Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA4888
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Utrecht
Zaaknummer: Awb 98/2399 NABW
Datum uitspraak: 13 januari 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 6, 17, 39 en 40 Abw (= 5, 15, 35 en 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten vloerbedekking; elektrische epilatie; meerkosten bril; koelkast; noodzakelijke kosten; voorliggende voorziening; berekening draagkracht; gemeentelijk beleid
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van vloerbedekking, omdat de vloerbedekking nog in redelijke staat is. Onterechte afwijzing voor kosten van elektrische epilatie, omdat de term "tegemoetkoming" aangeeft dat de kosten niet geheel worden vergoed door het ziekenfonds, zodat deze voorliggende voorziening niet als toereikend kan worden geacht. Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor de meerkosten van een bril, omdat, op grond van gemeentelijk beleid, de maximumvergoeding reeds is verleend. Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor de kosten van een koelkast, omdat de aanwezige draagkracht op een wijze in strijd met de wet is berekend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Utrecht Awb 98/2399 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.




1. Verloop van de procedure


Bij besluit van 19 juni 1998 (hierna aan te duiden als het primaire besluit) heeft verweerder, naar aanleiding van de aanvraag van 12 oktober 1997 van eiseres, geweigerd bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toe te kennen in de kosten van vloerbedekking, elektrische epilatie, een brilmontuur met glazen en een koelkast.

Van de door eiseres tegen het primaire besluit ingediende bezwaren is het de kosten van de bril betreffende bezwaar door verweerder bij besluit van 14 oktober 1998 (verder: het bestreden besluit) in zoverre gegrond verklaard dat verweerder de ten behoeve van het primaire besluit uitgevoerde onjuist berekend geachte draagkracht van eiseres opnieuw heeft berekend en alsnog bijzondere bijstand ten bedrage van
ƒ338,80 heeft toegekend.
Ook het de kosten van de koelkast betreffende bezwaar verklaarde verweerder bij het bestreden besluit gegrond in zoverre dat de draagkrachtberekening is gecorrigeerd, op grond van welke herberekening bij het bestreden besluit opnieuw geen bijzondere bijstand in de kosten van een koelkast is verstrekt.
Het bezwaar betreffende de kosten van de vloerbedekking is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het besluit van 14 oktober 1998 op 17 november 1998 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Bij brief van 12 januari 1999 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift aan de rechtbank doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 november 1999, alwaar eiseres in persoon is verschenen en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.




2. Overwegingen



Toepasselijk recht


Ingevolge het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 6, onderdeel b, van de Abw wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder bijzondere bijstand: de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.

In artikel 39, eerste lid, van de Abw is bepaald dat onverminderd hoofdstuk II de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw nemen burgemeester en wethouders voor de vaststelling van de draagkracht geheel of gedeeltelijk in beschouwing: het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3.



Standpunten van partijen

Eiseres heeft in haar beroepschrift nog wel melding gemaakt van verweerders afwijzing van haar aanvraag om bijzondere bijstand te verlenen in de kosten van de vloerbedekking, maar heeft in beroep met betrekking tot deze afwijzing geen (nadere) bezwaren aangevoerd.

Met betrekking tot verweerders afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van elektrische epilatie heeft eiseres zich in beroep op het volgende standpunt gesteld.
Naar de mening van eiseres is verweerder er bij het bestreden besluit ten onrechte van uitgegaan dat geen bezwaar tegen de hier bedoelde afwijzing naar voren is gebracht. Eiseres heeft erkend dat in het bezwaarschrift hieromtrent niets is vermeld, hetgeen waarschijnlijk te maken heeft gehad met het feit dat zij nogal overvallen was door de hele situatie, doch zij stelt dit bezwaar tijdens de hoorzitting betreffende haar bezwaar wel degelijk vermeld te hebben.
Eiseres heeft aangevoerd dat het bij het primaire besluit door verweerder ingenomen standpunt dat geen bijzondere bijstand kan worden verstrekt in de na aftrek van de door haar ziektekostenverzekeraar Anova verstrekte vergoeding resterende kosten van de epilatiebehandeling onjuist is.
Eiseres heeft opgemerkt verweerders afwijzing, gezien een vrij recente honorering van een eerdere aanvraag om bijstand in tandartskosten, onbegrijpelijk te achten.

Ten aanzien van verweerders bijdrage van
ƒ338,80 in de kosten van de bril heeft eiseres aangegeven dat deze vergoeding impliceert dat zij de door haar aangeschafte bril gedeeltelijk zelf moet betalen, hetgeen zij, gezien haar financiële omstandigheden, niet correct acht.

Betreffende verweerders weigering bijzondere bijstand te verlenen in de kosten van de koelkast heeft eiseres gesteld verweerders eis dat de oude, te vervangen koelkast bewaard had dienen te blijven - dit in verband met de beoordeling van de noodzaak van vervanging - niet redelijk te achten.
Zij heeft voorts aangevoerd dat verweerder, bij zijn draagkrachtberekening ten behoeve van het bestreden besluit, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door haar te betalen aflossingen ad
ƒ100,- per maand van een door haar, vooral in verband met de aanschaf van de bril en de koelkast, bij de Postbank gesloten lening van ƒ2500,-.

Met betrekking tot de afwijzing van bijstand in de kosten van vloerbedekking heeft verweerder zich beperkt tot de opmerking dat deze tijdens een huisbezoek op 5 juni 1998 in redelijke staat is bevonden.

Verweerder heeft gesteld dat eiseres noch in het bezwaarschrift, noch tijdens de hoorzitting ter zake van het bezwaar heeft aangegeven het niet eens te zijn met het niet toekennen van bijzondere bijstand in de (meer)kosten van elektrische epilatie. Naar verweerders mening heeft eiseres er tijdens de genoemde hoorzitting van 5 oktober 1998 (slechts) op gewezen dat de onderliggende ambtelijke rapportage niet geheel correct is.
Met betrekking tot dit laatste heeft verweerder opgemerkt dat één en ander niet relevant is geweest voor (de inhoud van) het, naar verweerders oordeel op goede grondslag berustende, primaire besluit, waarbij verweerder, onder verwijzing naar artikel 17, tweede lid, van de Abw, de aanvraag voor de kosten van elektrische epilatie heeft afgewezen, omdat deze (meer)kosten bewust buiten de werkingssfeer van het ziekenfonds zijn gehouden.
Verweerder heeft hierover ter zitting van 10 november 1999 opgemerkt dat eiseres noch bij haar aanvraag, noch in haar bezwaarschrift, noch ter hoorzitting van 5 oktober 1998 heeft aangegeven dat zij van alle door ziekenfonds Anova in dit kader geboden voorzieningen gebruik heeft gemaakt. Verweerder meent dat er, gelet op het voorgaande, voor hem geen aanleiding heeft bestaan om bij het primaire dan wel het bestreden besluit aan te (moeten) nemen dat in casu sprake was van bijzondere omstandigheden in de vorm van medische noodzaak van (voortzetting van) een behandeling waarvoor de door het ziekenfonds verstrekte vergoeding ontoereikend is gebleken, in verband waarmee bijzondere bijstand in de (meer)kosten van zo'n behandeling dient te worden verstrekt.
Verweerder heeft in dit verband in verweer aangegeven dat eiseres, indien zij van mening is dat er sprake is van een medische noodzaak als hier bedoeld, een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand kan indienen.

Ter zake van de hoogte van het bedrag aan bijzondere bijstand verstrekt voor de door eiseres aangeschafte bril heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bij deze vorm van bijstand de maximale tegemoetkoming in de kosten is verstrekt en dat het feit dat de kosten van de door eiseres aangeschafte bril niet volledig zijn vergoed, voortvloeien uit het feit dat de kosten van die bril de in casu maximaal te verstrekken vergoeding te boven gaan.
In dit verband heeft verweerder in beroep gewezen op zijn vaste beleid om bij zo'n vergoeding uit te gaan van vaste bedragen op basis van een lijst van de Unie van Opticiens. De op grond van dit beleid verstrekte vergoeding kan naar verweerders oordeel voldoende worden geacht om een bril van te kunnen kopen en het uitgeven van een groter bedrag aan glazen en/of montuur dient daarom voor rekening van de koper te komen.

Wat betreft het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand in de kosten van de koelkast heeft verweerder opgemerkt dat er geen sprake is van een weigering vanwege het niet bewaard zijn gebleven van de te vervangen koelkast.
Verweerder heeft erop gewezen dat een vergoeding in de kosten van de koelkast ad
ƒ550,- is vastgesteld. Ter verklaring van het feit dat deze vergoeding niet tot uitbetaling is gekomen, heeft verweerder onder meer het volgende aangevoerd.
Volgens vast beleid is in de norm die verweerder hanteert ten aanzien van de kosten van duurzame gebruiksgoederen begrepen dat verweerder van personen die nog niet zo lang een bijstandsuitkering ontvangen of die in het totaal een inkomen hebben dat boven de bijstandsnorm uitkomt, verwacht dat zij een zekere reservering voor de aanschaf van zulke goederen aanhouden.
Aangezien volgens verweerders berekening de in casu relevante draagkracht op
ƒ2815,70 diende te worden gesteld, bleef met het op deze draagkracht in mindering brengen van de koelkastvergoeding van ƒ550,- de draagkracht van eiseres met een omvang van ƒ2265,70 positief, zodat er geen sprake kon zijn van uitbetaling van de genoemde ƒ550,-.



Beoordeling van het geschil

Voor zover het beroep van eiseres geacht moet worden mede te zijn gericht tegen verweerders ongegrondverklaring van het bezwaar betreffende de weigering bijzondere bijstand te verlenen in de kosten van vloerbedekking, dient dit beroep naar het oordeel van de rechtbank ongegrond te worden verklaard, gelet op de navolgende overweging.
Nu door eiseres de juistheid van de bij een huisbezoek op 5 juni 1998 gedane constatering dat bedoelde vloerbedekking in redelijke staat verkeerde niet is bestreden, kan de rechtbank zich vinden in verweerders standpunt dat, gezien de staat van die vloerbedekking, daarvoor geen vergoeding verstrekt dient te worden, aangezien de noodzaak tot vervanging ontbreekt.

Anders dan verweerder meent de rechtbank, gelezen het verslag van de hoorzitting van 5 oktober 1998, dat eiseres heeft beoogd tijdens deze zitting bezwaar te maken tegen de afwijzing van vergoeding van de (meer)kosten van de elektrische epilatie.
Met betrekking tot het deze kosten betreffende onderdeel van het beroep overweegt de rechtbank als volgt.
Op grond van de beschikbare gegevens staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat het ziekenfonds, waarbij eiseres is aangesloten, haar de maximaal toe te kennen vergoeding van kosten als deze heeft verstrekt.
De bevoegdheid van het ziekenfonds tot het verstrekken van een dergelijke vergoeding berust op het Besluit van de Ziekenfondsraad van 25 oktober 1984. In de toelichting bij dat besluit is de vergoeding welke door de ziekenfondsen maximaal kan worden verleend voor behandelingen als de onderhavige uitdrukkelijk omschreven als een tegemoetkoming. Onder verwijzing naar een uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van 7 maart 1995 merkt de rechtbank het volgende op. Uit het gebruik van de term "tegemoetkoming" moet worden afgeleid dat een direct verband tussen de werkelijke met behandelingen als elektrische epilatie gemoeide kosten en het bedrag van de maximale vergoeding niet is gelegd en dat onderkend is dat de vastgestelde maximale vergoeding niet (in alle gevallen) kostendekkend zal blijken te zijn.
Gelet hierop kan niet als juist worden aanvaard de in het primaire besluit en in verweer verwoorde opvatting dat de door het ziekenfonds aan eiseres te verstrekken respectievelijk verstrekte vergoeding, in het geval van eiseres in beginsel kon worden aangemerkt als een sluitende voorliggende voorziening, waarvan het functioneren in geval van bijstandverlening zou worden doorkruist. De rechtbank wijst erop dat ingevolge artikel 17 van de Abw, ter beantwoording van de vraag of een bepaalde voorliggende voorziening als toereikend en passend kan worden aangemerkt, weliswaar mede in beschouwing kan worden genomen hetgeen naar maatschappelijk inzicht aanvaardbaar is, doch dat tevens belangrijke betekenis dient te worden toegekend aan de omstandigheden en mogelijkheden in het individuele geval.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder in casu nader onderzoek had moeten verrichten naar de medische noodzaak van (voortzetting van) de behandeling en de toereikendheid van de door ziekenfonds Anova gemaximeerde vergoeding.
Op grond van bovenstaande overwegingen concludeert de rechtbank dat het beroep, voor zover dit ziet op verweerders handhaving van de weigering van bijzondere bijstand in de (meer)kosten van de elektrische epilatie, gegrond verklaard moet worden.

Met betrekking tot de vraag of verweerders besluit om in de kosten van de bril alsnog
ƒ338,80 aan bijzondere bijstand te verstrekken terecht en op goede gronden is genomen, wordt het volgende overwogen.

Op basis van de herbeoordeling van de vraag of eiseres in aanmerking had moeten worden gebracht voor vergoeding van de bril heeft verweerder, blijkens het bestreden besluit, geconcludeerd dat de hier relevante draagkracht op nihil diende te worden gesteld. Om deze reden heeft verweerder besloten alsnog de, in een geval als dat van eiseres, maximaal te verstrekken vergoeding toe te kennen, welke vergoeding is gesteld op
ƒ388,80.
Met betrekking tot het eerder vermelde bezwaar van eiseres dat deze vergoeding impliceert dat zij de bril gedeeltelijk zelf heeft moeten betalen, heeft verweerder, als vermeld, gewezen op zijn vaste beleid, dat ook in het geval van eiseres is gehanteerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat verweerders standpunt dat de door hem aangehouden bedragen, ontleend aan een lijst van de Unie van Opticiens, als toereikend kunnen worden beschouwd, voor onjuist gehouden moet worden.
Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet gesteld worden dat genoemd beleid niet binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gelegen of in strijd zou zijn met de wettelijke bepalingen of bestaande jurisprudentie dienaangaande.
Het vorengaande overziende komt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep, voor zover dit afwijzing van vergoeding van de kosten waarmee het bedrag van
ƒ388,80 bij de aanschaf van de bril door eiseres is overschreden betreft, ongegrond verklaard moet worden.

Ten aanzien van de vraag of verweerders handhaving van de weigering om bijzondere bijstand in de kosten van de door eiseres aangeschafte koelkast te verstrekken op goede grondslagen berust, overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder heeft in het bestreden besluit met betrekking tot de beoordeling van dit onderdeel van de aanvraag om bijzondere bijstand onder meer het volgende medegedeeld.
"Wat betreft de draagkrachtberekening voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen wordt het volgende overwogen. Bij duurzame gebruiksgoederen wordt naast een percentage boven de bijstandsnorm, ook een percentage van de bijstandsnorm zelf in aanmerking genomen bij de berekening van de draagkracht. Dit percentage is 6%, voor een draagkrachtperiode van twee jaar. Bij besluit van 19 juni 1998 wordt de vergoeding voor de noodzakelijke aanschaf van een koelkast vastgesteld op
ƒ550,-. Uw draagkracht wordt vastgesteld op ƒ4958,74 voor een periode van twee jaar. Gezien het feit dat uw inkomen meer dan 110% van de bijstandsnorm bedraagt, had Sociale Zaken u, ingevolge het beleid van de gemeente Utrecht, moeten verwijzen naar de KBU [Kredietbank Utrecht, red.]. Nu dit niet is gebeurd, dient een juiste draagkrachtberekening te worden gemaakt.
Bij de berekening van uw draagkracht is ten onrechte geen rekening gehouden met uw premie aanvullende verzekering. In uw bezwaarschrift geeft u aan dat er ook geen rekening is gehouden met uw aflossingsverplichting. U gaf aan de lening te hebben gebruikt voor de aanschaf van een koelkast en een bril, maar ook voor andere zaken. Aangezien niet is aangetoond dat de lening uitsluitend is gebruikt voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting kan met deze lening bij berekening van uw draagkracht geen rekening worden gehouden. Bijgevoegd vindt u een nieuwe berekening van uw draagkracht. Hieruit volgt dat uw draagkracht is vastgesteld op
ƒ2815,70. Hierop wordt ƒ550,- voor de noodzakelijke kosten van een koelkast in mindering gebracht. Uw draagkracht bedraagt derhalve ƒ2265,70 tot 12 oktober 1999.
Gezien het bovenstaande verklaren wij uw bezwaarschrift gegrond voor wat betreft de berekening van uw draagkracht."

Gelet op het feit dat bovenvermelde draagkrachtberekening is toegepast, neemt de rechtbank aan dat verweerder is uitgegaan van verstrekking van bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 39 van de Abw.
In artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw is bepaald dat burgemeester en wethouders voor de vaststelling van de draagkracht geheel of gedeeltelijk in beschouwing nemen het inkomen, voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
Daarmee verdraagt zich niet dat verweerder bij de berekening van de draagkracht van eiseres een percentage van de voor haar geldende bijstandsnorm mede in aanmerking heeft genomen.
Om deze reden dient het beroep, voor zover dit ziet op de handhaving van de afwijzing van bijzondere bijstand in de kosten van de koelkast, gegrond verklaard te worden.

Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op
ƒ4,75 als reiskosten. Van andere te vergoeden kosten is de rechtbank niet gebleken.

Gezien bovenstaande overwegingen wordt beslist als volgt.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende:

verklaart het beroep, voor zover dit handhaving van de weigering om bijzondere bijstand toe te kennen in de kosten van vloerbedekking betreft, ongegrond;
verklaart het beroep, voor zover dit handhaving van de weigering om bijzondere bijstand toe te kennen in de (meer)kosten van elektrische epilatiebehandelingen betreft, gegrond;
vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
verklaart het beroep, voor zover dit handhaving van de weigering om bijzondere bijstand toe te kennen in de het toegekende bedrag van
ƒ388,80 te boven gaande kosten van een door eiseres aangeschafte bril betreft, ongegrond;
verklaart het beroep, voor zover dit handhaving van de weigering om bijzondere bijstand toe te kennen in de kosten van een door eiseres aangeschafte koelkast betreft, gegrond;
vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
bepaalt dat de gemeente Utrecht het door eiseres betaalde griffierecht van
ƒ55,- aan haar vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in dit geding ten bedrage van
ƒ4,75, te betalen door de gemeente Utrecht.

Aldus vastgesteld door mr. J.G.Th. Engelberts, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2000.

De griffier, R.A. van Bruchem,            De rechter, J.G.Th. Engelberts,




(bij afwezigheid van de behandelend griffier: B. Marell-Groenewout)

Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
             
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / IWwb / Awb
x
LJN:
x
AA5019
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 99/1106 NABW 57 en 99/1107 NABW 57
Datum uitspraak: 7 december 1999
Soort procedure: voorlopige voorziening en beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 5 en 8 Abw (= 7 en 7 IWwb) / 8:86 Awb
Trefwoorden: zelfstandige; beëindiging bijstand; voorbereidingsperiode; oriëntatiefase
Essentie: Onterechte beëindiging bijstand, omdat per beëindigingsdatum betrokkene nog niet als zelfstandige kon worden aangemerkt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Zutphen 99/1106 NABW 57 en 99/1107 NABW 57




U I T S P R A A K




op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], verzoeker/eiser, hierna: eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 12 oktober 1999.




2. Feiten en procesverloop


In mei 1999 heeft eiser, in het genot van een bijstandsuitkering, zich bij de afdeling Sociale Zaken van verweerders gemeente gemeld met het verzoek om zich te mogen oriënteren op de mogelijkheid van het starten van een eigen bedrijf. Aan eiser is toestemming gegeven voor het opstellen van een ondernemersplan en het doen van onderzoek naar financiering. Nadien is afgesproken dat de oriëntatiefase zal duren tot 1 september 1999 en dat eisers uitkering per die datum zal worden beëindigd, zulks op basis van de verwachting dat eisers plan zal slagen.

Bij besluit van 11 augustus 1999 heeft verweerder eisers bijstandsuitkering beëindigd per 1 september 1999 op grond van de overweging dat eiser met ingang van die datum werkzaam zal zijn als zelfstandig ondernemer en daardoor (naar verwachting) zal beschikken over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 14 september 1999 bezwaar gemaakt. Hij heeft hierbij aangevoerd dat 1 september 1999 als aanvangsdatum voor zijn bedrijf niet haalbaar is gebleken als gevolg van berekeningsfouten in het ondernemersplan. Tijdens de hoorzitting op 6 oktober 1999 heeft eiser verklaard een nieuw ondernemersplan te hebben verzonden naar de bank en over circa twee weken bericht te zullen krijgen.

Bij besluit van 12 oktober 1999 heeft verweerder het bezwaarschrift gegrond verklaard en het primaire besluit in die zin gewijzigd dat de einddatum van de uitkering is bepaald op 15 oktober 1999 in plaats van 1 september 1999. Tevens heeft verweerder medegedeeld dat, indien de onderneming niet per 15 oktober 1999 is gerealiseerd, eiser zich uiterlijk op die datum voor het verkrijgen van passende arbeid dient te wenden tot het Centrum voor werk en inkomen (CWI) en een aanvraag om uitkering kan indienen wanneer er per 15 oktober 1999 niet terstond passende arbeid voor hem beschikbaar is.

Tegen dit besluit is namens eiser door mr. M. Bongaards, advocaat te Doetinchem, bij brief van 12 november 1999 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van gelijke datum is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het geschil is behandeld ter zitting van 6 december 1999, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer A.J. te Hennepe.




3. Motivering


3.1. Indien de president na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen in de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van deze bevoegdheid wordt in dit geval gebruik gemaakt.

3.2. In geschil is de beëindiging van eisers bijstandsuitkering met ingang van 15 oktober 1999. Eiser is van mening dat verweerder hem onvoldoende is tegemoet gekomen door de datum van beëindiging naar 15 oktober 1999 te verschuiven, aangezien hij zijn voorgenomen bedrijf nog niet per deze datum heeft kunnen realiseren. Om het bedrijf te kunnen starten, heeft eiser inmiddels bij verweerder een aanvraag op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) ingediend, waaromtrent ook reeds advies is gevraagd aan het Instituut voor Midden- en Kleinbedrijf (IMK). Naar verweerders gemachtigde ter zitting heeft verklaard, zal het door het IMK nog uit te brengen advies naar verwachting positief zijn. Eiser heeft desgevraagd ter zitting verklaard nog niet te zijn begonnen met werkzaamheden en eerst te zullen starten met zijn bedrijf indien positief is beslist op zijn Bbz-aanvraag, mede in verband met het feit dat hij krediet nodig heeft voor de aanschaf van een bedrijfsauto. De gemachtigde van verweerder heeft desgevraagd verklaard dat er geen aanwijzingen zijn dat eiser inmiddels met activiteiten als zelfstandige is begonnen.

3.3. Gevraagd naar de wettelijke grondslag van het bestreden besluit heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting gesteld dat dit besluit is gebaseerd op artikel 8 van de Algemene bijstandswet (Abw).

In dit artikel is geregeld onder welke voorwaarden een belanghebbende in de hoedanigheid van zelfstandige recht heeft op bijstand. Eén van de voorwaarden is dat het bedrijf levensvatbaar moet zijn, behoudens een tweetal uitzonderingen.
Om voor bijstandverlening in aanmerking te komen, moet een zelfstandige een daartoe strekkende aanvraag ingevolge het Bbz indienen. Een zelfstandige kan geen aanspraak maken op reguliere bijstand, dat wil zeggen bijstand anders dan op grond van het Bbz.
Dit brengt met zich dat een reguliere bijstandsuitkering dient te worden beëindigd zodra de belanghebbende activiteiten als zelfstandige gaat verrichten.

Onder zelfstandige wordt ingevolge artikel 5 van de Abw, voor zover hier van belang, verstaan: de belanghebbende van 18 tot 65 jaar die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die voldoet aan het urencriterium voor toepassing van de zelfstandigenaftrek, bedoeld in artikel 44m, eerste of vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1994.

Gelet op hetgeen ter zitting is verklaard, moet worden vastgesteld dat eiser op 15 oktober 1999 niet is begonnen met activiteiten als zelfstandige, zodat hij op die datum niet kon worden aangemerkt als zelfstandige. Hieruit volgt dat de beëindiging van zijn (reguliere) bijstandsuitkering met ingang van die datum niet kan worden gegrond op het bepaalde in artikel 8 van de Abw. Opmerking hierbij verdient dat op het moment waarop het bestreden besluit werd genomen redelijkerwijs ook niet de verwachting kon bestaan dat eiser op 15 oktober 1999 zijn bedrijf gerealiseerd zou hebben, gelet op hetgeen eiser tijdens de hoorzitting van 6 oktober 1999 heeft verklaard.

3.4. Gevraagd naar de reden waarom aan eiser een beperkte termijn is toegestaan voor zijn oriëntatie inzake de mogelijkheden voor het starten van een eigen bedrijf, heeft verweerders gemachtigde verklaard dat dit geen verband houdt met verplichtingen ingevolge artikel 113 Abw inzake de inschakeling in arbeid in dienstbetrekking, aangezien zodanige verplichtingen niet aan eisers uitkering waren verbonden vanwege zijn leeftijd. De reden voor de beperking in tijdsduur van de oriëntatiefase was uitsluitend hierin gelegen dat verweerder zicht wilde houden op de activiteiten van eiser en hem - zoals ook blijkt uit de rapportage van 29 juli 1999 van verweerders medewerker S. Visser - zo min mogelijk ruimte wilde geven om reeds te beginnen met werkzaamheden en daarmee inkomen te verwerven.

Hierin kan naar dezerzijds oordeel geen grond zijn gelegen voor een beëindiging van de bijstandsuitkering. Indien de vrees bestaat dat de ontvanger van een bijstandsuitkering, die het voornemen tot het opzetten van een eigen bedrijf kenbaar maakt en zich oriënteert op de mogelijkheden daartoe, reeds begint met inkomensvormende werkzaamheden, staan verweerder controlemiddelen ten dienste om zicht te houden op de activiteiten van de betrokkene, zoals het doen van oproepingen teneinde inlichtingen te verstrekken en, desnoods, het inzetten van de sociale recherche.

3.5. Ook overigens kunnen in de Abw naar dezerzijds oordeel geen bepalingen worden aangewezen waarop de beëindiging van eisers uitkering per 15 oktober 1999 kan worden gebaseerd.

Het bestreden besluit komt dan ook in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met de wet. Tevens is er aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door herroeping van het primaire besluit van 11 augustus 1999.

Gelet op één en ander is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist.

3.6. Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Ter zake van rechtsbijstand worden 2 punten toegekend met een gewichtsfactor 1.

3.7. Ter voorlichting aan partijen wordt nog opgemerkt dat uit de vernietiging en herroeping van verweerders besluiten rechtstreeks voortvloeit dat eisers uitkering doorloopt vanaf 15 oktober 1999 en dat de betaling van deze uitkering dus dient te worden hervat. Dit betekent ook dat eisers aanvraag van 19 oktober 1999 om reguliere bijstand achteraf gezien onnodig was en dat bijgevolg aan de afwijzende beslissing van 10 november 1999 de praktische betekenis is komen te ontvallen.




4. Beslissing


De president van de rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het primaire besluit van 11 augustus 1999;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
bepaalt dat de gemeente Doetinchem het betaalde griffirecht van
ƒ120,- aan eiser vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
ƒ1420,- ter zake van verleende rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Doetinchem.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 7 december 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan, voor zover deze de hoofdzaak betreft, binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Gw / Awb
x
LJN:
x
AA5111
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: 98/1952 NABW Z PER en 99/571 NABW Z PER
Datum uitspraak: 13 januari 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 9 en 113 Abw (= 13 en 9 Wwb) / 1 Gw / 7:3 Awb
Trefwoorden: vakantie; gebruikelijke vakantieduur; blijvend volledig arbeidsongeschikt; jonger dan 57,5 jaar; gelijkheidsbeginsel; territorialiteitsbeginsel
Essentie: Onterechte afwijzing verzoek om langer dan de gebruikelijke vakantieduur (vier weken) voor vakantie in het buitenland te verblijven, omdat betrokkene, gelet op zijn blijvende volledige arbeidsongeschiktheid, dient te worden gelijkgesteld met 57,5-plussers. Het gelijkheidsbeginsel gaat i.c. voor op het territorialiteitsbeginsel.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank Maastricht 98/1952 NABW Z PER en 99/571 NABW Z PER




U I T S P R A A K




inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, Dienst Sociale en Economische Zaken, gevestigd te Maastricht, verweerder.



Datum en aanduiding van de bestreden besluiten:
1.  het besluit van verweerder van 18 november 1998, kenmerk 24414705;
2.  het besluit van verweerder van 24 maart 1999, kenmerk 2441.47.05.
Datum van behandeling ter zitting: 17 augustus 1999 en 16 december 1999.




I. Ontstaan en loop van de gedingen


Bij de in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluiten van 18 november 1998 en van 24 maart 1999 heeft verweerder de bezwaarschriften van eiser tegen de besluiten van
20 oktober 1998 en 9 maart 1999 ongegrond verklaard.

Bij schrijven van 30 december 1998 en van 26 april 1999 is namens eiser door mr. M.Ph.M. Hogervorst, advocaat te Maastricht, tegen deze besluiten beroep ingesteld. Bij brieven van respectievelijk 25 januari 1999 en van 5 juni 1999 zijn de gronden waarop de beroepen berusten, ingediend.

De door verweerder ter voldoening aan het gestelde in artikel 8:42 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede de verweerschriften zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden.

De zaak met reg.nr. 98/1952 is behandeld ter openbare zitting van 17 augustus 1999, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Hogervorst voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.R.S. Dijkstra en
H.M. Pluymaeckers, ambtenaren der gemeente.

Vervolgens is het onderzoek heropend omdat gebleken is dat het onderzoek niet volledig is geweest en is de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Gelet op de samenhang met de zaak met reg.nr. 99/571 zijn beide zaken gevoegd behandeld ter openbare zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op 16 december 1999. Aldaar zijn eiser en zijn gemachtigde mr. Hogervorst voornoemd verschenen. Namens verweerder zijn, na daartoe te zijn opgeroepen, verschenen H.M. Pluymaeckers en L.B.W. Heuts, ambtenaren der gemeente.




II. Overwegingen


II.1. Eiser, die sedert 1993 arbeidsongeschikt is, ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) van de zijde van verweerders gemeente naar de norm voor een alleenstaande.
Eiser heeft zich op 12 oktober 1998 en op 4 januari 1999 tot verweerder gewend met het verzoek om met behoud van uitkering langer dan 28 dagen met vakantie in het buitenland te verblijven.
Bij primaire besluiten van 20 oktober 1998 en van 9 maart 1999 heeft verweerder deze verzoeken afgewezen omdat, aldus verweerder, de maximale vakantieperiode per kalenderjaar voor eiser vier weken bedraagt.
Tegen deze besluiten is door eiser bezwaar gemaakt bij verweerder.

II.2. Bij de thans bestreden besluiten van 18 november 1998 en van 24 maart 1999 heeft verweerder de bezwaren van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Verweerder heeft daarbij het standpunt ingenomen dat op grond van artikel 9 van de Abw en artikel 1 van de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw de voor eiser gebruikelijke vakantieduur vier weken bedraagt. Een langer verblijf wordt, aldus verweerder, met het oog op een doelmatige controle op het recht op bijstand en het territorialiteitsbeginsel van de Abw onwenselijk geacht. Naar het oordeel van verweerder bieden de wet, noch de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw de mogelijkheid om een belanghebbende van jonger dan 57,5 jaar die geen arbeidsverplichting heeft gelijk te stellen met een persoon van 57,5 jaar of ouder.

II.3. Namens eiser zijn op 25 januari 1999 en op 5 juni 1999 aanvullende beroepschriften ingediend.
Daarbij heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder in strijd met de zorgvuldigheid heeft gehandeld nu, door eiser niet te horen, geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de bijzondere individuele omstandigheden van eiser.
Voorts is namens eiser aangevoerd dat uit een rapportage van de Districtsgezondheidsdienst Zuidelijk Zuid-Limburg van 23 augustus 1993 is gebleken dat eiser permanent arbeidsongeschikt is, zodat hij gelijkgesteld moet worden met een persoon van 57,5 jaar of ouder, die vrijgesteld is van de sollicitatieplicht en die per kalenderjaar dertien weken oftewel 91 dagen in het buitenland mag verblijven.
Eiser heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het gebruik van het leeftijdscriterium in de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet, voor welk onderscheid geen rechtvaardigingsgrond is aan te voeren.
Ter zitting van 16 december 1999 heeft eisers gemachtigde nog aangevoerd dat meerbedoeld onderscheid tevens in strijd is met het bepaalde in artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR).

II.4. In dit geschil dient de rechtbank te beoordelen of de bestreden besluiten de rechterlijke toets kunnen doorstaan.
Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of het leeftijdscriterium als aangegeven in de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw in strijd is met het discriminatieverbod als bedoeld in artikel 1 van de Grondwet. Gelet op het hiernavolgende komt de rechtbank niet toe aan de toetsing aan het bepaalde in artikel 26 van het IVBPR.

Aangaande de hierboven opgeworpen vraag overweegt de rechtbank als volgt.

II.5. Artikel 1 van de Grondwet bepaalt dat allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

In artikel 7, eerste lid, van de Abw is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht heeft op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel d, van de Abw heeft geen recht op bijstand degene die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die, langer dan de gebruikelijke vakantieduur, verblijf houdt buiten Nederland.
Ingevolge het derde lid van dit artikel kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) regels stellen omtrent hetgeen wordt verstaan onder de gebruikelijke vakantieduur, genoemd in het eerste lid, onderdeel d.

Op grond van het bepaalde in artikel 9, derde lid, van de Abw is door de minister de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw (hierna te noemen: de vakantieregeling) van 13 maart 1998, Stcrt. 1998, 51, vastgesteld.

Blijkens artikel 1 van de vakantieregeling wordt onder gebruikelijke vakantieduur, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene bijstandswet, verstaan:
a. voor de belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is: dertien weken per kalenderjaar, met dien verstande dat een aaneengesloten vakantieperiode niet langer mag zijn dan dertien weken;
b. voor overige belanghebbenden: vier weken per kalenderjaar.

In artikel 113 van de Abw, waarin de verplichtingen met betrekking tot de inschakeling in de arbeid zijn opgenomen, is in het vierde lid bepaald dat de minister regels kan stellen aangaande het toepassen dan wel niet toepassen van één of meer verplichtingen, genoemd in het eerste lid, ten aanzien van één of meer categorieën belanghebbenden.

Op grond van dit artikellid heeft de minister bij Besluit van 20 april 1995 (Stcrt. 1995, 85, en nadien gewijzigd) de Regeling vrijstelling verplichtingen Abw (hierna te noemen: de vrijstellingsregeling) in het leven geroepen.

Artikel 1 van deze vrijstellingsregeling, zoals deze op grond van het Besluit van de minister van 16 maart 1998 (Stcrt. 1998, 54) luidde ten tijde hier van belang, bepaalt dat van de verplichtingen op grond van artikel 113, eerste lid, onderdeel a tot en met f, van de Algemene bijstandswet belanghebbenden ouder dan 57,5 jaar zijn vrijgesteld.
In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat burgemeester en wethouders, na daartoe de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te hebben gehoord, in een bijzonder geval van het eerste lid kunnen afwijken.

II.6. Blijkens de parlementaire geschiedenis van de Abw en de heersende jurisprudentie staat het territorialiteitsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 7 van de Abw in de weg aan bijstandverlening bij verblijf in het buitenland langer dan vier weken, ongeacht de reden van het buitenlandse verblijf.
De uitsluitingsgrond als genoemd in artikel 9 van de Abw dient overigens niet zonder meer toegepast te worden indien de belanghebbende aannemelijk maakt dat het verblijf in het buitenland noodzakelijk is voor de zelfstandige voorziening in het bestaan. Van dit laatste is in casu echter geen sprake. Noch is in het onderhavige geval sprake van zeer dringende redenen in de zin van artikel 11, eerste lid, van de Abw die het noodzakelijk maken dat in afwijking van paragraaf 1 [van hoofdstuk II, red.] van de Abw bijstand wordt verleend.

Ten aanzien van degenen die op grond van artikel 113, vierde lid, van de Abw zijn vrijgesteld van bepaalde verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling kan, blijkens de parlementaire geschiedenis, in voorkomende gevallen een iets langer verblijf in het buitenland worden toegestaan. Blijkens de toelichting op het Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 januari 1985 (Stcrt. 1985, 20), welke is bevestigd door de minister bij Besluit van 20 april 1995 (Stcrt. 1995, 83), lag aan de vrijstelling van de hiervoor genoemde verplichtingen de overweging ten grondslag dat onder de zich destijds voordoende arbeidsmarktomstandigheden wederinpassing in het arbeidsproces van de groep werklozen van 57,5 jaar of ouder in het algemeen niet mocht worden verwacht. Beide besluiten droegen een tijdelijk karakter, daar blijkens de toelichting de vrijstelling slechts te rechtvaardigen was zolang die arbeidsmarktsituatie voortduurde.

Bij Besluit van de minister van 25 februari 1999 (Stcrt. 1999, 40) is de vrijstellingsregeling met het oog op de veranderde arbeidsmarktomstandigheden aangepast in die zin dat degenen die op of na 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar zullen bereiken niet langer zullen worden vrijgesteld van de op de arbeidsinpassing gerichte verplichtingen, genoemd in artikel 113, eerste lid, onderdeel b, c en d, van de Abw.

Naar aanleiding van verzoeken uit de samenleving om de vakantieduur voor bijstandsgerechtigden van 57,5 jaar of ouder te verruimen alsmede ter uitvoering van een aanvaarde motie daaromtrent heeft de minister bij Besluit van 13 maart 1998 (Stcrt. 1998, 52) de meergenoemde vakantieregeling vastgesteld.

Met de vrijstellingsregeling heeft de minister een onderscheid gemaakt naar leeftijd ten aanzien van de verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling. In de vakantieregeling heeft de minister dit onderscheid naar leeftijd gehandhaafd en bepaald dat voor belanghebbenden van 57,5 jaar of ouder een gebruikelijke vakantieduur geldt van dertien weken, terwijl voor belanghebbenden jonger dan 57,5 jaar een gebruikelijke vakantieduur geldt van vier weken.

II.7. Niet in geschil is dat eiser verkeert in de situatie dat hij jonger is dan 57,5 jaar en dat hij ontheven is van de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 113 van de Abw, omdat hij als blijvend arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.
Eiser verkeert derhalve in een gelijke situatie als een persoon van 57,5 jaar of ouder die, net als eiser, op grond van de vrijstellingsregeling is ontheven van de verplichtingen als bedoeld in artikel 113 van de Abw. Op grond van de vakantieregeling is eiser op grond van zijn leeftijd evenwel een gebruikelijke vakantieduur toegestaan van maximaal vier weken per jaar, terwijl belanghebbenden van 57,5 jaar of ouder op grond van de vakantieregeling een gebruikelijke vakantieduur toekomt van dertien weken per jaar. In de vakantieregeling wordt derhalve een onderscheid gemaakt naar leeftijd.

De rechtbank overweegt dat discriminatie op grond van leeftijd moet worden aangemerkt als discriminatie "op welke grond dan ook" zoals bedoeld in artikel 1 van de Grondwet. Niet ieder onderscheid in leeftijd levert echter discriminatie op in de zin van deze bepaling. Indien daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan, is het maken van onderscheid naar leeftijd geoorloofd.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat alleen sprake kan zijn van discriminatie indien in het licht van het doel van de vakantieregeling voor het gemaakte onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt.

Het doel van de vakantieregeling is om bijstandsgerechtigden die 57,5 jaar of ouder zijn en op grond van deze leeftijd zijn ontheven van de verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling, een langere vakantieperiode in het buitenland toe te staan dan bijstandsgerechtigden die wél moeten voldoen aan de verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling.
Uit de toelichting behorende bij de vakantieregeling blijkt dat met een verblijf van dertien weken in het buitenland door iemand van 57,5 jaar of ouder de doelmatige controle op het recht op bijstand en het territorialiteitsbeginsel niet in het geding komen.

Naar het oordeel van de rechtbank verkeert een betrokkene waarvan vaststaat dat hij permanent arbeidsongeschikt is en op grond daarvan is ontheven van de verplichtingen als bedoeld in artikel 113 van de Abw, voor de toepassing van de Abw in dezelfde omstandigheden als een bijstandsgerechtigde die 57,5 jaar of ouder is en op die grond is ontheven van de verplichtingen van artikel 113 van de Abw.
Dit is slechts anders in die gevallen waarin een bijstandsgerechtigde niet als permanent arbeidsongeschikt kan worden beschouwd, omdat zijn medische toestand veranderlijk is, waarbij de mogelijkheid bestaat dat de betrokkene opnieuw ingeschakeld kan worden in het arbeidsproces en op grond daarvan zijn arbeidsongeschiktheid met regelmaat herbeoordeeld dient te worden.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat met een verblijf van dertien weken in het buitenland door een bijstandsgerechtigde die jonger is dan 57,5 jaar én permanent arbeidsongeschikt én die ontheven is van de verplichtingen met betrekking tot de inschakeling in de arbeid, evenmin de doelmatige controle op het recht op bijstand en het territorialiteitsbeginsel in het geding komen als bij de bijstandsgerechtigde van 57,5 jaar of ouder en die ontheven is van de hiervoor genoemde verplichtingen.

Gelet op het hieraan voorafgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de vakantieregeling niet ten grondslag had mogen leggen aan het thans bestreden besluit, nu het onderscheid naar leeftijd zoals dat is gemaakt in de vakantieregeling niet op objectieve en redelijke gronden berust. In gevallen als het onderhavige dient de vakantieregeling dan ook wegens strijd met artikel 1 van de Grondwet buiten toepassing te worden gelaten.

II.8. Ten aanzien van het achterwege laten van het horen als bedoeld in artikel 7:3 van de Awb overweegt de rechtbank dat slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden afgezien van de hoorplicht. De term "kennelijk" in artikel 7:3 van de Awb dient aldus te worden verstaan dat in redelijkheid geen twijfel mogelijk is omtrent de conclusie dat de bezwaren van eiser ongegrond zijn. Indien op enig relevant punt nog twijfel mogelijk is, dient de indiener van een bezwaarschrift te worden gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat naar aanleiding van de bezwaarschriften, waarin eiser melding maakt van zijn permanente arbeidsongeschiktheid en zijn vrijstelling van de verplichtingen als bedoeld artikel 113 van de Abw, geen twijfel mogelijk was omtrent de uitkomst van de bezwaarschriftprocedure. Verweerder heeft dan ook ten onrechte het horen van eiser achterwege gelaten en aldus in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 7:3 van de Awb.

II.9. Gelet op bovenstaande overwegingen zijn de beroepen gegrond en kunnen de bestreden besluiten in rechte geen stand houden; zij dienen daarom te worden vernietigd.

II.10. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten met een waarde van
ƒ710,- per punt toe voor de indiening van de beroepschriften, 2 punten voor het verschijnen ter zitting op 17 augustus 1999 en 16 december 1999 en bepaalt het gewicht van de zaken, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 4 x
ƒ710,- x 1 = ƒ2840,-

Nu aan eiser ter zake van de beroepen toevoegingen zijn verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1.  verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten van 18 november 1998 en van 24 maart 1999;
2.  draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften van 5 november 1998 en 15 maart 1999 met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;
3.  bepaalt dat aan eiser de door hem betaalde griffierechten ten bedrage van
ƒ115,- (ƒ55,- en ƒ60,-) worden vergoed door de gemeente Maastricht;
4.  veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedures bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op
ƒ2840,-, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Maastricht aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Maastricht.

Aldus gedaan door mr. W.L.J. Voogt, mr. R.E. Bakker en mr. A.W. Heringa, in tegenwoordigheid van mr. M.J.H.T. Peters als griffier en in het openbaar uitgesproken op
13 januari 2000 door mr. Voogt voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Peters            w.g. W.L.J. Voogt




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op:




Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken. Bij een spoedeisend belang bestaat voor het bestuursorgaan en belanghebbende, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA5143
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zwolle
Zaaknummer: NABW 99/6173
Datum uitspraak: 10 maart 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 113 en 115 Abw (= 9 en – Wwb)
Trefwoorden: vrijwilligerswerk; onbetaalde arbeid; kinderopvang; intrekking toestemming; pedofilie
Essentie: Terechte intrekking toestemming om vrijwilligerswerk te verrichten in een crèche, omdat betrokkene pedofiel blijkt te zijn. Vrijwilligerswerk in de kinderopvang kan aldus niet bijdragen aan grotere uitstroomkansen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zwolle NABW 99/6173




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. J.J. Roossien, advocaat en procureur te Elburg,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 1 juli 1999.




2. Ontstaan en verloop van de procedure


Bij besluit van 17 juni 1998 heeft verweerder de aan eiser verleende toestemming om met behoud van zijn bijstandsuitkering vrijwilligerswerk te verrichten, ingetrokken.

Eiser heeft op 24 juli 1998 een bezwaarschrift ingediend, welk bezwaarschrift op 27 juli 1998 is aangevuld.

Eiser is op 23 februari 1999 in de gelegenheid gesteld door de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften te worden gehoord, van welke mogelijkheid hij gebruik heeft gemaakt.

De commissie heeft op 4 maart 1999 advies uitgebracht.

Bij besluit van 1 juli 1999 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 27 juli 1999 een beroepschrift ingediend, welk beroepschrift op 3 september 1999 is aangevuld.

Verweerder heeft op 4 oktober 1999 een verweerschrift ingediend.

Op 8 februari 2000 is de zaak ter openbare terechtzitting behandeld.
Eiser is, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.J. Roossien, verschenen.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door S. Eskens.




3. Motivering



Vaststaande feiten

Verweerder heeft eiser een bijstandsuitkering toegekend. Bij besluit van 29 december 1997 heeft verweerder aan eiser toestemming verleend om in de crèche van het asielzoekerscentrum te Zwolle met behoud van zijn uitkering twee uur per week vrijwilligerswerk te verrichten.

Kort na het verlenen van deze toestemming heeft verweerder vernomen dat eiser pedofiele gevoelens heeft, hetgeen eiser tijdens een op 9 februari 1998 gevoerd gesprek heeft bevestigd.



Standpunt eiser

Eiser stelt dat hij zijn pedofiele gevoelens onder controle heeft en dat zijn geaardheid ten opzichte van kinderen nooit tot grensoverschrijdend gedrag heeft geleid. Eiser stelt nooit wegens feiten verband houdende met zijn persoonlijke geaardheid te zijn veroordeeld. Hij heeft in het geheel geen strafblad. Eiser stelt eerder met kinderen te hebben gewerkt. Alle betrokkenen waren daarover zeer tevreden. Hij meent dat hij mogelijke onrust kan wegnemen als hij bijvoorbeeld de ouders van de kinderen kan laten zien hoe hij met de kinderen omgaat en hoe de kinderen op hem reageren. Eiser voert aan door het intrekken van de toestemming om met behoud van uitkering in de crèche van het asielzoekerscentrum vrijwilligerswerk te mogen verrichten te zijn geschaad. Hij voelt zich door de handelwijze van verweerder gediscrimineerd en ten onrechte daardoor vanwege zijn geaardheid gestraft. Bovendien had verweerder zonder toestemming geen gebruik mogen maken van privacygevoelige door derden verstrekte informatie over eiser. Verweerder had dan ook niet, na afweging van alle relevante belangen, tot het bestreden besluit kunnen komen.



Standpunt verweerder

Verweerder verleent toestemming om met behoud van een bijstandsuitkering te mogen werken als dat in het kader van het zogenaamde uitstroombeleid passend is. Dat wil zeggen dat het vrijwilligerswerk waarvoor toestemming wordt verleend van nut dient te zijn ten behoeve van een mogelijke werkaanvaarding bijvoorbeeld in de werksoort waarin met behoud van de uitkering het vrijwilligerswerk verricht wordt. Verweerder gaat ervan uit dat met name bij de ouders en andere verzorgers van de in de crèche aanwezige kinderen grote onrust zal ontstaan als de geaardheid van eiser onder hen bekend wordt. Verweerder meent dat vanwege die mogelijke onrust het voor eiser niet dan wel vrijwel onmogelijk zal zijn werk in de kinderverzorging en -opvang te vinden. Verweerder wijst er in dit verband op dat, zoals verweerder bekend is, eiser ook niet in de gelegenheid gesteld zou zijn geweest bij het asielzoekerscentrum vrijwilligerswerk in de crèche te verrichten als men bij zijn tewerkstelling van zijn geaardheid op de hoogte was geweest. Gezien het voorgaande is de toestemming om met behoud van een uitkering in de kinderopvang vrijwilligerswerk te verrichten niet meer te beschouwen als passend in het door verweerder gevoerde uitstroombeleid. Verweerder stelt van de door derden over eiser verstrekte persoonlijke gegevens gebruik te mogen maken nu dit gebruik in overeenstemming is met de desbetreffende privacyregelgeving. Verweerder voegt aan vorenstaande nog toe op geen enkele wijze, noch direct, noch indirect, betrokken te willen zijn dan wel op geen enkele wijze er mede voor verantwoordelijk te kunnen worden gehouden voor mogelijk grensoverschrijdend gedrag door eiser dat in het kader van het uitstroombeleid zou kunnen plaatsvinden. Vanwege de gevolgen van het bestreden besluit voor eiser heeft verweerder eiser aangeboden hem bij voorrang te bemiddelen bij het zoeken naar betaalde arbeid dan wel hem behulpzaam te zijn bij het vinden van vrijwilligerswerk.



Beoordeling van het bestreden besluit

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het besluit van verweerder de aan eiser verleende toestemming om met behoud van zijn bijstandsuitkering in de crèche van het asielzoekerscentrum vrijwilligerswerk te mogen verrichten in te trekken, de rechterlijke toets kan doorstaan. De rechtbank merkt in dat kader nog op dat het bestreden besluit slechts marginaal kan worden getoetst. De rechtbank kan het bestreden besluit derhalve uitsluitend vernietigen indien zou moeten worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen of anderszins in strijd heeft gehandeld met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) dient een bijstandsgerechtigde zich in te spannen om door middel van het vinden van werk in zijn eigen levensonderhoud te gaan voorzien. Derhalve rust in beginsel op iedere bijstandsgerechtigde de verplichting betaald werk te zoeken. Voor zover het verkrijgen van betaalde arbeid daardoor bevorderd kan worden, kan toestemming worden verleend om met behoud van een bijstandsuitkering vrijwilligerswerk te verrichten.

De rechtbank stelt dan ook voorop dat het bij dit beroep uitsluitend gaat om de vraag of in het kader van de Abw het verrichten van vrijwilligerswerk door eiser in genoemd asielzoekerscentrum dienstbaar is aan het in deze werksoort verkrijgen van betaalde arbeid.

Het al dan niet na het verkrijgen van toestemming als vrijwilliger met behoud van een bijstandsuitkering tewerkstellen van een uitkeringsgerechtigde is, zo meent de rechtbank, geen verantwoordelijkheid van de bijstandsverstrekkende instantie, doch van de instantie die de vrijwilliger feitelijk in de gelegenheid stelt het vrijwilligerswerk te verrichten. Zo is het de verantwoordelijkheid van het asielzoekerscentrum eiser na bekendwording van zijn pedofiele geaardheid niet langer de mogelijkheid te bieden betrokken te zijn bij de kinderopvang. Bij het intrekken van de toestemming vrijwilligerswerk in de crèche te mogen verrichten met behoud van de uitkering dient verweerder in het perspectief van het gemeentelijk uitstroombeleid de onderscheiden belangen tegen elkaar af te wegen. Het betreft hier een afweging van sterk uiteenlopende belangen.

Enerzijds gaat het om de eigenheid van de persoon van eiser en derhalve zijn privacy. Naar het oordeel van de rechtbank mag er niet als een vanzelfsprekendheid van worden uitgegaan dat een persoon met een geaardheid zoals eiser die heeft, werkend met kinderen, tot grensoverschrijdend gedrag zal overgaan. Ook voor wat betreft eiser is er geen enkele aanleiding te veronderstellen dat hij zich ten opzichte van de kinderen zal misdragen.

Anderzijds dient er rekening mee te worden gehouden dat ouders en andere verzorgers in het volste vertrouwen hun kinderen bij de medewerkers van een crèche moeten kunnen achterlaten. Het is een realiteit dat dit vertrouwen afneemt indien ouders of andere verzorgers weten dat één van de medewerkers pedofiele gevoelens heeft.
Daaraan doet niet af dat eiser zich jegens kinderen nooit heeft misdragen. De ouders en de overige verzorgers kennen eiser immers oppervlakkig en weten niet hoe hij met kinderen zal omgaan. Ook al behoeft dat niet terecht te zijn, zij blijven toch met de kans rekening houden dat ingeval kinderopvang mede plaatsvindt door een medewerker die pedofiele gevoelens heeft grensoverschrijdend gedrag zal kunnen plaatsvinden en zullen hun kinderen daarom niet aan die opvang toevertrouwen. Dat geldt voor het vrijwilligerswerk bij het asielzoekerscentrum en dat zal evenzo gelden voor elke andere werkomgeving waar eiser in de toekomst met kinderen zou willen werken. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de kans groot is dat eisers geaardheid aan het licht zal komen wanneer hij elders in dit soort werk aan de slag zou proberen te komen, bijvoorbeeld bij het vragen van referenties.

Verweerder mag er naar het oordeel van de rechtbank dan ook van uitgaan dat het voor eiser niet of nauwelijks mogelijk zal zijn, gezien zijn geaardheid, één of andere vorm van werk in de kinderopvang te krijgen. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit type van vrijwilligerswerk in eisers geval niet een eerste stap kan zijn naar betaald werk.
Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de grond aan het verlenen van toestemming aan eiser met behoud van een uitkering vrijwilligerswerk in de kinderopvang te verrichten, komen te ontvallen.

Nu eiser jegens verweerder heeft erkend pedofiel te zijn, zal de rechtbank de vraag of verweerder al dan niet van de door derden verstrekte gegevens met betrekking tot de geaardheid van eiser gebruik heeft mogen maken in het midden laten.

Na waardering van de hiervoor genoemde belangen alsmede de afweging van die belangen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot het besluit kunnen komen de toestemming om met behoud van een Abw-uitkering vrijwilligerswerk te mogen verrichten in de crèche van het asielzoekerscentrum te Zwolle in te trekken.

Vorenstaande leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de slotsom dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.




4. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. W. Miltenburg en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2000, in tegenwoordigheid van M. van Raalte als griffier.




Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA5390
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Utrecht
Zaaknummer: 99/57 Abw
Datum uitspraak: 20 januari 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 9, 11 en 39 Abw (= 13, 16 en 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; vaste woonlasten tijdens detentie; gedetineerde; schulden; zeer dringende redenen
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor vaste woonlasten tijdens (kortdurende) detentie, omdat de detentie ruim tevoren bekend was, zodat betrokkene, ondanks aflossingen op schulden, had kunnen reserveren. Er is geen sprake van zeer dringende redenen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Utrecht 99/57 Abw




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder.




1. Verloop van de procedure


Bij besluit van 30 november 1998 heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 2 juni 1998, waarbij eisers aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) voor de door hem gedurende een periode van detentie te betalen vaste woonlasten van zijn woning aan de [...]straat [...] te [woonplaats] is afgewezen, ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is namens eiser op 7 januari 1999 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft op 17 maart 1999 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. Op 17 mei 1999 zijn de gronden van het beroep ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 december 1999, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.J. Kiela, advocaat te Amersfoort. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. Y. de Froe, werkzaam bij verweerders gemeente.




2. Overwegingen


In dit geding heeft de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden zijn besluit van 2 juni 1998 heeft gehandhaafd.

Bij haar oordeelsvorming gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiser ontvangt sinds 11 september 1991 een bijstandsuitkering in verweerders gemeente. Op 18 april 1996, 15 november 1996 en 2 april 1997 is eiser veroordeeld tot respectievelijk 28, 27 en 28 dagen detentie. Op 6 mei 1998 heeft eiser een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de vaste woonlasten van zijn woning aan de […]straat […] te [woonplaats] gedurende de - op dat moment door hem nog te ondergane - detentie. Bij het primaire besluit heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Van 8 juni 1998 tot en met 21 oktober 1998 is eiser, met enige tussenpozen, gedetineerd geweest. Op 22 oktober 1998 is eiser omtrent zijn bezwaar gehoord, waarna verweerder het bestreden besluit heeft genomen.

Verweerder is van mening dat de detentie van eiser aan bijstandverlening in de weg staat en dat geen zeer dringende redenen aanwezig zijn op grond waarvan niettemin bijstand zou moeten worden verleend.

Namens eiser is gesteld dat wel sprake is van dringende redenen die nopen tot bijstandverlening. Aangevoerd is dat eiser niet kon reserveren omdat hij schulden had en in een onvoorziene financiële noodsituatie verkeerde. Eiser acht het van groot belang om zijn woning na detentie weer te kunnen betrekken.

De rechtbank overweegt het volgende.

Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw bepaalt dat geen recht op bijstand heeft degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Abw kunnen burgemeester en wethouders, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 1 [van hoofdstuk II, red.] bijstand verlenen aan een persoon die geen recht op bijstand heeft indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in dit geval geen zeer dringende redenen als bedoeld artikel 11 van de Abw aanwezig zijn. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel kan uitsluitend vanwege het feit dat het de belanghebbende ontbreekt aan de noodzakelijke middelen om in het bestaan te voorzien nog niet worden gesproken van zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 11. Van zeer dringende redenen is in het algemeen slechts sprake bij een acute noodsituatie. De behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, moeten dan op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een dergelijke acute noodsituatie doet zich hier naar het oordeel van de rechtbank niet voor. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser reeds geruime tijd, vanaf 18 april 1996, wist dat hem een periode van detentie te wachten stond. Dit betekent dat de detentie geruime tijd voorzienbaar was. De omstandigheid dat eiser langdurig geen enkele reserveringscapaciteit had, levert - zo die situatie zich al heeft voorgedaan - gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 is overwogen geen zeer dringende redenen op om tot bijstandverlening over te gaan. Ook overigens ziet de rechtbank geen feiten of omstandigheden die moeten leiden tot toepassing van artikel 11 van de Abw.

Verweerder heeft zijn besluit van 2 juni 1998 dan ook terecht en op goede gronden gehandhaafd.

De namens eiser ingediende bezwaren kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Aangezien ook overigens geen reden bestaat om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, komt het beroep voor ongegrondverklaring in aanmerking. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

De rechtbank beslist als volgt.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.


Aldus vastgesteld door mr. J.G.Th. Engelberts, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2000.

De griffier, M.J. Schutjes,            De rechter, J.G.Th. Engelberts,




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x