Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA3968
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Arnhem
Zaaknummer: 97/2937
Datum uitspraak: 11 februari 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14, 65, 66 en 106 Abw (= 18, 17, 53a en 55 Wwb) / 7:12 Awb
Trefwoorden: maatregel; sanctie; weigering machtiging aan GGD; informatie bij huisarts; advies; verplichte medische behandeling; verplichting
Essentie: Onterechte oplegging maatregel wegens weigering de GGD-arts te machtigen om informatie bij de huisarts in te winnen, omdat de GGD-arts zelfstandig de arbeids(on)geschiktheid kan beoordelen. Terecht is de verplichting opgelegd, op grond van het GGD-advies, dat belanghebbende zich onderwerpt aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Arnhem 97/2937




U I T S P R A A K



in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldermalsen, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 20 september 1997.




2. Feiten en procesverloop


Bij besluit van 19 september 1996 is de uitkering van eiseres op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) door verweerder per 1 september 1996 omgezet in een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Verweerder heeft eiseres daarbij voorlopig tot het resultaat van het in te stellen medisch onderzoek bekend is, vrijgesteld van de verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid.

Op 12 september 1996 is aan de Gemeentelijke Gezondheidsdienst Rivierenland (GGD) advies gevraagd met betrekking tot de arbeidsmogelijkheden voor eiseres.

Op 4 november 1996 heeft mevrouw J.W.M. Agricola, arts AGZ bij de GGD, aan verweerder advies uitgebracht. Deze arts heeft daarbij geconcludeerd dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn voor grote lichamelijke problemen en dat de gepresenteerde klachten niet geobjectiveerd kunnen worden, dat met betrekking tot de klachten een goed gefundeerd advies over de arbeidsgeschiktheid niet mogelijk is, maar dat mede gezien de onveranderde situatie ten opzichte van voorgaande jaren eiseres als arbeidsongeschikt is te beschouwen.

Bij besluit van 31 december 1996 heeft verweerder besloten de uitkering van eiseres gedurende ťťn maand te verlagen met 10%, omdat eiseres ondanks herhaald verzoek weigert mede te werken aan het onderzoek van de GGD. Voorts is daarbij aan eiseres de verplichting opgelegd om vůůr 1 april 1997 adequate hulpverlening in te schakelen, zodat er gewerkt kan worden aan verbetering van de medische situatie.

Door eiseres is op 11 februari 1997 tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is behandeld op 5 augustus 1997 door de commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften.
Eiseres is zonder bericht niet bij de behandeling verschenen. Vervolgens heeft deze commissie op 17 september 1997 advies aan verweerder uitgebracht.

Bij het hierboven aangeduide besluit van 20 september 1997, verzonden op 7 oktober 1997, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Voor de motivering van het besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van voormelde commissie.

Namens eiseres heeft mr. T.J. Roest Crollius, advocaat te Woerden, op 17 november 1997 tegen dit besluit beroep ingesteld, waarna de gronden van het beroep zijn uiteengezet in een aanvullend beroepschrift van 22 december 1997.

Verweerder heeft op 6 maart 1998 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 29 januari 1999, waar eiseres is vertegenwoordigd door mr. T.J. Roest Crollius, en waar verweerder zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




3. Overwegingen


In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij verweerder de bezwaren tegen het besluit van 31 december 1996 ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres al gedurende een zeer lange periode niet meewerkt aan een onderzoek dat kan resulteren in een beoordeling van de arbeidsongeschiktheid en dat derhalve terecht een sanctie is opgelegd. Voorts is verweerder van mening dat de verplichting aan eiseres om zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard, gezien het advies van de GGD, ingevolge artikel 106 van de Abw terecht is opgelegd.

Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat - kort samengevat - het geen zin heeft informatie bij haar huisarts in te winnen, nu van de onderzoekende arts mag worden verwacht dat deze na een onderzoek zelf een oordeel kan geven over de medische klachten en het objectiveren van die klachten. Voorts heeft eiseres verweerder steeds op de hoogte gehouden van haar klachten en heeft zij altijd haar volle medewerking verleend aan administratieve controles. Eiseres zoekt alle medische hulp waarvan zij verwacht dat zij baat zal hebben, maar weigert behandelingen waarvan - gelet op voorgaande ervaringen - vaststaat dat zij daarbij geen baat zal hebben.

De rechtbank overweegt als volgt.

Aan de Abw en de daarop gebaseerde regelgeving ligt het beginsel ten grondslag dat een ieder in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan. Als uitvloeisel van dit beginsel wordt van degene ten behoeve van wie bijstand wordt verleend dan wel gevraagd aan te tonen of aannemelijk te maken dat hij of zij buiten eigen verantwoordelijkheid niet kan beschikken over voldoende middelen om in het bestaan te voorzien.

In artikel 14 van de Abw is bepaald dat indien de belanghebbende onder meer blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan dan wel een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste, derde of vierde lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen, burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat een belanghebbende verplicht is aan burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.

Ingevolge artikel 66, derde, vierde en vijfde lid, van de Abw - kort samengevat - stellen burgemeester en wethouders zo nodig een onderzoek in naar gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel voortzetting van bijstand en verrichten dezen regelmatig een heronderzoek naar de voor het recht op bijstand van belang zijnde gegevens, welk (her)onderzoek mede omvat een onderzoek naar de mogelijkheden van de belanghebbende om door arbeid zelfstandig in het bestaan te voorzien alsmede de wijze waarop deze mogelijkheden kunnen worden vergroot.

Artikel 106 van de Abw bepaalt dat burgemeester en wethouders aan de bijstand verplichtingen kunnen verbinden die strekken tot inschakeling in de arbeid (...) of die strekken tot vermindering of beŽindiging van de bijstand. Een zodanige verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

Uit de stukken blijkt dat eiseres sinds de aanvang van de bijstand in 1982 heeft aangegeven niet te kunnen werken in verband met lichamelijke klachten. Eveneens vanaf die datum zijn met eiseres regelmatig hercontrolegesprekken gevoerd waarbij haar arbeidsgeschiktheid ter sprake is gekomen. Op 15 oktober 1991 wordt eiseres voor de duur van zes maanden arbeidsongeschikt geacht door de GGD Rivierenland. Daarbij wordt gesteld dat eiseres in overleg met haar huisarts zal werken aan haar problemen. In november 1993 en december 1994 wordt eiseres weer medisch onderzocht en wordt geconstateerd dat zij een aantal klachten heeft die haar arbeidsgeschiktheid mogelijk beÔnvloeden. Eiseres geeft geen toestemming tot het inwinnen van informatie bij haar huisarts.

Bij de onder rubriek 2 genoemde brief van 19 september 1996 wordt eiseres erop gewezen dat voor haar ingaande 1 september 1996 de verplichtingen op basis van de nieuwe Abw gelden. Tot die verplichtingen wordt onder andere gerekend dat eiseres meewerkt aan periodieke heronderzoeken. Van de daarbij eveneens genoemde verplichtingen, gericht op het zo spoedig mogelijk weer zelf in de kosten van het bestaan kunnen voorzien, is voorlopig vrijstelling verleend tot het resultaat van het medische onderzoek van de GGD bekend is.

In haar rapport van 4 november 1996 heeft mevrouw J.W.M. Agricola, arts AGZ bij de GGD, geconcludeerd dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn voor grote lichamelijke problemen en dat een goed gefundeerd advies niet mogelijk is, omdat eiseres geen toestemming geeft voor het inwinnen van informatie bij haar huisarts. Mede gezien de onveranderde situatie ten opzichte van voorgaande jaren is eiseres, volgens genoemde arts, als arbeidsongeschikt te beschouwen. Voorts zal het, blijkens dat rapport, door houding en gedrag van eiseres moeilijk zijn passende arbeid te vinden.

De rechtbank is vooreerst van oordeel dat het door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde standpunt dat een sanctie is opgelegd omdat eiseres ondanks meerdere verzoeken weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek van de GGD naar de mate van de arbeidsongeschiktheid van eiseres, op een onvoldoende feitelijke grondslag berust. De rechtbank is aan de hand van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat eiseres geweigerd heeft aan het feitelijke onderzoek door de GGD medewerking te verlenen. Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep op dit punt gegrond is en dat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb niet in stand kan blijven. Voor zover verweerder overigens van mening mocht zijn dat het weigeren door eiseres om toestemming te geven tot het inwinnen van informatie bij haar huisarts een reden kan zijn voor een "sanctie" merkt de rechtbank op dat uitsluitend het gebruik maken door eiseres van haar in de Grondwet verankerde recht om aan een onderzoekende arts toestemming te weigeren om informatie bij haar huisarts op te vragen niet tot een dergelijke "sanctie" kan leiden. Naar het oordeel van de rechtbank kan van een onderzoekende arts worden verwacht dat hij in staat is op basis van eigen medisch onderzoek en nader verkregen informatie, voor zover voorhanden, zich een oordeel te vormen over de medische klachten en de objectivering daarvan. Weigert een onderzochte om toestemming te verlenen om informatie bij derden in te winnen, dan kan de onderzoekende arts zijn oordeel uitsluitend baseren op eigen medisch onderzoek en zijn deskundigheid op medisch terrein. Indien op grond daarvan geconcludeerd mocht worden dat de klachten medisch objectief bezien niet te verklaren zijn, dan kan dat leiden tot de conclusie dat een onderzochte medisch objectief bezien niet als arbeidsongeschikt kan worden beschouwd.

De onderzochte kan in zo'n situatie in redelijkheid dan niet staande houden dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest omdat bij de behandelend sector geen informatie is ingewonnen.

Voorts acht de rechtbank een toestemming, als hier aan de orde, niet noodzakelijk voor het kunnen vaststellen van het recht op bijstand.

Voor wat betreft het opleggen aan eiseres van de verplichting om zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals hiervoor is aangegeven, kan de bijstandsbehoevende op grond van artikel 106 van de Abw, op advies van een arts, worden verplicht zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat genoemde arts van de GGD van oordeel is dat eiseres elke vorm van hulpverlening weigert en dat adequate medische hulp mogelijk is. Op basis daarvan heeft verweerder besloten tot oplegging van de in dit geding van belang zijnde verplichting.

De rechtbank is van oordeel dat - mede gezien de voorgeschiedenis zoals die uit de stukken blijkt - dit onderdeel van de bestreden beslissing in stand kan blijven. Het GGD-advies van 4 november 1996 kan als het in artikel 106 van de Abw geŽiste advies van een arts worden beschouwd. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden die tot de conclusie leiden dat verweerder in redelijkheid op basis van dat medisch advies niet tot oplegging van een zodanige verplichting had kunnen komen, zodat het beroep op dit punt faalt. De rechtbank gaat er hierbij overigens van uit dat omtrent de uitvoering van die verplichting nog nader overleg zal kunnen plaatshebben tussen eiseres en verweerder met name wat betreft de concretisering met betrekking tot de vraag bij wie eiseres welke hulpverlening dient te vragen.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op
É1420,-.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gezien het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.




4. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond, voor zover gericht tegen het verlagen van de uitkering gedurende ťťn maand met 10% en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van
É1420,-;
wijst de gemeente Geldermalsen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
bepaalt dat de gemeente Geldermalsen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad
É55,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 1999, in tegenwoordigheid van B.M.M. Kerkhoven als griffier.

De griffier,            De rechter,




Verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA3977
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 98/1320 NABW
Datum uitspraak: 22 maart 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 78 Abw (= 58 Wwb) / 1:3 en 8:72 Awb
Trefwoorden: vermogen; erfenis; terugvordering; mededeling; feitelijke handeling; rechtshandeling; rechtsgevolg; bezwaar; niet-ontvankelijk
Essentie: Onterechte ongerondverklaring bezwaar, omdat de mededeling van toekomstige terugvordering van bijstand geen besluit maar een feitelijke handeling is, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk is.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zutphen 98/1320 NABW




PROCES-VERBAAL  VAN  MONDELINGE  UITSPRAAK




in het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerder.




1. Bestreden besluit


Besluit van verweerder van 17 november 1998 tot ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 17 juli 1998, waarbij verweerder:
heeft beslist tot ongewijzigde voortzetting van de aan eiseres verstrekte bijstandsuitkering zolang zij niet daadwerkelijk over de nalatenschap van haar ouders kan beschikken;
heeft medegedeeld dat de verstrekte bijstand zal worden teruggevorderd vanaf de ingangsdatum van de uitkering, voor zover het bedrag dat uit de erfenis beschikbaar komt toereikend is.




2. Gronden


Ingevolge artikel 7:1 in verbinding met artikel 8:1 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan bezwaar worden gemaakt tegen een besluit. Ingevolge artikel 1:3 Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Het bezwaarschrift van eiseres was uitsluitend gericht tegen de mededeling van verweerder dat de verstrekte bijstand zal worden teruggevorderd vanaf de ingangsdatum van de uitkering, voor zover het bedrag dat uit de erfenis beschikbaar komt toereikend is.

Deze mededeling bevat niet een besluit tot terugvordering van bijstand, doch slechts de aankondiging van het voornemen tot terugvordering op enig moment in de toekomst, wanneer het bedrag uit de erfenis beschikbaar zal zijn gekomen. Uit deze aankondiging vloeien geen rechten of verplichtingen voort.

De mededeling is derhalve van feitelijke aard en niet gericht op enig rechtsgevolg, zodat geen sprake is van een rechtshandeling. Het bezwaarschrift was dus niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Dit betekent dat verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven.

De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bezwaarschrift alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

Er zijn termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiseres. Ter zake van rechtsbijstand wordt 1 punt toegekend met een gewichtsfactor 1.




3. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verklaart het bezwaarschrift van eiseres alsnog niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
gelast verweerders gemeente het betaalde griffierecht van
É55,- aan eiseres te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
É710,-, te betalen door verweerders gemeente.

Deze uitspraak is gedaan op 22 maart 1999.

Waarvan proces-verbaal,

H. de Groot, griffier,            Mr. K. van Duyvendijk, rechter,




Afschrift verzonden:




Binnen zes weken na deze datum staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA4021
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 98/999 ABW V12
Datum uitspraak: 13 augustus 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. Ė, 30 en 58 ABW (= 43, 65 en 78 Abw) (= 31, 17 en 58 Wwb) / 8:31, 8:42 en 8:72 Awb
Trefwoorden: inkomsten; vermogen; schadevergoeding; terugvordering; lijfrente-uitkering; immateriŽle schade; inlichtingenverplichting; inzending stukken
Essentie: Onterechte terugvordering van bijstand wegens ontvangen en verzwegen lijfrente-uitkering. Deze schadevergoeding behoort niet tot de in aanmerking te nemen middelen en behoeft derhalve niet te worden gemeld aan B&W. Het niet inzenden van alle stukken door B&W leidt reeds tot vernietiging van het bestreden besluit.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 98/999 ABW V12




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerders,
gemachtigde: H. Blokzijl, juridisch medewerker bij de gemeente Groningen.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 22 september 1998, nr. SPO140270V01/SZ98.66134/VTIR/KvL/JF, het bezwaar van eiseres van 16 juli 1998 tegen hun besluit van 30 maart 1998, waarbij van haar in verband met over de in dat besluit genoemde perioden ten onrechte ontvangen uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) een bedrag van
É51.216,94 is teruggevorderd, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 23 oktober 1998 beroep ingesteld en bij brief van 13 november 1998 de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerders hebben op 14 december 1998 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 februari 1999 heeft eiseres van repliek gediend.

Verweerders hebben van dupliek gediend bij brief van 25 februari 1999.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 10 augustus 1999. Voor eiseres is aldaar verschenen mr. J.W. Brouwer, kantoorgenoot van mr. Van Asperen voornoemd. Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door H. Blokzijl, ambtenaar der gemeente.




2. Rechtsoverwegingen



De feiten

Verweerders hebben bij besluit van 30 maart 1998 aan eiseres meegedeeld dat zij over de perioden van 1 april 1993 tot 1 september 1993 en van 1 september 1994 tot 1 september 1996 niet volledig en/of correct heeft voldaan aan de in artikel 30 ABW neergelegde inlichtingenverplichting, nu zij niet heeft aangegeven in die perioden een uitkering uit lijfrente te hebben ontvangen. Voorts hebben verweerders het uitkeringsrecht van eiseres over genoemde perioden herzien en van haar een bedrag van
É51.216,94 teruggevorderd.

Eiseres heeft tegen dit besluit op 16 juli 1998 een bezwaarschrift ingediend, waarbij zij heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden nu de door haar ontvangen uitkering niet relevant is voor de vaststelling van het recht op bijstand.

Verweerders hebben bij hun thans bestreden besluit deze bezwaren ongegrond verklaard. Naar het oordeel van verweerders is er sprake van voor de bepaling van het recht op bijstand relevante inkomsten en heeft eiseres daarvan ten onrechte geen opgave gedaan aan de Dienst SOZAWE.

Eiseres kan zich hier niet mee verenigen en heeft naar voren gebracht dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en dat het door eiseres ontvangen smartengeld buiten beschouwing blijft voor de vaststelling van het recht op bijstand. Subsidiair is aangevoerd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van terugvordering had moeten worden afgezien.

Ten aanzien van het geschil.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, ABW wordt door burgemeester en wethouders aan iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien bijstand verleend.
Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, van artikel 1 wordt de bijstand afgestemd op de omstandigheden en mogelijkheden van persoon en gezin, alsmede op het betoonde besef van verantwoordelijkheid van voor de voorziening van het bestaan. Eventuele inkomsten, ongeacht door wie van de in de bijstand begrepen gezinsleden deze worden genoten, dienen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II, paragraaf 3, Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln) op de uitkering in mindering te worden gebracht.

Artikel 30, tweede lid, ABW, bepaalt dat de persoon te wiens behoeve bijstand is gevraagd of wordt verleend verplicht is van al datgene wat van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan mededeling te doen, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken.

Blijkens de beschikbare stukken is door de sociale recherche in februari 1998 een onderzoek ingesteld, naar aanleiding van het gerezen vermoeden dat aan eiseres ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering was verstrekt.

De rechtbank moet allereerst vaststellen dat door verweerders niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn ingezonden. Zo is onder de door verweerders ingezonden stukken bijvoorbeeld geen rapport van de afdeling sociale recherche van de Dienst aangetroffen, doch slechts twee door eiseres bij de sociale recherche afgelegde verklaringen. Evenmin is een specificatie van het teruggevorderde bedrag aangetroffen. De rechtbank kan zo onvoldoende controleren wat de inhoud is geweest van het namens verweerders uitgevoerde voorbereidend onderzoek en in hoeverre het zorgvuldig is verlopen. Voor eiseres betekent het niet beschikken over stukken, waarover verweerders kennelijk wel beschikken, naar moet worden vermoed dat zij in haar processuele belangen is geschaad. In elk geval heeft zij onvoldoende inzicht gehad in de hoogte van het teruggevorderde bedrag.

Het niet inzenden van alle stukken moet daarom, gelet op artikel 8:42 juncto artikel 8:31 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), naar het oordeel van de rechtbank reeds leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

De rechtbank acht het echter - om proceseconomische redenen - aangewezen thans nog het volgende te overwegen.

Eiseres wordt door verweerders verweten de in artikel 30, tweede lid, van de ABW neergelegde inlichtingenverplichting te hebben geschonden.

Uit de beschikbare stukken en uit hetgeen door eiseres onbetwist is gesteld, leidt de rechtbank het volgende af.

Eiseres is op 10-jarige leeftijd een zeer ernstig ongeval overkomen. In verband met de door haar ook thans nog ondervonden gevolgen van dat ongeval, zowel in materiŽle als in immateriŽle zin, ontvangt zij op grond van een akte van dading d.d. 16 september 1992 een schadevergoeding van de verzekeringsmaatschappij Centraal Beheer. Deze schadevergoeding wordt, zo zijn partijen bij bedoelde dading overeengekomen, aan eiseres uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens en in de vorm van twee lijfrentes.

De lijfrente-uitkeringen zijn naar het oordeel van de rechtbank gelet op de vorenbedoelde dading en de titel op grond waarvan de lijfrentes zijn gevestigd bezwaarlijk anders te begrijpen dan als uitgestelde betalingen van de eiseres toekomende schadevergoeding en niet - zoals verweerders kennelijk menen - als inkomsten uit voor bijstandverstrekking relevant vermogen. Reeds meermalen is in de rechtspraak uitgemaakt dat smartengelduitkeringen en schadevergoedingen niet zijn aan te merken als vermogen c.q. inkomsten. Het wezen van smartengeld is immers een geldelijke tegemoetkoming, bedoeld als pleister op de niet te helen wond van geleden smart.

Met eiseres is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij er terecht van uitgegaan is dat de door haar ontvangen schadevergoeding niet relevant is voor haar recht op uitkering ingevolge de Abw.

Van een schending van de inlichtingenplicht is derhalve geen sprake geweest, zodat verweerders ten onrechte het recht van eiseres op bijstand hebben herzien over de perioden van 1 april 1993 tot 1 september 1993 en van 1 september 1994 tot 1 september 1996 en over die perioden de door eiseres ontvangen ABW-uitkering hebben teruggevorderd.

Vorenstaande overwegingen leiden eveneens tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond.

Nu verweerders gelet op het vorenoverwogene niet tot een ander besluit op bezwaar zullen kunnen komen dan het navolgende ziet de rechtbank aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.

De rechtbank verklaart het bezwaar van eiseres tegen het besluit van verweerders d.d. 30 maart 1998 alsnog gegrond en vernietigt dat besluit.



Griffierecht en proceskosten

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient op grond van artikel 8:74, eerste lid, Awb, tevens te worden bepaald dat het door eiseres betaalde griffierecht ad
É55,- door de gemeente Groningen aan eiseres wordt vergoed. De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerders op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs door eiseres zijn gemaakt en wijst de gemeente Groningen aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op É1775,-, zoals aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond.
vernietigt verweerders besluit van 22 september 1998;
verklaart het bezwaarschrift van eiseres d.d. 16 juli 1998 alsnog gegrond en vernietigt het besluit van verweerders van 30 maart 1998;
bepaalt dat de
gemeente Groningen eiseres het betaalde griffierecht ad É55,- vergoedt;
veroordeelt verweerders in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn vastgesteld op
É1775,-, en bepaalt dat de gemeente Groningen deze kosten aan eiseres dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op 13 augustus 1999, in tegenwoordigheid van H.H. Janssens als griffier.

De griffier, wnd.,            De rechter,




Afschrift verzonden op: 13 augustus 1999.

Bijlage: Staat van kosten.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Ioaz
x
LJN:
x
AA4022
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 98/762 NABW V12
Datum uitspraak: 13 augustus 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 39 Abw (= 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; woonkostentoeslag; verhuisplicht; woonlasten boven maximumhuurgrens; eigen woning
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag na eindiging van de (redelijke) overbruggingsperiode om te voldoen aan de verhuisplicht wegens woonlasten boven de maximumhuurgrens.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 98/762 NABW V12




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiser A] en [eiseres B], wonende te [woonplaats], eisers,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam, verweerders.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 1 juli 1998, nr. 543 BB/NG, het bezwaar van eisers van 17 februari 1998 tegen hun besluit van 15 januari 1998 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit hebben verweerders aan eisers een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) toegekend en voorts de door eisers aangevraagde bijzondere bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) in de vorm van een woonkostentoeslag toegekend per 1 augustus 1997, doch deze beŽindigd per 1 maart 1998.

Eisers hebben tegen dit besluit bij beroepschrift van 1 augustus 1998, op nader in het beroepschrift aangegeven gronden, beroep ingesteld tegen de beŽindiging van de woonkostentoeslag.

Verweerders hebben op 15 september 1998 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 10 augustus 1999. Voor eisers is aldaar A verschenen. Verweerders hebben zich ter zitting niet doen vertegenwoordigen.




2. Rechtsoverwegingen



2.1. Feiten

Eisers waren tot augustus 1998 eigenaren van de woning aan de [...]straat 66 te C.

Zij hebben in januari 1997 bij verweerders een aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag ingediend. Bij besluit van 3 februari 1997 is per 22 augustus 1996 tot 1 maart 1997 een woonkostentoeslag toegekend. Tevens is bij dat besluit gesteld: "Doordat de woonlasten de maximale huurgrens overschrijden wordt aan u de zgn. verhuisplicht opgelegd. Dit houdt in dat u woonruimte dient te zoeken die is afgestemd op uw inkomen". Eisers hebben tegen dat besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

Per 1 augustus 1997 hebben eisers bij verweerders een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), tevens is een woonkostentoeslag aangevraagd.

Bij besluit van 15 januari 1998 wordt aan eisers met ingang van 1 augustus 1997 een uitkering ingevolge de Ioaz toegekend, voorts is een woonkostentoeslag toegekend per 1 augustus 1997, doch deze beŽindigd per 1 maart 1998. Ten aanzien van die beŽindiging is in het besluit overwogen: "Vanaf 1 maart 1998 wordt aan u geen woonkostentoeslag meer verstrekt op grond van het feit dat de kosten van de woning boven de maximale huurgrens liggen en aan u reeds bij beschikking van 3 februari 1997 de verhuisplicht is opgelegd".

Tegen dit besluit hebben eisers op 17 februari 1998 een bezwaarschrift ingediend, voor zover daarbij de woonkostentoeslag niet ook na 1 maart 1998 wordt toegekend.

Bij het thans bestreden besluit hebben verweerders het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers kunnen zich met dat besluit niet verenigen en hebben in beroep aangevoerd dat de in het besluit van 3 februari 1997 gestelde verhuisplicht onvoldoende is gemotiveerd, dat er geen termijn is genoemd en dat verweerders er ten onrechte van uitgegaan zijn dat die verhuisplicht nog gold voor eisers. Voorts hebben zij aangevoerd dat hun woonlasten ten tijde van het bestreden besluit de huurgrens niet overstijgen.



2.2. Ten aanzien van het geschil



2.2.1. de omvang van het geschil

De rechtbank stelt vast dat eisers in beroep slechts grieven hebben aangevoerd tegen de in het bestreden besluit neergelegde beŽindiging van de woonkostentoeslag per 1 maart 1998. Het tussen partijen bestaande geschil beperkt zich derhalve tot dat aspect.



2.2.2. beoordeling van het geschil

Op grond van artikel 7, eerste lid, Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht op bijstand van overheidswege. Ingevolge artikel 39, eerste lid, Abw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht. Het is voor de verlening van bijzondere bijstand geen vereiste dat men algemene bijstand ontvangt. Ook degene die, uit andere bron dan de Abw, beschikt over een inkomen dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet toereikend is ter voorziening in bepaalde bijzondere noodzakelijke kosten kan een beroep op bijstand doen.

De rechtbank overweegt allereerst het volgende.

Aan eisers is bij besluit van 3 februari 1997 een verhuisplicht opgelegd. Tegen dit besluit hebben eisers geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden. De grieven van eisers treffen derhalve geen doel voor zover zij zich richten tegen de bij dat besluit opgelegde verhuisplicht (of de motivering daarvan).

Naar het oordeel van de rechtbank moet het eisers sedert de ontvangst van het besluit van 3 februari 1997 genoegzaam duidelijk geweest zijn dat de toegekende woonkostentoeslag diende ter overbrugging en voor een bepaalde periode gedurende welke eisers op een goedkopere wijze dienden te voorzien in woonruimte. Reeds uit het opleggen van de verhuisplicht hebben eisers kunnen afleiden dat verweerders niet opnieuw een woonkostentoeslag zouden toekennen. De rechtbank volgt eisers dan ook niet in hun stelling dat verweerders niet hebben mogen verwijzen naar de bij besluit van 3 februari 1997 opgelegde verhuisplicht. Evenmin valt in te zien waarom - zoals eisers hebben gesteld - de verhuisplicht sinds 1 maart 1997 niet meer gold omdat zij vanaf dat moment niet meer bijstandsbehoeftig waren.

De rechtbank overweegt voorts dat de termijn die eisers is gegeven om goedkopere woonruimte te vinden haar niet onredelijk voorkomt. Door aan eisers, ondanks de reeds in februari 1997 opgelegde verhuisplicht, een woonkostentoeslag toe te kennen voor de periode van 1 augustus 1997 tot 1 maart 1998 hebben verweerders eisers geenszins tekort gedaan.

Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de woning van eisers niet op korte termijn kon worden verkocht, nu eisers hun woning pas geruime tijd na het opleggen van de verhuisplicht te koop hebben aangeboden.

Eisers stelling met betrekking tot de hoogte van de woonlasten ten tijde van het bestreden besluit laat de rechtbank onbesproken nu reeds op grond van de eerder opgelegde verhuisplicht per 1 maart 1998 kon worden beŽindigd.

Vorenstaande overwegingen leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Het beroep is derhalve ongegrond.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.



Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op 13 augustus 1999, in tegenwoordigheid van H.H. Janssens als griffier.

De griffier, wnd.,            De rechter,




Afschrift verzonden op: 13 augustus 1999.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / Wet BMT
x
LJN:
x
AA4072
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Amsterdam
Zaaknummer: AWB 99/9152 NABW en AWB 99/9153 NABW
Datum uitspraak: 13 oktober 1999
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 5a, 30 en 57 ABW (= 3, 65 en 81 Abw) (= 3, 17 en 58 Wwb) / XVI Wet BMT
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; onderhoudsplichtige; terugvordering; herstel gebreken; mandaat; fraude
Essentie: Terechte afwijzing verzoeken voorlopige voorziening, omdat terecht bijstand is teruggevorderd wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding met een onderhoudsplichtige. In de bezwaarprocedure zullen de aan de primaire besluiten klevende gebreken worden hersteld.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Amsterdam AWB 99/9152 NABW en AWB 99/9153 NABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:84 van de
Algemene wet bestuursrecht inzake:

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluiten


a. besluit van verweerder van 15 april 1999;
b. besluit van verweerder van 20 april 1999.




2. Ontstaan en loop van het geding


Bij het bestreden besluit sub a heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld dat de aan haar in afwachting van de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep (CRvB) in de door haar aangespannen beroepsprocedure verstrekte voorschotten ten bedrage van É22.407,90 op grond van artikel 78, eerste lid, en artikel 80 van de Algemene bijstandswet (Abw) zullen worden teruggevorderd, omdat vast is komen te staan dat zij geen recht op bijstand heeft gehad.

Bij het bestreden besluit sub b heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld dat: het recht op bijstand over de periode van 1 januari 1987 tot en met 31 oktober 1996 wordt herzien, omdat vast is komen te staan dat zij over deze periode te veel of ten onrechte bijstand heeft ontvangen aangezien zij onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, dan wel op een andere manier niet aan de wettelijke mededelingsplicht heeft voldaan. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat verzoekster heeft nagelaten mee te delen dat zij gedurende deze periode met Z samenwoonde onder omstandigheden die in financieel-economisch opzicht niet wezenlijk verschilden van de situatie van een gezin als bedoeld in artikel 5a van de Algemene Bijstandswet (hierna: de ABW-oud) c.q. artikel 3, tweede lid, Abw (nieuw) en Z in die periode over inkomsten beschikte die de voor een gezin geldende bijstandsnorm te boven gingen; de over de periode van 1 mei 1994 tot en met 31 oktober 1996 aan verzoekster betaalde (bruto)bijstandsuitkering van in totaal
É54.183,54 van haar wordt teruggevorderd.

Hierbij is verder aangegeven dat, teneinde een passende aflossingsregeling te treffen met betrekking tot dit benadelingsbedrag en het in het bestreden besluit sub a genoemde benadelingsbedrag, verzoekster binnen twee weken diverse met name genoemde stukken dient over te leggen. Verzoekster is er in dat verband op gewezen dat indien zij niet binnen deze termijn reageert, zij de vordering met ingang van 1 juni 1999 in 60 maandelijkse termijnen van
É1276,52 dient af te lossen. Ten slotte heeft verweerder aangegeven dat het besluit een executoriale titel oplevert.

Tegen deze besluiten heeft mr. M.M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam, namens verzoekster op respectievelijk 27 en 29 april 1999 bezwaarschriften ingediend.

Bij brief van 17 september 1999 heeft mr. Van Hoof voornoemd zich namens verzoekster tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft desgevraagd de op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden.

Het verzoek is op 7 oktober 1999 ter zitting behandeld. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.M.A. van Hoof voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L. Brinks, werkzaam bij de gemeentelijke sociale dienst.




3. Motivering


Ingevolge artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.



Feiten en omstandigheden

Verzoekster, geboren [...] 1947, ontving ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan een bijstandsuitkering naar de voor haar geldende bijstandsnorm.

Bij besluit van 15 oktober 1996 heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoekster met ingang van 1 november 1996 beŽindigd, omdat verzoekster naar het oordeel van verweerder met Z een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, tweede lid, Abw c.q. artikel 5a ABW-oud voert en Z inkomsten uit arbeid heeft die de voor hen beiden geldende bijstandsnorm te boven gaan. Een ten aanzien van dit besluit namens verzoekster bij de president van de rechtbank ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 5 december 1996, reg.nr. AWB 96/10641 ABW, afgewezen. Het tegen dit besluit namens verzoekster ingediende bezwaarschrift is door verweerder bij besluit van 17 januari 1997 ongegrond verklaard.

Op 25 februari 1997 is namens verzoekster beroep bij de rechtbank ingesteld. Daaropvolgend is op 6 maart 1997 bij de president van de rechtbank een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 1 mei 1997, reg.nrs. AWB 97/1295 RWW en 97/1304 RWW, heeft de president onder toepassing van artikel 8:86 Awb het beroep ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij brief van 2 juni 1997 heeft verzoeksters gemachtigde tegen deze uitspraak hoger beroep bij de
Centrale Raad van Beroep (CRvB) ingesteld. Bij afzonderlijke brief van diezelfde datum heeft verzoeksters gemachtigde de President van de CRvB verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 8 augustus 1997, nr. 97-4538 ABW-VV, heeft de President van de CRvB dit verzoek toegewezen en bepaald dat verweerder aan verzoekster met ingang van die datum voorschotten ingevolge de Abw dient te verstrekken naar de voor haar geldende bijstandsnorm, totdat door de CRvB in de bodemprocedure zal zijn beslist.

De CRvB heeft vervolgens bij uitspraak van 19 januari 1999, nr. 97/4522 ABW, de bovenaangehaalde uitspraak van de president van de rechtbank van 1 mei 1997 bevestigd.

Verweerder heeft daarop geconstateerd dat de uit hoofde van voorvermelde uitspraak van de President van de CRvB aan verzoekster verstrekte voorschotten - tot een totaalbedrag van
É20.407,90 - onverschuldigd zijn betaald en heeft vervolgens het bestreden besluit sub a genomen.

Met de vaststelling door de CRvB in bovenaangehaalde uitspraak dat verweerder de bijstandverlening aan verzoekster terecht en op goede gronden met ingang van 1 november 1996 heeft beŽindigd, is door verweerder blijkens de gedingstukken geconcludeerd dat aan verzoekster over de periode van 1 januari 1987 tot en met 31 oktober 1996 ten onrechte of te veel bijstand is verstrekt. Naar de mening van verweerder heeft verzoekster onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt door geen mededeling te doen van de omstandigheid dat zij een gezamenlijke huishouding met Z voert en dat de inkomsten van Z hoger zijn dan de geldende bijstandsnorm. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit sub b genomen.



Standpunten van partijen

Verzoekster kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft, samengevat, allereerst aangevoerd dat de bestreden besluiten de vermelding "In naam der Koningin" ontberen, zoals voorschreven in artikel 430 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Bij gebreke hiervan kunnen de besluiten naar verzoeksters opvatting niet geŽxecuteerd worden. Verder is verzoekster van mening dat de bestreden besluiten ten onrechte krachtens mandaat zijn genomen; volgens haar heeft te gelden dat de aard van de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een executoriale titel, welke titel immers kleeft aan terugvorderingsbesluiten als hier aan de orde, zich tegen mandaatverlening verzet, zodat sprake is van strijdigheid met artikel 10:3, eerste lid, Awb. Met betrekking tot de in het bestreden besluit sub a aangegeven rechtsgrond voor de terugvordering - te weten het bepaalde in artikel 78, eerste lid, en artikel 80 Abw - heeft verzoekster voorts gesteld dat deze niet juist is. Waar in casu geen voorschotten op grond van artikel 74 Abw zijn verstrekt, doch de voorschotten uit hoofde van de uitspraak van de President van de CRvB zijn betaald, is de verwijzing naar artikel 80 Abw niet juist en moet geconcludeerd worden dat de daarop gebaseerde terugvordering onrechtmatig is. Voor wat betreft het bestreden besluit sub b stelt verzoekster zich op het standpunt dat zij nimmer onjuiste en/of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt of niet aan haar wettelijke mededelingsplicht heeft voldaan. Zij heeft verweerder in het verleden steeds volledig ingelicht over haar feitelijke situatie, echter de door haar verstrekte informatie heeft niet geleid tot aanpassing of beŽindiging van de bijstandsuitkering. Naar de mening van verzoekster had verweerder de herziening en terugvordering verder op de ABW-oud dienen te baseren in plaats van op de Abw en had verweerder zich met een verzoekschrift tot terugvordering tot de kantonrechter dienen te wenden. Het besluit tot terugvordering levert dan ook geen executoriale titel op.

Verzoekster vordert thans als voorlopige voorziening dat verweerder wordt opgedragen dat de bestreden besluiten worden geschorst. Verzoekster heeft er in dat verband op gewezen dat verweerder dreigt tot beslaglegging over te gaan indien niet vůůr 20 september 1999 een bedrag van
É3829,56 betaalbaar wordt gesteld. Het ontbreekt haar evenwel aan middelen om aan deze vordering - waarvan zij bovendien de juistheid bestrijdt - te voldoen. Verweerder stelt zich, samengevat, op het standpunt dat met de uitspraak van de CRvB van 19 januari 1999 vast is komen te staan dat aan verzoekster ten onrechte en onverschuldigd voorschotten zijn verstrekt in afwachting van de beroepsprocedure bij de CRvB, in verband waarmee is besloten om deze voorschotten terug te vorderen. Met deze uitspraak van de CRvB is voorts vast komen te staan dat de bijstandverlening terecht en op de juiste gronden per 1 november 1996 is beŽindigd. Waar reeds veel langer sprake was van de situatie zoals die zich per die datum voordeed, is daaruit geconcludeerd dat al langer onverschuldigd bijstand is verstrekt en is besloten om het recht op bijstand te herzien en de bijstand over een aantal jaren terug te vorderen. De in het bestreden besluit sub a aangegeven rechtsgrond voor de terugvordering is niet juist. Voor deze terugvordering behoeft niet eerst een herzieningsbesluit te worden genomen. In het te nemen besluit op bezwaar zal als rechtsgrond voor deze terugvordering het bepaalde in artikel 81, tweede lid, Abw worden aangegeven. Ook de in het bestreden besluit sub b aangegeven rechtsgrond is, gelet het bepaalde in artikel XVI van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: de Wet BMT) - niet juist en zal in het te nemen besluit op bezwaar worden hersteld. De terugvordering zal alsdan voor de periode tot 1 januari 1996 worden gebaseerd op artikel 57 juncto artikel 30, tweede lid ABW-oud en voor de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 oktober 1996 op artikel 81, eerste lid, juncto artikel 65 Abw, zoals die artikelen in die periode luidden. De overige aan de bestreden besluiten klevende gebreken zullen eveneens in het te nemen besluit op bezwaar worden hersteld; het besluit op de bezwaren zal overigens binnen afzienbare tijd worden genomen, nu reeds op 1 oktober 1999 een hoorzitting is gehouden. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde verder meegedeeld dat de bestreden besluiten zijn genomen door beslissers die daartoe krachtens mandaat bevoegd zijn. Het nemen van terugvorderingsbesluiten is - zo is door verweerders gemachtigde bepleit - geen bevoegdheid die, gelet op de aard daarvan, van mandaat behoort te worden uitgesloten.



Overwegingen

Voor wat betreft verzoeksters stelling dat beide bestreden besluiten ten onrechte in mandaat namens verweerder zijn genomen, merkt de president allereerst het volgende op.

De president vermag niet in te zien dat de aard van de bevoegdheid tot het nemen van terugvorderingsbesluiten als hier aan de orde zich tegen het verlenen van mandaat zou verzetten. Niet valt in te zien dat een terugvorderingsbesluit in dat opzicht niet gelijk te stellen is met ieder ander in het kader van de uitvoering van de Abw te nemen besluit, die - zoals bekend - ook veelal in mandaat worden genomen. Voorts is voor de president in genoegzame mate vast komen te staan dat de hier bestreden besluiten zijn genomen door beslissers krachtens een hun rechtsgeldig verleend mandaat.

Verder wordt het volgende overwogen.

Met de bovenaangehaalde uitspraak van de CRvB van 19 januari 1999 is vast komen te staan dat de bijstandverlening aan verzoekster per 1 november 1996 terecht en op juiste gronden is beŽindigd. Als gevolg hiervan moet op voorhand met verweerder worden geoordeeld dat de uit hoofde van de uitspraak van de President van de CRvB van 8 augustus 1997 vanaf die datum aan verzoekster verstrekte voorschotten ingevolge de Abw door verweerder onverschuldigd zijn betaald. Aan de hand van het overwogene in vorenvermelde uitspraken van de president van deze rechtbank van 5 december 1996 en 1 mei 1997 moet voorts worden vastgesteld dat reeds veel langer sprake was van de situatie die per 1 november 1996 tot beŽindiging van de bijstandverlening leidde. Naar voorshands wordt geoordeeld heeft verweerder dan ook terecht uit de zich voordoende omstandigheden geconcludeerd dat al langer onverschuldigd bijstand is verstrekt.

Met de hier bestreden besluiten heeft verweerder de onverschuldigd betaalde uitkering van verzoekster teruggevorderd.

Per 1 juli 1997 is, voor wat betreft de Abw, de Wet BMT in werking getreden. Als gevolg daarvan is de Abw, onder andere op het punt van terugvordering van verleende bijstand, gewijzigd.

In artikel XVI, eerste lid, van de Wet BMT is bepaald dat in de bevoegdheid van de gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vůůr de inwerkingtreding van deze wet alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening van hetgeen vůůr die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging wordt gebracht. In het tweede lid van dit wetsartikel is voorts bepaald dat ten aanzien van besluiten tot terugvordering of verrekening die vůůr de datum van deze wet zijn bekendgemaakt het recht zoals dat vůůr die datum gold van toepassing blijft.

Het vorenstaande betekent dat in dit geval de vraag of verweerder bevoegd is het over de periode van 1 mei 1994 tot en met 31 oktober 1996 onverschuldigd betaalde bedrag van verzoekster terug te vorderen, moet worden beoordeeld aan de hand van de terugvorderingsbepalingen zoals die gedurende die periode luidden. In dit geval heeft dit tot gevolg dat de periode van 1 mei 1994 tot en met 31 december 1995 moet worden beoordeeld aan de hand van de tot 1 januari 1996 geldende Algemene Bijstandswet (de ABW-oud) en de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 oktober 1996 aan de hand van de Abw, zoals die te dien tijde luidde. De vraag of verweerder bevoegd is de vanaf 8 augustus 1997 onverschuldigd betaalde voorschotten ingevolge de Abw terug te vorderen, moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen in de Abw zoals die vanaf 1 juli 1997 zijn gaan luiden. Waar de bestreden besluiten nŠ 1 juli 1997 aan verzoekster bekend zijn gemaakt, volgt uit het tweede lid van artikel XVI van de Wet BMT dat de vanaf dat moment geldende effectueringsbepalingen op de (gehele) terugvorderingen van toepassing zijn.

Voor zover verzoekster derhalve stelt dat verweerder zich voor wat betreft de in het bestreden besluit sub b kenbaar gemaakte terugvordering door middel van een verzoekschrift tot de kantonrechter had dienen te wenden, kan zij derhalve hier niet in worden gevolgd.

Voorts wordt als volgt overwogen.



Ten aanzien van het bestreden besluit sub a

Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit als rechtsgrond voor deze terugvordering verwezen naar het bepaalde in artikel 80 Abw. Waar de voorschotverlening aan verzoekster evenwel niet op grond van artikel 74 Abw heeft plaatsgevonden, kunnen deze voorschotten naar het oordeel van de president dan ook niet op basis van artikel 80 Abw van verzoekster worden teruggevorderd.

Ter zitting heeft verweerders gemachtigde aangegeven de in het bestreden besluit aangegeven rechtsgrond voor deze terugvordering niet te zullen handhaven. Naar verweerder thans meent, dient de terugvordering van de verleende voorschotten op het bepaalde in artikel 81, tweede lid, Abw te worden gebaseerd. In het te nemen besluit op bezwaar zal ťťn en ander in deze zin worden hersteld.

Ten aanzien van de hier aan de orde zijnde terugvordering merkt de president allereerst op dat verweerders standpunt wordt gedeeld dat niet voorafgaand aan een dergelijke terugvordering een zogenaamd herzieningsbesluit behoeft te worden genomen; een eerder toegekend recht op bijstand is immers niet in geding.

In artikel 81, eerste lid, Abw is bepaald dat bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend van de belanghebbende wordt teruggevorderd. In het tweede lid van artikel 81 Abw is voorts bepaald dat hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.

Waar de aan verzoekster verstrekte voorschotten naar voorlopig oordeel dienen te worden begrepen onder de zinsnede "hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald" en verzoekster - nu in de uitspraak van de President van de CRvB van 8 augustus 1997 het voorlopig karakter van de toegekende voorschotten is benadrukt - voorts "redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat zij daarop geen aanspraak kon maken", komt de president het bepaalde in artikel 81, tweede lid, Abw als rechtsgrond voor de hier aan de orde zijnde terugvordering voorshands niet onjuist voor.

Verweerder is vooralsnog niet tot invordering van de onverschuldigd betaalde voorschotten op basis van dit bestreden besluit overgegaan (en heeft ter zitting ook niet aangegeven dit thans op korte termijn te zullen doen). Gelet hierop en gegeven het karakter van de bezwaarschriftenprocedure - te weten dat van een volledige heroverweging - waarin de aan dit besluit klevende gebreken kunnen worden hersteld en de in dit verband ter zitting gegeven toelichting van de zijde van verweerder, zal bij de beoordeling van het onderhavige verzoek aan deze gebreken, mede bezien ook in het licht van het hiervoren overwogene, geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

Gelet op het voorgaande en hetgeen overigens zowel uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, bestaat dan ook geen aanleiding om ten aanzien van dit bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen.



Ten aanzien het bestreden besluit sub b

Zoals hierboven reeds aangegeven, deelt de president verweerders standpunt dat reeds vůůr 1 november 1996 sprake was van de situatie die tot beŽindiging van de bijstandverlening per die datum heeft geleid en dat mitsdien al langer onverschuldigd bijstand is verstrekt. De president stelt vast dat verzoekster nimmer uit eigen beweging aan verweerder alle informatie kenbaar heeft gemaakt die naderhand tot de vaststelling van het voeren van een gezamenlijke huishouding met Z heeft geleid, weshalve zij de op haar rustende rechtsplicht tot het verstrekken van (juiste) inlichtingen heeft geschonden. Verzoekster heeft er weliswaar op gewezen dat zij altijd alle relevante informatie aan verweerder heeft doorgegeven, doch deze stelling wordt als niet juist van de hand gewezen. Uit de hierboven aangehaalde uitspraken van de president van deze rechtbank van 5 december 1996 en 1 mei 1997 blijkt reeds dat verzoekster nimmer eigener beweging melding heeft gemaakt van het in mede-eigendom verkrijgen van de door haar en Z bewoonde woonboot en de financiering daarvan in 1978, in welke periode verzoekster reeds bijstand ontving; van het te dien tijde opgestelde verblijvingsbeding is evenmin destijds melding gemaakt. Verzoekster had zich dan ook dienen te realiseren dat ťťn en ander van relevantie was c.q. kon zijn voor de bijstandverlening aan haar en had hiervan melding dienen te maken. Bij twijfel aan haar kant of zij dit al dan niet aan verweerder moest opgeven, had het naar het oordeel van de president op de weg van verzoekster gelegen om dit zekerheidshalve te doen. Verweerder heeft mitsdien terecht besloten verzoeksters recht op bijstand te herzien.

Naar het oordeel van de president is verweerder onder deze omstandigheden op grond van het bepaalde in artikel 57 ABW-oud juncto artikel 30, tweede lid ABW-oud (voor wat betreft de over de periode van 1 mei 1994 tot en met 31 december 1995 verleende bijstand) en op grond van artikel 81, eerste lid, Abw juncto artikel 65 Abw (voor wat betreft de over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 oktober 1996 verleende bijstand) bevoegd c.q. verplicht om de onverschuldigd betaalde bijstandsuitkering van verzoekster terug te vorderen.

Geconstateerd moet worden dat verweerder ook in dit bestreden besluit derhalve niet de juiste wettelijke grondslag voor de terugvordering heeft vermeld. Verweerders gemachtigde heeft evenwel ter zitting aangegeven de in het bestreden besluit aangegeven rechtsgrond voor deze terugvordering ook niet te zullen handhaven en in plaats hiervan in het te nemen besluit op bezwaar de hierboven aangegeven wettelijke grondslag in de plaats te zullen stellen.

Vastgesteld moet worden dat verweerder nog niet tot invordering van de onverschuldigd betaalde bijstandsuitkering op basis van dit bestreden besluit is overgegaan en ter zitting heeft aangegeven nog steeds bereid te zijn om te komen tot een aflossingsregeling. Gelet hierop en gegeven het karakter van de bezwaarschriftenprocedure - te weten dat van een volledige heroverweging - waarin de aan dit besluit klevende gebreken kunnen worden hersteld en de in dit verband ter zitting gegeven toelichting van de zijde van verweerder, zal bij de beoordeling van het onderhavige verzoek ook aan deze gebreken, mede bezien ook in het licht van het hiervoren overwogene, geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

Gelet op het voorgaande en hetgeen overigens zowel uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, bestaat eveneens geen aanleiding om ten aanzien van dit bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen.

Voorts wordt geen aanleiding gevonden om gebruik te maken van de bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is een grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.




4. Beslissing


De president:

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, voor zover dat betrekking heeft op het bestreden besluit sub a, af;
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, voor zover dat betrekking heeft op het bestreden besluit sub b, af.

Gewezen door mr. M. van Mourik, fungerend president, in tegenwoordigheid van J.J.H. van den Bogaard, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 1999 door mr. M. van Mourik, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier,            De president,




Afschrift verzonden op:

 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x