiste inlichtingen te hebben verstrekt. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat verweerders ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat zij met ingang van 1 juli 1997 is gaan samenwonen met X.

De bezwaren van eiseres zijn behandeld in de vergadering van de Commissie voor de bezwaarschriften Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid van 23 februari 1998. De Commissie heeft verweerders geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren, onder aanvulling van de motivering.

Verweerders hebben eerst op 3 maart 1998 op deze bezwaarschriften beslist. Verweerders hebben zich, onder verwijzing naar het rapport van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten (SOZAWE) van 8 januari 1998 en overeenkomstig het advies van de Commissie op het standpunt gesteld dat eiseres heeft nagelaten aan hen mee te delen dat zij met ingang van 1 juli 1997 een gezamenlijke huishouding voert met X. Daarbij hebben verweerders verwezen naar artikel 3, derde lid, onderdeel a en c, Abw. Voorts hebben verweerders ter zake van de terugvordering bepaald dat de aflossing zal plaatsvinden door middel van een inhouding van 10% op de aan eiseres toegekende Abw-uitkering naar de voor haar geldende bijstandsnorm inclusief de vakantietoeslag.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Zij heeft naar voren gebracht dat zij tijdig melding heeft gemaakt van het inwonen van X. Hieraan kan, aldus eiseres, niet afdoen dat deze onderhuur tot gevolg heeft dat eiseres (juridisch) een gezamenlijke huishouding voert met X. Eiseres heeft verder betoogd dat artikel 3, derde lid, Abw in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts is eiseres van mening dat de terugvordering achterwege dient te blijven, aangezien SOZAWE niet adequaat heeft gereageerd op de door eiseres verstrekte inlichtingen.



Het van toepassing zijnde recht

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw wordt van overheidswege aan iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien bijstand verleend.

Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f, Abw bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen als partners geregistreerden worden gelijkgesteld met gehuwden. Krachtens artikel 3, tweede lid, onderdeel a, worden als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van artikel 3, derde lid, Abw, is van een gezamenlijke huishouding, bedoeld in het tweede lid, sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Krachtens het vierde lid van voornoemd artikel 3 wordt - voor zover hier van belang - een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract.

Artikel 65, eerste lid, Abw bepaalt - voor zover hier van belang - dat de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging onverwijld mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald. Op grond van het tweede lid dient de belanghebbende gebruik te maken van een door burgemeester en wethouders verstrekt formulier. Op grond van het derde lid is de belanghebbende verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Krachtens artikel 69, derde lid, Abw herzien burgemeester en wethouders, onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand, een dergelijk besluit of trekken zij dit in:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 78, eerste lid, Abw worden kosten van bijstand door de gemeente teruggevorderd in de gevallen en naar de regels aangegeven in paragraaf 2 van hoofdstuk VI.

Op grond van artikel 78, derde lid, Abw, kunnen burgemeester en wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Krachtens artikel 81, eerste lid, Abw wordt bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend van de belanghebbende teruggevorderd.

Voorts is in artikel 138 Abw bepaald dat voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, Awb met een besluit wordt gelijkgesteld het nalaten van een handeling die strekt tot uitvoering van het besluit inzake de verlening of terugvordering van bijstand of het verrichten van een handeling die afwijkt van dat besluit.



Beoordeling van het geschil



Met betrekking tot reg.nr. AWB 98/246 ABW V12

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerders zich bij het bestreden besluit onder meer hebben gebaseerd op artikel 3, derde lid, onderdeel a en c, Abw. Dit artikellid is evenwel met ingang van 1 januari 1998 gewijzigd. Het oude derde artikellid is per laatstgenoemde datum vernummerd tot vierde lid. Aangezien geen inhoudelijke wijziging van dit artikellid heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank geen aanleiding om reeds hierom te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand zal kunnen blijven. De rechtbank zal het besluit dan ook toetsen aan de op het moment van de bestreden beslissing geldende regelgeving.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.



De herziening van de uitkering

Uit het door eiseres op 21 juli 1997 ondertekende inlichtingenformulier over de maand juli 1997 blijkt dat zij melding heeft gemaakt van het feit dat zij met ingang van 1 juli 1997 een huurder heeft. Eiseres heeft evenwel op dat formulier niet vermeld dat de huurder een ex-partner van haar was. Zij stelt in beroep dit wel te hebben gemeld aan de balie van de Dienst.

Gelet op het bepaalde in artikel 3, vierde lid, onderdeel a, Abw is dit gegeven van invloed op haar recht op uitkering. Immers, vaststaat dat eiseres en X in de periode mei 1993 tot april 1994 voor de bijstandverlening als gehuwden zijn aangemerkt. Voor de beoordeling van het recht van eiseres op een bijstandsuitkering is dan ook van doorslaggevend belang het antwoord op de vraag of eiseres en X gezamenlijk hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Gelet op de door eiseres op haar inlichtingenformulier verstrekte informatie kan niet anders worden geconcludeerd dan dat op grond van het bepaalde in artikel 3, vierde lid, onderdeel a, Abw sprake is van een gezamenlijke huishouding. Dat, zoals eiseres heeft betoogd, er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding omdat zij geen blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar kan hieraan niet afdoen. Eiseres doelt hier kennelijk op artikel 3, derde lid, Abw, doch dit artikellid is niet op eiseres van toepassing. Het feit dat eiseres en X eerder voor de bijstandverlening als gehuwden zijn aangemerkt, levert reeds een onweerlegbaar rechtsvermoeden op, hetgeen de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest.

Eiseres heeft voorts naar voren gebracht dat het hanteren van een dergelijk rechtsvermoeden in strijd is met artikel 6 EVRM. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Het EVRM verbiedt in beginsel geen feitelijke of wettelijke rechtsvermoedens. Verdragsstaten moeten daarbij wel redelijke grenzen in acht nemen, zodat met de betrokken belangen rekening wordt gehouden en de rechten van de verdediging in stand blijven. In de onderhavige zaak betreft het niet een vervolging wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, doch het vaststellen van de burgerlijke rechten en verplichtingen van eiseres in het kader van het geldend maken van een aanspraak op een uitkering ingevolge de Abw, zodat in casu wel artikel 6, eerste lid, EVRM van toepassing is, maar niet het tweede lid van dat artikel. Uit artikel 3, vierde lid, Abw volgt slechts dat er sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden in het geval voldaan wordt aan ťťn van de onder a tot en met d genoemde situaties en de belanghebbenden tevens hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Het vermoeden moet derhalve gedragen worden door twee objectief vast te stellen feiten. Om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat met het hanteren van een dergelijk rechtsvermoeden de grenzen van het redelijke worden overschreden, noch dat anderszins sprake is van strijdigheid met het verdrag. Deze grief van eiseres dient daarom te falen.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben verweerders zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres niet volledig heeft voldaan aan de op haar rustende, in artikel 65, eerste lid, Abw neergelegde inlichtingenverplichting. Zij heeft immers op het daartoe bestemde formulier geen melding gemaakt van het feit dat de huurder haar ex-partner was. Dat zij mogelijk daarvan melding heeft gemaakt aan de balie kan daaraan niet afdoen, nu daarvan uit de beschikbare stukken niet is gebleken en zij op grond van artikel 65, tweede lid, Abw verplicht is ťťn en ander te melden op het daartoe verstrekte formulier.

Nu er sprake is van een gezamenlijke huishouding en door eiseres niet bestreden is dat X een inkomen heeft dat hoger is dan de voor een echtpaar geldende bijstandsnorm, hebben verweerders terecht geoordeeld dat er per 1 juli 1997 geen recht op een uitkering ingevolge de Abw bestaat.

Verweerders hebben de uitkering van eiseres dan ook op goede gronden herzien. Het beroep van eiseres moet in zoverre dan ook ongegrond worden verklaard.



De terugvordering

Verweerders waren, nu eiseres haar inlichtingenverplichting niet is nagekomen, dan ook op grond van artikel 78, eerste lid, in samenhang met artikel 81, eerste lid, Abw gehouden over te gaan tot terugvordering van de ten onrechte aan eiseres betaalde bijstand.

Niet gebleken is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Verweerders hebben de uitkering over de maanden juli en augustus 1997 dan ook terecht van eiseres teruggevorderd.

Eiseres heeft met betrekking tot de wijze waarop de terugvordering plaatsvindt geen grieven aangevoerd, terwijl de rechtbank - ambtshalve oordelend - ook geen aanleiding ziet om de wijze waarop wordt verrekend met de lopende uitkering voor onjuist te houden. Het beroep van eiseres is in zoverre dan ook ongegrond.



De opschorting

De rechtbank is van oordeel dat verweerders, gelet op de gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie ter zake van de huurder van eiseres, de uitbetaling van eiseres uitkering met ingang van 1 september 1997 konden opschorten. Op dat moment was er immers grond voor het vermoeden dat voor eiseres het recht op uitkering niet meer bestond.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.



Met betrekking tot reg.nr. AWB 98/141 ABW V12

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerders op haar bezwaarschrift van 24 oktober 1997. Zij heeft verzocht het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen door verweerders op haar bezwaarschrift te vernietigen en verweerders te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank stelt vast dat verweerders bij besluit van 3 maart 1998 alsnog hebben beslist op het bezwaarschrift van eiseres van 24 oktober 1997, tegen welk besluit eiseres afzonderlijk beroep heeft ingesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen processueel belang meer bij een beoordeling van haar beroep.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep
van 4 februari 1997 (RSV 97/297) overweegt de rechtbank dat een belang bij gegrondverklaring van het ingestelde beroep niet uitsluitend gelegen kan zijn in het verkrijgen van een vergoeding van de gemaakte proceskosten dan wel het griffierecht.

Ook in andere gevallen dan die waarin het beroep gegrond wordt verklaard, kent de wet de bestuursrechter de bevoegdheid daartoe over te gaan.

Het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaarschrift dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.



Griffierecht en proceskosten

Wel ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het door eiseres gestorte griffierecht op grond van artikel 8:74, tweede lid, Awb, door de gemeente Groningen aan eiseres wordt vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerders op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs door eiseres zijn gemaakt en wijst de gemeente Groningen aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden. De rechtbank volgt niet de redenering van verweerders dat er geen ruimte is voor een proceskostenveroordeling nu over hetzelfde aspect door eiseres reeds eerder is geprocedeerd en waarbij zij in het gelijk is gesteld, onder veroordeling van verweerders in de kosten van die procedure. Immers, in de door verweerders bedoelde zaak (AWB 98/67 ABW) was sprake van beroep tegen het niet tijdig beslissen op het d.d. 6 oktober 1997 ingediende bezwaarschrift, terwijl in de onderhavige procedure het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 24 oktober 1997 speelt. Dat het bij beide bezwaarschriften om dezelfde kwestie gaat, doet daaraan niet af. Het indienen van twee bezwaarschriften en het vervolgens tweemaal instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen op die bezwaarschriften vloeit veeleer voort uit de werkwijze van verweerders (eerst feitelijke beŽindiging van de uitkering, vervolgens een intrekkingsbesluit uitreiken), terwijl verweerders - door tijdig te beslissen op bezwaarschriften - zelf het instellen van beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar kunnen voorkomen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op
É1065,-, zoals aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van eiseres van 24 oktober 1997 niet-ontvankelijk;
-  verklaart het beroep tegen het besluit van 3 maart 1998 ongegrond;
- bepaalt dat de gemeente Groningen eiseres het betaalde griffierecht ad
É55,- vergoedt;
- veroordeelt verweerders in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn vastgesteld op
É1065,-, en bepaalt dat de gemeente Groningen deze kosten aan eiseres dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op 12 oktober 1999, in tegenwoordigheid van A.M. van der List-van Winden als griffier.

De griffier, wnd.,            De rechter,




Afschrift verzonden op: 12 oktober 1999.

Bijlage: Staat van kosten.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA3716
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: 98/1720 NABW Z SCC en 98/1875 NABW Z SCC
Datum uitspraak: 28 september 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 6, 17 en 39 Abw (= 5, 15 en 35 Wwb) / 3:2 en 7:12 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten griffierecht en eigen bijdrage rechtsbijstand; advocaat; toevoeging; Raad voor Rechtsbijstand; voorliggende voorziening
Essentie: Onterechte afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van griffierecht en eigen bijdrage toegevoegd advocaat, ongeacht of sprake is van procederen tot vermindering van bijstandsafhankelijkheid of dat de kosten zouden behoren tot de (incidentele) algemene kosten van het bestaan. Het gemeentelijk beleid ter zake is dan ook onrechtmatig. De noodzaak van de (kosten van de) procedure is reeds getoetst door de Raad voor Rechtsbijstand en daaraan zijn B&W gebonden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Maastricht 98/1720 NABW Z SCC en 98/1875 NABW Z SCC




U I T S P R A A K




inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen, gevestigd te Meerssen, verweerder.


Datum en aanduiding van de bestreden besluiten:
1. het besluit van verweerder van 13 oktober 1998, kenmerk soza/gh/63888, en van 5 januari 1999, kenmerk soza/gh/64440;
2. het besluit van verweerder van 8 december 1998, kenmerk soza/gh/63941.
Datum van behandeling ter zitting: 6 juli 1999.




I. Ontstaan en loop van de gedingen


Bij brieven van 7 oktober 1998, van 2 december 1998 en van 3 december 1998 heeft verweerder aan eiser mededeling gedaan van ten aanzien van hem genomen besluiten inzake de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij brieven van respectievelijk 20 november 1998, 16 december 1998 en 4 februari 1999 is namens eiser door mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, tegen die besluiten beroep bij deze rechtbank ingesteld.

De door verweerder ter voldoening aan het gestelde in artikel 8:42 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede de verweerschriften zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden.

De namens eiser naar aanleiding van de verweerschriften ingezonden reacties zijn in afschrift aan verweerder verzonden.

De beroepen zijn, tezamen met het beroep in de zaak 98/1831 ter zake van het geschil tussen eiser en verweerder, gevoegd behandeld ter openbare zitting van de rechtbank op 6 juli 1999, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.P.P. Roeden, kantoorgenoot van mr. Brauer, voornoemd.
Verweerder is, na daartoe ambtshalve te zijn opgeroepen, verschenen bij gemachtigde G.J.H.M. Herberighs, ambtenaar bij de Productgroep Sociale Zaken van verweerders gemeente.

In de zaak 98/1831 wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. Overwegingen


Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.



II.1. Met betrekking tot het geding 98/1720

Eiser ontvangt sedert 1 april 1984 een periodieke bijstandsuitkering vanwege verweerders gemeente.

Op 23 juli 1998 is door eiser een aanvraag bij verweerder ingediend om toekenning van bijzondere bijstand ter zake van de kosten van griffierechten ad
É75,- in verband met een procedure bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch omtrent hertaxatie in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ).

Bij besluit van 18 augustus 1998 heeft verweerder voornoemde aanvraag afgewezen. Daarbij is aangegeven dat de desbetreffende kosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, te voldoen uit eigen middelen door reservering vooraf of gespreide betaling achteraf.

Op 30 juli 1998 is door eiser voorts bij verweerder een aanvraag ingediend voor toekenning van bijzondere bijstand ter zake van de door eiser verschuldigde eigen bijdrage voor rechtsbijstand ad
É110,-, welke verband houdt met een bezwaarschriftprocedure inzake de Abw.

Bij besluit van eveneens 13 augustus 1998 is laatstbedoelde aanvraag afgewezen, op dezelfde grondslag als de eerder bedoelde aanvraag van 23 juli 1998.

Namens eiser is bij schrijven van 21 augustus 1998 bezwaar gemaakt tegen voornoemde besluiten van 18 augustus 1998.
Daartoe is - samengevat - aangevoerd dat eiser geen mogelijkheid heeft om gelden te reserveren, noch om een lening af te sluiten, dat de verzochte bijzondere bijstand betrekking heeft op kosten die bijzonder ťn noodzakelijk zijn en dat het door verweerder gevoerde beleid ter zake discriminerend en willekeurig is.

Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift is eiser in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift op een hoorzitting op 24 september 1998 nader toe te lichten, van welke gelegenheid eiser en zijn gemachtigde gebruik hebben gemaakt. Van het horen is verslag opgemaakt.

Verweerder heeft bij besluit van 13 oktober 1998, verzonden op 14 oktober 1998, eisers bezwaren tegen het niet toekennen van bijzondere bijstand voor de kosten van griffierechten ongegrond verklaard.
Verweerder heeft bij besluit van 5 januari 1999, verzonden op dezelfde dag, eisers bezwaren tegen het niet toekennen van bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand eveneens ongegrond verklaard.
Aan deze besluiten heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd.
Nu eiser zelf heeft gekozen om de desbetreffende procedures te beginnen, dienen de daarmee gepaard gaande kosten voor zijn rekening te komen, welke voldaan moeten worden uit de hem toegekende periodieke Abw-uitkering; daarvan kan slechts worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen.
Zodanige omstandigheden zijn evenwel niet gebleken, waarbij - samengevat - het standpunt is ingenomen dat:
- het feit dat op eisers inkomen beslag is gelegd tot de van toepassing zijnde beslagvrije voet niet afdoet aan het gegeven dat eiser de beschikking heeft over een inkomen dat toereikend is om te kunnen voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;
- het door verweerder legitiem en op basis van een eigen keuze gevoerde beleid, waarbij slechts bijzondere bijstand kan worden verstrekt waar het gaat om kosten die verband houden met procedures die de behoefte aan bijstand verminderen, zich tegen bijzonderebijstandverlening in het onderhavige geval verzet, gelet op de door eiser gevoerde procedures;
- niet gezegd kan worden dat de procedures, ook al is er een toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand verleend, noodzakelijk moeten worden geacht, nu er daarbij andere criteria worden gehanteerd dan bij de vraag of bijzondere bijstand moet worden toegekend;
- de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 17 van de Abw moet worden aangemerkt en het niet past om het in de Wrb neergelegde stelsel te doorkruisen door in het kader van de Abw bijstand te verstrekken voor de opgelegde eigen bijdrage.

Blijkens de tegen voornoemde besluiten op bezwaar ingediende beroepschriften kan eiser zich niet met die besluiten verenigen.
Daartoe is namens eiser verwezen naar het gestelde in het bezwaarschrift van 21 augustus 1998. Samengevat komen eisers grieven neer op het volgende:
- eiser kan de verzochte kosten niet uit eigen middelen voldoen;
- de voor eiser wat betreft de rechtsbijstand overblijvende kosten zijn naar hun aard bijzondere kosten en deze zijn noodzakelijk ter waarborging van zijn rechten;
- de noodzaak is, wat de rechtsbijstand betreft, voorts reeds getoetst door de Raad voor Rechtsbijstand, welke immers een toevoeging heeft verstrekt; blijkens vaste jurisprudentie komt de gemeente aan een toets van de noodzaak dan niet meer toe;
- het beleid van verweerder om in bepaalde gevallen wel kosten te vergoeden, is volstrekt willekeurig, heel strikt en onjuist: er wordt immers in zaken als de onderhavige niet gekeken naar bijzondere individuele omstandigheden, die in casu wel aanwezig zijn. Eiser zit al sedert bijna twintig jaar in de bijstand, heeft verschillende malen grote schade geleden, terwijl jarenlang niet de volledige uitkering aan eiser werd uitbetaald. Verder is verwezen naar bij verweerder aanwezige stukken waaruit blijkt dat de gemeentelijke kredietbank eisers schulden niet wenst te saneren.



II.2. Met betrekking tot het geding 98/1875

Op 27 augustus 1998 is door eiser een aanvraag bij verweerder ingediend om toekenning van bijzondere bijstand ter zake van de door eiser verschuldigde eigen bijdrage voor rechtsbijstand ad
É110,-, welke verband houdt met een bezwaarschriftprocedure tegen de verlening van een vergunning aan eisers buurman.

Bij besluit van 8 september 1998 heeft verweerder voornoemde aanvraag afgewezen. Daarbij is aangegeven dat de desbetreffende kosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, te voldoen uit eigen middelen door reservering vooraf of gespreide betaling achteraf.

Namens eiser is bij schrijven van 23 september 1998 bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Daarbij heeft eisers gemachtigde wat de gronden betreft verwezen naar het bezwaarschrift van 21 augustus 1998, dat in de hierboven onder II.1 genoemde zaak is ingediend.
Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift is eiser in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift op een hoorzitting nader toe te lichten. Bij schrijven van 10 november 1998 is namens eiser aan verweerder bericht dat daaraan geen behoefte bestaat onder verwijzing naar de op 24 september 1998 gehouden hoorzitting inzake de hierboven onder II.1 genoemde zaak.

Verweerder heeft bij besluit van 8 december 1998, verzonden op 10 december 1998, de bezwaren ongegrond verklaard. In dit besluit heeft verweerder hetzelfde standpunt ingenomen als in zijn besluiten op bezwaar van 13 oktober 1998 en 5 januari 1999, zoals hierboven weergegeven onder II.1, waarnaar de rechtbank kortheidshalve verwijst.

Blijkens het beroepschrift van 16 december 1998 kan eiser zich niet met dit besluit verenigen en wel op dezelfde gronden als aangevoerd in de onder II.1 genoemde beroepschriften, waarnaar de rechtbank kortheidshalve verwijst.



II.3

In de onderhavige gedingen dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de bestreden besluiten van 13 oktober 1998, van 5 januari 1999 en van 8 december 1998 in rechte stand kunnen houden.

Daarbij staat de vraag centraal of verweerder terecht en op goede gronden heeft kunnen besluiten om eiser niet in aanmerking te brengen voor bijzondere bijstand ter zake van kosten van eigen bijdragen van rechtsbijstand en ter zake van griffierechten.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

II.3.1. Artikel 6, aanhef en onder b, van de Abw bepaalt dat onder bijzondere bijstand wordt verstaan: de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.

Artikel 39, eerste lid, van de Abw bepaalt dat onverminderd hoofdstuk II de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Blijkens de toelichting bij artikel 39 van de Abw zal beoordeeld moeten worden of zich in het individuele geval zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat bijzondere bijstand moet worden verleend.
Voor zover de betrokkene voor dergelijke kosten geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 17 van de Abw en die kosten evenmin uit de eigen middelen kan voldoen, kan daarvoor bijzondere bijstand worden verstrekt.

II.3.2. De rechtbank stelt vast dat aan eiser door de Raad voor Rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch een tweetal toevoegingen ingevolge de Wrb zijn afgegeven ten behoeve van rechtsbijstand door zijn advocaat ter zake van tegen verweerder aangespannen bezwaarschriftprocedures. Daarbij is, gelet op eisers draagkracht, door voornoemde Raad tevens bepaald dat eiser een eigen bijdrage van (steeds)
É110,- aan zijn advocaat dient te voldoen. Voorts staat vast dat aan eiser ter zake van de bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch gevoerde WOZ-procedure een griffierecht ad É75,- in rekening is gebracht.

Gelet op de in artikel 12, tweede lid, van de Wrb neergelegde criteria op grond waarvan rechtsbijstand niet wordt verleend - welke criteria nader zijn uitgewerkt in het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (Besluit van 11 januari 1994, Stb. 1994, 32) - moet worden vastgesteld dat de Raad voor Rechtsbijstand, nu hij wťl is overgegaan tot het aan eiser verlenen van rechtsbijstand op basis van toevoegingen, reeds heeft geoordeeld dat het verlenen van rechtsbijstand noodzakelijk wordt geacht. In de nota van toelichting bij laatstbedoeld besluit wordt in dit verband opgemerkt dat de (bureaus rechtsbijstandvoorziening van de) Raad voor Rechtsbijstand zich er van geval tot geval van moeten vergewissen of aan het verzoek om rechtsbijstand een wezenlijk belang ten grondslag ligt waarvoor een toevoeging werkelijk noodzakelijk is.

Het voorgaande strookt ook met jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals tot uiting komend in haar uitspraak van 29 april 1994 (JABW 1994, 217) en van de Centrale Raad van Beroep
in zijn uitspraken van 28 november 1994 (JABW 1995, 86) en 20 april 1995 (JABW 1995, 310), waarin is geoordeeld dat, indien op grond van een toevoeging krachtens de Wet rechtsbijstand on- en minvermogenden (Wrom) rechtsbijstand is verleend, in beginsel de noodzaak voor het verlenen van rechtsbijstand kan worden aangenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om die jurisprudentie niet evenzeer van toepassing te laten zijn op de Wrb, welke met ingang van 1 januari 1994 in de plaats is gekomen van de Wrom.

Blijkens vaste jurisprudentie behoren de kosten van eigen bijdragen en griffierechten onder omstandigheden tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan, die redelijkerwijs niet uit de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Daartoe verwijst de rechtbank onder meer naar de bovengenoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep
van 20 april 1995.

De rechtbank kan, gelet op het voorgaande, verweerders standpunt in de bestreden besluiten dat ten aanzien van de hier in geding zijnde kosten geen sprake is van bijzondere kosten van het bestaan dan ook niet delen. Daarbij overweegt de rechtbank verder dat zij evenmin verweerders standpunt deelt dat er voor eiser geen enkele noodzaak bestond om in de twee onderhavige bezwaarschriftprocedures gebruik te maken van rechtsbijstand; daarbij verwijst de rechtbank nogmaals op de door de Raad voor Rechtsbijstand ter zake verleende toevoegingen.

II.3.3. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat de vraag naar de aanwezigheid van noodzakelijke kosten slechts getoetst kan worden aan het daarmee gemoeide bijstandsbelang van verweerders gemeente overweegt de rechtbank het volgende.

Blijkens de bestreden besluiten, de verweerschriften en het verhandelde ter zitting voert verweerder het beleid dat alleen dan bijzondere bijstand wordt verstrekt in de kosten van de eigen bijdrage en van griffierecht indien het gaat om procedures die strekken tot vermindering of beŽindiging van de bijstandsuitkering, bijvoorbeeld procedures inzake alimentatie- en loonvorderingen.

Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijk beleid - dat leidt tot een categoriale beperking van het recht op bijzondere bijstand - in strijd met het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Abw. Daartoe verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 maart 1999 (JABW 1999, 77, en AB 1999, 245), waarin is geoordeeld dat een beleid als hier aan de orde miskent dat de noodzaak voor het verlenen van rechtsbijstand in beginsel ook kan worden aangenomen indien op grond van de Wrb een toevoeging is verleend ter zake van andere in de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelangen dan het verwerven of behouden van inkomen. Hoewel deze uitspraak betrekking heeft op de inmiddels vervallen Algemene Bijstandswet en het eveneens vervallen (artikel 18a van het) Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln), ziet de rechtbank geen aanleiding het daarin uitgesproken oordeel niet ook van toepassing te achten ten aanzien van het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Abw nu deze laatste bepaling (nagenoeg) overeenkomt met artikel 18a van het Bln.

Voor zover verweerder op grond van zijn eerder bedoeld - en onrechtmatig te achten - beleid bij de thans betreden besluiten de weigering om eiser bijzondere bijstand toe te kennen, heeft gehandhaafd, dienen deze besluiten te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Abw.

II.3.4. Voorts overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op de aard van de procedures in de kosten waarvan bijstand is gevraagd, acht de rechtbank - mede onder verwijzing naar het eerder overwogene - ook in de onderhavige gevallen sprake van noodzakelijke kosten.

Vervolgens dient in het kader van de toepassing van artikel 39, eerste lid, van de Abw antwoord te worden gegeven op de vraag of die noodzakelijke kosten in de onderhavige gevallen redelijkerwijs kunnen worden voldaan uit de verstrekte uitkering en de aanwezige draagkracht.

De rechtbank overweegt dat uit de bestreden besluiten niet blijkt dat verweerder deze vraag, toegespitst op het concrete geval, heeft beantwoord. Volstaan is slechts met het standpunt dat eiser over een toereikend inkomen beschikt om te voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en dat daaraan de omstandigheid dat daarop beslag is gelegd niet afdoet.
Gelet evenwel op het feit dat namens eiser in de bezwaarschriftprocedures uitdrukkelijk is gewezen op eisers financiŽle positie en op het ontbreken van de mogelijkheden om te reserveren dan wel te lenen, moet worden geoordeeld dat verweerder door daaraan in de bestreden besluiten voorbij te gaan in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb, waarin is neergelegd dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart, en met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, waarin is voorgeschreven dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.

II.3.5. Ten slotte overweegt de rechtbank ten aanzien van het standpunt van verweerder dat de Wrb als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 17 van de Abw moet worden aangemerkt en het niet past om het in de Wrb neergelegde stelsel te doorkruisen door in het kader van de Abw bijstand te verstrekken voor de opgelegde eigen bijdrage het volgende.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Abw bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
In artikel 6, aanhef en onder c, van de Abw is bepaald dat onder voorliggende voorziening wordt verstaan elke voorziening buiten de Abw waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.

De rechtbank is van oordeel dat voor de kosten van rechtsbijstandsvoorziening de Wrb in beginsel dient te worden beschouwd als een aan de Abw voorliggende, toereikende en passende voorziening. Daarbij overweegt de rechtbank dat dit uitgangspunt met name betrekking heeft op de kosten van rechtsbijstand, welke in geval van een toevoeging ingevolge de Wrb door de (centrale) overheid worden gedragen. Ten aanzien van de in het kader van een verleende toevoeging opgelegde eigen bijdrage kan naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet worden gesproken van een voorliggende voorziening, nu daarbij geen sprake is van bekostiging van specifieke uitgaven, maar juist van het opleggen van een financiŽle verplichting. Gezien het onder II.3.2 overwogene kunnen dergelijke kosten voor vergoeding door middel van toekenning van bijzondere bijstand in aanmerking komen. Het standpunt van verweerder dat sprake zou zijn van een doorkruising kan dan ook niet worden gedeeld.

II.3.6. Gelet op hetgeen is overwogen, kunnen de bestreden besluiten in rechte geen stand houden. De beroepen zijn derhalve gegrond.

II.3.7. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskostenveroordeling heeft in de eerste plaats betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 3 punten met een waarde van
É710,- per punt toe voor de indiening van de beroepschriften en het verschijnen ter zitting bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 3 x É710,- x 1 = É2130,-.

De proceskostenveroordeling heeft voorts betrekking op de reiskosten van eiser wegens het bijwonen van de zitting op 6 juli 1999.
Het bedrag daarvan wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en artikel 6, eerste lid, onderdeel III, van het Besluit tarieven in strafzaken door de rechtbank vastgesteld op
É6,27, zijnde de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.

Nu aan eiser ter zake van het beroep in de zaak 98/1720 een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb
te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb
wordt als volgt beslist.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 13 oktober 1998, van 8 december 1998 en van 5 januari 1999;
2. draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften van 21 augustus 1998 en van 23 september 1998 met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;
3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van
É110,- wordt vergoed door de gemeente Meerssen;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op
É2136,27 (waarvan wegens de kosten van rechtsbijstand É2130,-); daarvan dient de gemeente Meerssen É1065,- te betalen aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Maastricht en É1071,27 aan eiser.

Aldus gedaan door mr. W.L.J. Voogt in tegenwoordigheid van mr. C. Schrammen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 september 1999 door mr. Voogt voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Schrammen            w.g. W.L.J. Voogt




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

verzonden op: 14 oktober 1999.




Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep
. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
Bij een spoedeisend belang staat voor het bestuursorgaan en belanghebbende tevens de mogelijkheid open om de Voorzitter van de Centrale Raad van Beroep te adiŽren met een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x