Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA3717
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Amsterdam
Zaaknummer: Awb 99/9094 NABW
Datum uitspraak: 6 oktober 1999
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7 en 11 Abw (= 11 en 16 Wwb) / 8:86 Awb
Trefwoorden: vreemdeling; beŽindiging bijstand; geen gelijkstelling met Nederlander; Marokkanen
Essentie: Terechte beŽindiging van de bijstand, omdat de betrokken vreemdeling ingevolge de Abw c.a. niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Amsterdam Awb 99/9094 NABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:84 van de
Algemene wet bestuursrecht inzake:

[verzoeker A] en [verzoekster B], wonende te [woonplaats], verzoekers

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 3 september 1999, nr. EST 1999/2829 (3538.469) A.




2. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 29 juni 1999 heeft verweerder de aan verzoekers toegekende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 juli 1999 beŽindigd, omdat zij niet rechtmatig in Nederland verblijven.

Tegen dit besluit heeft mr. Th.P.M. Moons, advocaat te Amersfoort, namens verzoekers op 19 juli 1999 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, doch het besluit van 29 juni 1999 herzien in die zin dat de uitkering met ingang van 8 juli 1999 wordt beŽindigd.

Tegen dit besluit heeft mr. N. Woudwijk, advocaat te Amersfoort, namens verzoekers op 14 september 1999 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Bij brief van eveneens 14 september 1999 heeft mr. N. Woudwijk voornoemd zich namens verzoekers tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft desgevraagd de op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden.

Het verzoek is op 1 oktober 1999 ter zitting behandeld. Verzoekers zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diderich, werkzaam bij de gemeentelijke sociale dienst.




3. Motivering


Ingevolge artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.



Feiten en omstandigheden

Verzoeker A, geboren op [...] 1958 en van Marokkaanse nationaliteit, is op 11 maart 1981 Nederland ingereisd, maar heeft zich nimmer bij de vreemdelingendienst gemeld. Verzoeker is verscheidene malen uit Nederland verwijderd, laatstelijk op 27 november 1987. Verzoeker is nimmer in het bezit geweest van een geldige vergunning tot verblijf.

Op 30 januari 1995 heeft verzoeker bij de korpschef van de politieregio Amsterdam-Amstelland een aanvraag om een vergunning tot verblijf ingediend met als doel het verrichten van arbeid in loondienst. Bij besluit van 18 juni 1996 heeft de Staatssecretaris van Justitie aan verzoeker meegedeeld de aanvraag niet in te willigen. Tegen dit besluit heeft hij bezwaar gemaakt, doch dit bezwaar is bij besluit van 26 juli 1996 ongegrond verklaard. De rechtbank te Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, heeft het tegen dit besluit ingediende beroep bij uitspraak van 20 januari 1997 ongegrond verklaard.

Verzoekster B, geboren op [...] 1970 en van Marokkaanse nationaliteit, is op of omstreeks 30 mei 1990 Nederland ingereisd en heeft op 23 juli 1997 bij de korpschef van de politieregio Amsterdam-Amstelland een aanvraag om een vergunning tot verblijf met als doel verblijf bij Marokkaanse echtgenoot A ingediend. Op deze aanvraag is afwijzend beslist bij besluit van 3 oktober 1997. Bij brief van 14 oktober 1997 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperking en is verzocht het doel te wijzigen in klemmende redenen van humanitaire aard. Eerder genoemde korpschef heeft deze brief doorgestuurd in aanvulling op de aanvraag van 23 juli 1997 en het bezwaarschrift van 24 november 1997. Het bezwaar is bij besluit van 17 december 1998 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 september 1999 is het tegen dit afwijzende besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft op 13 november 1997 andermaal een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf, thans met als doel klemmende redenen van humanitaire aard dan wel medische redenen. Op deze aanvraag is nog niet onherroepelijk beslist.

Sedert 1 december 1997 ontvingen verzoekers ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan een bijstandsuitkering naar de norm voor een gezin.

In het kader van een onderzoek naar het recht op ongewijzigde continuering van de bijstandsuitkering heeft verweerder op 17 juli 1998 de gemeentelijke basisadministratie (GBA) geraadpleegd. Hierin is ten aanzien van de verblijfsstatus van verzoekers opgenomen: 18. Bij besluit van 12 augustus 1998 is aan verzoeker meegedeeld dat zijn uitkering met ingang van 1 september 1998 wordt beŽindigd, omdat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft. Namens verzoeker is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij besluit van 13 november 1998 het bezwaar gegrond verklaard, nu uit nadere informatie van de Dienst Vreemdelingenpolitie is gebleken dat verzoekers ingevolge artikel 1b, onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw) rechtmatig in Nederland verblijven.

Verweerder heeft op 16 juni 1999 opnieuw de GBA geraadpleegd. Ten aanzien van de verblijfsstatus van verzoeker is hierin opgenomen: "Verblijfsstatus: 18 GEMELD BIJ VD, GEEN VERZOEK TOELATING ALS VLUCHTELING, GEEN UITZETTING van 13nov1997 tot 17dec1998". Ten aanzien van de verblijfsstatus van verzoekster is opgenomen: "GEEN VERBLIJFSSTATUS BEKEND". Uit op 16 juni 1999 opgevraagde informatie van de Dienst Vreemdelingenpolitie is verweerder gebleken dat verzoeker status 18 heeft en geen historie met betrekking tot de verblijfstitel, alsmede dat verzoeker ingevolge artikel 1b, onder 3, van de Vw rechtmatig in Nederland verblijft.

Vervolgens heeft verweerder het besluit van 29 juni 1999 genomen. Tegen dit besluit is namens verzoekers bezwaar gemaakt bij bezwaar schrift van 19 juli 1999. In bezwaar hebben verzoekers aangevoerd dat zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 1b, onder 3, van de Vw. Voorts hebben zij aangevoerd dat de beŽindiging van de bijstandsuitkering schending oplevert van artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

Verzoekers zijn op 17 augustus 1999 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Tijdens de hoorzitting hebben verzoekers nog aangevoerd dat zij gelijk dienen te worden gesteld aan Turkse onderdanen die op grond van het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB) wel recht hebben op bijstand en voorts dat er ingevolge artikel 9 van het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) recht bestaat op bijstand. Tevens heeft verzoeker aangevoerd dat verzoekster zwanger is en onder voortdurende medische controle staat in verband met haar suikerziekte. Verzoeker dient in Nederland te blijven, omdat verzoekster niet kan reizen.

Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.



Standpunten van partijen

Verzoekers kunnen zich met dit besluit niet verenigen en hebben in dat verband herhaald hetgeen in bezwaar is aangevoerd. Voorts hebben verzoekers blijkens de gedingstukken, samengevat, aangevoerd dat verzoeker nog in afwachting is van een beslissing op een aanvraag om toelating en dat uitzetting achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist. Tevens hebben verzoekers aangevoerd dat het gevolg van de uitspraak van de Rechtbank 's-Gravenhage van 7 oktober 1998 is dat er in Nederland een situatie van rechtsongelijkheid is ontstaan, doordat een Turk die in afwachting is van een beslissing op zijn aanvraag tot toelating wel in aanmerking komt voor sociale voorzieningen en een Marokkaan niet, omdat Marokko geen partij is bij het EVSMB. Voorts is naar het oordeel van verzoekers met de uitspraak van de Rechtbank 's-Gravenhage de doelstelling van de Koppelingswet achterhaald, nu immers een belangrijke groep vreemdelingen aan wie met de inwerkingtreding van de Koppelingswet collectieve voorzieningen waren ontzegd, hier nu toch recht op blijken te kunnen doen gelden. Ten slotte hebben verzoekers aangevoerd dat er alles voor te zeggen is om de wet opzij te zetten, nu het resultaat van de wetstoepassing dermate onbillijk is dat dit resultaat niet door de wetgever kan zijn gewenst.

Verzoekers vorderen thans als voorlopige voorziening dat verweerder wordt opgedragen dat hen in afwachting van de beroepsprocedure bijstand wordt verleend.

Verweerder stelt zich blijkens de gedingstukken, samengevat, op het standpunt dat de bijstandsuitkering van verzoekers is beŽindigd omdat zij niet rechtmatig in Nederland verblijven. Met de inwerkingtreding van de Koppelingswet is de Abw gewijzigd en is verlening van bijstand aan een vreemdeling uitsluitend nog mogelijk aan degene die hier te lande rechtmatig verblijft in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw. Ten aanzien van verzoekers staat vast dat geen sprake is van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw. Primair kunnen zij dan ook niet gelijk worden gesteld met de in artikel 7, tweede lid, van de Abw bedoelde vreemdeling, terwijl zij voorts evenmin gelijk kunnen worden gesteld met de in artikel 1 van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz bedoelde vreemdeling. Het in de Koppelingswet voorziene overgangsrecht is volgens verweerder voorts ook niet van toepassing in de situatie van verzoekers. Verder is verweerder van mening dat de stelling van verzoekers dat de weigering van de bijstandverlening in strijd is met bovengenoemde internationaalrechtelijke bepalingen niet opgaat.



Overwegingen

Verweerder heeft het bestreden besluit gegrond op de overweging dat de aan verzoekers toegekende bijstandsuitkering met ingang van 8 juli 1999 is ingetrokken - kort samengevat - omdat zij niet rechtmatig in Nederland verblijven.

Met de inwerkingtreding per 1 juli 1998 van de Koppelingswet (Stb. 1998, 203 en 204) zijn onder meer de aanspraken op bijstandverlening van hier te lande verblijvende vreemdelingen gewijzigd in die zin dat deze zijn gekoppeld aan rechtmatig verblijf hier te lande.

Als gevolg van de Koppelingswet is per 1 juli 1998 in de Vw een nieuw artikel 1b opgenomen. Voor zover van belang luidt dit artikel 1b als volgt:
"Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
2. (...);
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
4. (...);
5. (...)."

In artikel 7, eerste lid, van de Abw, zoals dit artikel vanaf 1 juli 1998 luidt, is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. In het tweede lid van dit wetsartikel is bepaald dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijk wordt gesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw.

In artikel 8a, tweede lid, van de Vw is bepaald dat de minister aan de vreemdeling, bedoeld in artikel 1b, onder 1, 2, 3 en 5, een document of schriftelijke verklaring verschaft waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. In de Regeling bescheiden rechtmatig verblijf van 4 juni 1998 van de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de regeling) zijn de bescheiden vastgesteld waaruit dat rechtmatige verblijf blijkt.

In artikel 7, derde lid, van de Abw is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, voor de toepassing van de wet met een Nederlander gelijk kunnen worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: het besluit). Krachtens artikel 1, eerste lid, van het besluit wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, vůůr de beŽindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating of tegen de intrekking van die toelating binnen de daarvoor gestelde termijnen bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld. Op grond van het tweede lid van artikel 1 van het besluit eindigt deze gelijkstelling zodra onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist of de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vw of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

In artikel 8b, eerste lid, van de Vw is ten slotte bepaald dat vreemdelingen die niet het in artikel 1b van de Vw bedoelde rechtmatige verblijf genieten geen aanspraak kunnen maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan.

Bij de beantwoording van de in het onderhavige geschil voorliggende vraag ligt - zo blijkt uit de hiervoor opgesomde (in casu van belang zijnde) wetsartikelen - primair de vraag voor of verzoekers rechtmatig in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw in Nederland verblijven. In dat kader overweegt de president het volgende.

Verzoekers zijn geen gemeenschapsonderdanen; verzoekers zijn derhalve niet uit dien hoofde in Nederland toegelaten. Verder staat vast dat ten aanzien van verzoeker sinds zijn verblijf hier te lande vanaf 11 maart 1981 nog nimmer een besluit tot (onvoorwaardelijke) toelating is genomen, terwijl in het kader van de door hem aanhangig gemaakte procedure ter verkrijging van een vergunning tot verblijf nog geen onherroepelijk besluit is genomen. Verzoeker verbleef en verblijft derhalve sedertdien niet op grond van een besluit tot toelating in Nederland. Ook ten aanzien van verzoekster staat vast dat sinds haar verblijf hier te lande vanaf medio 1990 nog nimmer een besluit tot (onvoorwaardelijke) toelating is genomen. Ook verzoekster verbleef en verblijft derhalve sedertdien niet op grond van een besluit tot toelating in Nederland.

Waar verzoekers niet door middel van de bescheiden als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, van de Vw en de regeling hebben kunnen aantonen dat zij rechtmatig - dat wil zeggen rechtmatig in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw - in Nederland verblijven, moet het er onder deze omstandigheden dan ook voor worden gehouden dat er ten aanzien van verzoekers geen sprake is van rechtmatig verblijf hier te lande in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw.

Gezien deze overwegingen moet dan ook worden geoordeeld dat verzoekers als gevolg hiervan in het kader van de toepassing van de Abw geen aanspraak kunnen ontlenen aan gelijkstelling met een Nederlander als bedoeld in voornoemd artikel 7, tweede lid, van die wet.

Verzoekers kunnen voorts een dergelijke gelijkstelling evenmin ontlenen aan het bepaalde in het besluit. De daaruit voortvloeiende gelijkstelling geldt immers slechts voor de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, voor de beŽindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating of tegen de intrekking van die toelating binnen de daarvoor gestelde termijnen bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld. Waar verzoekers de rechtmatigheid van het eerdere verblijf niet hebben kunnen aantonen, moet reeds hierom worden geoordeeld dat het bepaalde in het besluit niet op hen van toepassing is.

Voorts wordt geoordeeld dat verzoekers geen aanspraken kunnen ontlenen aan het in artikel XXIII, tweede lid, van de Koppelingswet voorziene overgangsrecht. Voor zover verzoekers stellen dat aan verzoekster die aanspraken toekomt omdat de in artikel 25 van de Vw bedoelde situatie op haar van toepassing is, is deze status ten aanzien van haar niet vastgesteld.

Voorts wordt door de president overwogen dat artikel 11, eerste lid, van de Abw, gelet op het tweede lid van die bepaling, voor verzoekers evenmin recht op uitkering doet ontstaan.

Ten aanzien van verzoeksters stelling dat de op de inwerkingtreding van de Koppelingswet gebaseerde weigering van de bijstandverlening discriminatie naar nationaliteit teweeg brengt, hetgeen in strijd is met artikel 26 van het IVBPR, zij het volgende overwogen.

Genoemde bepaling luidt als volgt:
"Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status."

De president is, gelijk deze rechtbank in haar uitspraken ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet van 4 augustus 1999 (onder andere AKW 99/11/109 en 99/13/109), van oordeel dat het hierboven weergegeven samenstel van bepalingen een direct onderscheid naar nationaliteit in het leven roept. Immers, door deze bepalingen kunnen uitsluitend vreemdelingen, dat wil zeggen niet-Nederlanders, worden getroffen. Niet-Nederlanders kunnen weliswaar ook aanspraak maken op bijstand, doch onder bepaalde voorwaarden. Onder directe discriminatie dient te worden verstaan het maken van openlijk onderscheid door verwijzing naar ras, geslacht, geloof, nationaliteit, etc., of onverbrekelijk daaraan verbonden kenmerken. Nu de voorwaarde van rechtmatig verblijf onverbrekelijk is verbonden aan het niet hebben van de Nederlandse nationaliteit, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat er in de hier aan de orde zijnde bepalingen sprake is van direct onderscheid naar nationaliteit. Het feit dat niet alle vreemdelingen worden getroffen, kan hieraan niet afdoen.

Het voorgaande betekent echter niet zonder meer dat het gemaakte onderscheid verboden is. Daarvan is eerst sprake indien voor het gemaakte onderscheid geen rechtvaardigingsgronden kunnen worden aangedragen. Dat direct onderscheid naar nationaliteit in het geheel niet zou kunnen worden gerechtvaardigd, acht de president niet aannemelijk. Zowel uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (o.a. HvJ EG 4 mei 1999 (SŁrŁl), RSV-actueel 1999, nr. 6) als die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (o.a. het arrest van 16 september 1996 (Gaygusuz), RSV 1997/234) kan worden opgemaakt dat voor onderscheid dat uitsluitend is gebaseerd op nationaliteit in beginsel rechtvaardigingsgronden kunnen worden aangevoerd. De president ziet geen reden waarom dit voor de toepassing van het hier aan de orde zijnde artikel 26 van het IVBPR anders zou zijn.

Volgens verweerder kan in het doel van de Koppelingswet voldoende rechtvaardiging worden gevonden voor het gemaakte onderscheid. Uit de toelichting van de wetgever blijkt dat met de wijzigingen die door middel van de Koppelingswet in onder meer de Abw zijn aangebracht enerzijds is beoogd te voorkomen dat illegale vreemdelingen feitelijk, doordat zij verstrekkingen en uitkeringen kunnen krijgen waarbij geen verblijfstoets wordt aangelegd, door de administratie in staat worden gesteld tot voortzetting van hun wederrechtelijke verblijf, anderzijds te voorkomen dat illegalen en nog niet toegelatenen een schijn van volkomen legaliteit kunnen verkrijgen. Met betrekking tot personen die nog niet zijn toegelaten, gaat het er dan om dat zij in de loop van de procedure gaandeweg in staat blijken een zodanige rechtspositie op te bouwen dat zij na afloop van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken. (Kamerstukken II 1994-1995, 24 233, nr. 3). Deze beleidsdoelen zijn naar het oordeel van verweerder legitiem en het middel dat daarvoor wordt gehanteerd, zoals in casu de beŽindiging van de bijstandsuitkering, is een geschikt en genuanceerd middel.

De president merkt hieromtrent allereerst op dat de Koppelingswet niet slechts "illegalen" en "wederrechterlijk in Nederland verblijvenden" van het recht op bijstand uitsluit, doch ook een aantal van de rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, 4 en 5, van de Vw. Ook ten aanzien van deze vreemdelingen wordt kennelijk beoogd te voorkomen dat zij recht op bijstand krijgen zolang niet vaststaat dat zij een verblijfstitel zullen verkrijgen.  De president is van oordeel dat gelet op het algemeen belang dat is gediend met een effectief toelatingsbeleid ten aanzien van vreemdelingen het door de wetgever nagestreefde doel in beginsel, en met name voor nieuwe gevallen, als gerechtvaardigd moet worden aangemerkt.

De president onderkent evenwel categorieŽn vreemdelingen ten aanzien van wie door de volledige toepassing van genoemd samenstel van regels de grenzen van proportionaliteit worden overschreden. Daarbij gaat het met name om vreemdelingen die tot 1 juli 1998 recht hadden op een bijstandsuitkering en van wie op die datum (nog) niet gezegd kon worden dat zij blijvend kwamen te behoren tot de groep vreemdelingen waarvan de Koppelingswet beoogt te voorkomen dat zij recht krijgen op bijstand.

Deze groep vreemdelingen bestaat deels uit rechtmatig in Nederland verblijvenden als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw en deels uit vreemdelingen die hun beroep en/of verzoek om een voorlopige voorziening tegen een afwijzende beslissing op hun verzoek om toelating op ťťn of andere wijze in Nederland mogen afwachten.

Ten aanzien van de hier bedoelde vreemdelingen kan het beleidsdoel er niet zozeer toe strekken te voorkomen dat zij een rechtspositie opbouwen, doch wordt in feite een bestaande rechtspositie afgebouwd. De president acht een zodanig afbouwen eerst gerechtvaardigd vanaf het ogenblik waarop vaststaat dat de vreemdeling inderdaad geen verblijfsstatus toekomt waaraan een bijstandsuitkering is gekoppeld.

Het verzoek van verzoekster om een vergunning tot verblijf was op 3 oktober 1997 afgewezen; nadat het bezwaar bij besluit van 17 december 1998 ongegrond was verklaard, heeft zij hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank te Den Haag, zittingsplaats Amsterdam. De beslissing op haar beroepschrift mocht zij in Nederland afwachten. Verzoekster was derhalve, op de datum van beŽindiging van de bijstandsuitkering, 8 juli 1999, in afwachting van een onherroepelijke beslissing op haar eerste aanvraag om een vergunning tot verblijf. Onder deze omstandigheden behoorde zij tot de categorie van vreemdelingen ten aanzien van wie de president in de hierbovenstaande overwegingen heeft vastgesteld dat de volledige toepassing van het door de Koppelingswet geÔntroduceerde stelsel van regels, in het licht van het discriminatieverbod van artikel 26 van het IVBPR disproportioneel is.

Verzoeker is thans voor de tweede maal in procedure ten aanzien van een afwijzende beschikking op zijn aanvraag om een vergunning tot verblijf. Reeds hierom is het vorenoverwogene omtrent genoemde disproportionaliteit niet op hem van toepassing. Verzoeker behoeft immers geen rechtspositie af te bouwen, nu reeds eerder is vastgesteld dat aan hem geen verblijfsstatus toekomt.

Het voorgaande brengt de president tot het oordeel dat het bestreden besluit ten aanzien van het recht van verzoekster op bijstand naar verwachting in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden. Deze conclusie leidt echter niet tot toewijzing van het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening. Ten tijde van het instellen van dit verzoek, te weten op 14 september 1999, was er door de Rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, reeds uitspraak gedaan op het namens verzoekster ingestelde beroep. Bedoeld beroep is bij uitspraak van 1 september 1999 ongegrond verklaard. Met ingang van laatstgenoemde datum staat derhalve vast dat aan verzoekster geen verblijfsstatus toekomt waaraan een bijstandsuitkering is gekoppeld.

In hetgeen overigens nog is aangevoerd zijn evenmin aanknopingspunten gevonden voor toewijzing van het onderhavige verzoek.

De president ziet geen aanleiding gebruik te maken van de hem in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. In deze kwestie zijn namelijk rechtsvragen aan de orde die zich bij uitstek lenen voor beantwoording door een meervoudige kamer. Naar verwachting zal een meervoudige kamer van deze rechtbank zich op afzienbare termijn buigen over de relatie tussen Koppelingswet en Abw.

Ten slotte wordt geen aanleiding gevonden om gebruik te maken van de bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is een grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.




4. Beslissing


De president:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Gewezen door mr. H.C. Naves, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. A. de Visser, griffier, en uitgesproken in het openbaar op [6 oktober 1999, red.] door mr. H.C. Naves, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier,            De president,




Afschrift verzonden op:

 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / IWwb / Awb
x
LJN:
x
AA3763
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Roermond
Zaaknummer: 98/539 BZ K1
Datum uitspraak: 21 juli 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 8 en 116 Abw (= 7 IWwb en 7 Wwb) / 6:4, 7:12, 8:72 en 10:13 Awb
Trefwoorden: zelfstandige; bedrijfskapitaal; levensvatbaarheid bedrijf; IMK Intermediair; buitenlandse rechtspersoon; Limited; Ltd.; delegatie; delegataris
Essentie: Terechte afwijzing bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wegens niet-levensvatbaarheid van het bedrijf, maar vernietiging van het bestreden besluit omdat B&W onbevoegdelijk op het bezwaar hebben beslist, daar niet zij het primaire besluit hebben genomen, maar een delegataris. Ook op een bedrijfsvorm naar buitenlands recht (i.c. een Ltd.) kan onder voorwaarden het Bbz van toepassing zijn.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Roermond 98/539 BZ K1




U I T S P R A A K




inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, verweerder.



Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 27 april 1998, kenmerk 04WA450 SZ/BV/vR/9708304.
Datum van terechtzitting: 10 juni 1999.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen een weigering hem in aanmerking te brengen voor een bedrijfskrediet in het kader van het op de Algemene bijstandswet (Abw) gebaseerde Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz), ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

Bij uitspraak van 13 november 1998 heeft de president van deze rechtbank eisers verzoek om een voorlopige voorziening ter zake van het thans in geding zijnde besluit afgewezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 10 juni 1999, waar eiser in persoon is verschenen en waar verweerder - opgeroepen te verschijnen in de persoon van de verantwoordelijke wethouder - zich heeft doen vertegenwoordigen door P.E.H. Coonen, medewerker sociale zaken, en wethouder A.J.L. Heymans.




II. Overwegingen


Op 2 juli 1997 heeft eiser zich tot verweerders sociale dienst gewend met het verzoek in aanmerking te worden gebracht voor een bedrijfskrediet van naar schatting
É50.000,-, waarbij hij aangeeft dat hij twee bedrijven exploiteert, te weten X BV en Y Ltd. Eiser geeft bij de aanvraag aan dat het twee gezonde bedrijven zijn, maar dat de crediteurenpost teruggebracht moet worden om zijn bedrijf gezonder te maken. Verweerder zendt de aanvraag voor advies door naar de Stichting IMK Intermediair (verder te noemen: IMK). Het IMK adviseert in zijn rapport van 17 oktober 1997 negatief inzake de verstrekking van een bedrijfskrediet, omdat eiser zijn bedrijfsactiviteiten uitoefent in de vorm van een rechtsfiguur naar buitenlands recht en kredietverlening derhalve niet mogelijk is, en voorts omdat, indien eiser zijn bedrijfsactiviteiten onderbrengt in een onderneming naar Nederlands recht, het ontbreken van levensvatbaarheid van eisers bedrijf aan kredietverlening in de weg staat.

Uit het rapport van het IMK blijkt dat eiser sedert 1993 een bedrijf heeft onder de naam Y Ltd., welke onderneming de bedrijfsactiviteiten heeft overgenomen van X BV, inhoudende het zagen en verkopen van mastiekhoeken en -schroten en cannelurevullingen van steenwol. Het IMK schat de kredietbehoefte op ten minste
É83.700,- en verwacht niet dat X BV aan de daarbij behorende aflossingsverplichtingen zal kunnen voldoen. Bij de bepaling van de kredietbehoefte is het IMK ervan uitgegaan dat eiser(s bedrijf) kan profiteren van een behoorlijke kwijtingswinst. Eiser stelt namelijk dat er een crediteurenakkoord is gesloten, maar bewijsstukken daaromtrent ontbreken, zodat niet met zekerheid kan worden gesteld dat en in welke mate eiser de kwijtingswinst kan realiseren. Resultaten van dat crediteurenakkoord zijn ook niet in de boekhouding verwerkt. Het IMK stelt zich op het standpunt dat bijstandverlening in de onderhavige omstandigheden een te groot risico voor verweerder inhoudt.

Bij besluit van 13 november 1997, afkomstig van de directeur sociale zaken, wordt het verzoek om een bedrijfskrediet van
É50.000,- afgewezen, omdat eiser niet behoort tot de doelgroep van het Bbz en (subsidiair) omdat eisers bedrijf, ook bij bijstandverlening, niet levensvatbaar kan worden geacht. Bij brief van 15 december 1997, bij verweerder ingekomen op 23 december 1997, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, waarbij hij aanvoert dat er krediet is aangevraagd om X BV schuldenvrij te maken en dat het in de bedoeling ligt om Y Ltd. op te heffen zodra krediet daarvoor wordt verleend. Eiser stelt in dat verband dat er bij zijn advocaat een - getekend - crediteurenakkoord voorhanden is. Voorts brengt eiser naar voren dat het IMK bij de waardering van de omzet over 1996 niet in aanmerking heeft genomen dat eiser in dat jaar twee maanden niet heeft kunnen werken, bij de waardering van de omzet over 1997 ten onrechte uitgaat van een omzetdaling en bij de prognose voor 1998 geen rekening heeft gehouden met een nieuw product.

Bij brief van 21 januari 1998 is er van de zijde van het IMK als volgt gereageerd op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd:
- noch ten tijde van de advisering, noch ten tijde van het bezoek op 20 januari 1998 heeft eiser bewijsstukken omtrent de bereidheid van crediteuren om een bedrag van
É129.000,- kwijt te schelden ter inzage kunnen verstrekken;
- ten tijde van de kredietaanvraag werden de bedrijfsactiviteiten door Y Ltd. uitgeoefend en van de berekende kredietbehoefte van
É83.700,- was een bedrag van É60.400,- benodigd om de schulden van Y Ltd. te kunnen voldoen, zodat het IMK bij zijn standpunt blijft dat eiser niet tot de doelgroep van het Bbz behoorde;
- de door eiser in bezwaar gemelde arbeidsongeschiktheid in 1996 is niet eerder gemeld, zodat daar door het IMK nog geen rekening mee kon worden gehouden;
- ten tijde van de advisering was niet bekend dat over het gehele jaar 1997 de omzet ten opzichte van 1996 was gestegen;
- voor zover thans blijkt dat de omzet over 1997 is gestegen, is niet aangetoond dat er sprake is van een verbetering van het exploitatiebeeld;
- voor zover thans melding wordt gemaakt van een nieuw product ontbreekt een ondernemingsplan of anderszins cijfermatige onderbouwing van de financiŽle consequenties.
Samenvattend wordt geconcludeerd dat kredietverlening in het kader van het Bbz thans als te riskant aangemerkt dient te worden. Alvorens kredietverlening naar de mening van het IMK aan de orde kan komen, dient eiser aan te tonen dat hij een beter exploitatiebeeld kan realiseren dan de afgelopen jaren het geval is geweest.

Eiser heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid ter hoorzitting op 1 april 1998 zijn bezwaren mondeling toe te lichten. Hij brengt daarbij naar voren over het eerste kwartaal van 1998 een brutowinst te hebben behaald van
É43.000,-.

Bij het thans bestreden besluit is eisers bezwaarschrift ongegrond verklaard. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat de huidige kredietbehoefte grotendeels wordt veroorzaakt door tekorten bij Y Ltd., een vennootschap naar buitenlands recht. Onder verwijzing naar de limitatieve opsomming van bedrijfsvormen in artikel 15 van het Bbz, waartoe niet behoort een vennootschap naar buitenlands recht, is verweerder van mening dat reeds op die grond kredietverlening in casu niet mogelijk is. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat voor zover eisers aanvraag betrekking heeft op de situatie waarbij de bedrijfsactiviteiten zijn overgenomen door X BV, moet worden gesteld dat op basis van de gegevens van de rapportage (nog) geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf.

In beroep herhaalt eiser zijn in bezwaar aangevoerde grieven en voert hij aan dat Y Ltd. sinds oktober 1997 is gewijzigd in Z PLC, ook een rechtsfiguur naar Engels recht. Voorts voert eiser aan dat hij in dienst is bij X BV en dat er over de eerste vijf maanden van 1998 een brutowinst is behaald van
É73.000,-.

Bij verweerschrift stelt verweerder dat hetgeen bij beroepschrift is aangevoerd niet afdoet aan de juistheid van de primaire beslissing van 13 november 1997 en het besluit op bezwaar van 21 april 1998.

Bij brief van 27 juli 1998 geeft eiser een verklaring voor de in 1998 behaalde omzetstijging, te weten een speciale regeling met een leverancier van grondstoffen. Voorts ontkent eiser enkele passages uit het door het IMK opgestelde rapport en meldt hij dat sinds 1 juli 1998 het bedrijf wordt uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak. Bij brief van 7 oktober 1998 deelt eiser mee dat per 1 oktober 1998 de bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd door X BV en legt hij nog omzet- en prognosecijfers met betrekking tot 1998 over.

Op 21 oktober 1998 schrijft eiser aan de rechtbank dat er faillissementsaanvragen dreigen, zowel privť als zakelijk en vraagt hij een voorlopige voorziening te treffen.

Ter zitting van de president op 10 november 1998 brengt eiser nog naar voren dat Y Ltd. inmiddels zou zijn opgeheven wegens het achterwege blijven van afdrachten en dat Z PLC het bedrijf is dat eigenaar is van het machinepark en de auto. Met verwijzing naar de omzet- en winststijging in 1998 stelt eiser dat zijn bedrijf nu wel levensvatbaar is, welk standpunt naar zijn zeggen thans ook door de Belastingdienst wordt gedeeld. Eiser stelt daarmee aangetoond te hebben dat hij tot voldoende rendabel beheer in staat is.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Daartoe wordt overwogen als volgt.



Beslissingsbevoegdheid

Het besluit dat bij de rechtbank is aangevochten, is onmiskenbaar een appellabel besluit in de zin van de Awb. Het beroep daartegen kan dan ook worden ontvangen. De rechtbank ziet zich echter geplaatst voor de vraag of verweerder bevoegd is geweest op het bezwaar te beslissen.

Uit de gedingstukken, die met name zijn overgelegd naar aanleiding van vragen van de rechtbank over beslissingsbevoegdheid, blijkt dat er sprake is van delegatie van beslissingsbevoegdheid aan de Commissie voor de verlening van bijstand. Uit een beslissing van 4 februari 1997 van verweerder blijkt dat aan die Commissie - onder meer - is gedelegeerd "alle besluiten tot het verstrekken van kredieten in het kader van het Bijstandsbesluit zelfstandigen". Bij de beantwoording van vragen is van de zijde van verweerder uitdrukkelijk gesteld dat de Commissie bevoegd was op de onderhavige aanvraag te beslissen op grond van delegatie. Voorts is schriftelijk verklaard dat de directeur sociale zaken het primaire besluit heeft ondertekend als secretaris van de Commissie voor de verlening van bijstand, maar dat er geen formele grondslag aanwezig is voor dat ondertekeningsmandaat. Ter zitting van de rechtbank is in afwijking met het bovenstaande door de verantwoordelijke wethouder verklaard dat de beslissingsbevoegdheid bij besluiten inzake de uitvoering van de bijstandswet is gelegen bij de directeur sociale zaken en dat de Commissie voor de verlening van bijstand een adviserende taak toekomt.

De rechtbank gaat er voor de beoordeling van de onderhavige zaak van uit dat de Commissie voor de verlening van bijstand het primaire besluit heeft genomen op grond van delegatie en dat het primaire besluit namens die Commissie is ondertekend door de directeur sociale zaken. De rechtbank gaat van dat standpunt uit nu er voor een dergelijke verdeling van bevoegdheden een basis (wat daar ook van zij) is te vinden in de overgelegde gedingstukken. Wat laatstvermelde verklaring van de wethouder ter terechtzitting betreft, is de rechtbank overigens geen enkel stuk bekend op grond waarvan verdedigd kan worden dat de directeur sociale zaken bevoegd is geweest tot de thans in geding zijnde primaire besluitvorming. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat verweerder op enigerlei wijze bij de primaire besluitvorming is betrokken geweest.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de Commissie voor de verlening van bijstand op grond van delegatie heeft beslist op eisers aanvraag is de vraag aan de orde of verweerder nog bevoegd is geweest op eisers bezwaar te beslissen. Uit inmiddels vaste jurisprudentie van zowel de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als de
Centrale Raad van Beroep blijkt dat de systematiek van de Awb eraan in de weg staat dat het nemen van een beslissing op bezwaar wordt overgedragen aan een ander bestuursorgaan dan het bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen. Nu in het onderhavige geval de Commissie voor de verlening van bijstand het primaire besluit heeft genomen, is er voor verweerder geen ruimte meer om op het bezwaar te beslissen. De bevoegdheid van verweerder om in de plaats van het bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen te beslissen op bezwaar, behoeft een uitdrukkelijke tot afwijking van de Awb strekkende grondslag. Die grondslag is in de door verweerder aangehaalde artikelen van de Gemeentewet niet te vinden. Daarin is immers niet uitdrukkelijk van de systematiek van de Awb afgeweken voor zover de Awb ertoe dwingt dat het besluit op bezwaar dient te worden genomen door hetzelfde bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen. De Awb dwingt ertoe dat delegatie van primaire beslissingsbevoegdheid ook meebrengt dat de bevoegdheid op het beslissen op bezwaar is overgedragen op de delegataris. Dat zulks anders is onder de figuur van mandaat is thans niet aan de orde. Verweerder moet dan ook geacht worden onbevoegd op het bezwaar van eiser te hebben beslist en het aan de rechtbank voorgelegde bestreden besluit komt derhalve op die grond reeds voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank heeft te oordelen over de aan haar voorgelegde besluiten op bezwaar en in beginsel niet over primaire beslissingen. Gelet op dat uitgangspunt en gezien het vorenstaande oordeel bovendien ten overvloede ziet de rechtbank aanleiding nog enkele overwegingen te wijden aan de vraag of de thans aan de orde zijnde delegatie van beslissingsbevoegdheid zich verdraagt met de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. In artikel 116 van de Abw is bepaald dat de uitvoering van deze wet berust bij burgemeester en wethouders. Mandaatverlening van die beslissingsbevoegdheid is op grond van artikel 120 van de Abw mogelijk, maar in de onderhavige besluitvorming niet aan de orde. Uitgangspunt voor rechtsgeldige delegatie is dat voor het doorbreken van het wettelijke bevoegdhedenpatroon een wettelijke grondslag nodig is. De Abw legt de beslissingsbevoegdheid bij burgemeester en wethouders en uit de parlementaire behandeling komt naar voren dat de aan burgemeester en wethouders verleende taak van medebewind een zware bestuurlijke verantwoordelijkheid meebrengt, die verder reikt dan het uitsluitend in technische zin uitvoering geven aan wettelijke en nadere regels; zij omvat mede de zorg voor de inschakeling van voorliggende voorzieningen, voor de afstemming van de bijstand in het individuele geval, voor het herstel van de zelfstandige bestaansvoorziening van bijstandsgerechtigden en in zekere mate ook voor hun maatschappelijk functioneren. De Abw geeft meer dan voorheen burgemeester en wethouders de ruimte om maatwerk te leveren en er ligt dus een zwaardere claim op hen. Noch in de tekst, noch in de toelichting bij artikel 116 van de Abw is naar het oordeel van de rechtbank expliciet de mogelijkheid geschapen om de aan burgemeester en wethouders toebedeelde beslissingsbevoegdheid te delegeren, zodat op grond van de tekst en de toelichting niet duidelijk is of de wetgever in materiŽle zin heeft ingestemd met een overdracht van beslissingsbevoegdheid. Tegelijkertijd dient ook te worden geconstateerd dat de Abw als zogenoemde medebewindswet niet uitdrukkelijk afwijkt van het bepaalde in de Gemeentewet (welke afwijking op grond van het bepaalde in artikel 115 van de Gemeentewet bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang). Het is dan ook vervolgens de vraag of in de Gemeentewet een grondslag kan worden gevonden voor doorbreking van het wettelijk bevoegdhedenpatroon zoals daarvan blijkt uit de Abw. Op grond van de artikelen 82 en 84 van de Gemeentewet kunnen commissies worden ingesteld en kunnen daaraan bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders worden toegekend. Bij de toekenning van collegebevoegdheden aan een commissie dient de gemeenteraad het bepaalde in artikel 165 van de Gemeentewet in aanmerking te nemen. Bij de toepassing van dat artikel is het in de visie van de rechtbank nog maar de vraag of dat artikel (mede) ziet op overdracht van bevoegdheden in het kader van medebewindstaken als hier aan de orde. In artikel 165 van de Gemeentewet is immers uitdrukkelijk een taak benoemd voor de gemeenteraad die de rechtbank in het licht van artikel 128 van de Grondwet ziet als uitsluitend, of in elk geval juist, bedoeld voor autonome taken. De Commissie voor de verlening van bijstand als delegataris heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook te bezien of de thans aan de orde zijnde overdracht van beslissingsbevoegdheid de toets aan de wettelijke bepalingen kan doorstaan. Indien en voor zover tot de conclusie wordt gekomen dat de in artikel 116 van de Abw aan burgemeester en wethouders gegeven beslissingsbevoegdheid kan worden gedelegeerd aan de Commissie voor de verlening van bijstand, dient voorts de wijze waarop aan de Commissie is gedelegeerd aan een nader onderzoek te worden onderworpen. Daarbij is de rechtbank opgevallen dat het overgelegde delegatiebesluit niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 165 van de Gemeentewet: delegatie dient immers te geschieden door de gemeenteraad (op voorstel van het college van burgemeester en wethouders) en niet door burgemeester en wethouders. Voorts zijn zowel het besluit waarmee de Commissie voor de verlening van bijstand is ingesteld als het overgelegde delegatiebesluit niet, althans niet volledig en niet correct, aangepast aan het inmiddels geldende recht.

Gelet op het vorenstaande dient eisers beroep gegrond te worden verklaard en komt verweerders besluit op bezwaar, nu dat onbevoegdelijk is genomen, voor vernietiging in aanmerking. Vervolgens heeft de rechtbank nog bezien of er aanleiding is met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen geheel of gedeeltelijk in stand te laten. Daartoe overweegt de rechtbank ten aanzien van het inhoudelijke geschilpunt nog als volgt. Uitgegaan dient te worden van de gegevens omtrent de bedrijfsvoering ten tijde van de aanvraag en de primaire besluitvorming. Gewijzigde omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens de heroverwegingsprocedure en de verdere besluitvormingsprocedure kunnen slechts een rol spelen voor zover die nieuwe feiten of omstandigheden een ander licht werpen op het aan de besluitvorming ten grondslag liggende feitencomplex. Hieruit volgt dat de door eiser aangevoerde wijziging van de rechtsvorm waarin de bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend - wat daar overigens ook van zij - wijziging in de aanlevering van grondstoffen eind 1997 en wijziging van de aard van de grondstoffen in 1998, voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de thans voorliggende besluitvorming niet in aanmerking kunnen worden genomen.

In artikel 15, eerste lid, van het Bbz is bepaald dat bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal aan de zelfstandige die het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent in de vorm van een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een besloten vennootschap of een coŲperatieve vereniging met wettelijke aansprakelijkheid, slechts wordt verleend indien hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uit de bijstandverlening voortvloeiende verplichtingen wordt aanvaard (...). Uit de aanvraag en uit het rapport van het IMK blijkt dat eiser krediet heeft gevraagd voor zijn twee bedrijven: X BV en Y Ltd. Ter zitting van de rechtbank heeft eiser verklaard dat er ten tijde van de advisering door het IMK geen sprake (meer) was van een Ltd. Aan die stelling gaat de rechtbank echter voorbij nu daarvoor geen enkele onderbouwing is gegeven en deze bovendien haaks staat op hetgeen bij de aanvraag door eiser zelf is vermeld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de in dit artikel gegeven opsomming van rechtsvormen een limitatieve is en dat eiser, voor zover hij zijn bedrijfsactiviteiten verricht in een bedrijf naar buitenlands recht, niet voor bijstandverlening als hier aan de orde in aanmerking kan komen, aangezien rechtspersonen naar buitenlands recht niet in de limitatieve opsomming van artikel 15, eerste lid, van het Bbz zijn opgenomen. Verweerder heeft niet met argumenten aangegeven waarop het standpunt dat het hier om een limitatieve opsomming gaat, is gebaseerd, maar slechts aangegeven dat zulks in de praktijk wordt aangenomen. Met de president is de rechtbank van oordeel dat noch de tekst van de hier aan de orde zijnde bepaling, noch de plaats van het onderhavige artikel in het Bbz zonder meer dwingt tot een uitleg als door verweerder wordt voorgestaan. De ratio van het hier aan de orde zijnde artikel is naar het oordeel van de rechtbank dat de geldstromen in een bedrijf waaraan bijstand wordt verleend zichtbaar en met name ook beheersbaar blijven, vanwege het belang dat de uitvoeringsorganisatie bij de uitvoering van de bijstandswet heeft. Bij een bedrijf dat wordt gerund onder de vigeur van een buitenlandse rechtsvorm is wellicht het toezicht bemoeilijkt, maar de rechtbank is niet gebleken van argumenten op grond waarvan gezegd moet worden dat daardoor het toezicht feitelijk onmogelijk is gemaakt. In dat kader zouden aan de betrokkene ook voorwaarden kunnen worden opgelegd. Aangezien de aanvraag niet alleen is gedaan voor Y Ltd., maar ook voor X BV, oordeelt de rechtbank voorts dat het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het Bbz geen afwijzingsgrond kan zijn voor de gehele aanvraag. Voor zover eisers bezwaar tegen de primaire afwijzingsgrond ongegrond is verklaard, oordeelt de rechtbank dat het besluit op bezwaar wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

De rechtbank komt vervolgens toe aan beoordeling van de subsidiaire afwijzingsgrond. Het thans bestreden besluit is immers subsidiair gebaseerd op de stelling dat eisers bedrijf niet levensvatbaar is. Levensvatbaar betekent in dit verband dat ten tijde van de besluitvorming de verwachting moet bestaan dat de zelfstandige met de inkomsten die hij uit het bedrijf of zelfstandig beroep kan verwerven het bedrijf kan voortzetten en (weer) in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien. Bestaat die verwachting niet of kan deze niet aannemelijk worden gemaakt, dan bestaat er geen aanspraak op bijstand en mag van een bestuursorgaan als verweerder niet verwacht worden dat bijstandsgelden ter beschikking worden gesteld zonder dat met een redelijke mate van zekerheid gezegd kan worden dat betrokkene met de inkomsten die hij uit het bedrijf of zelfstandig beroep kan verwerven het bedrijf kan voortzetten en (weer) in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien.

Een beslissing op een aanvraag om bijstand als hier aan de orde mag in beginsel worden gebaseerd op het door een ter zake deskundige instantie als het IMK verstrekte advies, mits dat advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en niet berust op feitelijk onjuiste gegevens. Als hieraan is voldaan, zal, in een geval als het onderhavige, het genomen besluit in het algemeen slechts voor vernietiging in aanmerking kunnen komen indien betrokkene aan de hand van het gemotiveerde oordeel (van een deskundige) aannemelijk kan maken dat de conclusies van het IMK betreffende de levensvatbaarheid van het bedrijf of beroep onjuist zijn. Eiser heeft op geen enkel moment gemotiveerd aangetoond dat het IMK ten tijde van zijn advisering de situatie met betrekking tot de inschatting van de levensvatbaarheid van eisers bedrijf onjuist heeft beoordeeld. Dat het verloop voor eisers bedrijf feitelijk anders is geweest dan hetgeen het IMK had voorspeld, toont nog niet aan dat de rapportage waarop de besluitvorming is gebaseerd onzorgvuldig is geweest of anderszins onbetrouwbaar. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van voldoende concrete en objectieve aanwijzingen dat in de periode van de besluitvorming de verwachting van de levensvatbaarheid van eisers bedrijf substantieel anders is geweest dan zoals ingeschat door het IMK. De rechtbank heeft voorts geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van het IMK en oordeelt dat op goede gronden is beslist dat eisers bedrijf ten tijde van de onderhavige besluitvorming niet levensvatbaar moest worden geacht en dat de aangevraagde bijstand, tegen die achtergrond, daarin geen verandering zou brengen. In zoverre acht de rechtbank eisers beroep dan ook ongegrond.

In het vorenstaande heeft de rechtbank aanleiding gevonden te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven voor zover daarbij de bezwaren tegen de subsidiaire afwijzingsgrond ongegrond zijn verklaard.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om, nu er aanleiding is het bestreden besluit te vernietigen, verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, ťťn en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarbij is de rechtbank echter niet gebleken van andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen dan de reiskosten die eiser heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank. Mitsdien wordt beslist als volgt.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Roermond:

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voor zover daarbij eisers bezwaar tegen de subsidiaire afwijzingsgrond ongegrond is verklaard;
veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op
É18,90 (reiskosten voor het bijwonen van de zitting) te vergoeden door verweerders gemeente;
bepaalt dat verweerder aan eiser het door deze gestorte griffierecht volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. E.J.A.M. Bakermans, in tegenwoordigheid van C.M.E. Geraedts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 1999.

Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op:




Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken

 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / IHABW / Wwb
x
LJN:
x
AA3771
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 97/1524 ABW V12
Datum uitspraak: 26 maart 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 65 en 69 Abw (= 17 en 54 Wwb) / 4 en 5 IHABW
Trefwoorden: bank- en giroafschriften; weigering inzage; beŽindiging bijstand; schending inlichtingenverplichting; uitgaven; autokentekens; woonlasten; privacy; eerbiediging persoonlijke levenssfeer
Essentie: Terechte beŽindiging bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting nu eiser weigert bank- en giroafschriften te overleggen waarop zijn uitgaven zichtbaar zijn, zulks in verband met onderzoek naar vier op zijn naam staande autokentekens en het niet kunnen aantonen van woonlasten.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 97/1524 ABW V12




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam, verweerders.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 18 september 1997, nr. BB/NG 58041008, het bezwaar van eiser van 30 september 1996 tegen hun besluit van 26 september 1996, waarbij de uitkering van eiser ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 september 1996 is beŽindigd, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 27 oktober 1997 beroep ingesteld en bij brief van 5 december 1997 de gronden van het beroep ingediend.

Verweerders hebben op 9 januari 1998 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 januari 1998 heeft eiser van repliek gediend.

Verweerders hebben van dupliek gediend bij brief van 12 februari 1998.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 23 maart 1999. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerders hebben zich ter zitting niet doen vertegenwoordigen.




2. Rechtsoverwegingen



Het van toepassing zijnde recht

Op 1 januari 1996 is de nieuwe Algemene bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 199, verder aan te duiden als Abw) in werking getreden. Op grond van artikel 3 van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 200, verder aan te duiden als IHABW) wordt de Algemene Bijstandswet (Wet van 13 juni 1963, Stb. 1963, 284, verder aan te duiden als ABW), zoals die wet tot 1 januari 1996 luidde, per die datum ingetrokken.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, IHABW, blijft de ABW gedurende ten hoogste twaalf maanden na de inwerkingtreding van de Abw van toepassing ten aanzien van degene die in de peilmaand, december 1995, recht had op algemene bijstand, en wiens recht op de peildag, 31 december 1995, niet is geŽindigd.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, IHABW, eindigt de in het eerste lid van dat artikel bedoelde toepassing van de ABW: a. zodra burgemeester en wethouders naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, IHABW een nieuw besluit als bedoeld in artikel 5, derde lid, IHABW hebben genomen; b. zodra een wijziging van omstandigheden van de persoon of het gezin optreedt of is opgetreden die op grond van hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de Abw tot toepassing van een andere bijstandsnorm dient te leiden en burgemeester en wethouders een nieuw besluit inzake de verlening van algemene bijstand hebben genomen; dan wel c. zodra gedurende ten minste ťťn kalendermaand geen recht op bijstand heeft bestaan.

Ingevolge artikel 4, derde lid, IHABW blijven besluiten van burgemeester en wethouders inzake de verlening van bijstand ingevolge de ABW van kracht zolang het eerste lid van dat artikel van toepassing is.

Verweerders hebben door middel van een herbeoordelingsgesprek op 9 augustus 1996 op grond van artikel 5, eerste lid, IHABW een onderzoek ingesteld naar de rechtsgevolgen waartoe de toepassing van de Abw zal leiden inzake het recht op bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen. Het besluit waartegen het onderhavige beroep is gericht, is een besluit op bezwaar tegen een besluit als bedoeld in artikel 5, derde lid, IHABW. Dit betekent dat het thans voorliggende beroep dient te worden beoordeeld aan de hand van de Abw.



De feiten

Verweerders hebben bij besluit van 2 september 1996 de uitkering van eiser met ingang van die datum op grond van artikel 65, eerste lid, juncto artikel 69, eerste lid, van de Abw opgeschort en eiser in de gelegenheid gesteld de gevraagde bescheiden alsnog over te leggen. Bij besluit van 26 september 1996 hebben verweerders vervolgens de uitkering van eiser op grond van artikel 69, derde lid, van de Abw beŽindigd, omdat de verstrekte inlichtingen dermate onvolledig zijn dat het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld.

Eiser heeft tegen dit besluit op 30 september 1996 een bezwaarschrift ingediend, waarbij hij heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte afschriften hebben gevraagd van zijn bank-/giroafschriften en van een huurovereenkomst. Hij heeft gesteld geen huurovereenkomst te hebben en hij acht het overleggen van afschriften van zijn bankafschriften een inbreuk op zijn privacy voor zover het gaat om het geven van inzicht in zijn uitgaven.

Door de Geschillencommissie van de gemeente Veendam
is vervolgens op eisers bezwaarschrift beslist. Tegen dat besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank, die bij uitspraak van 17 april 1997 het beroep gegrond heeft verklaard.

Verweerders hebben bij hun thans bestreden besluit, opnieuw beslissend op eisers bezwaarschrift, deze bezwaren deels gegrond, deels ongegrond verklaard. Naar het oordeel van verweerders kan niet van eiser verwacht worden dat hij kopieŽn van bankafschriften overlegt, maar wel dat hij inzage verleent in zijn bank-/giroafschriften van de afgelopen drie maanden. Eiser wordt in de gelegenheid gesteld dat alsnog te doen.

Eiser kan zich hier niet mee verenigen en heeft naar voren gebracht dat het vragen van inzage in zijn bank-/giroafschriften een inbreuk op zijn privacy vormt en dat verweerders voldoende mogelijkheden hebben om gegevens te verkrijgen die nodig zijn om het recht op uitkering vast te stellen. Hij heeft verwezen naar een informatieblad van de Registratiekamer waaruit naar zijn mening blijkt dat het verlangen van volledige inzage van bank-/giroafschriften niet is toegestaan.



Ten aanzien van het geschil



Omvang van het geschil

Bij het bestreden besluit is eisers bezwaar deels gegrond verklaard, deels ongegrond. De rechtbank gaat er bij de beoordeling van het beroep van uit dat eiser zich in dat besluit niet kan vinden voor zover zijn bezwaar ongegrond verklaard is.



Beoordeling

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw wordt van overheidswege aan iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien bijstand verleend.

Artikel 65, eerste lid, Abw bepaalt - voor zover hier van belang - dat de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging onverwijld mededeling doet van al hetgeen van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken.

Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat de belanghebbende gebruik dient te maken van een door burgemeester en wethouders verstrekt formulier. Het derde lid bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

In artikel 69, eerste lid, Abw is bepaald dat indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, burgemeester en wethouders het recht op bijstand opschorten: a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft. Ingevolge het tweede lid doen burgemeester en wethouders mededeling van de opschorting aan belanghebbende en nodigen hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. In het derde lid is bepaald dat indien de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, de bijstand wordt beŽindigd met ingang van de eerste dag van de periode waarover de bijstand is opgeschort.

Uit de rapportages van 9 augustus 1996 en 17 september 1996 van R.J. Kroese, die ten grondslag hebben gelegen aan het bestreden besluit, blijkt dat eiser weigert (leesbare) afschriften van bankafschriften over te leggen, dat eiser vier kentekens op zijn naam heeft, waarvan er drie zijn geschorst en dat eiser niet kan aantonen dat hij woonlasten heeft.

Eiser heeft gesteld dat het verlangen van inzage in zijn bank-/giroafschriften een inbreuk op zijn privacy vormt. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat in het algemeen het controleren van bank- en giroafschriften een inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer, doch in het onderhavige geval acht zij die inbreuk, anders dan eiser, gerechtvaardigd. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht hetgeen is bepaald in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens [Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundametele vrijheden, red.]: "1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privťleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen".

De inbreuk op eisers persoonlijke levenssfeer die het gevolg zou zijn van de inzage door verweerders in eisers bank-/giroafschriften vindt zijn wettelijke basis in artikel 65, eerste lid, van de Abw, waarin de verplichting tot informatieverschaffing over al hetgeen van belang kan zijn in het kader van de bijstandverlening is neergelegd.

Het gaat hier dus om een uitdrukkelijk bij wet voorziene inmenging, die naar het oordeel van de rechtbank voorts dient te worden aangemerkt als noodzakelijk in de zin van artikel 8, tweede lid, EVRM.

Eisers standpunt dat de Registratiekamer van oordeel is dat het verlangen van inzage in bank-/giroafschriften niet is toegestaan, is onjuist.

De Registratiekamer geeft in het door eiser bedoelde informatieblad aan dat inzage mag worden gevraagd in bijvoorbeeld dagafschriften van bank- of girorekeningen, maar dat de sociale dienst per geval de belangen behoort af te wegen voordat inbreuk wordt gemaakt op de privacy.

In het onderhavige geval hebben verweerders naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom zij inzicht verlangen in het uitgavenpatroon van eiser. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat niet vast staat of eiser woonlasten heeft en dat eiser vier kentekens op zijn naam heeft.

Eiser heeft herhaaldelijk geweigerd de gevraagde informatie te verstrekken en heeft daarmee zijn inlichtingenplicht op grond van artikel 65 Abw geschonden. Daardoor hebben verweerders niet kunnen vaststellen of eiser nog recht had op bijstand.

Voor de beoordeling daarvan is immers onder meer inzicht in eisers bestedingspatroon vereist en dat inzicht hebben verweerders in onvoldoende mate kunnen krijgen als gevolg van eisers herhaalde weigering om de gevraagde bescheiden ter inzage te geven.

Verweerders hebben de uitkering van eiser dan ook op goede gronden beŽindigd.

Het beroep van eiser moet dan ook ongegrond worden verklaard.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op 26 maart 1999, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Struys als griffier.

De griffier, wnd.,            De rechter,




Afschrift verzonden op: 26 maart 1999.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / IWwb
x
LJN:
x
AA3772
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Roermond
Zaaknummer: 99/69 BZ K1
Datum uitspraak: 23 juli 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 8 en 22 Abw (= 7 en 7 IWwb)
Trefwoorden: zelfstandige; bedrijfskapitaal; krediethypotheek; hypothecair verband; rente; bedrijfsbeŽindiging; liquidatie
Essentie: Ten onrechte in rekening gebrachte rente over onder hypothecair verband verstrekte leenbijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal na bedrijfsbeŽindiging.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Roermond 99/69 BZ K1




U I T S P R A A K




Inzake:

[eiser A] en [eiseres B], wonende te [woonplaats], eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Broekhuizen [zie gemeente Horst aan de Maas, red.], gevestigd te Broekhuizenvorst, verweerder.



Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 21 december 1998, kenmerk 98184.
Datum van terechtzitting: 21 juni 1999.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij de in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit d.d. 21 december 1998 heeft verweerder besloten het bezwaarschrift van eisers, gericht tegen het eerder besluit van verweerder van 7 september 1998, ongegrond te verklaren.

Tegen dat besluit is beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eisers gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 21 juni 1999, alwaar zijn verschenen dhr. P. Delissen als gemachtigde van eisers en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mw. mr. J. v.d. Kolk.




II. Overwegingen


Bij besluit van 14 november 1994 heeft verweerder met toepassing van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) aan eisers ter financiering van het liquidatietekort ad
É114.000,- bij de exploitatie van hun land- en tuinbouwbedrijf een lening tot dit bedrag verstrekt, zulks onder de navolgende voorwaarden en bedingen:

"....... 2. De lening draagt een rente van 7% per jaar, te voldoen maandelijks. .... 5. Het bedrag der lening dient terstond en in zijn geheel te worden terugbetaald bij het niet nakomen van de verplichting tot betaling van rente en aflossing indien zij niet overeenkomstig de bestemming is aangewend, in geval van overlijden of faillissement dan wel bij bedrijfsbeŽindiging of wijziging van de juridische bedrijfsvorm. 6. Alle vennoten stellen zich hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van alle uit deze bijstandverlening voortvloeiende verplichtingen. Tot meerdere zekerheid van rente en aflossing dient door alle vennoten recht van hypotheek te worden verleend op alle onroerende goederen van deze vennoten."

Als zekerheid hebben eisers (en de ouders van A) ten behoeve van verweerder onder meer het recht van hypotheek gevestigd op het woonhuis.

Op 31 mei 1996 hebben eisers hun bedrijf beŽindigd en is de liquidatiebalans opgemaakt.

Bij brief van 28 februari 1997 verzoekt notariskantoor De Laat & Wilbers aan verweerder onder meer het volgende: "Hiermee verzoek ik u mij de aflossingsnota (a.u.b. met opgave van de dagrente) toe te zenden van de hypotheek ten laste van de heer X en mevrouw Y (en maatschap Z), welke hypotheek rust op een loods aan de P-weg (Q sektie [...] nr. [...]) en twee percelen bouwland aan de V te W (W sektie [...] nrs. [...]). Afgelost zal worden in verband met verkoop van deze onderpanden. De overige onderpanden waar de hypotheek op was gevestigd, zijn reeds eerder verkocht; hiervoor is de hypotheek reeds gedeeltelijk geroyeerd. Thans worden de laatste percelen verkocht. De akte zal op vrijdag 7 maart a.s. worden gepasseerd".

Bij brief van 3 maart 1997 deelt de Intergemeentelijke Sociale Dienst Maasdorpen aan voormeld notariskantoor mede dat met betrekking tot de geldlening Bbz nog een bedrag resteert van in totaal
É86.482,67. Dit bedrag heeft verweerder van genoemd notariskantoor op 12 maart 1997 ontvangen. In genoemd bedrag is mede in aanmerking genomen de verschuldigde (door eisers te betalen rente) van 1 juni 1996 tot en met 10 maart 1997.

Bij brief van 28 april 1997 wendt de gemachtigde van eisers zich tot verweerder. Hij maakt bezwaar tegen het feit dat verweerder nog rente in rekening heeft gebracht over de periode na liquidatie van het bedrijf van eisers. Hij acht dit niet in overeenstemming met artikel 23 van het Bbz.

Op 7 september 1998 rapporteert de aan de Intergemeentelijke Sociale Dienst Maasdorpen verbonden functionaris J. Reutelingsperger. In die rapportage wordt onder meer geadviseerd, nu op grond van artikel 23, eerste lid, Bbz de Bbz-lening onder verband van hypotheek is verstrekt, de lening rentedragend te achten tot het moment dat de volledige aflossing heeft plaatsgevonden.

Conform dit advies heeft verweerder besloten bij besluit van 7 september 1998.

Daartegen wordt bezwaar gemaakt bij schrijven van 16 oktober 1998. Op 14 december 1998 vindt een hoorzitting plaats, waarna het thans bestreden besluit van 21 december 1998 aan eisers is gezonden.

Tegen dit besluit is door eisers op 21 januari 1999 beroep ingesteld.

Op hetgeen van de zijde van eisers in beroep is aangevoerd, reageert verweerder bij verweerschrift van 18 februari 1999.



Het oordeel van de
rechtbank

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Bbz wordt aan een zelfstandige bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal verleend met toepassing van paragraaf 2 van hoofdstuk II van het Bbz. In deze paragraaf zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de hoogte van de geldlening en de daarover te betalen rente en de gevallen waarin rente wordt kwijtgescholden.

In artikel 23 van het Bbz zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de terugbetaling van de geldlening bij bedrijfsbeŽindiging. Deze bepalingen luiden als volgt:
-1. Bij beŽindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep dient de lening, behoudens in het geval artikel 22 van toepassing vindt, volledig te worden terugbetaald. Gestelde zekerheden worden volledig uitgewonnen. In afwijking daarvan blijft, op verzoek van de betrokkene en voor zover mogelijk, een lening onder hypothecair verband, verbonden aan de eigen woning met bijbehorend erf, gehandhaafd of wordt deze tot de onbelaste waarde van deze woning gevestigd. De artikelen 4, 5, 6, eerste, tweede en vierde lid, en 8 van het Besluit krediethypotheek bijstand zijn van overeenkomstige toepassing.
-2. Indien na beŽindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep een deel van de lening resteert en deze niet met toepassing van het vorige lid onder hypothecair verband is verleend, wordt het resterende deel van de lening vanaf de beŽindiging renteloos. Gedurende de periode van vijf jaar na beŽindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep dient 50 procent van het netto-inkomen boven de bijstandsnorm als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, van de wet besteed te worden voor aflossing van de lening.

Vaststaat dat het door eisers geŽxploiteerde land- en tuinbouwbedrijf op 31 mei 1996 is geliquideerd en dat eisers de eigen woning niet voor eigen bewoning hebben willen behouden. Op deze datum had verweerder een vordering op eiser ten bedrage van
É76.910,- (lening) en É5398,46 (rente tot en met deze datum). Uitwinning van de gestelde zekerheden ten behoeve van verweerders vordering heeft plaatsgevonden op 7 maart 1997. Daarbij heeft verweerder met toepassing van artikel 23 van het Bbz tevens tot een bedrag van É4174,21 rente in rekening gebracht over de periode na de liquidatiedatum, te weten 1 juni 1996 tot 10 maart 1997. Kern van het onderhavige geschil is of verweerder aldus een juiste toepassing heeft gegeven aan dit artikel. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Zij baseert dit oordeel op de navolgende overwegingen.

Verweerder heeft ter staving van zijn standpunt aangevoerd dat uit de redactie van artikel 23 Bbz blijkt dat de geldlening per datum bedrijfsbeŽindiging alleen dan renteloos wordt wanneer de lening niet met toepassing van het eerste artikellid onder hypothecair verband is verstrekt. De zinsnede in het tweede artikellid "niet met toepassing van het eerste lid" slaat volgens verweerder niet enkel terug op het tweede gedeelte van het eerste lid, maar op het hele artikellid. Wanneer de lening onder hypothecair verband is verstrekt, dient dus na bedrijfsbeŽindiging altijd rente te worden betaald, ook als er geen woning wordt aangehouden. Aldus komt het standpunt van verweerder erop neer dat ingevolge artikel 23 van het Bbz de vraag of het resterende deel van de geldlening na bedrijfsbeŽindiging renteloos wordt, dient te worden beantwoord aan de hand van het soort geldlening dat destijds is verstrekt. Hierin kan de rechtbank verweerder niet volgen.

Uit de in artikel 23 van het Bbz opgenomen bepalingen blijkt dat bij liquidatie van het bedrijf de lening volledig dient te worden terugbetaald en dat daartoe gestelde zekerheden worden uitgewonnen. Indien de zelfstandige echter een eigen woning voor eigen bewoning wenst te behouden, blijft voor zover mogelijk een lening onder hypothecair verband gevestigd of wordt deze tot de onbelaste waarde van de woning gevestigd. De eigen woning wordt in dat geval niet ten behoeve van de aflossing van de lening uitgewonnen. Uit het tweede artikellid blijkt verder dat de wetgever het gewenst heeft geoordeeld om de periode dat de ex-zelfstandige na liquidatie van het bedrijf kan worden aangesproken overzienbaar te maken. Deze periode wordt daartoe beperkt tot vijf jaar. In deze periode dient enerzijds zoveel mogelijk aan de terugbetaling te worden voldaan. De helft van het netto-inkomen dat boven de bijstandsnorm wordt behaald, dient hiertoe te worden aangewend. Anderzijds is in verband met de overzienbaarheid bepaald dat een eventuele resterende lening vanaf het moment van liquidatie renteloos wordt. Dat geldt vanzelfsprekend niet voor het resterende deel van de lening dat is aangewend met het doel om de zelfstandige in de eigen woning te laten blijven wonen. In het tweede artikellid is daarom bepaald dat het voor dit doel aangewende deel van de lening wordt uitgezonderd van de rentevrijstelling. Dat blijkt met name uit de zinsnede "Indien na beŽindiging van het bedrijf (...) een deel van de lening resteert en deze niet met toepassing van het vorige lid onder hypothecair verband is verleend". In deze zinsnede heeft het woord "deze" betrekking op het na bedrijfsbeŽindiging resterende deel van de lening. Indien dat resterende deel niet is aangewend om de zelfstandige in de eigen woning te laten blijven wonen, wordt het (resterende deel) renteloos vanaf de bedrijfsbeŽindiging. Voor de door verweerder gegeven uitleg zijn geen aanknopingspunten te vinden in de bepalingen van het Bbz. Verweerder gaat er bij zijn uitleg voorts ten onrechte van uit dat de aan de zelfstandige ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal verstrekte lening met toepassing van het artikel 23, eerste lid, is verleend. Ingevolge artikel 2 van het Bbz is de lening immers met toepassing van [hoofdstuk II, red.,] paragraaf 2, de artikelen 5 tot en met 9, verleend. Het woord "deze" in de hiervoor vermelde zinsnede kan dan ook geen betrekking hebben op de lening als genoemd in de eerste regel van het eerste artikellid.

Het hiervoor overwogene leidt niet alleen tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard, maar tevens tot de conclusie, nu na bezwaar geen ander besluit kan worden genomen dan gegrondverklaring van het bezwaar, dat het primaire besluit zal dienen te worden herroepen, voor zover daarin is beslist om met toepassing van artikel 23 van het Bbz ook na de bedrijfsbeŽindiging rente in rekening te brengen.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, ťťn en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Roermond:

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
herroept het primaire besluit van 7 september 1998, voor zover daarin is beslist om met toepassing van artikel 23 van het Bbz ook na de bedrijfsbeŽindiging voor de door verweerder aan eisers verstrekte lening rente in rekening te brengen;
veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eisers begroot op nihil; bepaalt dat aan eisers het door dezen gestorte griffierecht volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. W.M. Callemeijn, in tegenwoordigheid van C.M.E. Geraedts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 1999.

Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

verzonden op:




Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / IHABW / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA3943
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: 97/1778 NABW Z DRM, 97/1779 NABW Z DRM en 97/1780 NABW Z DRM
Datum uitspraak: 23 maart 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 5a ABW (= 3 Abw) (= 3 Wwb) / 4 en 5 IHABW / 3:2, 4:6, 7:2, 7:12 en 8:72 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; ex-echtgenoot; opschorting bijstand; beŽindiging; herhaalde aanvraag; nieuwe feiten of omstandigheden; getuigenverklaring; hoorzitting; horen; sociale recherche
Essentie: Onterechte afwijzing herhaalde bijstandsaanvragen op de grond dat van geen nieuwe feiten of omstandigheden zou zijn gebleken ter zake van vermeende gezamenlijke huishouding met de ex-echtgenoot, zonder dat daarnaar na het opschortingsbesluit onderzoek is gedaan. Eiseres is ten onrechte niet gehoord. Het na het beŽindigingsbesluit en vůůr het besluit op bezwaar verrichte onderzoek (op basis van onderzoek door de sociale recherche) is onzorgvuldig.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Maastricht 97/1778 NABW Z DRM, 97/1779 NABW Z DRM en 97/1780 NABW Z DRM




U I T S P R A A K




inzake:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, Dienst Sociale en Economische Zaken, gevestigd te Maastricht, verweerder.



Datum en aanduiding van de bestreden besluiten:
- het besluit van verweerder van 12 juni 1997, bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 987358;
- het besluit van verweerder van 20 juni 1997, bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 988697;
- het besluit van verweerder van 12 juni 1997, bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 991555.
Datum van behandeling ter zitting: 9 februari 1999.




I. Ontstaan en loop van het geding



In zaak 97/1778:

Bij besluit van 27 juni 1996 heeft verweerder de op 10 juni 1996 door eiseres ingediende aanvraag om bijstand afgewezen.

Tegen dit besluit is namens eiseres door mr. A.A.T. Vonken, advocaat te Maastricht, een bezwaarschrift ingediend.
Dit bezwaarschrift is bij besluit van 20 juni 1997 (bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 988697; hierna: besluit II)ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft voornoemde gemachtigde bij brief van 25 juli 1997 namens eiseres beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn op 24 september 1997 in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.



In zaak 97/1779:

Bij besluit van 8 mei 1996 heeft verweerder de op 13 maart 1996 door eiseres ingediende aanvraag om bijstand afgewezen.
Tegen dit besluit is namens eiseres door voornoemde gemachtigde een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 24 mei 1996 is namens eiseres bij de president van deze rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Dit verzoek heeft de president bij uitspraak van 11 juni 1996 afgewezen.

Dit bezwaarschrift is bij besluit van 12 juni 1997 (bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 987358; hierna: besluit I)ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft voornoemde gemachtigde namens eiseres op 25 juli 1997 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken zijn op 24 september 1997 in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.



In zaak 97/1780:

Bij besluit van 12 november 1995 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 februari 1996 is beŽindigd.

Tegen dit besluit is namens eiseres door voornoemde gemachtigde een bezwaarschrift ingediend.

Dit bezwaarschrift is bij besluit van 12 juni 1997 (bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 991555; hierna: besluit III) ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft voornoemde gemachtigde namens eiseres op 25 juli 1997 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken zijn op 24 september 1997 in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.



In alle zaken:

Bij brief van 13 november 1997 heeft de gemachtigde van eiseres een aantal gedingstukken, houdende schriftelijke getuigenverklaringen, overgelegd. Hiervan is op 14 november 1997 een afschrift aan verweerder gezonden.

Bij brief van 8 januari 1998 is nog een aantal stukken namens eiseres overgelegd. Deze zijn op 14 januari 1998 in afschrift aan verweerder verzonden.

De gedingstukken uit de dossiers met registratienummers 96/367, 96/1189 en 96/1386 zijn ad informandum aan de onderhavige zaak toegevoegd.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank op 9 februari 1999.
Daarbij is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Pellinger, advocaat te Maastricht.
Namens verweerder is verschenen de heer L. Heuts, werkzaam bij de gemeente Maastricht.
Voorts zijn verschenen de volgende door eiseres meegenomen getuigen: B, C, D en E.




II. Overwegingen


II.I. Eiseres ontving sinds 4 september 1994 een bijstandsuitkering van de gemeente Maastricht. Naar aanleiding van een mededeling dat eiseres weer zou samenwonen met haar ex-man de heer F is van de zijde van verweerder een onderzoek ingesteld in de vorm van een tweetal op 16 januari 1996 afgelegde huisbezoeken, te weten aan het door F opgegeven huisadres en aan dat van eiseres. Aan het huisadres van F werden de rapporteurs te woord gestaan door de moeder en een broer van F. Naar het op 18 januari door de desbetreffende rapporteurs C.P. de Visser en P.M.A. van Ochten opgemaakte rapport vermeldt, heeft de moeder van F verklaard dat haar zoon weer terug is bij zijn ex-vrouw aan de [...]. Voorts heeft zij aangegeven dat F vanaf begin januari 1996 werkt. Het rapport vermeldt dat voornoemde rapporteurs zich vervolgens hebben gewend tot het adres [...], waar zij werden binnengelaten door eiseres en waar zij in de woonkamer F aantroffen met een behangkwast in de hand. Daarbij deelde eiseres mee dat zij en F samen de kamer aan het behangen waren.

Naar aanleiding van deze rapportage heeft de directeur van de sociale dienst van verweerders gemeente de betaling van de bijstandsuitkering van eiseres bij besluit van 12 februari 1996 met ingang van 1 februari 1996 opgeschort.

Tegen dit besluit heeft mr. Vonken voornoemd bij brief van 17 februari 1996 bezwaar gemaakt. Bovendien heeft de gemachtigde van eiseres zich tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen.

Tegen het besluit van 12 februari 1996 is namens eiseres in bezwaar aangevoerd dat er geen sprake van is dat de samenleving met haar ex-echtgenoot zou zijn hersteld. Voorts is aangegeven dat er wel sprake is van frequente contacten tussen de voormalige echtelieden, zulks in verband met de effectuering van het bezoekrecht van F aan zijn minderjarige, uit zijn huwelijk met eiseres, geboren dochter. Verder is namens eiseres aangevoerd dat voornoemde rapporteurs bij hun huisbezoeken op 16 januari 1996 bijzonder aanmatigend waren opgetreden. Meer in het bijzonder is vermeld dat de moeder van eiseres is geforceerd om een verklaring te ondertekenen, terwijl zij niet kan lezen, noch kan schrijven.
Verder is aangegeven dat de rapporteurs onvoldoende onderzoek in de woning van de moeder van F hebben gedaan; uit de daar aanwezige kleren en andere persoonlijke bezittingen van F had kunnen blijken dat deze nog steeds bij zijn moeder woonde.

Bij uitspraak van 15 maart 1996 heeft de president van de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 3 april 1996 heeft verweerder het bezwaarschrift tegen voornoemd besluit van 12 februari 1996 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij deze rechtbank beroep ingesteld.

Dit beroep is bij uitspraak van 19 november 1996 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat op grond van voornoemde rapportage van 18 januari 1996 het gegronde vermoeden kon ontstaan dat zich hier een situatie voordeed als bedoeld in artikel 69 van de Abw en heeft verweerder op grond hiervan terecht besloten tot opschorting van de uitbetaling van de uitkering aan eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank kon hieraan niet afdoen dat de ouders van F blijkens de overlegde brief van 11 maart 1996, later in een telefoongesprek aan de gemachtigde van eiseres zouden hebben verklaard dat hun zoon nog steeds bij hen woonachtig was.

De rechtbank heeft hierbij aangetekend dat een opschorting van de betaling een voorlopige maatregel is die gevolgd dient te worden door een beŽindigingsbeslissing indien uit nader onderzoek blijkt dat op grond van gewijzigde omstandigheden niet langer een recht op bijstand bestaat, dan wel door een besluit tot ongedaanmaking van de opschorting indien uit het nader onderzoek zou blijken dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden.

Tegen deze uitspraak van de rechtbank is namens eiseres hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 7 juli 1998 heeft de
Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

In deze uitspraak heeft de Raad allereerst overwogen dat de opschorting van de uitkering op grond van het in de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (lw HABW) opgenomen overgangsrecht moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Algemene Bijstandswet (ABW), zoals deze laatstelijk luidden vůůr 1 januari 1996.

Vervolgens heeft de Raad overwogen dat de beantwoording van de vraag of opschorting van een bijstandsuitkering in een geval als dat van eiseres geoorloofd is, in het algemeen afhangt van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel is, althans ten minste het gegronde vermoeden kan hebben, dat het recht op de uitkering niet meer bestaat dan wel slechts recht op een lagere uitkering bestaat.

Uit de uitspraak blijkt voorts dat F ter zitting van de Raad heeft verklaard dat hij, sinds de verbreking van de samenwoning met eiseres, bij zijn ouders heeft gewoond. Zijn moeder zou psychisch erg verward zijn en haar verklaring op 16 januari 1996 onder druk hebben afgelegd. F heeft voorts aangegeven dat hij zijn dochter zo vaak mag bezoeken als hij wil. Op 16 januari 1996, toen de sociale recherche hem 's avonds bij eiseres thuis aantrof, was hij niet aan het behangen, maar hield hij even de kwast voor eiseres vast. Namens eiseres is er ter zitting van de Raad op gewezen dat F onder psychiatrische behandeling staat en door geheugenverlies veel niet meer weet.

De Raad was van oordeel dat de reeds eerder genoemde bezwaren van eiseres en de zojuist aangehaalde verklaringen niet wegnemen dat verweerder reeds op basis van de door de moeder van F op 16 januari 1996 ondertekende verklaring grond had voor het vermoeden dat eiseres en F weer beiden hun hoofdverblijf aan [...] hadden en daar weer een gezamenlijke huishouding voerden.

II.2. inmiddels had eiseres op 13 maart 1996 opnieuw een aanvraag om bijstand bij verweerder ingediend.

Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 8 mei 1996 afgewezen, onder de overweging dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van de situatie die aanleiding is geweest voor de opschortingbeslissing van 12 februari 1996 en de op bezwaar tegen deze beslissing genomen besluit van 3 april 1996.

Tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt.

In het kader van de bezwaarprocedure is namens eiseres bij brief van 27 juni 1996 een op 24 juni 1996 gedateerde schriftelijke verklaring van de ouders van F overgelegd, volgens welke F in het ouderlijk huis inwonend is.

Bij brief van 4 november 1996 heeft de gemachtigde van eiseres er bij verweerder op aangedrongen een aantal getuigen te horen.

Op 27 juni 1996 is in het kader van deze bezwaarprocedure een hoorzitting gehouden. Naar aanleiding van het verhandelde tijdens deze hoorzitting heeft de Unit Bezwaar en Beroep van verweerders gemeente de sociale recherche verzocht een nader onderzoek in te stellen, welk onderzoek heeft geleid tot een ongedateerde (nadere) rapportage.

Bij besluit van 12 juni 1997 (in rubriek I aangeduid als besluit I) heeft verweerder het namens eiseres tegen het besluit van 8 mei 1996 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

II.3. Op 10 juni 1996 heeft eiseres een tweede aanvraag om bijstand bij verweerder ingediend.

Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 27 juni 1996 afgewezen, onder de overweging dat er geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden die aanleiding geven om het door verweerder eerder, bij besluit van 12 februari 1996 en de daaropvolgende overeenkomstige besluiten, ingenomen standpunt te wijzigen. Ook tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt.

Bij brief van 9 september 1996 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de afhandeling van het bezwaarschrift wordt aangehouden, in afwachting van het in het kader van de bezwaarprocedure tegen het besluit van 8 mei 1996 te verrichten nadere onderzoek.

Na afloop van dit onderzoek heeft verweerder bij besluit van 20 juni 1997 (in rubriek I aangeduid als besluit II) het tegen het besluit van 27 juni ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

II.4. Nadat de rechtbank bij de behandeling van het namens eiseres ingestelde beroep tegen het besluit d.d. 12 februari 1996 tot opschorting van de bijstand van eiseres op nadere besluitvorming had aangedrongen, heeft verweerder bij besluit 12 november 1996 de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 februari 1996 beŽindigd.

Ook tegen dit besluit is namens eiseres, onder verwijzing naar voornoemde eerdere bezwaarschriften, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 juni 1997 (in rubriek I aangeduid als besluit III) heeft verweerder het namens eiseres tegen het besluit van 12 november 1996 ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat is afgezien van het houden van een hoorzitting, omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.

II.5. Beoordeling van besluit I van 12 juni 1997.

Ter motivering van dit besluit heeft verweerder overwogen dat naar aanleiding van de aanvraag van 13 maart 1996 bij de afdeling Sociale Zaken en Welzijn van verweerders gemeente een onderhoud met eiseres heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van verweerder heeft eiseres tijdens dit onderhoud desgevraagd geen nieuwe feiten of omstandigheden kunnen vermelden die zouden kunnen leiden tot een wijziging in haar aanspraak op een bijstandsuitkering. Daarbij is overwogen dat eiseres tijdens het onderhoud louter heeft herhaald wat zij al in een eerder stadium had meegedeeld, te weten dat er nimmer sprake is geweest van enige samenwoning met haar ex-echtgenoot. Gelet hierop kon de aanvraag op grond van het bepaalde in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking worden afgewezen, aldus verweerder.

Gelet op het in artikel 3, derde lid, aanhef en onder e, van de Abw opgenomen onweerlegbare rechtsvermoeden had het volgens verweerder bovendien op de weg van eiseres gelegen minimaal aannemelijk te maken dat haar ex-echtgenoot niet meer zijn hoofdverblijf in de woning van eiseres had.

Ten slotte is verweerder van oordeel dat eiseres bij de in het kader van de bezwaarprocedure gehouden hoorzitting geen enkele medewerking heeft verleend, zodat verweerder van mening is dat hetgeen namens eiser ter hoorzitting is gesteld niet kan leiden tot de conclusie dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Onder verwijzing naar de reeds tegen het besluit van 12 februari 1996 ingebrachte bezwaargronden, die zijn weergegeven in rubriek II.I, is namens eiseres het standpunt herhaald dat er geen sprake is van samenwoning door haar en haar ex-echtgenoot.

Ter beoordeling staat de vraag of het bestreden besluit, waarbij het besluit van 8 mei 1996 tot afwijzing van de door eiseres op 13 maart 1996 ingediende aanvraag is gehandhaafd, de rechterlijke toets kan doorstaan.
De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank merkt allereerst op dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat de aanvraag van eiseres kan worden afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder miskend dat de aanvraag van eiseres niet ziet op herziening van het besluit van 12 februari 1996 tot opschorting van haar uitkering met ingang van 1 februari 1996, maar op de verlening van bijstand op een datum die gelegen is na het tijdstip met ingang waarvan de betaling van de uitkering van eiseres was opgeschort. De aanvraag van eiseres dient dan ook te worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag van bijstand na de opschorting van de uitbetaling van de bijstand per 1 februari 1996. Onder verwijzing naar de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van 16 april 1996 (JABW 1996/134) overweegt de rechtbank vervolgens dat de opschorting van de uitbetaling moet worden beschouwd als een voorlopige maatregel en dient deze derhalve - zo de opschorting niet zonder meer wordt ongedaan gemaakt - gevolgd te worden door een definitieve beslissing omtrent de aanspraak op uitkering. Zoals in rubriek II.4 is aangegeven, heeft deze definitieve beslissing in het geval van eiseres eerst bij besluit van 12 november 1996 plaatsgevonden. Gelet op hetgeen in de voorgaande alinea is overwogen, moet dan ook worden geconcludeerd dat het door eiseres op 13 maart 1996 ingediende verzoek om opnieuw in aanmerking te worden gebracht voor een bijstandsuitkering is gedaan op een moment waarop de lopende uitkering nog niet was beŽindigd.

Verweerder heeft dan ook in het bestreden besluit miskend dat het met het besluit van 8 mei 1996 beoogde rechtsgevolg, te weten dat eiseres geen recht had op uitkering, ten tijde van belang niet kůn intreden. Derhalve kan het bestreden besluit niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat het beroep voor gegrond moet worden gehouden en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank acht het voorts aangewezen met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het besluit van 8 mei 1996 wordt herroepen.

Daarbij tekent de rechtbank aan dat het op 13 maart 1996 door eiseres ingediende verzoek niet, zoals de
Centrale Raad van Beroep in voornoemde uitspraak van 16 april 1996 ten aanzien van het aldaar in geding zijnde beroep had overwogen, kan worden aangemerkt als een verzoek om alsnog tot definitieve vaststelling van de aanspraak op bijstand kan worden aangemerkt, nu, mede gelet op de door de gemachtigde van eiseres in haar brief van 14 maart 1996 gegeven toelichting buiten twijfel staat dat eiseres heeft beoogd een nieuwe aanvraag om bijstand in te dienen met inachtneming van de omstandigheden zoals deze per 13 maart 1996 golden.

11.6. Beoordeling van besluit II van 2 juni 1997.

Ter motivering van dit besluit heeft verweerder overwogen dat bij de aanvraag van 10 juni 1996 opnieuw geen nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden zijn vermeld, zodat de aanvraag op grond van het bepaalde in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb onder verwijzing naar voornoemd besluit van 8 mei 1996 wordt afgewezen.

In beroep is de door verweerder aangenomen samenwoning van eiseres en F, onder verwijzing naar de in de voorgaande procedures ingediende stukken, opnieuw namens eiseres betwist, met de nadrukkelijk vermelding dat zulks door middel van getuigenverklaringen nader kan worden onderbouwd.

Ter beoordeling staat de vraag of het bestreden besluit, waarbij het besluit van 27 juni 1996 tot afwijzing van de door eiseres op 10 juni 1996 ingediende aanvraag is gehandhaafd, de rechterlijke toets kan doorstaan.
De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank merkt allereerst op dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat de aanvraag van eiseres kan worden afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit heeft miskend dat ook het door eiseres op 6 juni 1996 ingediende verzoek een nieuwe aanvraag betreft.

Voorts is ook de aanvraag van 10 juni 1996 ingediend op een moment waarop de lopende uitkering nog niet was beŽindigd.

Verweerder heeft dus ook in dit bestreden besluit miskend dat het met het besluit van 27 juni 1996 beoogde rechtsgevolg, te weten dat eiseres geen recht had op uitkering, ten tijde van belang niet kon intreden. Derhalve kan ook dit bestreden besluit niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat het beroep voor gegrond moet worden gehouden en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank acht het voorts aangewezen met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het besluit van 27 juni 1996 wordt herroepen.

Daarbij tekent de rechtbank aan dat ook het op 10 juni 1996 door de eiseres ingediende verzoek niet, zoals de
Centrale Raad van Beroep in voornoemde uitspraak van 16 april 1996 ten aanzien van het aldaar in geding zijnde beroep had overwogen, als een verzoek om definitieve vaststelling van de bijstand kan worden aangemerkt.

II.7. Beoordeling van besluit III van 12 juni 1997.

II.7.1. Zoals in rubriek II.4. is aangegeven, heeft verweerder bij dit bestreden besluit het namens eiseres ingediende bezwaarschrift tegen het besluit van 12 november 1996 ongegrond verklaard. Bij dit laatste besluit heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 februari 1996 beŽindigd.

De rechtbank stelt voorop dat het besluit van 12 november 1996 dient te worden beschouwd als de definitieve beslissing omtrent de aanspraak van eiseres op bijstand, nadat de uitbetaling hiervan per 1 februari 1996 was opgeschort. Naar het oordeel van de rechtbank ligt in de aard van een dergelijk besluit besloten dat het bestuursorgaan gehouden is een nader onderzoek in te stellen naar de feiten die tot de voorlopige maatregel tot opschorting van de uitbetaling van de uitkering aanleiding hebben gegeven. Bij dit onderzoek is het bestuursorgaan gehouden mede rekening te houden met feiten en omstandigheden die na het besluit tot opschorting van de uitbetaling zijn gebleken.

In het geval van eiseres betekent dit dat verweerder bij de vaststelling van de definitieve aanspraken van eiseres op bijstand mede rekening heeft dienen te houden met feiten en omstandigheden die na het opschortingsbesluit zijn gebleken. Bij de beslissing op bezwaar dienen ook de feiten en omstandigheden die zich na 12 november 1996 hebben voorgedaan te worden betrokken.

II.7.2. In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat niet kan worden voorbijgegaan aan de besluitvorming naar aanleiding van voornoemde aanvraag van 13 maart 1996, waarbij niet is gebleken van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van die welke aanleiding waren tot het opschortingsbesluit van 12 februari 1996. Voorts is verweerder van oordeel dat eiseres geen medewerking heeft verleend bij het door de sociale recherche hangende het bezwaar tegen het besluit van 8 mei 1996 uitgevoerde nadere onderzoek.

Verder heeft verweerder overwogen dat geen sprake is van een beŽindiging van de uitkering met terugwerkende kracht, omdat eiseres op 16 januari 1996 is meegedeeld dat haar uitkering met onmiddellijke ingang zal worden beŽindigd.

Ten slotte is aangegeven dat is afgezien van het houden van een hoorzitting, omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.

II.7.3. Namens eiseres is in beroep herhaald dat er geen sprake is van samenwoning door haar met haar ex-echtgenoot. Namens eiseres is benadrukt dat eiseres haar huis slechts tezamen met haar veel zorg behoevende dochter bewoont. Voor het overige is in beroep volstaan met een verwijzing naar de in de diverse voornoemde bezwaarprocedures aangevoerde gronden.

II.7.4. De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het houden van een hoorzitting onder de overweging dat het bezwaarschrift van eiseres kennelijk ongegrond is.

Blijkens vaste jurisprudentie is van een kennelijk ongegrond bezwaar immers eerst sprake indien uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs over die conclusie geen twijfel mogelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is aan dit criterium in het geval van eiseres niet voldaan. Verweerder heeft bij alle in deze uitspraak aan de orde komende besluitvorming aanvankelijk slechts verwezen naar de feiten en omstandigheden die het vermoeden van samenwoning van eiseres en F wekten en verweerders bij besluit van 3 april 1996 gehandhaafde besluit van 12 februari 1996 tot opschorting van de uitbetaling van de bijstand aan eiseres rechtvaardigden. Uit de gedingstukken blijkt niet dat het besluit van 12 november 1996 op enig nader onderzoek van de zijde van verweerder berust, terwijl van de zijde van eiseres uitdrukkelijk was aangeboden de betwisting van de (voorlopige) conclusies van verweerder door middel van getuigenverklaringen nader te onderbouwen.

Het bestreden besluit moet dan ook in strijd worden geacht met artikel 7:2 van de Awb, terwijl eiseres geacht moet worden door deze schending in haar belangen te zijn geschaad. Reeds op deze grond is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

II.7.5. De rechtbank overweegt voorts als volgt.

De vraag doet zich voor naar welk recht het besluit tot beŽindiging van de bijstand van eiseres moet worden beoordeeld.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de IHABW blijft de Algemene Bijstandswet (ABW) gedurende ten hoogste twaalf maanden na de inwerkingtreding van de nieuwe Abw van toepassing ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op algemene bijstand en wiens recht op de peildag niet is geŽindigd.

Het tweede lid van artikel 4, voornoemd, bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde toepassing van de ABW eindigt:
a. zodra burgemeester en wethouders in het betreffende geval naar aanleiding van het onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, een nieuw besluit hebben getroffen;
b. zodra een wijziging van omstandigheden van de persoon of het gezin optreedt of is opgetreden die op grond van hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de nieuwe Abw tot toepassing van een andere bijstandsnorm dient te leiden en burgemeester en wethouders in het betreffende geval een nieuw besluit inzake de verlening van bijstand hebben getroffen.

Uitgangspunt is dat eiseres ten tijde als hier van belang een persoon was als omschreven in artikel 4, eerste lid, van de IHABW. Eiseres ontving in de peilmaand - december 1995 - algemene bijstand ingevolge de ABW en haar recht is niet geŽindigd op de peildag (31 december 1995). De ABW blijft derhalve ten aanzien van eiseres gelden gedurende ten hoogste twaalf maanden, tenzij de toepassing van de ABW op een eerdere datum eindigt als gevolg van ťťn van de in het tweede lid van artikel 4 van de IHABW genoemde omstandigheden.

Het onderzoek dat in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden, was geen onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de IHABW, zodat de omstandigheid, genoemd in artikel 4, tweede lid, onderdeel a. zich hier niet voordoet. Naar de
Centrale Raad van Beroep in zijn in rubriek II.I genoemde uitspraak van 7 juli 1998 heeft overwogen, is voor het intreden van het gevolg dat de toepassing van de ABW eindigt op grond van de in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, genoemde omstandigheid niet alleen vereist dat zich een wijziging in omstandigheden heeft voorgedaan die krachtens de genoemde bepalingen van de Abw tot toepassing van een andere bijstandsnorm dient te leiden, maar dat ter zake ook een nieuw besluit is getroffen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het besluit van 18 november 1996 tot beŽindiging van de uitkering van eiseres niet worden beschouwd als een besluit tot verlaging van de bijstandsnorm van eiseres als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de Abw. Een dergelijke uitleg is niet in overeenstemming met de bewoordingen waarin deze wetsbepalingen zijn gesteld en evenmin met de systematiek van de Abw, nu de genoemde bepalingen zien op de situatie waarin krachtens de bepalingen van hoofdstuk I i [hoofdstuk II, red.] van de Abw recht op bijstand bestaat.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het besluit tot beŽindiging van de bijstandsuitkering moet worden beoordeeld naar de bepalingen van de ABW.

II.7.6. Ingevolge artikel 5a, eerste lid, van de ABW wordt de bijstand aan niet met elkaar gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, vastgesteld op overeenkomstige wijze als bedoeld in artikel 5 van de ABW.

Ingevolge het tweede lid van artikel 5a van de ABW kan van een gezamenlijke huisvesting slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Blijkens de wetsgeschiedenis van dit artikel vindt toetsing plaats door afweging van alle zich ten aanzien van betrokkenen voordoende waarneembare feiten en omstandigheden die niet van subjectieve aard zijn.

F stond ten tijde hier in geding ingeschreven op het adres van zijn moeder, zodat mag worden aangenomen dat hij in beginsel over eigen woonruimte kon beschikken.

Het aanhouden van afzonderlijke woonruimte behoeft op zichzelf het gezamenlijk voorzien in huisvesting niet in de weg te staan. In dat geval zal echter redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts ťťn van de beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van samenleven moet worden gesproken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het primaire besluit van 18 november 1996 om de uitkering van eiseres te beŽindigen, is gebaseerd op de bevindingen zoals die zijn vermeld in het eerder vermelde rapport van de sociale recherche van 18 januari 1996. Het bestreden besluit is daarenboven gebaseerd op de bevindingen die zijn vermeld in een ongedateerde rapportage van de sociale recherche die betrekking heeft op een in de periode van 28 november 1996 tot en met 19 maart 1997 uitgevoerd aanvullend onderzoek.

Ter zitting heeft getuige B verklaard dat F in 1993 enige tijd heeft verbleven in het psycho-medisch centrum Vijverdal en dat eiseres aansluitend in 1994 van F is gescheiden. Voorts heeft getuige B verklaard dat eiseres en F sindsdien niet meer hebben samengewoond. Ten slotte heeft hij verklaard dat eiseres, sinds zij geen bijstand meer ontvangt, financieel wordt ondersteund door verschillende familieleden en kennissen. Getuige B heeft ten slotte verklaard haar zelf
É150,- tot É250,- per maand te lenen.

Getuige C heeft ter zitting verklaard dat F na de echtscheiding steeds bij zijn ouders heeft gewoond. Zij heeft voorts verklaard dat zij eiseres regelmatig kleding schenkt, met name ten behoeve van haar kind.

Getuige D, de moeder van F, heeft ter zitting verklaard dat F na de echtscheiding steeds bij haar heeft gewoond. Zij heeft voorts aangegeven dat zij bij voornoemd huisbezoek op 16 januari 1996 door de sociale recherche onder druk is gezet en niet goed begreep wat er aan de hand was. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij de door haar ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaring weliswaar heeft ondertekend, maar dat zij niet wist wat zij tekende.

Getuige E heeft ter zitting verklaard dat zij D in de huishouding helpt en dat F, voor zover haar bekend is, steeds bij zijn ouders heeft gewoond.

Mede gelet op deze getuigenverklaringen is de rechtbank van oordeel dat voornoemde, op 18 januari 1996 opgemaakte, rapportage van de sociale recherche, die aanleiding is geweest voor de opschorting van de uitbetaling van de bijstand aan eiseres, op zichzelf genomen geen voldoende grondslag vormt voor het besluit tot beŽindiging van de uitkering van eiseres. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, is de rechtbank niet gebleken dat ter voorbereiding van het op 18 november 1996 genomen primaire besluit tot beŽindiging van de bijstand van eiseres enig aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden. Voorafgaand aan het bestreden besluit heeft echter wel een aanvullend onderzoek door de sociale recherche plaatsgevonden en wel voornoemd onderzoek met betrekking tot de periode van 28 november 1996 tot en met 19 maart 1997. Blijkens het desbetreffende rapport had het onderzoek betrekking op het inwinnen van inlichtingen bij de werkgever van F, op een elftal observaties in de periode van 28 november 1996 tot en met 24 februari 1997 en een op 19 maart 1997 gehouden avondcontrole aan het adres van F en aan dat van eiseres.

De door de werkgever van F gegeven inlichtingen bieden naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor de conclusie dat eiseres en F gezamenlijk zijn gehuisvest.

Uit de gehouden observaties en het huisbezoek volgt weliswaar dat F eiseres regelmatig bezoekt, maar dit wordt door eiseres op zichzelf ook niet ontkend. Tegen eiseres pleit echter dat F, bij het voorgenomen huisbezoek van de sociale recherche op 17 maart 1997, vluchtgedrag vertoonde en eiseres weigerde de deur te openen.

In het feit dat eiseres haar vaste lasten kan betalen, acht de rechtbank echter weer onvoldoende grond gelegen voor de veronderstelling dat deze lasten door F worden voldaan.

Al het voorgaande afwegend, waarbij de rechtbank in het bijzonder gewicht hecht aan het feit dat verweerder pas in een zeer laat stadium nader onderzoek heeft doen verrichten naar de vermeende samenwoning van eiseres met F en voorts in overweging nemend dat ook dit nader onderzoek ruimte voor twijfel laat, is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde gegevens onvoldoende grond bieden voor de conclusie dat eiseres over de gehele periode van 1 februari 1996 tot aan de datum van het bestreden besluit gezamenlijk met F was gehuisvest.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit tevens wegens schending van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

II.7.8. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 4 punten met een waarde van
É710,- toe voor de indiening van de drie beroepschriften en het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 4 x
É710,- x 1.

Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep tegen besluit I (besluit van 12 juni 1997, bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 987358) gegrond en vernietigt dit besluit;
2. herroept het besluit van 8 mei 1996;
3. verklaart het beroep tegen besluit II (besluit van 20 juni 1997, bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 988697) gegrond en vernietigt dit besluit;
4. herroept het besluit van 27 juni 1996;
5. verklaart het beroep tegen besluit I II (besluit van 12 juni 1997, bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 991555) gegrond en vernietigt dit besluit;
6. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 18 november 1996 met inachtneming van deze uitspraak;
7. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van 3 x
É55,- = É165,- wordt vergoed door de gemeente Maastricht;
8. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op
É2840,- wegens de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Maastricht aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Maastricht.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. M. Driessen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 1999 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Driessen            w.g. R.E. Bakker




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op:




Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken. Bij een spoedeisend belang staat voor het bestuursorgaan en een belanghebbende, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid open om zich tot de Voorzitter van de Centrale Raad van Beroep te wenden met een verzoek om voorlopige voorziening ingevolge artikel 8:81 van de Awb.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x