Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Awb
x
LJN:
x
AA4116
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Middelburg
Zaaknummer: Awb 98/315 en Awb 99/691
Datum uitspraak: 29 oktober 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 107 en 113 Abw (n.v.t. op Wwb) / 6:2 en 7:10 Awb
Trefwoorden: maatregel; sanctie; schending arbeidsverplichtingen; sollicitatieverplichting; volledige verzorgende taak voor kind jonger dan 5 jaar; onbevoegdelijke overschrijding beslistermijn bezwaar
Essentie: Onterecht opgelegde maatregelen wegens vermeende herhaaldelijke schending van arbeidsverplichtingen. Partners zijn vrij in de keuze wie van hen (i.c. de vrouw) is belast met de volledige verzorgende taak voor een kind jonger dan 5 jaar (en derhalve is ontheven van de arbeidsverplichtingen). Nu de man volledig arbeidsongeschikt is, zijn beide partners ontheven van de arbeidsverplichtingen. B&W zijn niet bevoegd de beslistermijn voor bezwaar te overschrijden om een rechterlijke uitspraak te kunnen afwachten.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Middelburg Awb 98/315 en Awb 99/691




U I T S P R A A K




inzake:

[eiser A] en [eiseres B], wonende te [woonplaats], eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostburg [zie gemeente Sluis, red.], verweerder.




1. Feiten en procesverloop


Bij besluit van 7 januari 1998 is aan eisers met ingang van 12 november 1997 - na een korte onderbreking - een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend, waarbij een korting van 20% over twee maanden is toegepast onder de overweging dat eisers in de laatste elf maanden wederom niet aantoonbaar hebben gesolliciteerd.

Bij besluit van 7 april 1998 heeft verweerder opnieuw een sanctie toegepast in de vorm van een korting van 20% over de periode van 1 maart 1998 tot en met 30 juni 1998, omdat eisers volharden in hun houding om nauwelijks of geen werk in loondienst te zoeken.

Bij besluit van 30 juni 1998 heeft verweerder eisers een sanctie opgelegd in de vorm van een korting van 95% over de maanden juli en augustus 1998.

Tegen laatstgenoemd besluit hebben eisers een bezwaarschrift ingediend. Naar aanleiding van het bezwaar heeft op 24 september 1998 een hoorzitting plaatsgevonden.

Verweerder heeft bij besluit van 12 oktober 1998, verzonden 10 november 1998, het bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank (reg.nr. Awb 98/691).

Bij besluit van 1 februari 1999 heeft verweerder besloten de uitkering van eisers over de maanden januari en februari 1999 te verlagen met 10%.

Tegen dit besluit hebben eisers een bezwaarschrift ingediend, gedateerd 12 februari 1999. Tevens hebben eisers de president van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 26 februari 1999 heeft de president dit verzoek toegewezen en verweerders besluit van 1 februari 1999 geschorst.

Bij schrijven van 2 juni 1999, ingekomen bij de rechtbank op 7 juni 1999, hebben eisers beroep ingesteld tegen het door verweerder niet tijdig beslissen op het bezwaar van 12 februari 1999 (reg.nr. Awb 99/315).

Beide geschillen zijn op 7 oktober 1999 behandeld ter zitting, alwaar partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunten nader toe te lichten. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. F.A. van den Berg, medewerkster bij het Buro voor Rechtshulp. Voor verweerder is verschenen de gemachtigde R.J. de Boer, ambtenaar ter secretarie.




2. Gronden


Ingevolge artikel 113, eerste lid, van de Abw gelden voor de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking een aantal verplichtingen, waaronder de verplichting naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen.

Blijkens artikel 107, tweede lid, van de Abw gelden bovengenoemde verplichtingen niet voor de ouder met een volledig verzorgende taak voor n of meer ten laste komende kinderen jonger dan vijf jaar.

Ingevolge artikel 107, derde lid, van de Abw geldt ten aanzien van een ouder met een gedeeltelijk verzorgende taak of gehuwden die de verzorgende taak gezamenlijk uitoefenen dat de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, aan die ouder onderscheidenlijk die ouders worden opgelegd met dien verstande dat deze onderscheidenlijk ieder van beiden voor de helft van de geldende volledige arbeidstijd per week beschikbaar moet zijn voor inschakeling in de arbeid.

Verweerder heeft zijn besluit van 12 oktober 1998 gegrond op de overweging dat eisers blijven volharden in het niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, dan wel niet adequaat solliciteren naar arbeid in loondienst. Daarbij stelt verweerder dat, terwijl beiden een arbeidsverplichting hebben, eiseres niet als werkzoekende staat ingeschreven bij het Arbeidsbureau. Ook zou in juni 1998 opnieuw zijn geconstateerd dat de sollicitatieactiviteiten beneden peil waren. Het besluit van 1 februari 1999 is onder meer gebaseerd op het verwijt dat eiseres haar inschrijving bij het Arbeidsbureau per 1 december 1998 heeft laten verlopen en zich pas weer op 22 januari 1999 heeft laten inschrijven en dat zij niet heeft gesolliciteerd terwijl zij daartoe verplicht was.

Van het gezin van eisers maakt onder meer deel uit een kind jonger dan 5 jaar, te weten X, geboren [...] 1998. Vaststaat voorts dat eisers te kennen hebben gegeven dat de volledige verzorgende taak voor dat kind door eiseres wordt gedragen.

Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat het uitgangspunt van de Abw is het bieden van een bestaansgarantie en dat het streven van beide eisers erop moet zijn gericht om uit te stromen. Dit brengt volgens verweerder met zich mee dat van hen een ruime opstelling ten opzichte van de zorgplicht mag worden verlangd. Beiden hebben een arbeidsverplichting. Indien n van hen slaagt in het vinden van arbeid, betekent dat dat op dat moment de volledige verzorgende taak voor het kind als bedoeld in artikel 107, tweede lid, van de Abw op de ander komt te rusten. Onwil van de man kan geen reden zijn om af te zien van het opleggen van de arbeidsverplichting aan de vrouw. Zulks geldt volgens verweerder te meer nu de kansen van eisers op de arbeidsmarkt gering zijn en de enige rele optie om uit de bijstand te geraken, moet worden gezocht bij eiseres.

Eisers hebben aangevoerd dat gelet op artikel 107 van de Abw voor eiseres de verplichtingen op grond van artikel 113, eerste lid, niet gelden, aangezien zij de volledige zorg heeft voor een kind jonger dan 5 jaar. Verder hebben zij aangevoerd dat eiser sinds 14 april 1998 volledig arbeidsongeschikt is als gevolg van een ernstig ongeval.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het systeem van artikel 107 van de Abw houdt in dat indien n van de ouders de volledige verzorgende taak heeft voor een kind jonger dan 5 jaar, die ouder volledig is vrijgesteld van de uit het eerste lid van artikel 113 van de Abw voortvloeiende verplichtingen en dat deze voor de andere ouder volledig gelden, terwijl indien sprake is van het gezamenlijk uitoefenen van de verzorgende taak, die verplichtingen voor ieder van beiden voor de helft van de volledige arbeidstijd per week gelden. Blijkens de wetsgeschiedenis is de wetgever er daarbij van uitgegaan dat het aan de ouders zelf is om in onderling overleg de rolverdeling met betrekking tot de verzorgende taak te bepalen. Het staat hen daarbij vrij ervoor te kiezen n van hen met de volledige verzorgende taak te belasten. In dat geval zal de ander volledig beschikbaar dienen te zijn voor de arbeidsmarkt. Om, in geval de ouders ervoor kiezen de verzorgende taak gezamenlijk uit te oefenen, te waarborgen dat een rele kans op uitstroom uit de bijstand blijft bestaan, is in het derde lid van artikel 107 bepaald dat in dat geval ieder van beiden voor de helft van de tijd beschikbaar moet zijn voor inschakeling in arbeid.

Het voorgaande brengt met zich mee dat in onderhavig geval de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw, voor eiseres niet gelden. Eisers hebben er immers voor gekozen dat eiseres de volledig verzorgende taak voor X draagt. Verweerder heeft dus ten onrechte aangenomen dat ook voor haar de arbeidsverplichting gold en zijn besluitvorming ten onrechte (mede) gegrond op het door eiseres niet voldoen aan die verplichting. Reeds wegens strijd met de wet kan verweerders besluit van 12 oktober 1998 daarom niet in stand blijven. Het beroep tegen het besluit van 12 oktober 1998 is dus gegrond.

Overigens kan in verband met dit besluit nog worden opgemerkt dat uit het dossier niet blijkt van enig onderzoek naar sollicitatieactiviteiten van eiser in de bewuste periode, terwijl in diezelfde periode kennelijk bovendien sprake is geweest van een hem overkomen ernstig ongeval.

Met betrekking tot het beroep van eisers tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 12 februari 1999 overweegt de rechtbank dat vaststaat dat verweerder ook thans nog niet op dat bezwaar heeft beslist. De overschrijding van de beslistermijn van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb is daarom een feit, hetgeen verweerder ook erkent.

Verweerder heeft in dit verband nog aangegeven dat de uitkomst van het beroep tegen het besluit van 12 oktober 1998 mede bepalend is voor de op bedoeld bezwaar te nemen beslissing en dat daarom is besloten die procedure af te wachten. Gelet op de uitdrukkelijke bepaling van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb stond het verweerder echter niet vrij zo te handelen. Verder uitstel dan mogelijk op grond van het derde lid van dit artikel was gelet op het vierde lid slechts mogelijk met uitdrukkelijke toestemming van eisers.

Ook het beroep tegen de (fictieve) weigering van verweerder te beslissen op het bezwaar is daarom gegrond.

Verweerder zal alsnog op het bezwaar van eisers dienen te beslissen en de rechtbank ziet reden daaraan een termijn te verbinden. Ter zitting hebben eisers nog verzocht om aan een zodanige bepaling een dwangsom te verbinden, maar daartoe ziet de rechtbank geen aanleiding.

De rechtbank ziet in het voorgaande wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze vast op
2130,-, uitgaande van zaken van gemiddelde zwaarte en totaal 2 punten voor de beide beroepschriften en 1 punt voor de behandeling ter zitting.

Dit leidt tot de volgende uitspraak.




3. Uitspraak


De arrondissementsrechtbank te Middelburg:

verklaart zowel het beroep tegen het besluit van 12 oktober 1998 als het beroep tegen de (fictieve) weigering van verweerder te beslissen op het bezwaarschrift van eisers gericht tegen het besluit van 1 februari 1999 gegrond en vernietigt deze besluiten;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eisers gericht tegen het besluit van 30 juni 1998, met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde;
bepaalt voorts dat verweerder alsnog een besluit dient te nemen op het bezwaar van eisers gericht tegen het besluit van 1 februari 1999, eveneens met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde, en wel binnen vier weken na kennisgeving van deze uitspraak;
bepaalt dat de gemeente Oostburg aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van totaal
115,- (honderdvijftien gulden) vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eisers begroot op
2130,- (eenentwintighonderddertig gulden), te betalen door de gemeente Oostburg aan eisers.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 1999 door mr. L.J.P. Lambooij, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Bezemer-Kralt, griffier.

Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / Wet BMT
x
LJN:
x
AA4129
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 98/470 ABW V06
Datum uitspraak: 19 juli 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 1, 58 en 61d ABW (= 7, 82 en Abw) (= 11, 58 en Wwb) / XVI Wet BMT
Trefwoorden: inkomsten achteraf; ziekengeld; terugvordering; terugvorderingstermijn
Essentie: Terechte terugvordering (eerst na 2,5 jaar, doch binnen de destijds geldende vijfjarentermijn) van bijstand wegens nabetaald ziekengeld.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 98/470 ABW V06




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerders.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 17 maart 1998, kenmerk RAA68003835K/SZ98.23486/VTIR/KvL/HB, verzonden op 31 maart 1998, het bezwaar van eiser gericht tegen het besluit van 23 juli 1997, waarbij van eiser de over de periode van 26 juni 1994 tot 1 april 1995 op grond van het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bz) verstrekte bijstand in de algemene kosten van het bestaan wordt teruggevorderd, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 7 mei 1998, op nader in het beroepschrift aangegeven gronden, beroep ingesteld.

Verweerders hebben op 1 juli 1998 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 juli 1998 heeft eiser van repliek gediend.

Op verzoek van de rechtbank hebben verweerders bij brief van 10 juni 1999 nog enkele stukken ingezonden.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 1 juli 1999.
Eiser is aldaar in persoon verschenen.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. K.D. van Loo.




2. Rechtsoverwegingen



Feiten

Verweerders hebben, voor zover hier van belang, eiser bij besluiten van achtereenvolgens 20 april 1994, 28 juli 1994 en 25 oktober 1994 over de periode van 1 april 1994 tot 27 maart 1995 op grond van het Bz periodieke bijstand in de vorm van een renteloze lening toegekend in de algemene kosten van het bestaan naar de norm voor een alleenstaande.

Op 26 juni 1994 is eiser betrokken geweest bij een verkeersongeval, waaraan hij lichamelijke klachten heeft overgehouden. Eiser heeft verweerders op 31 oktober 1994 bericht dat hij op grond van voornoemde klachten een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft aangevraagd bij het GAK. Vervolgens heeft eiser verweerders bij brief van 29 maart 1995 meegedeeld dat hem bij besluit van 12 januari 1995 door het GAK met terugwerkende kracht tot 26 juni 1994 ziekengeld is toegekend. Bij brief van 13 maart 1996 hebben verweerders eiser bericht dat hen uit onderzoek is gebleken dat eiser naast een uitkering tevens andere inkomsten heeft ontvangen, zodat besloten is om een nader onderzoek in te stellen.

Bij besluit van 23 juli 1997 hebben verweerders eiser onder meer meegedeeld dat de hem over de periode van 26 juni 1994 tot 1 april 1995 verstrekte bijstand in de algemene kosten van het bestaan tot een bedrag van totaal
11.491,31 van hem wordt teruggevorderd. Verweerders hebben daarbij overwogen dat eiser gedurende deze periode een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving die hoger was dan de voor hem geldende bijstandsnorm.

Tegen dit besluit heeft eiser op 29 augustus 1997, nader aangevuld op 1 september 1997, een bezwaarschrift ingediend bij verweerders.

Bij besluit van 3 december 1997 hebben verweerders, onder intrekking van voornoemde beslissing van 23 juli 1997, en op grond van een enigszins gewijzigde motivering, van eiser de hem over de periode van 26 juni 1994 tot 1 april 1995 verstrekte bijstand in de algemene kosten van het bestaan teruggevorderd. De totale nettovordering bedraagt
11.491,31.
In een afzonderlijk schrijven van 3 december 1997 hebben verweerders eiser meegedeeld dat zijn bezwaarschrift van 29 augustus 1997 mede geacht wordt te zijn gericht tegen de beslissing van 3 december 1997.
Op 5 december 1997 heeft eiser nog een nadere reactie ingezonden.

Het bezwaar van eiser is behandeld in de vergadering van de Commissie voor de bezwaarschriften Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid van 23 februari 1998. De Commissie heeft verweerders geadviseerd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren, onder aanvulling van de motivering.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders, overeenkomstig voornoemd advies van de Commissie, het bezwaarschrift ongegrond verklaard en het besluit aangevuld in die zin dat de over de periode van 26 juni 1994 tot 1 april 1995 verstrekte bijstand bestemd voor de algemene kosten van het bestaan wordt teruggevorderd, aangezien eiser over die periode een uitkering van het GAK heeft ontvangen welke hoger is dan de destijds voor hem geldende bijstandsnorm (artikel 82, onderdeel a, Abw).

Eiser is van mening dat verweerders in dit geval de terugvordering achterwege dienen te laten. Hij heeft erop gewezen dat hij de sociale dienst tijdig in kennis heeft gesteld van de aan hem verstrekte arbeidsongeschiktheidsuitkering. Door hem 2,5 jaar nadien met een terugvordering te confronteren, is gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid.



Het van toepassing zijnde recht

Op 1 januari 1996 is de nieuwe Algemene bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 199, verder aan te duiden als Abw) in werking getreden. Ingevolge artikel 3 van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 200) zijn de Algemene Bijstandswet (Wet van 13 juni 1963, Stb. 1963, 284, verder aan te duiden als ABW) en de daarop gebaseerde regelingen waaronder het BZ, per 1 januari 1996 ingetrokken.

Op 1 juli 1997 is de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248), houdende onder meer wijziging van de Abw, in werking getreden (hierna te noemen: de Wet BMT). Op grond van het eerste lid van artikel XVI van de Wet BMT wordt in de bevoegdheid van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank en de gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vr de datum van inwerkingtreding van deze wet, alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening van hetgeen vr die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging gebracht.

Nu het thans bestreden besluit betrekking heeft op de periode van 26 juni 1994 tot 1 april 1995 dient het bestreden besluit te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de ABW.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, ABW, wordt door burgemeester en wethouders aan iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien bijstand verleend. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel 1 wordt de bijstand afgestemd op de omstandigheden en mogelijkheden van persoon en gezin. Eventuele inkomsten, ongeacht door wie van de in de bijstand begrepen gezinsleden deze worden genoten, dienen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II, paragraaf 3, Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln) op de uitkering in mindering te worden gebracht.

In artikel 58, eerste lid, ABW is bepaald dat kosten van bijstand verleend over een bepaalde periode of met een bepaalde bestemming van de betrokkene teruggevorderd worden tot het bedrag van de inkomsten welke hij met betrekking tot die periode later ontvangt, onderscheidenlijk tot het bedrag van de middelen welke met het oog op die bestemming later door hem worden ontvangen. Ingevolge artikel 61d, eerste lid, ABW worden, behoudens in de gevallen bedoeld in de artikelen 58 en 59, kosten van bijstand die meer dan vijf jaar vr de datum van verzending van de beschikking tot terugvordering zijn gemaakt niet teruggevorderd.



Beoordeling van het geschil

Verweerders hebben hun bestreden besluit gebaseerd op de bepalingen van de (nieuwe) Abw, terwijl, zoals hiervoor is overwogen onder de rubriek "Het van toepassing zijnde recht", in dit geval de (oude) ABW nog van toepassing is. Het bestreden besluit berust derhalve op een onjuiste wettelijke grondslag. De rechtbank zal hier evenwel geen consequenties aan verbinden, aangezien het in dit geval voor de inhoudelijke beoordeling van het geschil geen verschil maakt of het nieuwe dan wel het oude recht wordt toegepast. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of verweerders terecht de aan eiser over bovengenoemde periode verstrekte bijstand in de algemene kosten van het bestaan van hem hebben teruggevorderd.

Eiser heeft over de periode van 26 juni 1994 tot 1 april 1995 op grond van het Bz een uitkering voor de algemene kosten van het bestaan naar de norm voor een alleenstaande ontvangen. De Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen heeft eiser bij besluit van 12 januari 1995 met terugwerkende kracht tot 26 juni 1994 ziekengeld toegekend. Eiser heeft in elk geval tot 1 april 1995 ziekengeld ontvangen. Het aan eiser toegekende ziekengeld bedroeg meer dan de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm. Ziekengeld is een uitkering die strekt tot vervanging van door ziekte gederfde inkomsten uit arbeid en is daarmee voor de toepassing van de ABW op n lijn te stellen met die inkomsten. Gelet op het bepaalde in artikel 58, eerste lid, ABW hebben verweerders de uitkering dan ook terecht van eiser teruggevorderd.

Verder moet worden vastgesteld dat de in artikel 61d, eerste lid, ABW genoemde termijn waarbinnen tot terugvordering moet worden overgegaan niet geldt ten aanzien van terugvorderingen op grond van artikel 58, eerste lid, ABW. Verweerders hebben weliswaar niet adequaat gereageerd op de brief van eiser van 29 maart 1995, doch dit staat er niet aan in de weg dat zij alsnog tot terugvordering overgaan. Zij zijn daartoe op grond van artikel 58, eerste lid, ABW ook gehouden.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar door hem uitgesproken op 19 juli 1999, in tegenwoordigheid van A.M. van der List-van Winden als griffier.

De griffier, wnd.,            De rechter,




Afschrift verzonden op: 19 juli 1999.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA4131
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 98/461 ABW V06
Datum uitspraak: 16 juli 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 17 en 39 Abw (= 15 en 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten studiebegeleiding kind; noodzakelijk; bijzonder; voorliggende voorziening; WTS; WTOS; tegemoetkoming
Essentie: Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten studiebegeleiding van ten laste komend kind, omdat de kosten noodzakelijk en bijzonder zijn en de WTS geen toereikende voorliggende voorziening is.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 98/461 ABW V06




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. P. van Wijngaarden, advocaat te Groningen,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsmond, verweerders,
gemachtigde: mr. T. Nipperus, ambtenaar der gemeente.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 17 maart 1998, kenmerk Nip\97.5563 en 97.5985, verzonden op 27 maart 1998, het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 30 oktober 1997, waarbij haar aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) in de kosten van studiebegeleiding van haar dochter [dochter] is afgewezen, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 4 mei 1998, op nader in het aanvullend beroepschrift van 11 juni 1998 aangegeven gronden, beroep ingesteld.

Verweerders hebben op 24 juli 1998 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de rechtbank hebben verweerders bij brief van 28 mei 1999 nog nadere stukken ingezonden.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 1 juli 1999.
Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde.




2. Rechtsoverwegingen



Feiten en standpunten van partijen

Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Haar dochter [dochter] is in het schooljaar 1996-1997 als gevolg van omstandigheden thuis voor de tweede keer blijven zitten in de derde klas van de MAVO. Daardoor kon zij haar opleiding op de betrokken school niet voortzetten, zodat zij een andere school moest zoeken. [dochter] is voor het schooljaar 1997-1998 toegelaten tot de eenjarige dagopleiding MAVO van het Alfa-college op voorwaarde dat zij voor n dagdeel (is vier lesuren) per week studiebegeleiding neemt.
De studiebegeleiding wordt verzorgd door de Stichting Educatie Groningen. De daarmee gemoeide kosten bedragen
2250,- per jaar.
Eiseres heeft op 25 augustus 1997 bijzondere bijstand gevraagd voor deze kosten.
Bij besluit van 30 oktober 1997 hebben verweerders deze aanvraag afgewezen. Hierbij is overwogen dat niet is gebleken van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 39 Abw. Voorts hebben verweerders geoordeeld dat er een voorliggende voorziening is in de vorm van een tegemoetkoming studiekosten voor kinderen tot en met 17 jaar, welke voorziening toereikend en passend wordt geacht.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 19 november 1997, nader aangevuld op 11 december 1997, een bezwaarschrift ingediend bij verweerders.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het bezwaar van eiseres, onder verwijzing naar een advies van de afdeling Sociale Zaken van 17 maart 1998, ongegrond verklaard. In dit advies is gesteld dat het bedrag dat ontvangen wordt op grond van de Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS) een tegemoetkoming is. De gemeente kan derhalve niet het landelijk beleid doorkruisen en tot verstrekking van het surplus aan kosten overgaan.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat de WTS niet is te beschouwen als een afdoende voorliggende voorziening. Eiseres is verder van mening dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor zij deze kosten niet kan voldoen uit de algemene bijstandsnorm.

In het verweerschrift hebben verweerders uiteengezet dat niet gebleken is van zeer dringende redenen om op basis van artikel 17, derde lid, Abw bijstand te verlenen. Voorts is betoogd dat een deel van de kosten voor studiebegeleiding betaald dient te worden uit de tegemoetkoming op grond van de WTS en dat de overige kosten worden geacht te behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.



Beoordeling van het geschil

Op grond van artikel 7, eerste lid, Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, Abw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Krachtens artikel 17, eerste lid, Abw bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1a (oude) Algemene Bijstandswet (ABW), dat overeenkomt met het huidige artikel 17, blijkt dat de bijstandswet geen functie heeft wanneer binnen de voorliggende regeling een bewuste beslissing is genomen over de noodzakelijkheid van een voorziening in het algemeen of in een specifieke situatie. Voor zover een beroep kan worden gedaan op een toereikende en passende voorliggende voorziening is er geen aanleiding tot het verlenen van bijstand. Of een bepaalde voorziening kan worden aangemerkt als toereikend en passend is niet alleen afhankelijk van de omstandigheden en mogelijkheden in het individuele geval, maar wordt, in het kader van aard en doel van de betreffende voorziening, mede bepaald door hetgeen naar maatschappelijk inzicht aanvaardbaar wordt geacht.

Op grond van de WTS wordt, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, ten behoeve van studerenden jonger dan 18 jaar een tegemoetkoming verstrekt in de kosten van het volgen van een dagopleiding. Krachtens artikel 16, eerste lid, WTS is deze tegemoetkoming samengesteld uit een tegemoetkoming in de kosten van de onderwijsbijdrage en een normbedrag voor de overige studiekosten. Bij de samenstelling van het bedrag dat aan tegemoetkoming in de studiekosten kan worden verstrekt, is normatief rekening gehouden met kostenposten die direct samenhangen met het volgen van een studie, zoals het wettelijk verschuldigde les- of collegegeld, boeken en leermiddelen en reiskosten (zie de memorie van toelichting op de WTS, Kamerstukken II 1996-1997, 23 699, nr. 3, blz. 7).

Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het volgen van de opleiding aan het Alfa-college en daarmee de studiebegeleiding niet noodzakelijk was. Volgens verweerders had eiseres voor een andere school voor haar dochter kunnen kiezen. Ter zitting is evenwel komen vast te staan dat verweerders geen enkel onderzoek hebben verricht ter zake van de mogelijkheden voor [dochter] om haar opleiding af te ronden. Het standpunt van verweerders berust op een vermoeden. Eiseres daarentegen heeft ter zitting verklaard dat zij wel bij andere scholen heeft genformeerd naar de mogelijkheden om [dochter] te plaatsen. Die mogelijkheden waren er niet, zo heeft zij gesteld. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat er geen andere mogelijkheden waren voor [dochter] om haar opleiding met een redelijke kans van slagen af te ronden. Daarmee staat ook de noodzaak van de kosten van studiebegeleiding vast.

Vooropgesteld moet worden dat waar het gaat om studiekosten voor studerenden jonger dan 18 jaar de WTS in het algemeen kan worden beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening in de zin van artikel 17, eerste lid, Abw. Naar het oordeel van de rechtbank behoren de kosten van studiebegeleiding waarvoor eiseres bijstand heeft gevraagd evenwel niet tot de kosten waarin de WTS een tegemoetkoming beoogt te verstrekken. Het betreft ten opzichte van die kosten extra kosten die voortvloeien uit de bijzondere omstandigheden waarin [dochter] is komen te verkeren. De WTS kan daarom in dit geval niet worden aangemerkt als een voorliggende voorziening die in de weg staat aan bijstandverlening in de kosten van studiebegeleiding. Verweerders hebben dan ook op onjuiste gronden de gevraagde bijzondere bijstand geweigerd.

Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met de wet. Het beroep van eiseres zal derhalve gegrond worden verklaard.



Griffierecht en proceskosten

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient op grond van artikel 8:74, eerste lid,
Algemene wet bestuursrecht (Awb) tevens te worden bepaald dat het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van 55,- door de gemeente Eemsmond aan eiseres wordt vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerders op de voet van
artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs ten behoeve van eiseres zijn gemaakt en wijst de gemeente Eemsmond aan als de rechtspersoon die deze kosten aan de griffier moet betalen. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op 1429,36, zoals aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van verweerders van 17 maart 1998;
bepaalt dat de
gemeente Eemsmond eiseres het betaalde griffierecht ad 55,- vergoedt;
veroordeelt verweerders in de ten behoeve van eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn vastgesteld op
1429,36, en bepaalt dat de gemeente Eemsmond deze kosten dient te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar door hem uitgesproken op 16 juli 1999, in tegenwoordigheid van A.M. van der List-van Winden als griffier.

De griffier, wnd.,            De rechter,




Afschrift verzonden op: 16 juli 1999.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA4136
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Utrecht
Zaaknummer: AWB 98/2375 VV
Datum uitspraak: 20 januari 1999
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 65 Abw (= 17 Wwb) / 4:6 en 8:81 Awb
Trefwoorden: inkomsten; vermoedelijke inkomsten; afwijzing bijstand; onvoldoende gegevens; inlichtingenverplichting; herhaalde aanvraag; nieuwe feiten of omstandigheden
Essentie: Afwijzing verzoek voorlopige voorziening, omdat nog niet alle gevraagde (relevante) gegevens aan B&W zijn verstrekt, maar ook vanwege het restitutierisico ingeval de voorlopige bijstand achteraf mocht blijken ten onrechte te zijn verstrekt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Utrecht AWB 98/2375 VV




U I T S P R A A K




op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder.




1. Verloop van de procedure


1.1. Bij besluit van 11 november 1998 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van verzoekster van 8 september 1998 om toekenning van een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).

1.2. Tegen dit besluit is namens verzoekster bij schrijven van 18 november 1998 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

1.3. Daarnaast is namens verzoekster bij schrijven van gelijke datum aan de president van de rechtbank verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.4. Het verzoek is op 6 januari 1999 ter zitting behandeld, waar verzoekster in persoon is is verschenen, bijgestaan door mr. J.W. Menkveld, advocaat te Utrecht.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door M. Dolman, ambtenaar bij de gemeente Soest en mr. I.N. Kwak, advocaat te Utrecht.




2. Overwegingen


2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3. Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt bij verweerder tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

2.4. Tot het treffen van een voorlopige voorziening in een zaak als de onderhavige waar het geschil mede een financile aanspraak betreft, is in beginsel slechts plaats indien op grond van de beschikbare gegevens met een grote mate van waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en bovendien feiten en omstandigheden aanwijsbaar zijn die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts zal in de afweging van de belangen van partijen mede de vraag moeten worden betrokken naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling door verzoeker indien deze door de uitslag van de bodemprocedure genoopt zou worden het ontvangen bedrag terug te betalen.



Feiten

2.5. De feiten zoals vermeld in de onderdelen 2.3 tot en met 2.8 van de uitspraak die op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen partijen is gedaan door de president van deze rechtbank op 6 augustus 1998 (met nummer AWB 98/1392 VV) worden hier overgenomen en moeten als geheel ingelast worden aangemerkt. Bovendien zijn in dit geding de hierna te noemen feiten van belang welke hebben plaatsgevonden in verband met de nieuwe aanvraag van verzoekster om een bijstandsuitkering op 8 september 1998.

2.6. Naar aanleiding van deze nieuwe aanvraag heeft op 13 oktober 1998 een gesprek plaatsgevonden waarbij de naar aanleiding van de aanvraag per brief verzochte informatie is besproken. Na afloop van dit gesprek heeft een huisbezoek plaatsgevonden door de rapporteur M. Dolman.

2.7. In het door Dolman opgemaakte rapport van 10 november 1998 is onder meer geconstateerd dat er in het huis geen aanwijzingen zijn dat verzoekster haar werkzaamheden op acupunctuurgebied had voortgezet. De behandelkamer is opgeheven en verzoekster staat niet meer als acupuncturist in het telefoonboek vermeld. In het rapport wordt vervolgens geconcludeerd dat door verzoekster niet voldoende is aangetoond dat er sprake is van een wijziging van feiten en/of omstandigheden ten opzichte van de eerder ingediende aanvraag van 4 mei 1998, voorts dat niet geconcludeerd kan worden dat verzoekster volledig is in haar informatieverstrekking en ten slotte dat er nog steeds sprake is van hoge vaste lasten zodat aangenomen moet worden dat er sprake is van een externe inkomstenbron.



Beoordeling


2.9. Het afwijzen van verzoeksters aanvraag om bijstand heeft verweerder primair gebaseerd op artikel 4:6 van de Awb met als motivering dat niet is aangetoond dat er sprake is van een wijziging van feiten en/of omstandigheden ten opzichte van de eerder ingediende aanvraag van 4 mei 1998, die werd afgewezen.

2.10. Echter de feiten, genoemd in 2.7, dat de behandelkamer is opgeheven en verzoekster niet meer als acupuncturist in het telefoonboek staat vermeld, geven blijk dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Verweerder heeft zijn besluit derhalve ten onrechte primair gebaseerd op artikel 4:6 van de Awb.

2.11. Subsidiair heeft verweerder het besluit gebaseerd op artikel 65 van de Abw in verband met tegenstrijdige en niet volledige inlichtingen en de aanwezigheid van hoge vaste lasten die duiden op een externe bron van inkomsten.

2.12. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat een aantal, van belang voor de toewijzing van uitkering op grond van de bijstandswet zijnde, vragen door verzoekster onbeantwoord bleven. Mede gelet op de voorgeschiedenis is in zoverre de aarzeling die bestaat bij verweerder om de aanvraag toe te kennen begrijpelijk. Echter tijdens de zitting is het n en ander in die mate duidelijk geworden en is een aantal van verweerders vragen zodanig beantwoord dat het niet onaannemelijk is dat in het kader van de heroverweging geconcludeerd moet worden dat verzoekster inderdaad recht heeft op een uitkering op grond van de Abw. Daarmee is niet gezegd dat alle vragen zijn beantwoord, verzoekster moet nog de onvolledige informatie adequaat aanvullen. Hieronder zal puntsgewijs behandeld worden welke informatie reeds voldoende bekend is en welke informatie in elk geval nog gegeven c.q. aangevuld dient te worden. Het moge verzoekster duidelijk zijn alsnog het geven van de ontbrekende informatie, alsmede het meewerken door haar, noodzakelijk is voor het eventueel toekennen van een uitkering op grond van de Abw.

2.13. Zoals geconcludeerd in het rapport van M. Dolman, en zoals reeds is vastgesteld, zijn er geen aanwijzingen meer dat de acupunctuurpraktijk wordt voortgezet. Derhalve is het niet van belang de namen te weten van de personen die verzoekster heeft afgebeld voor behandelingen.

2.14. Voorts heeft verzoekster tijdens de zitting verklaard dat de gedane kasstortingen op haar bankrekening door haar zijn gedaan om de betalingen voor de huur zeker kunnen stellen. Zij heeft hiervoor van haar girorekening geld opgenomen die zij vervolgens heeft gestort op de rekening waarvan maandelijks de huur wordt betaald. Zij heeft deze stellingen tijdens de zitting aan de hand van de reeds overgelegde kopien van de afschriften voldoende kunnen onderbouwen.

2.15. Met betrekking tot de stortingen op haar rekening gedaan in april 1998 ten bedrage van
540,- en 1300,35, waar verzoekster de verklaringen voor geeft dat deze betrekking hebben op respectievelijk een terugbetaling van de heer Z voor door verzoekster gedane boodschappen en een honorarium voor vertaal-/redactionele werkzaamheden, zijn gedaan in de periode van een eerdere aanvraag waarover reeds door verweerder op 19 juni 1998 is beslist en waaraan derhalve in deze procedure geen beslissende betekenis toekomt.

2.16. Wat de storting op haar rekening van de heer Z van 29 juli 1998 ten bedrage van
116,- betreft, is de verklaring van verzoekster dat zij hiervoor neusspray en selenium voor hem heeft gekocht en heeft opgestuurd op voorhand niet onaannemelijk. Verzoekster dient echter in het kader van de heroverweging door de gemeente wel hiervoor bewijs aan te dragen; gedacht moet worden aan de rekening(en) van de door haar gekochte zaken voor Z alsmede de eventuele postverzendkosten. Ook dient verzoekster de ontbrekende kopie van het afschrift van de Postbank nummer 35 over te leggen.

2.17. Verzoekster geeft als verklaring voor het feit dat zij in staat is geweest zonder inkomen in haar levensonderhoud te kunnen voorzien, gegeven dat zij regelmatig leningen bij vrienden en kennissen heeft afgesloten. Deze stelling heeft zij onderbouwd met leningsverklaringen als bewijsstukken. Deze verklaringen bevatten niet alle de verplichting dat de lening binnen een bepaalde tijd terugbetaald dienen te worden. Dat is gezien de omstandigheden niet noodzakelijk, omdat begrijpelijk is dat het karakter van een lening van vrienden een andere is dan van niet-vrienden. Vrienden zullen in het algemeen niet snel tot terugvordering overgaan als onduidelijk is of de lener in staat is om het geleende bedrag terug te betalen. Het zou zelfs nog mogelijk zijn dat een lening om die reden zou kunnen overgaan in een schenking. Duidelijk is dat als verzoekster wel een inkomen zou hebben, zij in beginsel niet zou hoeven over gaan tot het doen van leningen bij vrienden. De leningen aan verzoekster zijn derhalve voorshands niet op te vatten als schenkingen. Wel mag van verzoekster worden verwacht aan te geven of, en zo ja, in hoeverre zij tot terugbetaling verplicht is en in dat kader zo nodig nadere verklaringen van de leners over te leggen. Dat, zoals door verweerder aangevoerd, de schuldverklaringen, behalve de naam van de uitlener, bijna identiek zijn is niet onlogisch. Het is niet ondenkbaar en in het kader van het geschil dat verzoekster met verweerder heeft ook niet onbegrijpelijk dat verzoekster deze heeft opgesteld om ze vervolgens door de uitlener te laten ondertekenen.

2.18. Verzoekster heeft aangegeven dat zij voldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen van arbeid door bij het uitzendbureau Randstad te zijn ingeschreven, maar dat er geen werk meer voor haar was bij Randstad. Later stelt verzoekster dat zij op grond van arbeidsongeschiktheid niet meer kan werken. Hieromtrent dient verzoekster duidelijkheid te scheppen. Vervolgens komt ter zitting naar voren dat verzoekster per 10 november 1998 ziek is. De procedure voor het verkrijgen van een uitkering op grond van de Ziektewet blijkt in gang gezet, maar heeft nog niet tot een beslissing geleid. Voorts is er ook een procedure gaande omtrent haar arbeidsongeschiktheid op grond van de werkzaamheden voor het Lorentzsziekenhuis. Hierover dient volstrekte duidelijkheid gegeven te worden. Verweerder zal in het kader van de heroverweging kunnen informeren bij deze instellingen en behoeft dus niet te wachten tot verzoekster een nieuwe aanvraag tot toekenning van een bijstandsuitkering indient, zoals verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht.

2.19. Ten slotte rest de vraag of vanaf 8 september 1998 (datum aanvraag uitkering) er aanwijzingen bestaan dat verzoekster een inkomen moet hebben gehad. Zij heeft, zo stelt zij, in een periode van tien maanden ongeveer
18.000,- te besteden gehad. Dit bedrag bestaat voor 15.000,- uit leningen en voor 3000,- uit eigen vermogen. Dit betekent dat verzoekster 1800,- per maand te besteden had. Volgens het genoemd rapport van 10 november 1998 zijn de vaste lasten van verzoekster 1572,72 per maand geweest. Tijdens de zitting is door verweerder gesproken over 1500,-. Dit zou betekenen dat verzoekster 300,- per maand aan levensonderhoud te besteden had. Hoewel dit niet veel lijkt, kan niet gesteld worden dat een alleenstaande hier niet van kan leven. Derhalve is hiermee niet afdoende bewezen dat verzoekster een inkomen moet hebben gehad in die periode en daarover heeft gezwegen tegenover verweerder. Verzoekster heeft aangegeven dat de vaste lasten zijn gewijzigd en voorts dat zij bijvoorbeeld het telefoongebruik minimaliseert. In het kader van de heroverweging zal opnieuw een overzicht van de vaste lasten gemaakt dienen te worden. Ook zal precies moeten worden aangegeven welke kosten voor de auto worden gemaakt.

2.20. Gezien het vorenoverwogene zal in de bezwaarschriftprocedure nog verschillende punten moeten worden onderzocht en opgehelderd. Mede gelet op het feit dat er een restitutierisico bestaat bij verzoekster wordt thans nog niet tot toewijzing aan het verzoek om een maandelijkse bijdrage ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan ter hoogte van de norm welke volgens de Abw, te betalen door verweerder, worden geconcludeerd. Wel zal als voorlopige voorziening worden bepaald dat verweerder, aan de hand van concrete vragen en met inachtneming van het vorenoverwogene in het kader van de heroverweging, uiterlijk 1 maart 1999 een beslissing op bezwaar neemt, mits adequate inlichtingen door verzoekster worden verstrekt, dan wel op verzoek van verweerder, dan wel uit eigen beweging.

1. Volgens de redactie dient de onderhavige zin te luiden als volgt: Mede gelet op het feit dat er een restitutierisico bestaat bij verzoekster kan thans nog niet tot toewijzing van het verzoek om een maandelijkse bijdrage ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan ter hoogte van de norm van een alleenstaande ouder worden geconcludeerd.

2.21. Er bestaat geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoekster in verband met de behandeling van haar verzoekschrift heeft moeten maken, omdat het recht op een uitkering op grond van de Abw nog niet in voldoende mate vaststaat.

2.22. Beslist wordt als volgt.




3. Beslissing


De president:

3.1. bepaalt dat verweerder uiterlijk 1 maart 1999 een beslissing op het door verzoekster ingediende bezwaar neemt en aan verzoekster verzendt, met inachtneming van deze uitspraak;
3.2. wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 1999.

De griffier, mr. B.E.T. Beenakkers,            De president, mr. D.A.C. Slump,




Afschrift verzonden aan partijen op:

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA4268
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Arnhem
Zaaknummer: 98/1964
Datum uitspraak: 26 november 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 21 Abw (= 51 Wwb) / 4:84 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten duurzame gebruiksgoederen; geldlening; leenbijstand; kwijtschelding; gemeentelijk beleid; beleidsregel
Essentie: Onterechte afwijzing van kwijtschelding van leenbijstand na drie jaren correcte aflossing, waarbij de gemeentelijke beleidsregel ter zake onjuist is uitgelegd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Arnhem 98/1964




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 2 oktober 1998.




2. Feiten en procesverloop


Op 9 juni 1994 is aan eiseres een bedrag van
4954,70 aan leenbijstand toegekend.

Op 20 december 1997 heeft eiseres een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de studiekosten over het schooljaar 1995/1996. Bij deze aanvraag heeft eiseres tevens verzocht om kwijtschelding van het restant van de bij besluit van 9 juni 1994 aan haar verstrekte leenbijstand.

Bij besluit van 6 maart 1998 heeft verweerder, voor zover in dit geschil van belang, het verzoek van eiseres om kwijtschelding van het restant van de leenbijstand afgewezen, omdat eiseres nog niet gedurende drie jaar de in de bijstandsnorm aanwezige aflossingscapaciteit volledig heeft gebruikt voor de aflossing van de noodzakelijk geachte schulden.

Door eiseres is op 9 april 1998 tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Het bezwaar is behandeld door de bezwaarschriftencommissie Sociale Zaken. Eiseres heeft afgezien van de mogelijkheid te worden gehoord als bedoeld in artikel 7:2 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze commissie heeft op 9 september 1998 advies aan verweerder uitgebracht.

Bij het hierboven aangeduide besluit van 2 oktober 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Voor de motivering van het besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van voormelde commissie.

Namens eiseres heeft mr. E. Snetselaar, medewerker van het Buro voor Rechtshulp te Arnhem, op 29 oktober 1998 tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 17 november 1998 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 oktober 1999 is namens eiseres nog een nadere toelichting gegeven.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 22 oktober 1999, waar eiseres niet is verschenen, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door W.C.M. Hermans, werkzaam bij verweerder.




3. Overwegingen


In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij verweerder de bezwaren tegen het besluit van 6 maart 1998 ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat verweerder - gelet op de richtlijn "Duurzame gebruiksgoederen" - terecht heeft besloten eiseres geen kwijtschelding te verlenen van het restant van de aan haar verstrekte leenbijstand. Daarbij acht verweerder van belang dat eiseres ervoor heeft gekozen om in oktober 1995 een nieuwe lening bij de Stadsbank af te sluiten, terwijl de leenbijstand op dat moment nog niet was afgelost. Dit klemt te meer nu eiseres de lening bij de Stadsbank heeft afgesloten, terwijl er - volgens verweerder - geen noodzaak toe was.

Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen kwijtschelding heeft verleend van het restant van de leenbijstand, nu zij gedurende 36 maanden aan haar aflossingsverplichting heeft voldaan. In het geval dat eiseres niet haar volledige aflossingscapaciteit heeft benut voor het aflossen van de leenbijstand, kan dat eiseres niet worden tegengeworpen, omdat verweerder - ondanks het feit dat hij op de hoogte was van de gewijzigde financile situatie van eiseres - heeft verzuimd de aflossingsverplichting tijdig te herzien. Het staat verweerder niet vrij om bij een verzuim zijnerzijds ten nadele van betrokkene van de richtlijn af te wijken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) kan bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover van belang, stemmen burgemeester en wethouders, indien een geldlening als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, de aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Het door verweerder gevoerde beleid ten aanzien van het verstrekken van leenbijstand is neergelegd in de richtlijn "Duurzame gebruiksgoederen" (hierna: de richtlijn). Deze richtlijn bevat, voor zover van belang, de volgende zinsnede:
"Indien gedurende 36 maanden volledig aan de aflossingsverplichting in het kader van de verstrekte leenbijstand is voldaan, wordt het resterende bedrag van de lening buiten invordering gesteld. Indien na drie jaar niet volledig aan de aflossingsverplichtingen is voldaan, is het voorgaande pas van toepassing op het tijdstip waarop het achterstallige bedrag alsnog is afgelost".

Blijkens het verhandelde ter zitting wordt dit beleid gevoerd om te voorkomen dat iemand langdurig een inkomen beneden bijstandsniveau heeft. De rechtbank acht dit beleid niet in strijd met de bepalingen van de Abw en is tevens van oordeel dat verweerder met dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven.

Het beroep van eiseres richt zich tegen het feit dat verweerder het restant van de leenbijstand niet heeft kwijtgescholden, ondanks de situatie dat eiseres op het moment van haar verzoek gedurende (meer dan) drie jaar volledig aan haar - door verweerder opgelegde - aflossingsverplichting had voldaan.

Uit de gedingstukken is onder meer het volgende gebleken.
Bij besluit van 9 juni 1994 is aan eiseres bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening toegekend tot een bedrag van
4954,70. Eiseres heeft daartoe een schuldbekentenis ondertekend, waarmee zij zich tevens akkoord heeft verklaard met een aflossing in maandelijkse termijnen van 25,-. Bij besluit van 5 september 1996 is het maandelijkse aflossingsbedrag verhoogd naar 44,- in verband met de wijziging van de uitkeringsnorm van eiseres bij de geboorte van haar kind. Gesteld noch gebleken is dat eiseres gedurende de drie jaar voorafgaande aan haar verzoek om kwijtschelding is tekortgeschoten in de aan haar door verweerder schriftelijk opgelegde aflossingsverplichting.

Beoordeeld moet worden of voornoemde richtlijn aan verweerder de ruimte geeft om het verzoek van eiseres om kwijtschelding desondanks af te wijzen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder de mening is toegedaan dat het woord "volledig" in de aangehaalde zinsnede van de richtlijn impliceert dat het restant van de leenbijstand alleen kan worden kwijtgescholden indien een betrokkene gedurende drie jaar de "in de bijstandsnorm aanwezige aflossingscapaciteit" volledig heeft gebruikt voor de aflossing van de schulden.

De rechtbank kan verweerder in deze uitleg niet volgen, nu deze op geen enkele wijze uit de tekst van het beleid of een eventuele toelichting daarop blijkt. Hieruit vloeit voort dat blijkens het in de richtlijn vastgelegde beleid de door verweerder (zelf schriftelijk) vastgestelde aflossingsverplichting, en niet de door verweerder gestelde "aanwezige aflossingscapaciteit", ten grondslag ligt aan het kwijtscheldingsbeleid.

De rechtbank ziet - evenals eiseres - geen rechtvaardiging voor het ten nadele van eiseres afwijken van de richtlijn. Daarbij neemt de rechtbank mede in beschouwing dat verweerder, die op de hoogte was van de financile situatie van eiseres, heeft nagelaten tijdig het maandelijks door eiseres af te lossen bedrag te herzien.

Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt verweerder overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor n of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij de beoordeling van het verzoek van eiseres om kwijtschelding heeft gehandeld in strijd met de richtlijn en derhalve in strijd met artikel 4:84 van de Awb. Om die reden kan het bestreden besluit, waarbij verweerder zijn beslissing van 6 maart 1998 heeft gehandhaafd, niet in stand blijven en moet dit worden vernietigd. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank acht gezien het vorenstaande termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op
710,-, zijnde kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten is de rechtbank in dit verband niet gebleken.
De genoemde kosten dienen, aangezien eiseres met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Het vorenstaande leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.




4. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van
710,-;
wijst de gemeente Arnhem aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
bepaalt dat de betaling van dat bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank, postbankrekening 935462 ten name van Gerecht 533 arrondissement Arnhem;
bepaalt voorts dat de gemeente Arnhem aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad
55,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 1999, in tegenwoordigheid van mr. D.S.M. Bak als griffier.

De griffier,            De rechter,




Verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x