Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Gw
x
LJN:
x
AA4301
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 98/2020 NABW
Datum uitspraak: 4 januari 2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 9, 113 en 114 Abw (geldend t/m 31 december 2002; n.v.t. op Wwb) / 1 Gw
Trefwoorden: opleiding; HBO; studeren met behoud van uitkering; gelijkheidsbeginsel
Essentie: Terecht is geen toestemming verleend om een HBO-opleiding met behoud van bijstandsuitkering te volgen, omdat niet wordt voldaan aan het bepaalde in de Regeling noodzakelijke scholing. Er is geen sprake van discriminatie van vrouwen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 98/2020 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellante heeft op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de arrondissementsrechtbank te Assen op 4 december 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 november 1999, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.F. Teune, juridisch medewerker bij de gemeente Emmen.




II. Motivering


Appellante, geboren in 1949, heeft op 25 maart 1996 gedaagde verzocht om toekenning van bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 mei 1996. Appellante, die op dat tijdstip bezig was met het afronden van de MBO-AP/PB opleiding, heeft meegedeeld in september 1996 te beginnen met de HBO-vervolgopleiding; zij heeft verzocht die studie met behoud van uitkering te mogen volgen.

Bij besluit van 25 juni 1996 heeft gedaagde aan appellante met ingang van 1 mei 1996 een uitkering ingevolge de Abw toegekend, berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder, onder aftrek van de door haar aangegeven inkomsten. Voorts is bij dat besluit geweigerd appellante toestemming te geven om met behoud van uitkering de HBO-vervolgopleiding te volgen.

Appellante heeft zowel bezwaar gemaakt tegen de aangegeven korting van inkomsten als tegen de weigering om haar studie met behoud van uitkering te volgen.

Bij het besluit van 14 november 1996 heeft gedaagde het bezwaar tegen de korting van de inkomsten gegrond verklaard en het bezwaar tegen het niet met behoud van uitkering mogen volgen van bedoelde opleiding ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld voor zover bij de inkomsten de betaalde woonlasten zijn gerekend en voorts tegen de weigering om met behoud van uitkering de gewenste opleiding te volgen.

De rechtbank heeft appellantes beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld voor zover daarbij ongegrond is verklaard haar beroep tegen de weigering om met behoud van uitkering ingevolge de Abw de HBO-opleiding te volgen. Zij is van mening dat de HBO-P&A opleiding wel voldoet aan de criteria van de Regeling noodzakelijke scholing (besluit ex artikel 114 Abw van 25 september 1995, Stcrt. 1995, 188; verder te noemen: de regeling). Voorts is zij van mening dat de criteria met betrekking tot de regeling indirect vrouwen discrimineren ten aanzien van hun recht op
arbeids- en opleidingsmogelijkheden.

De Raad overweegt het volgende.

Artikel 9, tweede lid aanhef en onder c, van de Abw luidt:
"Geen recht op algemene bijstand heeft degene wiens voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per week in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding, tenzij het betreft een scholing of opleiding als bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel g".

In artikel 114 van de Abw is bepaald dat voor degene die aan zo'n - noodzakelijk voor de inschakeling in de arbeid geachte - scholing of opleiding gaat deelnemen een aantal verplichtingen op grond van de Abw niet gelden; de Minister kan voorts regels stellen met betrekking tot het aanmerken van scholing of opleidingen als noodzakelijk voor de inschakeling in de arbeid.
Deze regels zijn gesteld in de de regeling.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat moet worden aangenomen dat vanaf september 1996 de voor appellante beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per week in beslag zou worden genomen door of in verband met het volgen van de HBO-opleiding. Anders dan appellante stelt, dient naast het theoriegedeelte van de opleiding (door haar op minder dan 19 uur per week berekend) ook het praktijkgedeelte (meer dan 20 uur per week) te worden aangemerkt als deel uitmakend van de opleiding.
Appellante zou tijdens genoemde studie dan ook alleen dan recht op bijstand hebben indien de opleiding voldoet aan de criteria van de de regeling.

Op grond van artikel 1 van de de regeling kan een opleiding op HBO-niveau alleen noodzakelijk worden geacht wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
"a. de opleiding wordt gegeven in een specifiek op werklozen gericht project;
b. de opleiding is beroepsgericht;
c. de opleiding duurt maximaal twee jaar;
d. de praktijkcomponent maakt niet meer dan de helft van het programma uit".
Nu de opleiding van appellante (behalve de duur) niet aan de overige voorwaarden voldoet, heeft gedaagde terecht geweigerd appellante toestemming te verlenen om met behoud van uitkering de HBO-opleiding te volgen.

Door appellante is gesteld dat de bepalingen van de de regeling zich niet zouden verdragen met artikel 11 van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (IVBPR) dan wel in strijd zouden zijn met het discriminatieverbod in artikel 1 van de Grondwet, nu deze bepalingen vooral vrouwen discrimineren in hun recht op arbeids- en opleidingsmogelijkheden. Zij is van mening dat hier sprake is van indirecte discriminatie, zonder dat hiervoor objectieve rechtvaardigingsgronden aan te wijzen zijn.

Voor zover inderdaad sprake zou zijn van indirecte discriminatie als gevolg van de in de de regeling gestelde voorwaarden moet worden bezien of dit gerechtvaardigd wordt door objectieve factoren die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht. Dit is het geval wanneer de gekozen middelen beantwoorden aan een legitieme doelstelling van het sociaal beleid van het overheidsorgaan, waarvan de wettelijke regeling in geding is en bedoelde bepalingen ter bereiking van dat doel geschikt en noodzakelijk zijn.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw (Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nr. 3, blz. 74) komt onder meer naar voren dat de wetgever in aansluiting op de reeds bestaande praktijk slechts een beperkte mogelijkheid heeft willen bieden om met behoud van de bijstandsuitkering een scholing of opleiding te volgen die noodzakelijk is voor de inschakeling in het arbeidsproces. Met betrekking tot vormen van onderwijs op HBO- of wetenschappelijk niveau heeft de wetgever dit onder meer als volgt onder woorden gebracht:
"Reguliere onderwijsvormen die onder het bereik van de Wet op de studiefinanciering vallen, kunnen op grond van artikel 9, tweede lid, niet met behoud van het recht op bijstand worden gevolgd. Daarmee zou immers het beleid van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen worden doorkruist. De meerderheid van de Commissie Sociale Voorzieningen van de SER heeft zich in het slotadvies bij dit standpunt van de regering aangesloten. Het onderwijs op HBO- of wetenschappelijk niveau blijkt in de praktijk echter niet altijd een voldoende basis te vormen voor de inschakeling in de arbeid, zodat ook behoefte bestaat aan een instrument als bijvoorbeeld omscholing op tertiair niveau voor de herinschakeling in de arbeid. Een scholing of opleiding op tertiair niveau kan echter alleen als noodzakelijk worden beschouwd als het een specifiek op werklozen gericht project betreft. De scholing dient beroepsgericht te zijn en aan te sluiten bij de arbeidsmarktbehoefte. Tevens moet de scholing, omdat deze ook gericht is op een zo snel mogelijke herintreding op de arbeidsmarkt, van beperkte duur zijn. Bij opleidingen die langer dan twee jaar duren, kan nauwelijks meer de garantie worden gegeven dat wordt ingespeeld op een concrete behoefte op de arbeidsmarkt, zodat deze in het algemeen niet als noodzakelijk kunnen worden aangemerkt.

Om te voorkomen dat onder de noemer "scholing" feitelijk activiteiten worden verricht die zijn aan te merken als onbeloonde arbeid, geldt ook een beperking ten aanzien van de praktijkcomponent van de scholing. Er kan slechts van een praktijkdeel binnen een scholing worden gesproken indien dat deel in een redelijke verhouding staat tot het theoriegedeelte".
Eťn en ander is nader geregeld in het hierboven aangehaalde artikel 1 van de de regeling.

De Raad is van oordeel dat, gelet op de in de de regeling gestelde voorwaarden voor het volgen van scholing of opleiding met behoud van bijstandsuitkering, in toereikende mate kan worden gesproken van een legitieme doelstelling en een passend middel om het gestelde doel te bereiken en derhalve van een objectieve rechtvaardiging van het door appellante gestelde indirecte onderscheid.

De Raad is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van de door appellante gestelde strijd met artikel 26 van het IVBPR en artikel 1 van de Grondwet. Voor zover appellante een beroep heeft gedaan op artikel 11 (onderdeel a tot en met c) van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie bij vrouwen wijst de Raad erop dat dit artikel slechts een instructienorm bevat voor overheden om beschermende maatregelen te treffen en, gelet op de beleidsvrijheid alsmede op de bepaling van het derde lid, geen rechtstreekse werking heeft.

Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. G.A.J. van den Hurk en mr. Ch. de Vrey als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2000.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
             
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / WFA / Gw
x
LJN:
x
AA4446
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 98/155 ABW
Datum uitspraak: 22 januari 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 47a ABW (= 136 Abw) (= 11 WFA) (n.v.t. op Wwb) / 10 Gw
Trefwoorden: rijksvergoeding kosten van bijstand; weigering; anonieme tips
Essentie: Terechte weigering rijksvergoeding van door de gemeente gemaakte kosten van bijstand. PrincipiŽle weigering door de gemeente om kennis te nemen van anonieme tips is onterecht.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 98/155 ABW




U I T S P R A A K




bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden, eiser,

tegen

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Het besluit van verweerder van 3 december 1997, kenmerk WBJA/SBB/97/0214/6.




2. Zitting


Datum: 11 januari 1999.

Namens eiser is verschenen drs. J.P. Laurier, wethouder Werk, Sociale Zaken, Stedelijk beheer en Wijkbeheer van de
gemeente Leiden, en mr. E. van der Schans, advocaat.

Verweerder werd vertegenwoordigd door mr. H.P.M. Schenkels en P.W.G. van Bethlehem.




3. Feiten


Bij besluit van 22 augustus 1997 heeft verweerder de aan eiser te betalen rijksvergoeding voor het dienstjaar 1995 vastgesteld ter zake van de uitvoering van zes door verweerder uitgevoerde regelingen, waaronder de Algemene Bijstandswet (hierna: ABW). Daarbij heeft verweerder, met toepassing van artikel 47a ABW, besloten dat de door de
gemeente Leiden gemaakte kosten van bijstand uit een oogpunt van bijstandverlening niet aanvaardbaar waren tot een bedrag van É38.300,-. De op grond van artikel 47b ABW aan de gemeente te betalen vergoeding werd als gevolg daarvan geweigerd tot genoemd bedrag.

Bij brief van 23 september 1997 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 augustus 1997, voor zover het betrekking heeft op de weigering om genoemd bedrag van
É38.300,- voor vergoeding in aanmerking te brengen.
Op 18 november 1997 is het bezwaarschrift namens eiser toegelicht op een door verweerder georganiseerde hoorzitting.
Bij het bestreden besluit is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 9 januari 1998 beroep ingesteld, welk beroepschrift is gemotiveerd bij brief van 25 februari 1998.
Verweerder heeft een verweerschrift, gedateerd 27 april 1998, ingediend.




4. Bewijsmiddelen


De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.




5. Motivering


Het onderhavige geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW zoals deze luidde tot 1 januari 1996.

Artikel 47a ABW luidt als volgt:
-1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan besluiten dat bepaalde door een gemeente gemaakte kosten van bijstand uit een oogpunt van bijstandverlening niet aanvaardbaar zijn. Het besluit wordt genomen binnen zes maanden nadat de definitieve kostenopgaven door de
gemeente over het desbetreffende dienstjaar zijn ingekomen.
-2. In de kosten ten aanzien waarvan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een besluit heeft genomen als bedoeld in het eerste lid wordt geen vergoeding op grond van de artikelen 47b, 48 of 49 verleend.

Artikel 47b, eerste lid, ABW bepaalt het volgende:
Het Rijk vergoedt 90 procent van de kosten van bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en van de kosten van bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, met toepassing van artikel 47a ABW, een bedrag van
É38.300,- aangemerkt als kosten van bijstand die uit een oogpunt van bijstandverlening niet aanvaardbaar zijn. Ingevolge het tweede lid van artikel 47a ABW heeft dat ertoe geleid dat deze kosten op grond van artikel 47b ABW niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat de rechtmatigheid van de door de
gemeente verstrekte bijstandsuitkeringen niet is verzekerd, omdat eiser feitelijk onderbouwde tips die hij van derden ontvangt niet betrekt bij het vaststellen van de rechtmatigheid van verstrekte uitkeringen indien deze tips anoniem zijn. Naar het oordeel van verweerder dient eiser van dergelijke tips wel kennis te nemen en, voor zover daar vervolgens aanleiding toe bestaat, nader onderzoek te verrichten en eventueel actie te ondernemen. De praktijk geeft aan dat bedoelde anonieme tips bruikbaar zijn, aldus het bestreden besluit.

Omdat de weigering van de
gemeente om van anonieme tips kennis te nemen principieel is en geen sprake is van een incident, heeft verweerder toepassing van artikel 47a ABW aangewezen geacht. Verweerder heeft zich daarbij laten leiden door paragraaf 3.4.3 van zijn bij Circulaire van 17 juli 1992 aan gemeentebesturen aangeboden "Nota uitgangspunten en normering toetsings- en maatregelenbeleid" (hierna: Nota maatregelenbeleid). Aldaar is aangegeven dat toepassing van artikel 47a ABW met name is bedoeld om bepaalde kosten niet aanvaardbaar te verklaren indien een van de wettelijke doelstellingen of wettelijke voorschriften afwijkend gemeentelijk beleid daartoe aanleiding geeft.
De keuze voor toepassing van artikel 47a ABW zou volgens verweerder gerechtvaardigd zijn, aangezien het in paragraaf 3.2 van de circulaire bedoelde traject van overleg en overreding niet het gewenste effect heeft gesorteerd.
Voor een neerslag van zijn beleid met betrekking tot het in behandeling nemen van tips is in het bestreden besluit voorts verwezen naar verweerders Circulaire van 4 juli 1995 ("Uitgangspunten M&O-beleid ten behoeve van een te voeren gemeentelijk M&O-beleid) [M&O: misbruik en oneigenlijk gebruik, red.].

In het verweerschrift heeft verweerder nader aangegeven zich op het standpunt te stellen dat eiser artikel 3, eerste lid, van het Besluit verantwoording en vergoeding uitkeringskosten ABW, Ioaw en Ioaz (Stcrt. 1987, 188; hierna: Bvvu) niet heeft nageleefd. Deze bepaling luidt als volgt:
"Behoudens met betrekking tot uitkeringen voor periodiek bijzondere bestaanskosten nemen burgemeester en wethouders uiterlijk binnen acht maanden na de datum van ingang van de uitkering dan wel van de beslissing naar aanleiding van het laatst uitgevoerde onderzoek een beslissing, na opnieuw alle gegevens die het recht op en de omvang van de periodieke uitkering beÔnvloeden te hebben onderzocht."

Onder "alle gegevens die het recht op en de omvang van de periodieke uitkering beÔnvloeden" dienen volgens verweerder mede anonieme tips te worden begrepen, voor zover feitelijk onderbouwd.

Kern van het beroepschrift van eiser is de stelling dat het reageren op anonieme tips zou bijdragen aan een verlaging van het niveau waarop burgers met elkaar samenleven. De
gemeente voelt daar principieel niet voor en acht die houding gerechtvaardigd mede vanuit de wetenschap dat het fraudebeleid in Leiden zodanig is opgezet dat het geenszins onvermijdelijk is om tips anoniem naar voren te brengen.
Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat sprake is van de uitvoering van de ABW in medebewind, waarbij hij een discretionaire bevoegdheid bezit om, uitgaande van de lokaal bepaalde omstandigheden, een zo effectief mogelijk fraudebeleid vast te stellen. Verweerder heeft de aldus bij eiser bestaande beleidsvrijheid veronachtzaamd.

De
rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De uitvoering van de ABW is in medebewind opgedragen aan de gemeentebesturen. Het Rijk vergoedt het overgrote deel van de met die uitvoering gemoeide kosten. Artikel 47a ABW biedt het Rijk als toezichthouder en financier een instrument om te stimuleren dat de ABW door de verschillende gemeenten op een in zijn ogen verantwoorde wijze wordt uitgevoerd. Door te besluiten dat gemaakte kosten van bijstand niet aanvaardbaar zijn, bewerkstelligt verweerder immers dat in deze kosten geen vergoeding wordt verleend.

Wanneer kosten niet aanvaardbaar zijn, is in artikel 47a ABW niet aangegeven.

Verweerder beroept zich ter interpretatie van dit begrip op een tweetal circulaires.

De eerste circulaire waar verweerder zich op beroept, is de Nota maatregelenbeleid uit 1992. Blijkens deze nota (blz. 7) is ten behoeve van het departementaal vaststellingsbeleid voor de rijksvergoeding als doelstelling geformuleerd: "Het van rijkswege aan de gemeenten toekennen van een vergoeding voor uitsluitend die kosten die voldoen aan de eis van rechtmatigheid en beleidsmatig aanvaardbaar zijn". Onder "rechtmatigheid" wordt blijkens een voetnoot verstaan "in overeenstemming met wet en regelgeving tot stand gekomen".
De beleidstoetsing heeft (blijkens blz. 10 van de nota) betrekking op tendenties van het uitvoeringsbeleid, waaronder wordt verstaan een uit gemeentelijke richtlijnen of uit het uitvoeringsbeleid blijkende consistente beleidslijn. Uitgangspunt bij die toetsing is volgens de nota dat, ofschoon na afloop van een overlegprocedure besloten kan worden tot het niet aanvaardbaar verklaren van kosten, Rijk en gemeenten elkaar - vanuit hun gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor een goede beleidsuitvoering - in het kader van het beleidsoverleg weten te vinden. De beleidstoetsing moet worden gezien als een zaak van overleg en beleidsevaluatie. Zij richt zich - voor zover hier van belang - op:
- doeltreffendheid van de inrichting van de uitvoering ten behoeve van een effectief beleid ter bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de voorziening (waaronder begrepen het sanctiebeleid);
- onderzoek naar de omstandigheden van de uitkeringsontvanger, waaronder begrepen de verificatie van de verkregen gegevens (blz. 10, 15 en 16 van de nota).

De Nota maatregelenbeleid gaat in deel 2, paragraaf 3.4.3, specifiek in op de maatregel van artikel 47a ABW. Dit toezichtsinstrument is met name bedoeld om bepaalde utgaven niet aanvaardbaar te verklaren indien een van de wettelijke doelstellingen of wettelijke voorschriften afwijkend gemeentelijk beleid daartoe aanleiding geeft. Uitgangspunt voor het toezicht is dat de kosten van bijstand der gemeenten aanvaardbaar wordt geacht, tenzij het tegendeel blijkt, aldus de nota.

De tweede circulaire waar verweerder zich op beroept, is eerder vermelde Circulaire van 4 juli 1995. Daarin heeft verweerder aan de gemeenten uitgangspunten bekendgemaakt van te voeren beleid ter voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van (onder meer) de ABW (aangeduid als M&O-beleid). In de circulaire is aangegeven waaraan een gemeentelijk M&O-beleid dient te voldoen. Als ťťn van de specifieke aspecten van het M&O-beleid komt in de circulaire het gebruik van tips van derden aan de orde. In paragraaf 3.4 wordt vermeld:
"Het gebruik van tips is een goed middel om fraude op te sporen. Daarbij ga ik uit van feitelijk onderbouwde tips. Feitelijk onderbouwd betekent in deze context dat in de tip zaken aangevoerd worden die de
gemeente voldoende mogelijkheden geeft om te kunnen gebruiken in een nader onderzoek. Het onderscheid tussen het gebruik van al dan niet anonieme tips is niet relevant."

Naar het oordeel van de
rechtbank stond het verweerder vrij - en was het uit een oogpunt van rechtszekerheid geboden - om nader aan te geven in welk soort situaties naar zijn mening artikel 47a ABW toepassing zou kunnen vinden. In de Nota maatregelenbeleid is zulks geschied in algemene termen. De rechtbank ziet geen reden aan te nemen dat verweerder daarbij de grenzen die artikel 47a beoogt te stellen te buiten is gegaan. De rechtbank acht het gerechtvaardigd dat verweerder als verantwoordelijke voor het toezicht op de uitvoering van de ABW en als financier van het overgrote deel van de bijstandsgelden in zijn beleidstoetsing als bedoeld in de nota mede de gemeentelijke inrichting van de uitvoering van de ABW betrekt op het punt van het door de gemeente te verrichten onderzoek, in het bijzonder ter bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
Wat bedoelde toetsing betekent voor de van de gemeenten verlangde benadering van anonieme tips, valt aan de hand van de Nota maatregelenbeleid niet vast te stellen. Duidelijkheid op dat punt wordt door verweerder gegeven in de circulaire uit 1995, waaruit valt op te maken dat feitelijk onderbouwde tips aanleiding dienen te geven tot onderzoek, waarbij niet van belang wordt geacht of deze anoniem zijn of niet.

Ook met de in de circulaire uit 1995 gegeven uitwerking is verweerder, zo overweegt de
rechtbank, niet getreden buiten de grenzen van artikel 47a ABW. De rechtbank overweegt in dit verband dat zij de stelling van verweerder, erop neerkomende dat in de regel meer misbruik zal worden opgespoord bij het in aanmerking nemen van anonieme tips (mits feitelijk onderbouwd), plausibel acht. Dat verweerder zich aldus inlaat met de wijze waarop gemeenten zich inspannen om misbruik aan het licht te brengen, is in overeenstemming met hetgeen in de Nota maatregelenbeleid is opgemerkt omtrent de inhoud van de blijkens de nota te verrichten beleidstoetsing. Bovendien is het verlangen dat ook anonieme tips worden bestudeerd te plaatsen in het kader van de in de nota voorziene rechtmatigheidstoetsing. Weliswaar staat niet vast dat ten onrechte bijstand is verleend, maar wel is aannemelijk dat tengevolge van het zonder voorbehoud negeren van alle anonieme tips in een aantal gevallen in strijd met de regelgeving een uitkering is verleend.

Gelet op het vorenstaande acht de
rechtbank het toelaatbaar dat verweerder in het kader van de toepassing van artikel 47a ABW verlangt dat feitelijk onderbouwde tips, ook als deze anoniem zijn, worden bestudeerd door de gemeente. Voor het trekken van die conclusie is niet vereist dat de handelwijze van burgemeester en wethouders tevens als overtreding van artikel 3 van het Bvvu valt aan te merken, zoals verweerder in het verweerschrift lijkt te veronderstellen. Of die bepaling zelf meebrengt dat ook bepaalde anonieme tips in behandeling moeten worden genomen, laat de rechtbank dan ook in het midden.

De
rechtbank constateert dat verweerder de toepassing van artikel 47a heeft laten ingaan op 1 augustus 1995. Toen was dus bijna een maand verstreken sinds de dagtekening van de Circulaire van 4 juli 1995, die - naar mag worden aangenomen - op of rond die datum aan de gemeenten ter kennis is gebracht. Hoewel de circulaire een aantal malen de nieuwe Algemene bijstandswet vermeldt, kan de rechtbank uit de inhoud van de circulaire niet opmaken dat niet zou zijn beoogd om daarin ook het vanaf dat moment nog voorafgaand aan 1 januari 1996 te voeren M&O-beleid weer te geven.

Voorafgaand aan de vaststelling van de circulaire heeft verweerder bij brief van 28 juni 1995 aan eiser laten weten het van belang te achten dat ook anonieme tips in behandeling worden genomen, voor zover deze aanknopingspunten bieden voor een nader onderzoek. Om die reden heeft verweerder bij deze brief een dringend beroep op eiser gedaan om zijn beleid ter zake te herzien. In de brief is gerefereerd aan een overleg op 20 januari 1995, waarin de Rijksconsulent Sociale Zekerheid het departementale standpunt ter zake van anonieme tips nog eens heeft uiteengezet aan eiser.

Aangezien de ingangsdatum van de getroffen maatregel is gelegen circa ťťn maand na zowel de dagtekening van de circulaire uit 1995 als de datering van genoemde brief en nu deze brief een vervolg vormt op eerder overleg, acht de
rechtbank de keuze voor bedoelde ingangsdatum niet ontoelaatbaar.
Gelet op het principiŽle karakter van het standpunt van eiser en mede in aanmerking nemende dat eiser dit standpunt ook na 22 augustus 1997 steeds is blijven betrekken, is er geen aanleiding te veronderstellen dat een herhaalde waarschuwing van verweerder eiser tot een ander gedrag aanleiding zou hebben gegeven.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat de Circulaire van 4 juli 1995 niet is vastgesteld in de vorm van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 11 ABW en derhalve verbindende kracht mist. De
rechtbank overweegt hieromtrent dat artikel 11 ABW de mogelijkheid biedt bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen te stellen ter bepaling van hetgeen in de voorgaande paragrafen is overgelaten aan het oordeel van burgemeester en wethouders. Die paragrafen betreffen algemene bepalingen betreffende de aanspraak op bijstand en bijzondere bepalingen betreffende verblijf in inrichtingen. Zij hebben geen betrekking op de verhouding tussen verweerder en eiser. Artikel 11 ABW ziet dus niet op hetgeen in de onderhavige zaak aan de orde is.

Voorts heeft eiser aangegeven dat verweerder hem geen verplichtingen kan opleggen bij circulaire, daarbij doelend op de circulaire uit 1995. Gemeenten kunnen slechts bij wet of algemene maatregel van bestuur verplicht worden door het Rijk vastgestelde (beleids)regels uit te voeren, aldus eiser. De
rechtbank overweegt dienaangaande dat verweerder zijn bevoegdheid tot het niet aanvaardbaar verklaren van gemaakte kosten niet ontleent aan bedoelde circulaire, maar aan artikel 47a ABW. De circulaire beoogt slechts gemeenten informatie te geven over - voor zover hier relevant - het belang dat verweerder, in het kader van de toepassing van deze bepaling, hecht aan de behandeling van anonieme tips en komt dus de rechtszekerheid ten goede. In samenhang met de Nota maatregelenbeleid uit 1992 en met eerder genoemde brief van 28 juni 1995 mocht op grond van de circulaire uit 1995 worden verwacht dat verweerder in het kader van het maatregelenbeleid consequenties zou verbinden aan een absolute weigering om anonieme tips te behandelen.

Eiser heeft tevens aangevoerd dat hij een succesvol fraudebeleid voert en hierbij bovengemiddeld scoort. Verweerder heeft dit erkend. Deze omstandigheid staat er, ook naar het oordeel van de
rechtbank, echter niet aan in de weg dat verweerder op straffe van toepassing van artikel 47a ABW verlangt dat ook bruikbare anonieme signalen betreffende misbruik van de ABW bij controle op de naleving van de wet worden benut. Dat eiser al goede resultaten boekt bij de fraudebestrijding verhindert verweerder niet om een nog beter resultaat van hem te mogen vragen indien daartoe concreet de mogelijkheid bestaat. Dat het in behandeling nemen van feitelijk onderbouwde anonieme tips onvermijdelijk zou leiden tot minder resultaat op andere terreinen van fraudebestrijding is een stelling die - voor zover eiser deze betrekt - niet voldoende is onderbouwd, noch anderszins aannemelijk is.

Eiser heeft gesteld dat de Wet persoonsregistraties (Wpr) eraan in de weg staat anonieme tips in behandeling te nemen. Hij heeft daartoe gesteld dat het hem ten aanzien van uit anonieme tips verkregen gegevens niet mogelijk zou zijn te voldoen aan artikel 29 Wpr, dat voorschrijft inlichtingen over de herkomst van opgenomen gegevens te verstrekken.
Het aldus door eiser naar voren gebrachte heeft de
rechtbank evenmin kunnen overtuigen van de onjuistheid van het bestreden besluit. De rechtbank overweegt in dit verband dat verweerder niet meer van eiser verlangt dan dat hij tot een onderzoek overgaat van feitelijk onderbouwde tips. De rechtbank ziet niet in dat eiser gehouden zou zijn op grond van de Wpr of het Privacyreglement Uitkeringsadministraties in de desbetreffende persoonsregistraties meer te vermelden dan gegevens die het resultaat zijn van dat eigen onderzoek. Inlichtingen over de herkomst van die gegevens kan eiser verschaffen met verwijzing naar bedoeld onderzoek. Niet valt in te zien dat eiser gehouden zou zijn daarbij tevens te vermelden wat de aanleiding vormde voor het onderzoek.

Eiser heeft voorts gesteld dat het gebruik van anonieme tips zich niet verhoudt tot het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals gewaarborgd door artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 10 van de Grondwet. Hij heeft daartoe gesteld dat niet is voldaan aan de door die bepalingen gestelde eis dat inmenging door het openbaar gezag in de persoonlijke levenssfeer slechts is toegestaan voor zover dit bij de wet is voorzien.
De
rechtbank overweegt hieromtrent dat de vraag of de in een anonieme tip vermelde gegevens bij gebruik ervan een schending van de genoemde bepalingen opleveren pas kan worden beantwoord als de tip is beoordeeld en eventueel nader onderzocht. Door het voeren van een beleid waarbij iedere anonieme tip geheel wordt genegeerd, heeft eiser zich de mogelijkheid tot een zodanige beoordeling en onderzoek bij voorbaat ontnomen. Verweerder verlangt van eiser bovendien slechts dat hij zijn eigen onderzoeksbevoegdheden aanwendt indien sprake is van een feitelijk onderbouwde tip. Van hem wordt niet verlangd dat hij zijn wettelijke bevoegdheden te buiten gaat. Evenmin wordt verlangd dat hij het indienen van tips, ongeacht de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen, stimuleert.
Overigens overweegt de rechtbank in dit verband nog dat de stellingname van eiser op dit punt niet geheel consequent overkomt. Immers, eiser pleegt niet-anonieme tips wel in behandeling nemen. Ook ten aanzien van die tips is denkbaar dat de daarin opgenomen informatie op onrechtmatige wijze is verkregen. Kennelijk gaat eiser ervan uit dat hij door die tips in behandeling te nemen zich niet schuldig maakt aan een ongeoorloofde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.

Eiser heeft tot slot aangevoerd het niet eens te zijn met de maatstaf aan de hand waarvan de maatregel is opgelegd.
De
rechtbank overweegt naar aanleiding van deze grief het volgende.
Uit artikel 47a ABW vloeit voort dat in de kosten die als niet aanvaardbaar zijn aangemerkt geen vergoeding wordt verleend.
Verweerder heeft overwogen dat de omvang van deze kosten niet is vast te stellen, nu de anonieme tips niet zijn benut, zijn weggegooid en er geen registratie van is bijgehouden. Verweerder heeft overwogen dat op grond van het in 1994 geldende maatregelenbeleid in een dergelijk geval de maatregel op een forfaitair percentage zou zijn vastgesteld, leidend (uitgaande van een lichte tekortkoming) tot het niet vergoeden van
É461.192,-. Vanwege het aanvaardbare niveau van de uitvoering van de ABW in het algemeen door eiser heeft verweerder besloten tot mitigering van dit bedrag tot É38.300,- over vijf maanden. Ter bepaling van dat bedrag heeft hij aangesloten bij de Regeling forfaitaire percentages maatregelen Abw, Ioaw en Ioaz. Verweerder heeft daarbij het laagste van de percentages genomen die worden vermeld voor tekortkomingen verband houdende met periodieke heronderzoeken.
De rechtbank acht de omvang van de geweigerde vergoeding aldus deugdelijk onderbouwd en ziet niet in waarom verweerder in redelijkheid niet had mogen besluiten tot vaststelling van de geweigerde vergoeding op het aldus gemitigeerde bedrag. Dat het toegepaste forfaitaire percentage ontleend is aan een regeling die is gebaseerd op de nieuwe Algemene bijstandswet belet verweerder niet bij de toepassing van artikel 47a ABW reden te zien, aanknopend bij die nieuwe regeling, ditzelfde percentage te hanteren.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Van omstandigheden op grond waarvan ťťn van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de
rechtbank niet gebleken.




6. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.




7. Rechtsmiddel


Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.




Aldus gegeven door mr. C.J. Borman, mr. J.L.W. Aerts en mr. J.L. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 1999, in tegenwoordigheid van de griffier F.P. Krijnen.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden:




NB: Zie ook LJN AE4538, red.

 

 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA4623
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Arnhem
Zaaknummer: 98/2313
Datum uitspraak: 9 december 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 13, 35 en 38 Abw (= 18, 27 en 8 Wwb) / 3:2 en 7:12 Awb
Trefwoorden: verlaging bijstandsnorm of toeslag; geen woonkosten; woonlasten; eigen caravan; standplaatskosten; onzorgvuldige besluitvorming
Essentie: Terechte verlaging van de toeslag wegens het ontbreken van woonkosten van een in eigendom bewoonde caravan, nu de gestelde verschuldigdheid van standplaatskosten niet is aangetoond. Het bestreden besluit wordt echter vernietigd wegens onzorgvuldigheid.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Arnhem 98/2313




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 27 oktober 1998.



2. Feiten en procesverloop


Bij besluit van 17 juli 1998 heeft verweerder aan eiser met ingang van 3 april 1998 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm van een alleenstaande -
É1047,67 netto - met een toeslag van 20% van het minimumloon [= 20% van de gehuwdennorm, red.] - É409,87 - omdat eiser zijn noodzakelijke kosten van het bestaan niet met een ander kan delen. Voorts heeft verweerder É348,37 (17% van het minimumloon) gekort op de bijstandsnorm, omdat eiser een woning bewoont waaraan geen woonkosten zijn verbonden.

Door eiser is op 4 augustus 1998 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Het bezwaar is behandeld op 23 september 1998 door de commissie voor de behandeling van bezwaarschriften. Eiser is bij de behandeling verschenen. Vervolgens heeft deze commissie op 23 september 1998 advies aan verweerder uitgebracht.

Bij het hierboven aangeduide besluit van 27 oktober 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiser heeft mr. A.J. Kiela, advocaat te Amersfoort, op 15 december 1998 tegen dit besluit beroep ingesteld, waarna de gronden van het beroep zijn uiteengezet in een aanvullend beroepschrift van 6 april 1999.

Verweerder heeft op 19 mei 1999 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 17 november 1999, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.J. Kiela, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J.M. van Amerongen, werkzaam bij de gemeente Barneveld.




3. Overwegingen


In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij verweerder - onder meer - het bezwaar van eiser tegen het besluit van 17 juli 1998 ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt verweerders standpunt ten grondslag dat eiser geen woonkosten heeft voor de caravan waarin hij woont. Daarbij heeft verweerder met name van belang geacht dat eiser niet heeft aangetoond dat hij huur moet betalen voor het bewonen van die caravan.

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat hij
É300,- per maand moet betalen voor het gebruiksrecht van het door hem bewoonde perceel. Daarbij wijst eiser erop dat hij in het verleden het gebruiksrecht van dat perceel heeft verkregen en dat destijds met de eigenaar is overeengekomen dat hij É300,- per maand als gebruiksvergoeding betaalt. Eiser erkent dat hij deze vergoeding al enige jaren niet betaalt omdat de eigenaar van het perceel onvindbaar is. Omdat hij de vergoeding wel verschuldigd is, meent eiser dat hij woonkosten heeft. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser voorts een specificatie van zijn woonlasten overgelegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 35, eerste lid, van de Abw is bepaald dat burgemeester en wethouders de bijstandsnorm (...) lager kunnen vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemene kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden.

Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Abw stelt het gemeentebestuur bij verordening vast voor welke categorieŽn de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.
Ingevolge artikel 38, vierde lid, van de Abw vindt verhoging of verlaging van de bijstandsnorm (...) plaats onverminderd artikel 13, eerste lid, van de Abw.

In verweerders gemeente is de wijze waarop van de in artikel 35 gegeven bevoegdheid gebruik wordt gemaakt, geregeld in de Algemene Bijstandsverordening (de verordening), in werking getreden met ingang van 1 januari 1996.

In artikel 1, eerste lid onderdeel h, van de verordening is bepaald dat onder een woning wordt verstaan een woning, een woonwagen en een woonschip.

Ingevolge dat zelfde artikellid, onderdeel i, wordt onder woonkosten verstaan:
1.  indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van het lopende huursubsidietijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld in de Wet individuele huursubsidie (Stb. 1986, 265);
2.  indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, waarbij onder zakelijke lasten worden verstaan:
rioolrechten, het eigenaarsdeel van de onroerendezaakbelasting, de brandverzekering, de opstalverzekering, het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten en een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen bedrag voor kosten groot onderhoud;
3.  indien een woonwagen in huur dan wel eigendom wordt bewoond, de tot een bedrag per maand herleide op 1 juli geldende woonkosten als omschreven in artikel 5, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun ten behoeve van de bekostiging van de bewoning van een woonwagen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de verordening wordt de bijstandsnorm of de toeslag lager vastgesteld indien de alleenstaande (...) lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waarvoor de bewoners geen woonkosten verschuldigd zijn.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel bedraagt de verlaging 17% van het nettominimumloon.

De rechtbank ziet allereerst aanleiding om te beoordelen of artikel 5, eerste lid, van de verordening in overeenstemming is met artikel 35 van de Abw. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt het eerste lid van artikel 5 van de verordening zich niet geheel met artikel 35, eerste lid, van de Abw. Gelet op de tekst van artikel 35, eerste lid, van de Abw is immers niet bepalend of de bewoners woonkosten verschuldigd zijn, maar of zij een woning bewonen waaraan geen woonkosten zijn verbonden. Voor zover voormeld artikel van de verordening in strijd is met artikel 35 van de Abw mist die bepaling verbindende kracht en zal de rechtbank die bepaling buiten toepassing laten.

Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder de caravan van eiser heeft aangemerkt als een woning als bedoeld in artikel 35 van de Abw en artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de verordening. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat de caravan het eigendom is van eiser.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om verweerders standpunt dat eisers caravan als woning in voormelde zin dient te worden aangemerkt voor onjuist te houden.
De rechtbank is voorts van oordeel dat in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van het bewonen van een woning die het eigendom is van de bewoner, als uitgangspunt heeft te gelden dat aan die woning woonkosten zijn verbonden. Daarvan uitgaande is de rechtbank van oordeel dat op basis van artikel 35 van de Abw slechts tot een lagere vaststelling van de bijstandsnorm of toeslag kan worden overgegaan indien door verweerder aannemelijk is gemaakt dat, ondanks het in eigendom hebben van de door de bijstandsgerechtigde bewoonde woning, aan die woning geen woonkosten zijn verbonden. De rechtbank heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen dat artikel 35 van de Abw naar haar aard restrictief dient te worden uitgelegd.

Gelet op artikel 1, eerste lid, onderdeel i, onder 2, van de verordening wordt onder woonkosten - kort gezegd - verstaan de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente, de zakelijke eigenaarslasten alsmede een bedrag voor groot onderhoud.

Ten aanzien van de gestelde verschuldigdheid van een gebruiksvergoeding voor het bewoonde perceel deelt de rechtbank verweerders standpunt dat niet is komen vast te staan dat eiser de gestelde vergoeding is verschuldigd en dat eiser, nu hij de gebruiksvergoeding niet betaalt, dient aan te tonen dat hij die vergoeding verschuldigd is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat dit onderdeel van de door eiser gestelde woonkosten door verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit in voldoende mate is onderzocht. Verweerder heeft er dan ook van uit kunnen gaan dat eiser geen gebruiksvergoeding is verschuldigd en dat er onvoldoende grond is om deze vergoeding als aan zijn woning verbonden woonkosten aan te merken.

De rechtbank overweegt voorts dat, uitgaande van de in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, onder 2, van de verordening omschreven woonkosten, de enkele omstandigheid dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een vergoeding verschuldigd is voor het gebruik van het door hem bewoonde perceel niet doorslaggevend is voor de beantwoording van de vraag of aan eisers woning woonkosten zijn verbonden. Uit de gedingstukken blijkt het onderzoek van verweerder ten aanzien van de aanwezigheid van woonkosten zich uitsluitend heeft gericht op de door eiser gestelde gebruiksvergoeding. Een onderzoek naar de in voormelde bepaling genoemde woonkosten heeft niet plaatsgevonden. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de korting op grond van artikel 35 van de Abw, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en genomen.

Eisers gemachtigde heeft bij brief van 7 april 1999 een begroting van eisers woonlasten overgelegd. De daarin opgenomen woonlasten kunnen naar het oordeel van de rechtbank echter niet als woonkosten in de zin van meergenoemde bepaling van de verordening worden aangemerkt.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij toepassing is gegeven aan artikel 35 van de Abw, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) in rechte geen stand kan houden.

De rechtbank merkt nog op dat verweerder bij de vaststelling van de hoogte van eisers bijstandsuitkering op grond van artikel 13, eerste lid, van de Abw, in verbinding met artikel 38, vierde lid, van die wet, rekening kan houden met diens bijzondere woonsituatie.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten worden begroot op
É1420,- voor verleende rechtsbijstand. Van andere, voor vergoeding in aanmerking komende, kosten is de rechtbank niet gebleken.

De genoemde kosten dienen, aangezien eiser met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, stelt de rechtbank ten slotte vast dat het door eiser betaalde griffierecht door verweerder dient te worden vergoed.




4. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij toepassing is gegeven aan artikel 35 van de Abw;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
É1420,-;
wijst de gemeente Barneveld aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
bepaalt dat de betaling van dat bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank, bankrekening 1923.25.752 ten name van DS 533 arrondissement Arnhem;
bepaalt dat voornoemd de gemeente Barneveld aan eiser het door hem betaalde griffierecht van
É55,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.J. Catsburg, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 1999, in tegenwoordigheid van B.M.M. Kerkhoven als griffier.

De griffier,            De rechter,




Verzonden op: 9 december 1999.




Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA4624
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 99/1027 NAWB 58
Datum uitspraak: 8 november 1999
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 42 en 47 Abw (= 31 en 32 Wwb)
Trefwoorden: inkomsten; fictief inkomen; beŽindiging bijstand; onbetaalde arbeid; vrijwilligerswerk; ideŽle stichting
Essentie: Terechte beŽindiging bijstand wegens het (als voorzitter van een ideŽle stichting voor hulp aan dak- en thuislozen) onbetaald, voltijds verrichten van productieve arbeid die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigt (fictief inkomen).

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Zutphen 99/1027 NABW 58




U I T S P R A A K




op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 16 augustus 1999, waarbij verzoekers uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingaande 1 augustus 1999 is beŽindigd.




2. Procesverloop


Verzoeker heeft bij brief van 15 september 1999 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij faxbericht van 19 oktober 1999 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 5 november 1999, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P. Langbroek, advocaat te Apeldoorn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Speijers.




3. Motivering


3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3.2. Verzoeker ontvangt van de zijde van verweerder een Abw-uitkering. Sedert geruime tijd houdt verzoeker zich bezig met belangeloze hulpverlening aan, en opvang van, dak- en thuislozen in Apeldoorn. Verzoeker stelt in dit verband onder meer woonruimte beschikbaar in een tweetal door hem gehuurde panden in Apeldoorn, begeleidt personen bij het aanvragen van uitkeringen, beheert uitkeringsgelden en verricht zogeheten "straatwerk". Genoemde activiteiten heeft verzoeker op 19 april 1999 ondergebracht in de Stichting Sjekina, waarvan hij onbezoldigd voorzitter is.

3.3. Ingevolge het tweede lid van artikel 26 van de Abw wordt de hoogte van de algemene bijstand bepaald door het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm. Tot de middelen als bedoeld in artikel 7 van de Abw worden op grond van artikel 42 van die wet gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In artikel 47 van de Abw is bepaald dat onder inkomen (onder meer) wordt verstaan inkomen uit of in verband met arbeid.

3.4. Verweerder heeft de beŽindiging van verzoekers uitkering (onder meer) gebaseerd op de grond dat verzoeker op grond van zijn activiteiten als voorzitter van de Stichting Sjekina niet als werkloze werknemer kan worden aangemerkt. Tijdens de behandeling ter zitting heeft verweerder dit standpunt aldus verduidelijkt dat verweerder de activiteiten van verzoeker aanmerkt als productieve arbeid die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verrichten van dergelijke activiteiten in de weg staat aan verdere bijstandverlening.

Naar voorlopig oordeel moet verweerder in dit standpunt worden gevolgd. Blijkens verzoekers verklaring ter zitting dient te worden aangenomen dat verzoeker op professionele wijze vorm geeft aan de hulpverlening aan dak- en thuislozen, welke activiteiten blijkens die verklaring een (meer dan) volledige dagtaak in beslag nemen. Soortgelijke activiteiten als door verzoeker verricht, plegen in gemeenten als Rotterdam en Utrecht te worden verricht door bezoldigde straatwerkers/hulpverleners, aldus verzoeker.

Naar voorlopig oordeel kunnen verzoekers activiteiten, hoewel daaraan het ideŽle karakter niet kan worden ontzegd, gelet op de wijze waarop verzoeker aan die activiteiten vorm heeft gegeven en gelet op het aanzienlijke tijdsbeslag dat daarmee is gemoeid, niet worden gekwalificeerd als vrijwilligerswerk, maar moet verweerder gevolgd worden in zijn standpunt dat sprake is van productieve arbeid die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigt.

Dat verzoeker genoemde activiteiten onbeloond verricht, doet aan het voorgaande niet af. In het kader van de toepassing van de artikelen 42 en 47 van de Abw dienen weliswaar in beginsel daadwerkelijk verworven inkomsten uitgangspunt te zijn, het hanteren van een fictief inkomen is naar voorlopig oordeel aanvaardbaar te achten in situaties waar productieve werkzaamheden van economische waarde worden verricht zonder dat daar een (reŽle) beloning tegenover staat. Verweerders standpunt dat verzoeker geacht kan worden met de door hem verrichte fulltimearbeid ten minste een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm te verdienen, is in het licht van het vorenstaande niet onjuist te achten.

3.5. Gelet op het hierboven overwogene zal de beŽindiging van eisers Abw-uitkering in een bodemprocedure naar verwachting stand kunnen houden. Derhalve bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening zoals verzocht.

3.6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.




4. Beslissing


De president van de rechtbank,

recht doende:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op
8 november 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.



Afschrift verzonden op:

 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Gw
x
LJN:
x
AA4808
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Utrecht
Zaaknummer: 98/1486 ABW
Datum uitspraak: 20 december 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 3, 65, 69, 81 en 90 Abw (= 3, 17, 54, 58 en 58 Wwb) / 10 Gw
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; onderhoudsplichtige ex-echtgenoot; beŽindiging bijstand; terugvordering; inlichtingenverplichting; hoofdverblijf; zorg voor gehandicapte kinderen; observaties sociale recherche; fraude; privacy; eerbiediging persoonlijke levenssfeer
Essentie: Terechte beŽindiging en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding met een onderhoudsplichtige ex-echtgenoot, aangezien deze meer dan de helft van de dagen per week (ter verzorging van twee gehandicapte kinderen) in de woning verbleef en aldus daar zijn (feitelijk) hoofdverblijf had. Met de vele observaties door de sociale recherche is het privacyrecht niet geschonden. De bestuursrechter heeft een eigen verantwoordelijkheid, die afwijkt van die van de politierechter.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Utrecht 98/1486 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.




1. Verloop van de procedure


Bij besluit van 9 juni 1998 (hierna aan te duiden als het bestreden besluit) heeft verweerder het namens eiseres ingediende bezwaar tegen het besluit van 28 januari 1998, bij welk besluit verweerder het recht van eiseres op bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 maart 1997 heeft ingetrokken en de van 1 maart 1997 tot en met 31 december 1997 aan haar verstrekte bijstand tot een bedrag van
É22.955,59 (bruto) van haar heeft teruggevorderd, gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat de datum van ingang van de intrekking alsmede de datum van ingang van de periode waarover wordt teruggevorderd, is gewijzigd in 20 maart 1997. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dat besluit op 21 juli 1998 beroep bij deze rechtbank doen instellen. Op 30 september 1998 zijn de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 27 november 1998 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift aan de rechtbank toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 september 1999 alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.W. Melchers, advocaat te Utrecht, en verweerder, ambtshalve opgeroepen om te verschijnen bij gemachtigde, zich heeft doen vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de afdeling juridische zaken van verweerders gemeente.




2. Overwegingen


In dit geding moet de vraag beantwoord worden of verweerder terecht en op goede gronden de intrekking van het recht op bijstand ingevolge de Abw van eiseres en de terugvordering van de haar verstrekte bijstand heeft gehandhaafd onder wijziging van de datum van ingang van intrekking en de datum van ingang van de periode van terugvordering in 20 maart 1997.



Feiten

Eiseres ontving van verweerder een uitkering ingevolge de Abw. Naar aanleiding van een vermoeden dat zij met haar gewezen echtgenoot, X, een gezamenlijke huishouding zou voeren, is er door de sociale recherche van de Dienst Welzijn, afdeling Sociale Zaken, van verweerders gemeente een onderzoek ingesteld, waarvan op 6 januari 1998 rapport is uitgebracht. Naar aanleiding van dit rapport heeft verweerder het recht van eiseres op uitkering ingevolge de Abw met ingang van 1 maart 1997 beŽindigd en de aan haar van 1 maart 1997 tot en met 31 december 1997 verstrekte bijstand teruggevorderd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze beŽindiging en terugvordering gehandhaafd onder wijziging van de datum van ingang van beŽindiging en de datum van ingang van de periode waarover wordt teruggevorderd in 20 maart 1997.



Standpunten van partijen

Namens eiseres is erkend dat X veelvuldig bij eiseres verbleef, doch dat dit te maken had met het feit dat eiseres en X twee zwaar gehandicapte kinderen hebben, die meer verzorging nodig hebben dan eiseres hen kan geven. Om die reden is X als vader van de kinderen veelvuldig bij eiseres aanwezig en helpt hij haar met de verzorging en opvoeding van deze kinderen. Eiseres is van mening dat aan het veelvuldig verblijf van X bij haar niet ontleend kan worden dat X bij haar in de woning zijn hoofdverblijf heeft.
Voorts is namens eiseres onder verwijzing naar rechtspraak en met een beroep op artikel 10 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 19 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) gesteld dat verweerder door veelvuldig te observeren in de buurt van de woning van eiseres een ontoelaatbare inbreuk heeft gemaakt op de privacy van eiseres.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres met een beroep op artikel 8 van het EVRM gesteld dat op grond van de bijzonderheid van de situatie van eiseres en X de gemeente zich niet alleen van een ongeoorloofde inbreuk op het gezinsleven van eiseres moet onthouden, doch tevens geacht moet worden een inspanningsverplichting te hebben om X in staat te stellen zijn gewezen echtgenote te helpen bij de verzorging en opvoeding van de twee gehandicapte kinderen.

Verweerder heeft de noodzaak van de verzorging van de kinderen door X niet ontkend, doch zich op het standpunt gesteld dat X zijn hoofdverblijf in de woning van eiseres heeft en daarom op grond van artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Abw geacht wordt een gezamenlijke huishouding te voeren met eiseres. Daarbij heeft verweerder overwogen dat het aannemelijk is dat X in de in geding zijnde periode over voldoende middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Verweerder acht niet dat de privacy van eiseres ongeoorloofd is geschonden door de observaties welke zijn verricht door de sociale recherche. Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat het in de namens eiseres aangehaalde rechtspraak ging om een observatieperiode van ruim vijftien maanden en 292 observatiedagen, terwijl het in het geval van eiseres ging om een observatieperiode van 30 juli 1997 tot en met 20 november 1997, in welke periode 119 waarnemingen op 111 observatiedagen zijn verricht. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat waarnemingen gedurende een kortere observatieperiode veelal niet tot een duidelijk oordeel leiden over het al dan niet hebben van een hoofdverblijf aan een bepaald adres.



Toepasselijk recht

Op grond van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Abw wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Krachtens het tweede lid van genoemd artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In het derde lid, onderdeel a, van genoemd artikel is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

Het eerste, tweede en derde lid van genoemd artikel zijn met ingang van 1 januari 1998 vernummerd tot het tweede, derde en vierde lid. Gelet op de in geding zijnde periode wordt in deze uitspraak verwezen naar de nummers van de artikelleden, zoals deze golden van 1 januari 1996 tot 1 januari 1998.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

In artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, zoals dit artikel luidt sedert 1 juli 1997, is onder meer bepaald dat burgemeester en wethouders onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw wordt bijstand die als gevolg van onder meer een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend van de belanghebbende teruggevorderd.
Van 1 januari 1996 tot en met 30 juni 1997 luidde artikel 81, eerste lid, van de Abw voor zover hier van belang: Indien de verplichting, bedoeld in artikel 65, door belanghebbende niet of niet behoorlijk is nagekomen, wordt de bijstand van hem teruggevorderd voor zover de betreffende handelwijze heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Krachtens artikel 90 wordt voor zover hier van belang onder kosten van bijstand verstaan de door de gemeente betaalde bijstand verhoogd met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de ziekenfondspremie, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de Belastingdienst en het Landelijk instituut sociale verzekeringen.



Beoordeling van het geschil

Nu tussen partijen niet in geschil is dat eiseres en X eerder met elkaar gehuwd zijn geweest, moet, gelet op artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Abw nog slechts de vraag beantwoord worden of X in de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf aan het adres van eiseres had.

Op grond van het genoemde rapport van de sociale recherche en de daarbij opgenomen verklaringen is de rechtbank van oordeel dat X ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres. Ter zitting is ook niet langer bestreden dat X op de meeste dagen, meer dan de helft van de dagen per week, bij eiseres aanwezig was voor de zorg voor de kinderen, zij het dat dit in verband met zijn werkzaamheden niet gedurende de gehele dag was, terwijl eiseres heeft verklaard dat X, als hij er was, ook in de woning bleef slapen.
De stelling namens eiseres dat aan dit veelvuldig verblijf van X in de woning van eiseres niet kan worden ontleend dat X zijn hoofdverblijf in de woning van eiseres had omdat dit verblijf noodzakelijk was voor de verzorging en opvoeding van de gehandicapte kinderen, kan de rechtbank niet volgen.
Bij de beantwoording van de vraag of iemand zijn hoofdverblijf in een woning heeft zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Abw is het feitelijk verblijf in die woning doorslaggevend en niet de reden van dat verblijf. Daaraan doet niet af dat het verblijf van X in de woning van eiseres, zoals ook door verweerder niet is ontkend, voor de verzorging en opvoeding van zijn gehandicapte kinderen noodzakelijk was.

Verweerder heeft dan ook terecht geoordeeld dat eiseres de op grond van artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door verweerder niet op de hoogte te stellen van het verblijf van X in haar woning.
Nu niet is bestreden dat X over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, moet geoordeeld worden dat verweerder terecht het recht van eiseres op bijstand ingevolge de Abw met ingang van 20 maart 1997 heeft beŽindigd en de van 20 maart 1997 tot en met 31 december 1997 aan haar verstrekte bijstand van haar heeft teruggevorderd.

Met betrekking tot de door de sociale recherche verrichte observaties heeft de gemachtigde van eiseres gewezen op het vonnis van de Politierechter van deze rechtbank van 12 februari 1998, gepubliceerd in NJ 1998/636. In dat vonnis werd de officier van justitie in zijn strafvordering inzake bijstandsfraude niet-ontvankelijk verklaard omdat de observaties gedurende de periode van 7 september 1995 tot en met 20 november 1996, totaal 538 observaties gedurende 292 dagen, disproportioneel werden geacht. De gemachtigde van eiseres is van mening dat dit in het bestuursrecht betekent dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank kan de gemachtigde van eiseres niet volgen in deze stelling. Niet alleen zijn in het geval van eiseres gedurende een veel kortere periode veel minder observaties verricht, ook heeft de bestuursrechter bij de beoordeling of het bestuursorgaan terecht het recht op bijstand ingevolge de Abw heeft beŽindigd en terecht reeds verstrekte bijstand heeft teruggevorderd een eigen verantwoordelijkheid, die afwijkt van de verantwoordelijkheid van de Politierechter inzake de beoordeling van de ontvankelijkheid van de officier van justitie in het kader van een strafvordering.

Ook de stelling van de gemachtigde van eiseres, aangevoerd ter zitting, met een beroep op artikel 8 van het EVRM, dat op verweerder een inspanningsverplichting rust tot bijstandverlening in de situatie van eiseres kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank is van oordeel dat de bescherming die het namens eiseres aangehaalde verdragsartikel biedt niet zo ver gaat dat verweerder op grond daarvan verplicht zou zijn om eiseres de gelegenheid te bieden X toe te staan zijn hoofdverblijf in haar woning te hebben voor de verzorging en opvoeding van de gehandicapte kinderen, zonder bij de berekening van de bijstandsuitkering van eiseres de financiŽle middelen van X in aanmerking te nemen.

De namens eiseres aangevoerde bezwaren kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Aangezien ook overigens geen aanleiding is gebleken om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten, komt het beroep voor ongegrondverklaring in aanmerking. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Er dient dan ook als volgt te worden beslist.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.


Aldus vastgesteld door mr. J.G.Th. Engelberts, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op
20 december 1999.

De griffier, mr. E.W.F. Botenga,            De rechter, mr. J.G.Th. Engelberts,




(bij verhindering van de behandelend griffier: mr. E.W. Ackermans-Bouwman)

Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x