Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA5397
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Arnhem
Zaaknummer: 99/1380
Datum uitspraak: 8 februari 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 39 en 40 Abw (= 35 en 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; meerkosten bewindvoering; kosten fysiotherapie; draagkracht
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor meerkosten van bewindvoering, omdat de juiste, in jurisprudentie geaccepteerde, berekeningswijze van bewindvoeringskosten is gevolgd. Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van fysiotherapie vanwege in aanmerking te nemen draagkracht.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Arnhem 99/1380




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Druten, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 22 juni 1999.




2. Feiten en procesverloop


Eiser heeft in het kader van de Algemene bijstandswet (Abw) op 19 oktober 1998 bij verweerder een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering.

Bij besluit van 8 januari 1999 heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand in de kosten van bewindvoering afgewezen op grond van artikel 40 van de Abw, omdat eisers draagkracht groter is dan de noodzakelijke kosten.

Namens eiser is op 28 januari 1999 tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
Het bezwaar is behandeld op 12 april 1999 door de commissie voor bezwaar- en beroepschriften. Eiser is bij de behandeling verschenen. Vervolgens heeft deze commissie op 12 april 1999 advies aan verweerder uitgebracht.

Bij het hierboven aangeduide besluit van 22 juni 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Voor de motivering van het besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van voormelde commissie.

Namens eiser heeft [bewindvoerder] te [...], bewindvoerder van eiser, op 8 juli 1999 tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 30 augustus 1999 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 28 januari 2000, waar eiser is verschenen, bijgestaan door [bewindvoerder], en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mevrouw E.J. van Hal, werkzaam bij verweerders gemeente.




3. Overwegingen


In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij verweerder de bezwaren tegen het besluit van 8 januari 1999 ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt ten grondslag dat bij de berekening van de draagkracht niet van andere of hogere kosten is gebleken dan die waarmee door verweerder reeds rekening is gehouden. Evenmin is gebleken van hogere bewindvoerderskosten dan in het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaald is.

Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat de vergoeding die staat voor de kosten van de bewindvoering ontoereikend is en dat de fysiotherapie die hij krijgt medisch noodzakelijk is om te kunnen functioneren in zijn beroep en om de pijn te verzachten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Abw heeft - onverminderd hoofdstuk II van de Abw - de alleenstaande (...) recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk IV.

Niet in geschil is dat de kosten van bewindvoering in het individuele geval van eiser behoren tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor in beginsel bijstand kan worden verleend.

Partijen verschillen wel van mening met betrekking tot de hoogte van de kosten van de bewindvoering en over de berekening van de draagkracht.

In de eerste plaats dient derhalve de vraag te worden beantwoord of verweerder er terecht van uitgegaan is dat de noodzakelijke kosten van bewindvoering voor eiser
1353,20 bedragen.

Op grond van artikel 1:447, eerste lid, van het BW heeft een bewindvoerder recht op een beloning van 5 procent van de netto-opbrengst van de onder bewind staande goederen. Op grond van bijzondere omstandigheden kan de kantonrechter ambtshalve of op verzoek voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij de instelling van het bewind of door de wet is aangegeven.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu de kantonrechter bij de beschikking onderbewindstelling d.d. 4 september 1998 geen bedrag heeft genoemd met betrekking tot de bewindvoerderskosten, deze kosten worden gelimiteerd door het wettelijk bepaalde tarief, namelijk 5 procent van het netto-inkomen met een maximum van
932,32 en een forfaitaire onkostenvergoeding van 420,88, zodat eiser in beginsel in aanmerking kan komen voor 1353,20 bijzondere bijstand op jaarbasis.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergoeding ontoereikend is en stelt dat tijdens (de behandeling van) de aanvraag is afgesproken de kosten te verhogen tot een evenredig bedrag.

Eiser heeft in de stukken en tijdens het verhandelde ter zitting onvoldoende aangetoond of aannemelijk gemaakt dat aan hem namens verweerder een rechtens afdwingbare toezegging is gedaan omtrent de hoogte van het bedrag aan bewindvoerderskosten waarmee verweerder rekening zou houden of omtrent een hoger bedrag dan waarvan verweerder thans uitgaat, zodat dit onderdeel van het beroep faalt.

In zijn arrest van 15 januari 1988, NJ 1988, 888, heeft de Hoge Raad bevestigd dat een wanverhouding tussen de uit de toepassing van de 5%-regeling van artikel 447, eerste lid, van Boek 1 van het BW resulterende beloning en de door de bewindvoerder verrichte werkzaamheden kan gelden als een bijzondere omstandigheid in de zin van het tweede lid van dit artikel, zodat de beloning door de rechter anders kan worden geregeld. De Hoge Raad heeft daarbij in stand gelaten het oordeel van de rechtbank dat het loon van de bewindvoerder dient te worden bepaald op 5% van de netto-inkomsten met een - gendexeerd - plafond ter hoogte van (destijds)
750,- en een redelijke onkostenvergoeding van - eveneens gendexeerd - (destijds) 250,-.

De rechtbank overweegt dat blijkens de beschikking onderbewindstelling van 4 september 1998 bij de instelling van het bewind over de goederen van eiser niets is aangegeven met betrekking tot de beloning voor de bewindvoerder.

Gelet hierop is verweerder bij de berekening van de hoogte van de kosten van het bewind terecht uitgegaan van de in de jurisprudentie geaccepteerde berekeningswijze.

Het beroep kan in zoverre dan ook niet slagen.

Vervolgens heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat zijn draagkracht nihil is tengevolge van door hem noodzakelijk te maken extra kosten voor fysiotherapie en daarmee verband houdende reiskosten.

Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Abw nemen burgemeester en wethouders bij de vaststelling van de draagkracht geheel of gedeeltelijk in beschouwing:
a. het in aanmerking te nemen vermogen;
b. het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk IV van de Abw.

Blijkens hoofdstuk 12, onder d, van verweerders Hoofdlijnen inzake bijzonder bijstandsbeleid en schuldhulpverlening, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 1 februari 1996, wordt bij de vaststelling van de draagkracht rekening gehouden met de volgende draagkracht verlagende kosten: werkelijk te betalen huur minus de woonkostencomponent, verwervingskosten en te betalen alimentatie c.q. onderhoudsbijdrage.

Bij de berekening van de hoogte van eisers draagkracht is verweerder derhalve niet verplicht rekening te houden met de door eiser aangevoerde kosten verband houdende met fysiotherapie.

De rechtbank is uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat verweerder bij de berekening van de hoogte van eisers draagkracht in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met het dienaangaand bepaalde in de wet en de genoemde hoofdlijnen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de stellingen van eiser tegen de bestreden besluiten geen doel treffen. Van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel is de rechtbank niet gebleken. Nu er evenmin een andere reden is om het bestreden besluit voor onjuist te houden, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.




4. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.


Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2000, in tegenwoordigheid van B.M.M. Kerkhoven als griffier.

De griffier,            De rechter,




Verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA5419
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: 00/187 NABW VV SEE
Datum uitspraak: 3 maart 2000
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 7 Abw (= 11 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; gelijkstelling met Nederlander
Essentie: Onterechte afwijzing bijstand, omdat de betrokken vreemdeling ingevolge de Abw c.a. dient te worden gelijkgesteld met een Nederlander.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Maastricht 00/187 NABW VV SEE




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, Dienst Sociale en Economische Zaken, verweerder.



Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 3 februari 2000, kenmerk 41617800.
Datum van zitting: 29 februari 2000.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder besloten verzoekers aanvraag om uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) af te wijzen.

Tegen dit besluit is namens verzoeker bij schrijven van 14 februari 2000 een bezwaarschrift op grond van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij verweerder. Tevens heeft verzoeker zich gewend tot de president van de rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoekers gemachtigde gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 29 februari 2000, waar namens verzoeker is verschenen mr. H. Klein Hesselink, advocaat te Terneuzen.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. M. Overhof en dhr. L.G.M. Olislagers, beiden werkzaam bij de gemeente Maastricht.




II. Overwegingen


In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De president concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan, nu verzoeker een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Maastricht bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

Omtrent de geformuleerde voorwaarden van de vereiste onverwijlde spoed oordeelt de president dat gelet op hetgeen van de kant van verzoeker omtrent zijn financile positie is uiteengezet voldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker thans in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Aangezien deze vaststelling nog niet zonder meer betekent dat een voorlopige voorziening dient te worden getroffen, zal vervolgens een voorlopig oordeel worden gegeven over de rechtmatigheid van verweerders besluit. Leidt dit voorlopig oordeel in onderhavig geval tot een negatief resultaat, dan is er sprake van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van een voorziening.

Dienaangaande is overwogen als volgt.

Verzoeker heeft, zo is gebleken, in het verleden een bijstandsuitkering ontvangen van de gemeente X. Op 8 december 1999 heeft verzoeker, na in detentie te hebben verbleven, een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend bij verweerder.
Aan verzoeker, van Ethiopische nationaliteit, is op 28 augustus 1992 een vergunning tot verblijf (VTV) verleend, met ingangsdatum 27 mei 1991.
De geldigheidsduur van de vergunning is jaarlijks verlengd, laatstelijk tot 27 mei 1999.
Op 9 september 1999 heeft verzoeker bij de Korpschef van de politieregio Limburg-zuid een aanvraag ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende VTV.
Bij besluit van de Staatssecretaris van Justitie d.d. 28 januari 2000 is besloten de aanvraag niet in te willigen.
Tegen dit besluit is namens verzoeker bij brief van 14 februari 2000 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 februari 2000, verzonden op 7 februari 2000, heeft verweerder besloten verzoekers aanvraag om een bijstandsuitkering af te wijzen.

Daartoe heeft verweerder overwogen dat verzoeker geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Abw, omdat is gebleken dat hij pas op 9 september 1999 - dat wil zeggen na het verstrijken van de geldigheidsdatum van zijn vorige verblijfsdocument en dus niet tijdig - een verzoek tot verlenging van het betreffende verblijfsdocument heeft ingediend.

Namens verzoeker is aangevoerd - kort samengevat - dat:
- de aanvraag (om voortgezet verblijf) verschoonbaar niet op tijd is ingediend;
- op grond van de parlementaire geschiedenis (van met name het Besluit gelijkstelling [zie Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw, Ioaz, Wvg en Wwik, red.]) recht op uitkering bestaat;
- de weigering van bijstand gezien het advies van de ACV (Adviescommissie voor vreemdelingenzaken) d.d. 28 december 1999 en de aangekondigde beleidswijziging van de Staatssecretaris niet houdbaar is;
- de weigering van bijstand in strijd met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) is.

De president dient een voorlopig oordeel te geven over de vraag of verweerder terecht de bijstandsaanvraag van verzoeker heeft afgewezen, omdat hij niet tijdig om voortgezette toelating heeft verzocht als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel b, van de Abw.

Dienaangaande is overwogen als volgt.

Artikel 7 van de Abw luidt als volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Artikel 1 van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: het besluit) luidt als volgt:
-1. Voor de toepassing van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet:
a. voor de beindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating;
of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of 33c van de Vreemdelingenwet, of, buiten die termijn, ingeval artikel 6:11 van de
Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-2. De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

Artikel 1b van de Vreemdelingenwet (Vw) luidt als volgt:
Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:
-1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
-2. op grond van een besluit tot voorwaardelijke toelating;
-3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
-4. binnen de termijn, bedoeld in artikel 8, eerste lid, mits voldaan is aan de daar omschreven voorwaarden;
-5. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan, vastgesteld bij beschikking ingevolge deze wet.

Vaststaat dat verzoekers vergunning tot verblijf (VTV) geldig was tot en met 27 mei 1999 en dat verzoeker eerst op 9 september 1999 een aanvraag heeft ingediend om verlening van de geldigheidsduur van de aan hem verleende VTV.

Gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het het besluit moet onder "tijdig" als bedoeld in artikel 7:3, onderdeel b, van de Awb worden verstaan: vr de beindiging van het verblijf.

Bij zijn Circulaire van 27 oktober 1998 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe [SZW, red.]) het bovenstaande als volgt genuanceerd:

"Het Besluit gelijkstelling (...) regelt dat slechts bijstand kan worden verleend indien een vreemdeling vr het expireren van de vorige verblijfsvergunning een verlengingsaanvraag bij Justitie heeft ingediend.
Bedoelde regeling was afgestemd op een per 1 juli 1998 ingegane wijziging van de wijze van uitvoering van de Vreemdelingenwet, die inhield dat te laat ingediende aanvragen van voortgezet verblijf voor de toepassing van de Vreemdelingenwet in het vervolg worden beschouwd als aanvragen om eerste toelating.
Een redelijke uitleg van het Besluit gelijkstelling (...) brengt naar mijn oordeel met zich mee dat in een dergelijk overgangsgeval, waarin de vreemdeling vr 1 juli 1998 en binnen zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning voortgezet verblijf heeft aangevraagd, dit besluit toepassing vindt. In een dergelijk geval kan derhalve zo nodig een uitkering worden verleend krachtens de Abw, de Ioaw of de Ioaz."

Aldus heeft de Staatssecretaris van SoZaWe voor wat de aanspraken [betreft, red.] van vreemdelingen die op 1 juli 1998 in procedure waren over voortgezette toelating aansluiting gezocht bij de vr 1 juli 1998 krachtens de toenmalige Vreemdelingencirculaire gevoerde praktijk, waarbij een binnen zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning ingediende aanvraag geacht wordt nog tijdig te zijn ingediend.

Ten aanzien van op of na 1 juli 1998 ingediende aanvragen om voortgezet verblijf zijn de beleidsregels ter uitvoering van de Vreemdelingenwet aangescherpt. Sinds 1 juli 1998 worden alle niet vr het einde van de toelating ingediende verzoeken om voortgezette toelating in beginsel (behoudens verschoonbaarheid) aangemerkt als een verzoek om eerste toelating. Met ingang van 11 december 1998 wordt in dergelijke gevallen bovendien het wettelijk MVV-vereiste (het vereiste dat ziet op het in het land van herkomst aanvragen van een machtiging tot voorlopig verblijf) tegengeworpen, tenzij het te laat aanvragen van voortgezette toelating verschoonbaar is, dan wel het een vreemdeling betreft die in aanmerking komt voor een vrijstelling of voor de toepassing van de hardheidsclausule.

Bij brief van 31 januari 2000 heeft de Staatssecretaris van Justitie echter mede naar aanleiding van een door de ACV [Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken, red.] op 28 december 1999 uitgebracht "Algemeen advies inzake het MVV-vereiste met betrekking tot verzoeken om voortgezette toelating" aan de Tweede Kamer meegedeeld te hebben gekozen voor een algehele vrijstelling van het wettelijk MVV-vereiste bij voortgezet verblijf, ongeacht de termijn waarbinnen het verlengingsverzoek is ingediend. De Staatssecretaris schrijft voorts voornemens te zijn beleidsmatig reeds vooruit te lopen op de voorgestelde wijziging van artikel 52a van het Vreemdelingenbesluit.

Het voorgaande betekent dat de Staatssecretaris met ingang van 1 februari 2000 "te laat" ingediende aanvragen om voortgezette toelating zal toetsen aan de criteria voor voortgezet verblijf in plaats van aan de criteria voor eerste toelating, waarbij de vreemdeling dient te beschikken over een MVV.

De president is voorshands van oordeel dat voormelde beleidswijziging van de Staatssecretaris, gelet op de door de Koppelingswet gerealiseerde nauwe samenhang tussen Vreemdelingenwet en de voor vreemdelingen relevante bepalingen in de Abw, gevolgen dient te hebben voor de uitleg van het besluit.
De ratio voor het stoppen c.q. niet verlenen van bijstand die is gelegen in het feit dat de vreemdeling Nederland dient te verlaten teneinde in het land van herkomst een MVV aan te vragen, is immers tengevolge van de beleidswijziging van de Staatssecretaris komen te vervallen.
Dit betekent dat de president voorshands van oordeel is dat het besluit zo zou moeten worden uitgelegd dat ook een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf heeft gehouden in de zin van artikel 1b, eerste lid, van de Vw (zoals verzoeker) en die een - te late - aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating voor de toepassing van de Abw, in beginsel met een Nederlander gelijkgesteld dient te worden.

Op grond van voorgaande overwegingen is de president voorshands van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat verzoeker op grond van het bepaalde in artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw geen recht heeft op bijstand.
De president schorst dan ook verweerders besluit van 3 februari 2000 tot zes weken nadat op het bezwaarschrift is beslist.

Voorts wijst de president het verzoek om voorlopige voorziening toe en draagt verweerder op verzoeker onverwijld voorschotten te verlenen op een mogelijk toe te kennen uitkering ingevolge de Abw naar de voor verzoeker van toepassing zijnde norm tot zes weken nadat op het bezwaar zal zijn beslist.

De president heeft hierbij overwogen dat verzoeker verweerder weliswaar nog geen postcontract voor Mariastraat 13 (het adres van 't Koffiehonk van het Leger des Heils) heeft verstrekt, maar dat de gemachtigde van verzoeker ter zitting heeft toegezegd dit op zeer korte termijn te zullen regelen.
De president acht het voorshands aannemelijk dat verzoeker op korte termijn in staat zal zijn voornoemd postcontract aan verweerder te verstrekken en zo deze formele belemmering voor het verstreken van uitkering weg te nemen.

Voorts acht de president termen aanwezig om verweerder met toepassing van de artikelen 8:75 en 8:84, vierde lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van dit verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De president kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten met elk een waarde van
710,- toe voor de indiening van het verzoekschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x
710,- x 1 = 1420,-.

Nu aan verzoeker ter zake van dit verzoek een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:75, 8:82 en 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.




III. Beslissing


De president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1.  wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het besluit van 3 februari 2000 tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist;
2.  bepaalt dat aan verzoeker onverwijld voorschotten worden verstrekt in het kader van de Abw tot zes weken na de beslissing op bezwaar;
3.  bepaalt dat aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van
60,- wordt vergoed door de gemeente Maastricht;
4.  veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op
1420,-, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Maastricht aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Maastricht.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. E.W. Seylhouwer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2000 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. Seylhouwer            w.g. R.E. Bakker




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA5668
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zwolle
Zaaknummer: AWB 98/7158
Datum uitspraak: 21 maart 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 30, 58, 59, 61d, 70 ABW / 65, 81 en 82 Abw (= 17, 58 en 58 Wwb) / 3:2 en 7:12 Awb
Trefwoorden: vermogen; vermogen achteraf; inkomsten achteraf; terugvordering; inlichtingenverplichting; verjaring; vervallen recht; niet in werking getreden recht; ondeugdelijke motivering
Essentie: Onterechte terugvordering van bijstand, omdat de vordering van rechtswege is verjaard (na vijf jaren), onderscheidenlijk is gebaseerd op vervallen recht, onderscheidenlijk is gebaseerd op niet in werking getreden recht. Voor zover de terugvordering terecht is, berust het besluit op een ondeugdelijke motivering en dient het opnieuw te worden genomen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zwolle AWB 98/7158




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. H. Tadema, advocaat te Deventer,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Holten [zie gemeente Rijssen-Holten, red.], verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder d.d. 12 november 1998.




2. Zitting


Datum: 15 februari 2000. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. H. Tadema voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.C.H. Wiekeraad, advocaat te Zwolle, en C.W. Groothengel, chef afdeling Sociale Zaken van de gemeente Holten.




3. De feiten en het verloop van de procedure


Bij inschrijving op 13 augustus 1984 van het op [...] 1984 uitgesproken echtscheidingsvonnis in de de daartoe bestemde registers is het huwelijk van eiseres met [ex-echtgenoot] ontbonden.

Op 17 mei 1989 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet (ABW) (oud). Bij besluit van 27 juni 1989, verzonden 5 juli 1989, is aan eiseres bijstand toegekend met ingang van 4 april 1989 naar de norm geldende voor een 23-jarige of oudere alleenstaande onder toepassing van artikel 59, eerste en tweede lid, van de ABW (oud).

Met ingang van 1 januari 1990 is de ABW-uitkering van eiseres aangepast bij besluit van 19 december 1989, verzonden 22 december 1989, in die zin dat de uitkering van eiseres met
13,- is verlaagd in verband met verplichte verzekering.

Bij besluit van 12 september 1991 is de ABW-uitkering van eiseres met ingang van 1 oktober 1991 beindigd. Per deze datum ontving eiseres een uitkering krachtens de Rijksgroepregeling werkloze werknemers (Rww), op welke uitkering op 22 december 1992 met ingang van 1 januari 1993 een korting is toegepast van 6% wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten van de zijde van eiseres. In het kader van de gevoerde procedure tegen deze sanctie heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de daarin gedane uitspraak van de bestuurscommissie beroepszaken sociale zekerheid van de provincie Overijssel van 12 november 1993 vernietigd, doch de gevolgen van de uitspraak in stand gelaten bij zijn uitspraak van 14 oktober 1994.

Bij besluit van 18 april 1994, verzonden 22 april 1994, is de Rww-uitkering met ingang van 1 mei 1994 beindigd, aangezien eiseres niet reel beschikbaar zou zijn voor de arbeidsmarkt. Bij afzonderlijk besluit van 18 april 1994 is aan eiseres met ingang van 1 mei 1994 een ABW-uitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande ouder.

Bij brief van 25 april 1994 is van de zijde van verweerder aan eiseres meegedeeld dat formeel aan de kantonrechter een verzoekschrift tot terugvordering zou worden ingediend over de achterliggende periode in verband met stuiting van de verjaringstermijn.

De kantonrechter heeft bij beschikking van 25 augustus 1994 het vorenbedoeld verzoek afgewezen aangezien de rechtsvordering tot verhaal niet langer van rechtswege zou vervallen, zodat naar het oordeel van de kantonrechter geen aanleiding bestond voor een stuitingshandeling.

Bij besluit van 4 april 1996, verzonden 14 september 1996, is met ingang van 1 oktober 1996 de uitkering van eiseres herzien in verband met de inwerkingtreding op 1 januari 1996 van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet.

Bij besluit van 17 december 1997 is aan eiseres bijzondere bestand ad
35,90 verstrekt voor een identiteitsbewijs.

Op 23 december 1997 heeft de Dienst SWOW Almelo opdracht gekregen tot onderzoek, omdat het ernstige vermoeden bij verweerder was ontstaan dat eiseres misbruik maakte van haar recht op uitkering, met name gelet op het vermeende bezit van een vakantiehuisje te Ameland. Voornoemde dienst heeft op 13 mei 1998 een rapport opgesteld. Op 3 juni 1998 is eiseres in het kader van het onderzoek gehoord.

Bij beschikking van 26 mei 1998 van het gerechtshof te Arnhem is tussen partijen de boedelscheiding uitgesproken, n en ander zoals in de beschikking vermeld.

Bij besluit van 4 juni 1998, verzonden 11 juni 1998, is de uitkering van eiseres met terugwerkende kracht vanaf 4 april 1989 beindigd en is verweerder tot terugvordering overgegaan, met dien verstande dat kosten van bijstand gemaakt in de periode van 1 oktober 1991 tot 1 februari 1993 niet zijn teruggevorderd, aangezien per abuis het bepaalde in artikel 59 ABW (oud) niet is overgenomen in de toekenning van de Rww-uitkering aan eiseres van 12 september 1991.

Bij brief van 14 juni 1998 heeft eiseres zelf tegen dit besluit bezwaar aangetekend. Bij brief van 10 juli 1998 is door haar gemachtigde tevens bezwaar aangetekend op gronden vermeld bij schrijven van 28 augustus 1998.

Eiseres en haar gemachtigde hebben het bezwaar toegelicht op een op 29 september 1998 gehouden hoorzitting bij verweerder.

Nadat bij brief van 6 oktober 1998 de beslissing op bezwaar was verdaagd, heeft verweerder bij besluit van 3 november 1998 het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiseres heeft haar gemachtigde tegen dit besluit op 17 december 1998 beroep ingesteld op gronden vermeld bij schrijven van 27 januari 1999.

Van de zijde van verweerder is een verweerschrift ontvangen.




4. Motivering



Standpunten verweerder

4.1. Blijkens het primaire besluit, gehandhaafd na bezwaar, is van eiseres op grond van artikel 59 ABW (oud) een bedrag van
49.317,00 teruggevorderd met betrekking tot de periode van 4 april 1989 tot 1 oktober 1991. Op grond van artikel 81 van de Algemene bijstandswet (Abw) is een bedrag van 115.980,34 teruggevorderd met betrekking tot de periode van 1 februari 1993 tot 1 februari 1998. Tevens is op basis van artikel 81 Abw een bedrag van 5228,71 teruggevorderd met betrekking tot de periode van 1 februari 1998 tot 1 mei 1998.

Aan vorenbedoelde terugvordering heeft verweerder primair ten grondslag gelegd dat uit onderzoek zou zijn gebleken dat eiseres in de periode 4 april 1989 tot en met 30 april 1998 niet, althans niet volledig heeft voldaan aan haar inlichtingenplicht ex artikel 65, eerste lid, Abw. Eiseres zou namelijk (bij het intakegesprek) niet hebben medegedeeld dat zij cultuurgronden bezat, die niet in de boedelscheiding vielen, maar gezamenlijk eigendom waren van eiseres, haar zus en moeder. Aldus zou eiseres verweerder de mogelijkheid hebben ontnomen de bijstand niet te verlenen dan wel te verlenen op basis van vestiging van een krediethypotheek.

Voorts zou eiseres onjuiste inlichtingen hebben verstrekt ter zake door haar ontvangen pachtgelden. Ten slotte zou eiseres geen opgave hebben gedaan van de aan haar zijde gevallen erfenis, na het overlijden van haar vader op 30 juli 1995.

Subsidiair is aan de terugvordering ten grondslag gelegd dat is gebleken dat eiseres over de periode waarin bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen beschikt in de zin van artikel 82 Abw.

Ten aanzien van het toepasselijke recht stelt verweerder dat vr 1 januari 1996 weliswaar artikel 30 ABW (oud) van toepassing is, doch dat dit voor de beoordeling geen verschil maakt, aangezien artikel 65 Abw gelijkluidend moet worden opgevat. Verweerder stelt voorts dat de terugvordering niet is verjaard. Bij verweerschrift heeft verweerder dit standpunt aldus toegelicht dat de vervaltermijn bepaald in artikel 70 ABW (oud) gold vr 1 augustus 1992. In de periode tussen 1 augustus 1992 en 1 januari 1996 gold naar stelling van verweerder het bepaalde in artikel 61d ABW (oud). De verjaringstermijn van vijf jaar is niet van toepassing indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 58 ABW (oud) en artikel 59 ABW (oud), terwijl bovendien de verjaringstermijn gestuit is door indiening van het verzoekschrift bij de kantonrechter op 21 juni 1994 met betrekking tot de periode van 4 april 1989 tot 2 juni 1994. Op 21 juni 1994 is naar stelling van verweerder dus een nieuwe verhaalstermijn gaan lopen. 



Standpunten eiseres

4.2. Eiseres betwist dat zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Naar haar stelling was verweerder op de hoogte van de cultuurgronden in Friesland en heeft zij steeds melding gemaakt van door haar ontvangen pachtgelden. Eiseres wist voorts niet dat zij het overlijden van haar vader diende te melden, terwijl zij uit de gevallen erfenis bovendien geen vermogen heeft verkregen.

Ten aanzien van het toepasselijk recht stelt eiseres dat de gemeente ten onrechte over de hele periode van terugvordering artikel 65 Abw heeft toegepast, terwijl over de periode van 1 maart 1993 tot 1 mei 1998 ten onrechte artikel 81 Abw is toegepast.

Eiseres stelt voorts dat de verhaalsvordering tot 1 augustus 1992 verjaard is. Bestreden wordt dat artikel 61d ABW (oud) van toepassing is, aangezien dit artikel nimmer in werking is getreden.

Ten slotte stelt eiseres dat verweerder gehandeld heeft in strijd met artikel 7:5, eerste lid, onderdeel b, Awb, welk artikel ziet op de hoorplicht.

4.3. De rechtbank constateert dat het bestreden besluit tot terugvordering ziet op de navolgende perioden:
a. 4 april 1989 tot 1 oktober 1991; b. 1 februari 1993 tot 1 februari 1998; c. 1 februari 1998 tot 1 mei 1998.



4.4. a: periode van 4 april 1989 tot 1 oktober 1991

4.4.1. In deze periode ontving eiseres bijstand op basis van verweerders besluit van 27 juni 1989.

Nu het hier gaat om kosten gemaakt vr 1 augustus 1992 zijn de vr die datum geldende materile bepalingen van toepassing met betrekking tot verhaal van deze kosten. Dit brengt mee dat het meer procesrechtelijke artikel VIII, eerste lid, van het bij Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, bepaalde overgangsrecht, op grond waarvan in de bevoegdheid van de gemeente tot terugvordering van kosten gemaakt vr 1 augustus 1992 geen wijziging wordt gebracht, thans niet relevant is.

Op de bijstand of het gedeelte daarvan die is verstrekt vr 1 augustus 1992 is van toepassing de Wet van 13 juni 1963, Stb. 1963, 284. Meer in het bijzonder zijn de artikelen 54a tot en met 71 van deze wet van toepassing zoals opgenomen in hoofdstuk IV, paragraaf 3 (verhaal). Het begrip verhaal ziet in deze periode zowel op verhaal op een derde als op een belanghebbende (dit laatste wordt sinds de herinrichtingsoperatie van de ABW in 1996 met de term "terugvordering" aangeduid).

Artikel 70 ABW (oud) bepaalt dat de rechtsvordering tot verhaal vervalt na verloop van vijf jaar nadat de kosten van bijstand zijn gemaakt, zodat binnen deze termijn de vordering tot verhaal - destijds door middel van de verzoekschriftenprocedure op grond van artikel 63a ABW (oud) - aanhangig gemaakt diende te worden. De rechtbank merkt hierbij op dat deze termijn naar de destijds vigerende wetgeving en jurisprudentie al niet van toepassing was op geldlening of bijstand verleend op grond van de artikelen 4 en 7a ABW (oud).

4.4.2. Verweerder heeft de bijstand verleend onder toepassing van artikel 59 ABW (oud) zoals dit gold tot 1 augustus 1992. Op de voet van dit artikel kunnen op eiseres worden verhaald:

(1) kosten van bijstand verleend over een bepaalde periode of met een bepaalde bestemming tot het bedrag van de inkomsten welke hij met betrekking tot die periode blijkt te genieten, onderscheidenlijk tot het bedrag van de middelen welke met het oog op die bestemming later door hem worden ontvangen;

(2) kosten van bijstand verleend over een periode gedurende welke aanspraken bestaan op middelen waarover nog niet kan worden beschikt tot een bedrag dat krachtens deze aanspraken later wordt ontvangen, voor zover dit niet overeenkomstig artikel 7 buiten beschouwing zou zijn gelaten indien het reeds bij de aanvang van die periode ter beschikking van de betrokkene zou hebben gestaan.

4.4.3. De rechtbank constateert in de eerste plaats dat verweerder weliswaar artikel 59 ABW (oud) aan de terugvordering van het bedrag van
49.317,- ten grondslag heeft gelegd, doch verzuimd heeft te vermelden op grond van welk lid van dat artikel daartoe is overgegaan.

De rechtbank stelt vast dat in het ten behoeve van de bijstandverlening opgemaakt ambtelijk advies van 21 juni 1989 het tweede lid van artikel 59 ABW (oud) uitdrukkelijk is vermeld. Voorts blijkt uit het besluit tot bijstandverlening dat verweerder aan eiseres bijstand heeft verstrekt omdat eiseres zonder middelen van bestaan kwam te zitten, n en ander in verband met het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 4 april 1989 waarbij de ex-echtgenoot van eiseres werd ontheven van de alimentatieverplichting. Verweerder heeft, blijkens hetzelfde besluit, kennis genomen van de beslissing van eiseres hiertegen in cassatie te gaan alsmede over te gaan tot het vorderen van wettelijke indexering vanaf 1983. Ten slotte heeft verweerder beslist dat de voorwaarde van boedelscheiding zou worden opgelegd.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verweerder van mening was dat voor eiseres aanspraken bestonden over deze periode in de zin van artikel 59, tweede lid, ABW (oud). De rechtbank neemt dan ook aan dat verweerder aan de terugvordering over voormelde periode a primair artikel 59, tweede lid, ABW (oud) ten grondslag heeft willen leggen.

4.4.4. De rechtbank komt dan thans toe aan de meest verstrekkende vraag of terugvordering over voormelde periode a verjaard is.

Anders dan eiseres meent, kan bij terugvordering op grond van artikel 59, tweede lid, ABW (oud) niet onverkort worden vastgehouden aan het bepaalde in artikel 70 ABW (oud), zoals dit gold tot 1 augustus 1992. De in dit laatste artikel genoemde vervaltermijn van vijf jaar is naar het oordeel van de rechtbank in een geval als het onderhavige namelijk niet van toepassing. Immers, indien op het moment dat bijstand wordt verstrekt aanspraken bestaan waarover niet kan worden beschikt en rechtsgedingen noodzakelijk zijn om op grond van die aanspraken alsnog over die middelen te kunnen beschikken, is het voor verweerder volstrekt onvoorzienbaar op welk moment eiseres over die middelen daadwerkelijk zou kunnen beschikken. Onverkorte toepassing van bedoelde vervaltermijn maakt het verhaalsrecht van verweerder illusoir als voor het effectueren van die bestaande aanspraken een langere termijn dan vijf jaar (nadat de kosten van bijstand zijn gemaakt) noodzakelijk zou blijken. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat de termijn van vijf jaar rst aanvangt op het moment dat verweerder ervan op de hoogte is geraakt, althans hiervan redelijkerwijs op de hoogte had kunnen geraken, dat aan eiseres over de betrokken periode alsnog middelen ter beschikking zijn komen te staan. Uit de gedingstukken leidt de rechtbank af dat dit moment in het onderhavige geschil op zijn vroegst gesteld kan worden op 26 mei 1998, zijnde de datum waarop de boedelscheiding is uitgesproken. Aangezien het primaire besluit op 12 juni 1998 aan eiseres is bekendgemaakt, leidt het voorgaande tot de conclusie dat de vordering tot terugvordering op basis van artikel 59, tweede lid, ABW (oud) niet is verjaard.

Dit brengt evenwel nog niet mee dat de terugvordering over voormelde periode a op grond van artikel 59, tweede lid, ABW (oud) zonder meer als juist kan worden aangemerkt. Verweerder is blijkens het bestreden besluit (en overigens ook daarvoor) eenzijdig ingegaan op de vermeende schending van de inlichtingenplicht door eiseres. Daarbij heeft verweerder ook ter zitting niet kunnen toelichten waarom artikel 82 Abw in het bestreden besluit is opgenomen.

Voor zover verweerder dit heeft gedaan omdat artikel 82, onderdeel a, Abw evenals artikel 59, tweede lid, ABW (oud) de mogelijkheid biedt tot terugvordering wegens later ontvangen middelen, wijst de rechtbank erop dat toepassing van dit artikel niet alleen niet te rijmen valt met de inhoud van het besluit, maar ook dat dit artikel pas op 1 januari 1996 in werking is getreden. Voor zover verweerder het destijds geldende artikel 82 ABW (oud) voor ogen heeft gestaan, wijst de rechtbank erop dat dit artikel betrekking heeft op bijstand aan Nederlanders in het buitenland, welke situatie zich in het geval van eiseres uiteraard niet voordoet. Door de motivering bij het bestreden besluit enkel toe te spitsen op de inlichtingenplicht heeft verweerder nagelaten te beoordelen of aan de eisen van artikel 59, tweede lid, ABW (oud) is voldaan en ontbeert het bestreden besluit in zoverre een deugdelijke motivering. Hoewel derhalve van verjaring geen sprake is, komt het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.4.5. Voor zover de terugvordering met betrekking tot de periode vr 1 augustus 1992 subsidiair is gegrond op schending van de verplichting vermeld in artikel 65, eerste lid Abw, heeft het navolgende te gelden.

Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat over voormelde periode a dit artikel ten onrechte van toepassing is verklaard. Indien verweerder het thans geldende artikel voor ogen heeft, dan zij erop gewezen dat het huidige artikel (onder vervanging van het tot 1 januari 1996 geldende artikel 65, eerste lid, Abw bij Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248) pas sinds 1 juli 1997 geldt.

Uiteraard had verweerder derhalve artikel 30 ABW (oud) dienen toe te passen, zoals dat vr 1 augustus 1992 gold. Aan de beoordeling op basis van dit artikel komt de rechtbank echter niet toe, aangezien de terugvordering op basis van schending van de inlichtingenplicht met betrekking tot periode a wl verjaard is.

Anders dan verweerder namelijk meent, is artikel 61d, eerste lid, ABW (oud) in deze periode reeds niet van toepassing omdat dit artikel nog niet in werking was getreden. Artikel 70 ABW (oud) is derhalve onverkort van toepassing, zodat hiermee de vordering tot verhaal vijf jaar nadat de kosten zijn gemaakt niet mogelijk is. Aangezien de kosten van bijstand in de onderhavige periode zijn gemaakt van 4 april 1989 tot 1 oktober 1991, terwijl het besluit tot terugvordering dateert van 4 juni 1998 en bekend is gemaakt op 12 juni 1998, is de vordering verjaard. Dat verweerder de vordering over deze periode heeft pogen te stuiten doet hieraan niet af. Immers, artikel 70 ABW (oud) is een vervaltermijn van rechtswege, die niet door enige handeling van partijen kan worden gestuit.



4.5. b en c: periode van 1 februari 1993 tot 1 mei 1998

4.5.1. Aangezien verweerder aan de terugvordering over de periode 1 februari 1993 tot 1 februari 1998 (b) en 1 februari 1998 tot 1 mei 1998 (c) dezelfde gronden ten grondslag heeft gelegd, zal de rechtbank voormelde perioden gezamenlijk behandelen.

4.5.2. Alvorens hiertoe over te gaan, stelt de rechtbank evenwel het volgende voorop.

Bij besluit van 27 mei 1989 is aan eiseres een ABW-uitkering toegekend. Deze uitkering is blijven doorlopen tot 1 oktober 1991, met dien verstande dat op 19 december 1989 een aanpassingsbesluit is genomen, inhoudende dat eiseres een bedrag van
13,- minder ontving. Bij besluit van 12 september 1991 is deze uitkering vervolgens beindigd en is eiseres in aanmerking gebracht voor een Rww-uitkering met ingang van 1 oktober 1991.

Deze Rww-uitkering, zo stelt de rechtbank vast aan de hand van de gedingstukken, is bij besluit van 18 april 1994 (nadat met ingang van 1 januari 1993 een korting van 6% is toegepast) beindigd per 1 mei 1994.

Verweerder heeft zich op het niet bestreden standpunt gesteld dat bijstand verstrekt op basis van de Rww-uitkering van eiseres niet wordt teruggevorderd, aangezien artikel 59 ABW (oud) niet in de Rww-beschikking van 12 september 1991 is overgenomen. Verweerder is er evenwel ten onrechte van uitgegaan dat eiseres bijstand op grond van de Rww ontving tot 1 februari 1993. Uit de gedingstukken blijkt immers dat dit tot 1 mei 1994 het geval was. Gelet op het uitdrukkelijk vermelde en ter zitting ook gehandhaafde standpunt van verweerder hieromtrent, dient de periode van 1 oktober 1991 tot 1 mei 1994 derhalve buiten terugvordering te blijven. 

4.5.3. Nu de periode waarover teruggevorderd kan worden eerst kan aanvangen op 1 mei 1994 is de discussie van partijen over de al dan niet geldende verjaringstermijnen vanaf de periode van 1 februari 1993 minder relevant geworden. Desalniettemin zal de rechtbank, gelet op de na te nemen beslissing in het dictum, uit proceseconomische overwegingen en ter voorlichting van partijen, hieronder uiteenzetten waarom de terugvordering over de periode vanaf 1 augustus 1992 tot 12 juni 1993, zijnde vijf jaar voorafgaande aan de datum bekendmaking van het besluit tot terugvordering, als verjaard had dienen te worden beschouwd.



4.5.4. Periode van 1 augustus 1992 tot 12 juni 1993

Met ingang van 1 augustus 1992 is de termijn van terugvordering opgenomen in artikel 61d ABW (oud), welk artikel als volgt luidt:
-1. Behoudens in de gevallen, bedoeld in de artikelen 58 en 59, worden kosten van bijstand die meer dan vijf jaar geleden vr de datum van verzending van de beschikking tot terugvorderingen zijn gemaakt niet teruggevorderd.
-2. Voor de toepassing van artikel 57, onderdeel e, bedraagt de in het eerste lid bedoelde termijn twee jaar.
-3. De termijn, bedoeld in het eerste en tweede lid, staat niet in de weg aan latere tenuitvoerlegging van de beschikking tot terugvordering.

Artikel X van de overgangsbepalingen behorende bij de Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, bepaalt:
"de artikelen 61 tot en met 66 en 71 van de Algemene Bijstandswet, zoals die artikelen luidden vr het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip van toepassing op de terugvordering in rechte van kosten van bijstand als bedoeld in het bij artikel I, onderdeel A, van deze wet ingevoegde hoofdstuk IVa, paragraaf 1. Tot dat tijdstip treden de artikelen 61 tot en met 61c, 61d, derde lid, 61e en 84f, eerste lid, van de ABW, zoals de artikelen komen te luiden ingevolge deze wet, niet in werking".

Voormelde bepalingen nopen tot het oordeel dat de wetgever kennelijk geen uitgestelde werking heeft willen verlenen aan artikel 61d, eerste lid, ABW (oud), op grond van welk artikel de termijn van terugvordering pas begint te lopen n de datum van verzending van de beschikking.

De wetsgeschiedenis leert evenwel niet op welke gronden de wetgever dit zou hebben gewild. Dat is te meer opvallend nu artikel 61d, eerste lid, ABW (oud) is toegesneden op de gehele systematiek van de nieuwe terugvorderingsregeling. Met de term "beschikking tot terugvordering" in artikel 61d, eerste lid, ABW (oud) kan immers niets anders bedoeld zijn dan de in artikel 61 ABW (oud) bedoelde "met redenen omklede schriftelijke beschikking tot terugvordering". Dit laatste artikel noch de systematiek van de nieuwe terugvorderingsregeling is echter in de periode tot 1 januari 1996 in werking getreden. Ingevolge artikel 54 van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet van 12 april 1995, Stb. 1995, 200, in werking getreden op 1 januari 1996, is voormeld artikel X immers vervallen verklaard.

Strikte toepassing van deze bepaling zou er derhalve toe leiden dat n afzonderlijk artikel, zijnde artikel 61d, eerste lid, ABW (oud), wel toegepast moet worden, terwijl deze bepaling deel uitmaakt van nimmer in werking getreden artikelen betreffende de regeling van een nieuwe administratieve procedure terugvordering. Voorts zou dit meebrengen dat verweerder door het enkele verzenden van een beschikking tot terugvordering zijn recht veilig zou kunnen stellen zonder onmiddellijk rechtsmaatregelen te hoeven entameren, terwijl voor een betrokkene geen rechtsgang openstond zich tegen die beschikking te verzetten. In die nieuwe rechtsgang is immers pas sinds 1 januari 1996 voorzien.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande en in het licht van de strekking van zowel artikel 70 ABW (oud) als artikel 61d, eerste lid, ABW (oud), inhoudende dat een voorgenomen terugvordering binnen vijf jaren nadat de kosten van bijstand zijn gemaakt aan de rechter zal zijn voorgelegd, van oordeel dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat artikel 70 ABW (oud) zijn gelding blijft behouden tot 1 januari 1996. Dat brengt mee dat de daarin opgenomen vervaltermijn, daargelaten uitzonderingen die zich hier niet voordoen, toepasselijk is tot 1 januari 1996.

Van enige stuiting door welke handeling dan ook kan geen sprake zijn, zodat het in dit geval zonder meer zou betekenen dat de vordering tot 12 juni 1993 is verjaard.

4.6. Periode van 1 mei 1994 tot 1 mei 1998

4.6.1. Blijkens het bestreden besluit in samenhang gelezen met het besluit in primo worden de kosten van bijstand k in deze periode teruggevorderd op grond van artikel 81 Abw. Het toepassen van dit artikel over de gehele periode is reeds onjuist, omdat deze bepaling zoals die thans luidt pas met ingang van 1 juli 1997 in werking is getreden (Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248), zodat deze bepaling slechts van toepassing kan zijn op nadien verstrekte bijstand. Verweerder heeft zich hiervan geen rekenschap gegeven, zodat het bestreden besluit wegens onjuiste toepassing van de wet voor vernietiging in aanmerking komt. Om redenen van proceseconomie zal de rechtbank echter tevens ingaan op de materile geschilpunten die partijen verdeeld houden.

4.6.2. De bekendmaking van het besluit tot terugvordering heeft op 12 juni 1998 plaatsgehad, zijnde de dag na datum verzending.

Zowel indien de rechtbank toetst aan het tot 1 januari 1996 geldende artikel 70 ABW (oud) als aan het vanaf die datum tot 1 juli 1997 geldende artikel 61d, eerste lid, ABW (oud) en het daarna geldende artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek luidt het oordeel dus dat de vordering over voormelde periode niet is verjaard.

4.6.3. Verweerder heeft beslist dat eiseres niet heeft voldaan aan haar verplichting tot het verstrekken van inlichtingen daar zij niet heeft medegedeeld dat er cultuurgrond was die niet in de huwelijkse boedelscheiding viel, maar waarvan eiseres mede-eigendom bezat. Voorts heeft eiseres onjuiste inlichtingen verstrekt inzake pachtgelden die zij zou ontvangen en ten slotte heeft zij geen opgave gedaan van een ontvangen erfenis van de op 30 juli 1995 overleden vader van eiseres.

De rechtbank leidt uit deze motivering af dat de schending van de inlichtingenplicht zou hebben plaatsgevonden vr 1 januari 1996. Derhalve dient het gehele feitensubstraat getoetst te worden aan het op dat moment geldende artikel 30, tweede lid, ABW (oud) ingevolge welk artikel, voor zover relevant, de persoon te wiens behoeve bijstand is gevraagd of wordt verleend verplicht is om van al datgene wat van belang is voor de verlening van de bijstand of de voortzetting daarvan mededeling te doen, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken.



Ten aanzien van de (niet-)melding van de cultuurgronden

4.6.4. Verweerder stelt dat eiseres bij de intake slechts heeft aangegeven dat alles wat zij bezat in een boedelscheiding zat. Zij heeft, aldus verweerder, niet meegedeeld dat de cultuurgronden in Friesland niet in de huwelijkse boedelscheiding viel. Eiseres stelt hiertegenover dat verweerder bekend was met het bestaan van deze cultuurgronden in Friesland ten tijde van de aanvraag. De rechtbank kan eiseres hierin volgen. Immers, in het ambtelijk stuk van 21 juni 1989, gericht aan verweerder in het kader van advies omtrent eventuele toekenning van bijstand, is nadrukkelijk het volgende opgenomen: "Naast de som geld in de woning is mevrouw [eiseres], met haar moeder en zus, eigenaar van enkele stukken grond. In maart 1988 heeft de heer [ex-echtgenoot] hierop beslag laten leggen (zie bijlage)".

Voorts is in het rapport van 13 mei 1998 van de Dienst SWOW van de gemeente Almelo, productgroep opsporing en verhaal, het volgende vermeld: "(...) [eiseres] (is) samen met haar moeder en zus eigenaar van enkele stukken grond en (ontvangt daarvoor) momenteel geen pacht (...). In maart 1998 is echter door [ex-echtgenoot] op de gronden beslag gelegd (...). Gezien de onduidelijkheid wordt dan ook geadviseerd bijstand te verstrekken onder toepassing van artikel 59, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet".

Dat eiseres op haar aanvraag om bijstand bij de vraag naar vermogen heeft geschreven "nog geen boedelscheiding" doet hieraan in dit geval niet af. Hieruit blijkt immers niet dat eiseres heeft medegedeeld dat de cultuurgronden in de boedel vielen, terwijl de boedelscheiding op dat moment ook daadwerkelijk nog niet was uitgesproken. Een aanwijzing dat eiseres het bezit van de cultuurgronden niet heeft willen verzwijgen, vormt de omstandigheid dat zij op de heronderzoeksformulieren van 24 februari 1997 en 26 november 1997 van het bezit van weiland c.q. cultuurgrond in Friesland gewag heeft gemaakt. Hoewel de rechtbank met verweerder van oordeel is dat n en ander, gelet op diverse langdurige en complexe rechtsgedingen en de beslaglegging op de cultuurgronden, onduidelijk was, vormt deze onduidelijkheid als zodanig onvoldoende feitelijke grondslag voor de beslissing dat eiseres haar informatieplicht vervat in artikel 30 ABW (oud) heeft geschonden.

Verweerder heeft bij verweerschrift en ter zitting nog naar voren gebracht dat de destijds betrokken medewerkers van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Ommen zich nog kunnen herinneren dat eiseres bij de aanvraag nadrukkelijk te kennen heeft gegeven dat de gronden in de boedelscheiding vielen. Wat hier verder ook van zij, dit argument is niet terug te vinden in het bestreden besluit, terwijl dit argument, zo dit al aanvaard kan worden, gelet op het lange tijdsverloop en bij gebreke van schriftelijke verslagen van deze gesprekken, voorshands als onvoldoende moet worden aangemerkt om tot schending van artikel 30 ABW (oud) te kunnen concluderen.



Ten aanzien van onjuiste opgave van ontvangen pachtgelden

4.6.5. Verweerder stelt dat eiseres onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over de door haar ontvangen pachtgelden. Eiseres bestrijdt dit. Verweerder heeft ten aanzien van dit punt volstaan met een zeer summiere motivering.

Het enkele verwijzen naar een tweetal rapporten is in dit geval niet voldoende, aangezien de inhoud daarvan en de overige gedingstukken ruimte laten voor het trekken van een tegenovergestelde conclusie, namelijk dat eiseres de ontvangen pachtgelden niet alleen heeft gemeld, maar dit ook juist heeft gedaan.

Bovendien heeft verweerder niet aangegeven welke gevolgen de eventuele onjuiste opgave van de pachtgelden heeft voor de verstrekking dan wel de hoogte van de bijstand over voormelde periode.



Ten aanzien van de erfenis

4.6.6. De rechtbank stelt voorop dat in het licht van artikel 30 ABW (oud) van eiseres niet gevergd kan worden dat zij het overlijden van haar vader op [...] 1995 als zodanig had dienen te melden. Van eiseres kan wl gevergd worden dat zij opgave zou doen en melding zou maken van de ontvangen erfenis. Indien zij in een eerder stadium op de hoogte zou zijn geraakt van de omvang die de erfenis zou aannemen, diende zij bedoelde mededeling op dat moment te doen.

Uit het bestreden besluit blijkt evenwel niet op welk moment eiseres van de erfenis melding had moeten doen. Bovendien heeft verweerder nagelaten aan te geven welke gevolgen deze omissie zou hebben voor het recht op dan wel de hoogte van de uitkering van eiseres.



Hoorplicht

4.7. Anders dan eiseres meent, heeft verweerder niet in strijd met het bepaalde in artikel 7:5 Awb gehandeld. Terecht heeft verweerder naar voren gebracht dat dit artikel in het onderhavige geschil niet van toepassing is, aangezien het horen in de bezwarenfase door leden van het bestuursorgaan zelf is geschiedt.



Conclusie

4.8. De slotsom van al het voorgaande is zakelijk weergegeven als volgt.

4.8.1. De terugvordering van kosten van bijstand gemaakt in de periode van 4 april 1989 tot 1 oktober 1991 op grond van artikel 59, tweede lid, ABW (oud) is niet verjaard. Het bestreden besluit op dit punt ontbeert echter een deugdelijke motivering. Het beroep van eiseres is dan ook gegrond en in zoverre zal het bestreden besluit vernietigd worden wegens strijd met de artikel 7:12 Awb. Desgewenst kan verweerder op vorenbedoelde grondslag een nieuw besluit nemen.

4.8.2. De terugvordering van kosten van bijstand gemaakt in de periode van 4 april 1989 tot 1 oktober 1991 op grond van artikel 65, eerste lid, Abw c.q. artikel 30 ABW (oud) is verjaard. Het beroep van eiseres is op dit punt gegrond en in zoverre zal het bestreden besluit wegens strijd met artikel 70 ABW (oud) vernietigd worden.

4.8.3. Terugvordering van kosten van op grond van de Rww verstrekte bijstand in de periode van 1 oktober 1991 tot 1 mei 1994 is niet mogelijk. Het beroep van eiseres op dit punt is tevens gegrond en in zoverre zal het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb vernietigd worden.

4.8.4. Met betrekking tot de terugvordering van kosten van bijstand gemaakt in de periode van 1 mei 1994 tot 1 mei 1998 op grond van schending door eiseres van artikel 65, eerste lid, Abw c.q. artikel 30 ABW (oud) is het beroep van eiseres eveneens gegrond.

Ten aanzien van het niet melden van cultuurgronden bij de aanvraag van bijstand, het niet melden van de ontvangen erfenis en het onjuist opgeven van pachtgelden zal het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 30 ABW (oud) en 7:12 Awb vernietigd worden. Desgewenst kan verweerder op dit punt een nieuw besluit nemen.

4.8.5. Ten aanzien van schending van de hoorplicht is het beroep van eiseres ongegrond.

4.9. De rechtbank acht voldoende termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb in de kosten te veroordelen die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.




5. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond, zoals vermeld onder 4.8.5.;
verklaart het beroep gegrond, zoals vermeld onder 4.8.1. tot en met 4.8.4.;
vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
gelast dat de gemeente Holten aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad
55,- vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op
2130,-, welke kosten door de gemeente Holten betaald dienen te worden.

Gewezen door mr. J.J. Szauer-Bos en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2000 in tegenwoordigheid van C. Kuiper als griffier.

Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Wet BMT / Awb
x
LJN:
x
AA5738
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/922 NABW en 99/1060 NABW
Datum uitspraak: 31 augustus 1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 3, 65, 69 en 81 Abw (= 3, 17, 54 en 58 Wwb) / XVI Wet BMT / 8:72 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; onderhoudsplichtige; beindiging bijstand; intrekking; terugvordering; wederzijdse zorg; en/of-rekening; financile verstrengeling; fraude
Essentie: Terechte beindiging en terugvordering bijstand wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding met een onderhoudsplichtige, gelet op de wederzijdse verzorging en de financile verstrengeling. Ondanks een onjuiste wettelijke grondslag worden de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand gelaten.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/922 NABW en 99/1060 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante in de zaak onder nummer 99/922 NABW en gedaagde in de zaak onder nummer 99/1060 NABW,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde in de zaak onder nummer 99/922 NABW en appellant in de zaak onder nummer 99/1060 NABW.




I. Ontstaan en loop van de gedingen


Namens appellante (hierna te noemen: A) heeft mr. J.W. van de Wege, medewerker van het Buro voor Rechtshulp te Eindhoven, op daartoe bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch onder dagtekening 28 december 1998 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: het College) heeft op de daartoe bij het beroepschrift aangevoerde gronden eveneens tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 29 juni 1999, waar A in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wege voornoemd als haar raadsman, en waar het College zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.P. Kolev-Pot, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.




II. Motivering


Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden die hij als vaststaand aanneemt.

A, geboren in 1954, ontving sedert 1 februari 1989 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 29 februari 1996 is die uitkering met ingang van 1 maart 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de (nieuwe) Algemene bijstandswet (Abw), eveneens naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme melding, inhoudende dat A al vier jaar zou samenwonen met C (hierna te noemen: C) is door de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Eindhoven een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering van appellante, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport d.d. 15 mei 1997. Op basis van dit rapport is de uitkering van A, na voorafgaande opschorting van het recht op uitkering, bij besluit van 23 mei 1997 met ingang van 1 mei 1997 beindigd op de grond dat A een gezamenlijke huishouding voert en het inkomen van de persoon met wie zij een gezamenlijke huishouding voert voldoende is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Nadat A tegen dit besluit bezwaar had gemaakt, is dit gehandhaafd bij het bestreden besluit van 23 september 1997. Vervolgens heeft het College bij besluit van 31 oktober 1997 het toekenningsbesluit van 29 februari 1996 ingetrokken met ingang van 17 februari 1997 op de grond dat A onjuiste dan wel onvolledige informatie omtrent haar woon-/leefsituatie heeft verstrekt met als gevolg dat haar ten onrechte bijstand is verleend. Bij dat besluit is voorts de over de periode van 17 februari 1997 tot en met 30 april 1997 verleende bijstand tot een bedrag van
3451,07 van haar teruggevorderd. Nadat A tegen dit besluit bezwaar had gemaakt, heeft het College bij het bestreden besluit van 17 maart 1998 de intrekking en de terugvordering gehandhaafd. Het College heeft hierbij - kort samengevat - overwogen dat het toekenningsbesluit terecht onder toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw (tekst na 1 juli 1997) met ingang van 17 februari 1997 is ingetrokken omdat A met betrekking tot haar woon- en leefsituatie de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw heeft geschonden en in ieder geval vanaf laatstvermelde datum een gezamenlijke huishouding voerde met C. Voorts heeft het College overwogen dat als gevolg van het nemen van het intrekkingsbesluit terecht is besloten de in de periode van 17 februari 1997 tot 1 april 1997 aan A verstrekte uitkering terug te vorderen op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw (tekst na 1 juli 1997).

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door A tegen het besluit van het College van 23 september 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard aangezien moet worden aangenomen dat er op 1 mei 1997 sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen A en C. Voorts is bij die uitspraak het door A tegen het bestreden besluit van het College van 17 maart 1998 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover betrekking hebbend op de terugvordering in stand blijven. Hierbij is door de rechtbank onder meer het volgende overwogen (waarbij A als eiseres is aangeduid en het College als verweerder): "De rechtbank ziet zich in dit geding gesteld voor de vraag of verweerder terecht en op goede gronden het besluit tot toekenning van bijstand aan eiseres met ingang van 17 februari 1997 heeft ingetrokken en voorts of verweerder terecht en op goede gronden de aan eiseres over de periode 17 februari 1997 tot en met 30 april 1997 verstrekte bijstand van haar heeft teruggevorderd. Verweerder heeft het besluit tot intrekking van het toekenningsbesluit met ingang van 17 februari 1997 gebaseerd op artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals die bepaling luidt sedert 1 juli 1997. De rechtbank wijst er echter op dat genoemde bepaling is ingevoerd bij de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: de Wet BMT) en dat ingevolge artikel XVI, eerste lid, van die wet in de bevoegdheid van gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vr de datum van inwerkingtreding van het hier relevante deel van die wet - 1 juli 1997 - geen wijziging wordt gebracht. Nu het hier om dergelijke gedragingen gaat, kon verweerder het intrekkingsbesluit niet doen steunen op de sedert 1 juli 1997 geldende visie van artikel 69, derde lid, van de Abw. Het intrekkingsbesluit berust derhalve op een onjuiste grondslag en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. (...) Verweerder heeft het besluit tot terugvordering van de aan eiseres over de periode 17 februari 1997 tot en met 30 april 1997 verleende bijstand doen steunen op artikel 81, eerste lid, van de Abw, zoals die bepaling luidt sedert 1 juli 1997. Nu het in casu echter gaat om gedragingen die hebben plaatsgevonden vr 1 juli 1997, geldt ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van de Wet BMT dat (de materile inhoud van) de bevoegdheid tot terugvordering wordt beheerst door het tot die datum geldende recht, zodat artikel 81, eerste lid, van de Abw, zoals die bepaling luidde tot 1 juli 1997, van toepassing is. Ook het terugvorderingsbesluit ontbeert derhalve een juiste wettelijke grondslag, zodat het eveneens moet worden vernietigd. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen terugvorderingsbesluit in stand te laten, zulks nu de tot 1 juli 1997 van toepassing zijnde versies van de artikelen 81 en 65 van de Abw dat besluit eveneens kunnen dragen".

A kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat ten tijde van belang sprake was van een gezamenlijke huishouding.

Het College kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit van 17 maart 1998 met betrekking tot intrekking en terugvordering op een onjuiste wettelijke grondslag berust. Mede blijkens het verhandelde ter zitting stelt het College zich op het standpunt dat op of na 1 juli 1997 bekendgemaakte terugvorderingsbesluiten dienen te worden beoordeeld naar het met ingang van 1 juli 1997 gentroduceerde stelsel en in voorkomende gevallen hun grondslag moeten vinden in een herzieningsbesluit in de zin van artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals deze bepaling luidt na 1 juli 1997.

De Raad overweegt het volgende.



De zaak 99/922 NABW

De vraag of A en C gedurende de periode van 17 februari 1997 tot en met 30 april 1997 en op 1 mei 1997 een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Abw (tekst tot 1 januari 1998) beantwoordt de Raad bevestigend.

Ingevolge het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw (tekst tot 1 januari 1998) wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Abw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

De Raad acht het, gelet op gedingstukken, voldoende aannemelijk dat C ten tijde van belang zijn hoofdverblijf had in de woning van A. Uit een rapport van waarnemingen d.d. 25 april 1997 blijkt dat C in de waarnemingsperiode van 14 januari 1997 tot en met 22 april 1997 geregeld in de nabijheid van de woning van A is aangetroffen. Bij een huisbezoek dat is afgelegd op 22 april 1997 zijn kleding en bescheiden van C in de woning van A aangetroffen en voorts heeft A op 22 april 1997 verklaard dat de racefiets van C zich in de schuur van haar woning bevond. Ook hadden A en C een zogeheten en/of-rekening bij een bank, waarbij op het rekeningoverzicht als adres is genoemd het adres van A aan de P. Straat te B.

De stelling van A dat C ten tijde van belang zijn hoofdverblijf had in de woning van zijn ouders vindt naar het oordeel van de Raad geen steun in de onderzoeksresultaten van de Afdeling Bijzonder Onderzoek.

De Raad is voorts van oordeel dat het bestaan van wederzijdse zorg voldoende aannemelijk moet worden geacht en wijst in dit verband op het bestaan van evengenoemde bankrekening, waaruit blijkt dat sprake is van financile verstrengeling. Daarnaast heeft C bij een verhoor dat plaatsvond op 12 mei 1997 verklaard A veel te helpen en is uit waarnemingen gebleken dat C regelmatig gebruik maakt van de auto van A om naar zijn werk te gaan.

Aan de omstandigheid dat de tenaamstelling van meergenoemde bankrekening reeds vr 1 mei 1997 is gewijzigd, kan de Raad niet die betekenis hechten die A daaraan toegekend wenst te zien.

Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit van 23 september 1997 met betrekking tot de beindiging van de uitkering per 1 mei 1997 terecht in stand is gelaten.



De zaak 99/1060 NABW



Ten aanzien van het intrekkingsbesluit

Het College heeft het besluit tot intrekking van het toekenningsbesluit met ingang van 17 februari 1997 gebaseerd op artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals die bepaling luidt sedert 1 juli 1997. Evenals de rechtbank wijst de Raad erop dat genoemde bepaling is ingevoerd bij de Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248 (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna te noemen: Wet BMT).

Ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van de Wet BMT wordt in de bevoegdheid van gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vr de datum van inwerkingtreding van deze wet (voor de bijstandswetgeving: 1 juli 1997) geen wijziging gebracht.

Uit genoemd artikellid volgt naar het oordeel van de Raad dat aan een intrekkingsbesluit als het onderhavige, hetwelk een wijziging beoogt te brengen in het recht op uitkering over een periode welke geheel ligt vr 1 juli 1997, niet het bepaalde in artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals deze bepaling luidt vanaf 1 juli 1997, ten grondslag kan worden gelegd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de Raad van oordeel dat de rechtbank terecht het bestreden intrekkingsbesluit heeft vernietigd omdat dit berust op een onjuiste wettelijke grondslag.

Anders dan de rechtbank evenwel zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde intrekkingsbesluit in stand laten. De Raad overweegt daartoe dat voldoende aannemelijk is dat A in evengenoemde periode een gezamenlijke huishouding voerde met C, wiens inkomen toereikend was om mede in het levensonderhoud van A te voorzien. Daarom kon A op grond van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Abw (tekst tot 1 januari 1998) juncto artikel 7, eerste lid, van de Abw in deze periode geen recht doen gelden op een uitkering ingevolge de Abw.

De Raad stelt voorts vast dat A het College niet tijdig en eigener beweging heeft genformeerd omtrent het bestaan van de gezamenlijke huishouding, zodat van een gerechtvaardigd vertrouwen op ongewijzigde voortzetting van de uitkering geen sprake is.



Ten aanzien van het terugvorderingsbesluit

Ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van de Wet BMT wordt in de bevoegdheid van gemeenten tot terugvordering en verrekening van hetgeen vr de datum van inwerkingtreding van deze wet (voor de bijstandswetgeving: 1 juli 1997) onverschuldigd is betaald geen wijziging gebracht.

Dat betekent dat de thans ter beoordeling van de Raad staande vraag of het besluit tot terugvordering op goede gronden berust, moet worden beoordeeld aan de hand van het vr 1 juli 1997 vigerende recht, in casu reeds omdat de periode waarover terugvordering plaatsvindt geheel vr die datum ligt.

Derhalve is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College de terugvordering van de verleende bijstand ten onrechte heeft doen steunen op artikel 81, eerste lid, van de Abw, zoals die bepaling luidt sedert 1 juli 1997.

De Raad is dan ook van oordeel dat de rechtbank het bestreden besluit d.d. 17 maart 1998, voor zover dit betrekking heeft op terugvordering terecht heeft vernietigd, omdat dit op een onjuiste wettelijke grondslag berust.

De Raad acht evenwel met de rechtbank en op de door deze daartoe aangegeven gronden termen aanwezig om de rechtsgevolgen van het vernietigde terugvorderingsbesluit in stand te laten. De Raad voegt hieraan toe dat A de hoogte van het terug te vorderen bedrag en de wijze van terugbetaling niet heeft betwist.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt derhalve als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarbij geen aanleiding heeft gezien de rechtsgevolgen met betrekking tot het bestreden besluit tot intrekking in stand te laten;
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 17 maart 1998, voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van het recht op uitkering, in stand blijven.

Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 1999.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I. de Hartog.

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   WW / Abw / Wwb / Wiw / Awb
x
LJN:
x
AA5881
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Arnhem
Zaaknummer: 99/1024 WW en 99/360 NABW
Datum uitspraak: 28 februari 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 24 en 27 WW / 14 Abw (= 18 Wwb) / 7:12 en 8:72 Awb
Trefwoorden: maatregel; sanctie; verwijtbare werkloosheid; blijvende en gehele weigering WW-uitkering; gedeeltelijke weigering bijstand; banenpool; Wiw-dienstbetrekking; passende arbeid; urenomvang; ondeugdelijke motivering
Essentie: Onterechte blijvende en gehele weigering WW-uitkering, niet omdat de werkloosheid niet verwijtbaar zou zijn, maar omdat uit de stukken niet blijkt welke urenomvang de aangeboden (en vervolgens geweigerde) arbeid had. Het Lisv dient wegens ondeugdelijke motivering een nader besluit ter zake te nemen. Onterechte weigering bijstand van 80% gedurende n maand; met toepassing van de juiste grondslag (gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren) bepaalt de rechtbank dat de bijstand gedurende n maand met 20% wordt geweigerd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Arnhem 99/1024 WW en 99/360 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen te Amsterdam, vertegenwoordigd door GAK Nederland BV te Arnhem, verweerder (hierna: het Lisv);
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder (hierna: het College).




1. Aanduiding bestreden besluiten


Besluit van het Lisv van 26 april 1999.
Besluit van het College van 14 januari 1999.




2. Feiten en procesverloop


2.1. Eiser was, in het kader van een banenpool, vanaf 1 december 1995 werkzaam in dienst van [detacheerder] te [vestigingsplaats] (hierna: [detacheerder]). Met ingang van 1 december 1995 was eiser gedetacheerd als [functie] bij [bedrijf] te [plaats].

Bij brief van 8 september 1997 heeft [detacheerder] eiser medegedeeld dat zijn detachering bij [bedrijf] per 1 september 1997 wordt beindigd omdat de arboarts van mening is dat hij aldaar niet zonder beperkingen zal kunnen werken. Bij deze brief is voorts aan eiser medegedeeld dat men hem nog wel geschikt acht voor werk elders en dat men zich gedurende een periode van drie maanden na 1 september 1997 zal inspannen om voor eiser een nieuwe werkplek te realiseren. Daaraan is toegevoegd dat als men binnen drie maanden geen nieuwe werkplek voor eiser heeft kunnen realiseren, er een ontslagvergunning zal worden aangevraagd.
[Detacheerder] heeft aan eiser op 24 oktober 1997 een inleenplaats aangeboden, waarop eiser afwijzend heeft gereageerd. Nadat eiser nogmaals was gewezen op de driemaandentermijn is hem door zijn werkgever op 10 november 1997 weer een, volgens werkgever passende, inleenplaats aangeboden, waarop eiser weer afwijzend heeft gereageerd.

Bij brief van 26 januari 1998 heeft [detacheerder] aan eiser medegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst tegen 1 maart 1998 wordt opgezegd omdat er gedurende een periode van drie maanden geen inleenplaats voor hem beschikbaar is. Het aanvragen van een ontslagvergunning is achterwege gebleven omdat [detacheerder] een dergelijke vergunning sedert 1 januari 1998 niet meer kon aanvragen.

2.2. Eiser heeft vervolgens bij het Lisv een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.

Bij besluit van 22 oktober 1998 heeft het Lisv eiser met ingang van 2 maart 1999 uitkering krachtens de WW blijvend en geheel geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid. Daarbij heeft het Lisv overwogen dat eiser zich bij zijn werkgever zodanig heeft gedragen dat hij behoorde te weten of kon weten dat ontslag zou volgen. Het door het Lisv in aanmerking genomen gedrag bestond uit het tot twee keer toe niet positief reageren op het aanbod van een nieuwe werkplek.

Namens eiser is tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
Bij het hierboven aangeduide besluit van 26 april 1999 heeft het Lisv het bezwaar ongegrond verklaard.

2.3. Nadat het Lisv eiser te kennen gaf dat er geen recht op uitkering ingevolge de WW bestond, heeft eiser zich tot het College gewend met het verzoek hem en zijn partner in aanmerking te brengen voor een bijstandsuitkering.

Bij besluit van 11 mei 1998 heeft het College aan eiser een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend. Daarbij is tevens een maatregel opgelegd, bestaande uit het gedurende vier maanden weigeren van de bijstandsuitkering van eiser en zijn partner met 20% vanaf 1 mei 1998, omdat eiser door eigen toedoen werkloos is geworden.

Namens eiser is tegen dit besluit, voor wat betreft de opgelegde maatregel, bezwaar gemaakt. Bij het hierboven aangeduide besluit van 14 januari 1999 heeft het College het bezwaar ongegrond verklaard.

2.4. Namens eiser heeft mr. J.A.C. van Etten, advocaat te Arnhem, beroep ingesteld tegen de besluiten van 14 januari 1999 en 26 april 1999.

Namens het Lisv en het College zijn verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank van 18 januari 2000, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.C. van Etten, en waar het Lisv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid, werkzaam bij GAK Nederland BV te Arnhem en het College door S.J.P.M. van Oyen, werkzaam bij de gemeente Arnhem.




3. Overwegingen


3.1. In onderhavige gedingen moet worden beoordeeld of de bestreden besluiten, waarbij het Lisv en het College eiser een maatregel op grond van de WW respectievelijk de Abw hebben opgelegd in verband met de beindiging van zijn dienstbetrekking met [detacheerder], in rechte stand kunnen houden.



Het geding 99/1024 WW

3.2. Ten aanzien van het besluit van het Lisv overweegt de rechtbank als volgt.

Aan het besluit van 26 april 1999 ligt het standpunt ten grondslag dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden, als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, van de WW, in verbinding met artikel 24, tweede lid, onderdeel a, van de WW.

Op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Ingevolge het tweede lid, onderdeel a, van dat artikel is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

In artikel 27, eerste lid, van de WW is bepaald dat het Lisv de uitkering blijvend geheel weigert indien de werknemer een verplichting hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, opgelegd, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. Ingevolge het vijfde lid van artikel 27 kan het Lisv van het opleggen van een maatregel afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

De rechtbank is van oordeel dat het Lisv de weigering van uitkering ingevolge de WW niet heeft kunnen baseren op artikel 24, eerste lid, onderdeel a, van de WW in verbinding met het tweede lid, onderdeel a, [van artikel 24, red.] van de WW. Op grond van die bepalingen is er sprake van verwijtbare werkloosheid indien concreet gedrag van de werknemer heeft geleid tot de beindiging van de dienstbetrekking en voorts indien dat gedrag verwijtbaar was jegens de werkgever.

Op grond van de brieven van [detacheerder] van 8 september 1997 en 26 januari 1998 stelt de rechtbank vast dat de dienstbetreking tussen [detacheerder] en eiser is beindigd op grond van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst. In dat artikel is bepaald dat de overeenkomst kan worden opgezegd indien voor een periode van drie maanden geen inleenplaats beschikbaar is.

Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de beindiging van eisers dienstverband niet primair dient te worden toegeschreven aan de wijze waarop eiser heeft gereageerd op de aangeboden functies. Hoewel aangenomen kan worden dat er enig oorzakelijk verband bestaat tussen de keuze van [detacheerder] om toepassing te geven van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst en eisers weigering om in te gaan op de aangeboden inleenplaatsen, acht de rechtbank dit verband onvoldoende direct om aan te nemen dat dit gedrag van eiser tot beindiging van het dienstverband heeft geleid. Bij dat oordeel heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de betreffende functies aan eiser zijn aangeboden nadat [detacheerder] had vastgesteld dat eiser niet langer geschikt was om de arbeid die verbonden was aan zijn oorspronkelijke inleenplaats te verrichten. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het voornamelijk de ongeschiktheid voor de oorspronkelijke inleenplaats is geweest die heeft geleid tot de beindiging van de dienstbetrekking op grond van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst.

Aan het voorgaande voegt de rechtbank nog het volgende toe. Ook indien ervan uit zou worden gegaan dat eisers gedrag ten aanzien van de twee aangeboden inleenplaatsen in een voldoende direct verband staat met de beindiging van zijn dienstbetrekking, dan volgt daaruit nog niet dat eisers gedrag ook verwijtbaarbaar was jegens zijn werkgever. De omstandigheid dat eiser met [detacheerder] geen overeenstemming heeft bereikt over een nieuwe detachering, (onder meer) omdat eiser en [detacheerder] van mening verschilden over de passendheid van de aangeboden inleenplaatsen in medisch opzicht, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet met zich mede dat eisers gedrag verwijtbaar was tegenover zijn werkgever. De aard van eisers dienstverband, een arbeidsovereenkomst op grond van een banenpoolregeling, die per 1 januari 1998 is omgezet in een arbeidsovereenkomst in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden, maakt dit niet anders.

Uit het voorgaande volgt dat het Lisv eisers uitkering ingevolge de WW op een onjuiste grond blijvend geheel heeft geweigerd.

3.3. De rechtbank overweegt voorts als volgt.

In artikel 24, eerste lid, onderdeel b, ten tweede, van de WW is - voor zover van belang - bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is, doordat hij nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt. Onder passende arbeid wordt, op grond van het derde lid van artikel 24 van de WW, verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.

Indien een werknemer de verplichting van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, ten tweede, van de WW niet is nagekomen, is het Lisv op grond van artikel 27, tweede lid, van de WW gehouden om de uitkering blijvend te weigeren over het aantal uren waarover het recht op uitkering niet zou zijn ontstaan indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.

De rechtbank is van oordeel dat eiser de verplichting die in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, ten tweede, van de WW is opgenomen niet is nagekomen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Op basis van de zich onder de gedingstukken bevindende brieven van [detacheerder], de verklaringen van de consulent van [detacheerder] en de uit de stukken blijkende opvatting van de arboarts van [detacheerder] is de rechtbank van oordeel dat de aan eiser aangeboden inleenplaatsen in medisch opzicht passend waren, althans, indien zij in de praktijk op onderdelen als minder passend dienden te worden aangemerkt, passend te maken waren. De rechtbank heeft bij het voorgaande met name in aanmerking genomen dat eiser noch in bezwaar, noch in beroep concreet heeft aangegeven en met medische gegevens onderbouwd welke beperkingen hem in medisch opzicht parten speelden en op grond van welk medisch oordeel eiser destijds tot de conclusie is gekomen dat de betreffende functies niet geschikt voor hem waren. Blijkens de verklaring van de arboarts, die is opgenomen in het rapport van het GAK van 16 juli 1998, heeft eiser laatstgenoemde conclusie niet kunnen baseren op uitlatingen van deze arboarts. De rechtbank vermag voorts niet in te zien dat eiser zich in december 1997, blijkens een sollicitatie als schoonmaker bij [...], kennelijk wel in staat achtte om schoonmaakwerk te verrichten, terwijl hij zich daartoe in oktober en november 1997 vanwege linkerarmklachten niet in staat achtte. De door eiser ter zitting gegeven verklaring op dit punt, namelijk dat zijn klachten in december 1997 minder waren, acht de rechtbank niet overtuigend aangezien eiser in het kader van zijn aanvraag van uitkering in maart 1998 heeft aangegeven dat hij afhankelijk is van werk waarbij zijn linkerschouder niet of nauwelijks wordt belast.

De rechtbank heeft voorts geen (andere) redenen gezien op grond waarvan de aan eiser aangeboden arbeid niet als passende arbeid in de zin van artikel 24, derde lid, van de WW kan worden aangemerkt. Het is de rechtbank voorts niet gebleken dat het aanvaarden van die arbeid niet van eiser gevergd kon worden.

Wat betreft eisers standpunt dat hij, anders dan [detacheerder] heeft gesteld, wel gemotiveerd was om een inleenplaats te aanvaarden, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de brieven van [detacheerder] van 6 november 1997 en 26 januari 1998 blijkt dat [detacheerder] eisers gedrag niet als bereidwillig heeft getypeerd. Voor zover dit onjuist zou zijn geweest, had van eiser verwacht mogen worden dat hij na afwijzing van de hem aangeboden inleenplaatsen bij deze werkgever had aangedrongen om hem nogmaals een aanbod te doen. Eiser heeft echter geen pogingen ondernomen om alsnog een werkplek via [detacheerder] te bemachtigen en aldus de voortzetting van zijn dienstverband te bewerkstelligen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Lisv, in het voetspoor van [detacheerder], zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser door houding en gedrag aan zijn werkgever heeft laten blijken niet langer genteresseerd te zijn in de nieuwe werkplek via [detacheerder].

De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, dan ook van oordeel dat eiser zonder steekhoudende argumenten geweigerd heeft in te stemmen met detachering in n van de aangeboden passende functies en zich tegenover [detacheerder] niet constructief heeft opgesteld ten aanzien van een hernieuwde detachering.

Uit het voorgaande volgt dat het Lisv op grond van artikel 27, tweede lid, van de WW gehouden is om de uitkering van eiser blijvend te weigeren over het aantal uren waarover zijn recht op uitkering niet zou zijn ontstaan indien hij de hem aangeboden arbeid zou hebben aanvaard. Uit de stukken blijkt echter niet welke urenomvang de aan eiser aangeboden arbeid had. De rechtbank ziet dan ook geen grond om vast te stellen dat eisers uitkering op grond van artikel 27, tweede lid, van de WW blijvend geweigerd dient te worden voor het volledige aantal uren waarop zijn recht op uitkering is gebaseerd.

Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 26 april 1999 in rechte geen stand kan houden wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Het Lisv zal, na onderzoek, een nader besluit dienen te nemen.



Het geding 99/360 NABW

3.4. Ten aanzien van het besluit van het College overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat eiser, gelet op de omstandigheid dat het Lisv een nader besluit dient te nemen, nog belang heeft bij de beoordeling van het besluit van het College van 14 januari 1999.

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van het College ten grondslag dat eiser in de periode voorafgaande aan de bijstandsaanvraag onvoldoende heeft meegewerkt aan het behouden van arbeid in dienstbetrekking als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw, omdat hij door zijn toedoen het dienstverband met [detacheerder] niet heeft behouden.
Het College heeft eisers gedraging aangemerkt als een gedraging die in artikel 3 van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: het Maatregelenbesluit) is ingedeeld in de vierde categorie en die op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van het Maatregelenbesluit leidt tot een weigering van 100% van de bijstand gedurende n maand. Gelet op de sociale en financile omstandigheden waarin eiser en diens partner verkeren, heeft het College de maatregel beperkt tot 80% en bepaald dat deze over een periode van vier maanden wordt geffectueerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 14, eerste lid, van de Abw bepaalt - voor zover in dit geding van belang - dat burgemeester en wethouders de bijstand geheel of gedeeltelijk weigeren indien de belanghebbende voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking.
Ingevolge het tweede lid van artikel 14 van de Abw wordt een maatregel als bedoeld in het eerste lid afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Tevens is bepaald dat van het opleggen van een maatregel wordt afgezien indien iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Burgemeester en wethouders kunnen op grond van artikel 14, derde lid, van de Abw voorts afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

De gedragingen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw, worden in artikel 3 van het Maatregelenbesluit in vier categorien onderscheiden. In de vierde categorie zijn de volgende gedragingen opgenomen:
a. het niet aanvaarden van passende arbeid;
b. het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking.

Op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van het Maatregelenbesluit wordt de weigering van uitkering bij een gedraging van de vierde categorie vastgesteld op 100% van de bijstand gedurende n maand.

Onder verwijzing naar hetgeen hierboven onder 3.2 en 3.3 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser in de periode voorafgaand aan zijn bijstandsaanvraag onvoldoende heeft meegewerkt aan verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden omdat het op een onjuiste grondslag berust.

Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hierboven onder 3.2 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het College eisers gedrag ten onrechte heeft aangemerkt als het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking.
De rechtbank is voorts van oordeel dat er ten aanzien van de in geding zijnde gedragingen van eiser, ondanks hetgeen hierboven onder 3.3 is overwogen, evenmin gesproken kan worden van het niet aanvaarden van passende arbeid zoals bedoeld in artikel 3, onderdeel 4, subonderdeel a, van het Maatregelenbesluit. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze categorie, blijkens de toelichting op het Maatregelenbesluit, ziet op de situatie dat (door de bijstandsgerechtigde) geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om passende arbeid te aanvaarden teneinde de uitkeringsafhankelijkheid geheel of gedeeltelijk te beindigen. Deze toelichting kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden begrepen dan dat deze categorie ziet op het verkrijgen van arbeid in de periode dat de betrokkene een bijstandsuitkering ontvangt. Aangezien de in geding zijnde gedragingen van eiser zich voorafgaand aan de bijstandverlening hebben voorgedaan, kunnen deze gedragingen niet worden gekwalificeerd als het niet aanvaarden van passende arbeid in de zin van voormelde bepaling.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het College eisers gedragingen ten onrechte heeft ingedeeld in de vierde categorie en dat de opgelegde maatregel mitsdien ten onrechte op een gedraging van die categorie is gebaseerd. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank overweegt voorts dat de in geding zijnde gedragingen van eiser kunnen worden aangemerkt als gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren als bedoeld in artikel 4, onderdeel 3, subonderdeel a, van het Maatregelenbesluit, zijnde een gedraging van de derde categorie.

Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van het Maatregelenbesluit is het College bij een gedraging van de derde categorie gehouden een weigering van 20% van de bijstand gedurende n maand op te leggen.
De rechtbank stelt vast dat het College de opgelegde maatregel heeft afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin eiser de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert, door deze met 20% te verminderen en de effectuering over vier maanden te verdelen.
Aangezien de op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van het Maatregelenbesluit op te leggen weigering lager is dan de, op eisers individuele geval toegesneden, opgelegde maatregel en de rechtbank niet is gebleken van de aanwezigheid van een dringende reden als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Abw, zal de rechtbank onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat de bijstandsuitkering van eiser vanaf 1 mei 1998 gedurende n maand geweigerd wordt met 20%.




4. Slotoverwegingen


De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en zowel het Lisv als het College te veroordelen in de door eiser in beide gedingen gemaakte proceskosten. Deze kosten worden in iedere procedure afzonderlijk begroot op
1420,- voor verleende rechtsbijstand. Van andere kosten is de rechtbank in dit verband niet gebleken.

Bij het voorgaande heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er geen sprake is van samenhangende zaken, als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, aangezien de bestreden besluiten afkomstig zijn van verschillende bestuursorganen. De rechtbank wijst in verband daarmee op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep die in RSV 1997/11 is gepubliceerd.

Het vorenstaande leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.




5. Beslissing


De rechtbank:

in het geding 99/1024 WW:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat het Lisv een nader besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen;
veroordeelt het Lisv in de proceskosten van eiser ten bedrage van
1420,-;
bepaalt dat de betaling van dat bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank, bankrekening 1923.25.752, ten name van DS 533 Arrondissement Arnhem;
bepaalt dat het Lisv aan eiser het door hem betaalde griffierecht van
60,- vergoedt;
Wijst het Lisv aan als de rechtspersoon die de proceskosten en het griffierecht moet vergoeden;

in het geding 99/369 NABW:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit, voor zover aangevochten;
bepaalt dat eisers bijstandsuitkering vanaf 1 mei 1998 gedurende n maand met 20% wordt geweigerd;
veroordeelt het College in de proceskosten van eiser ten bedrage van
1420,-;
bepaalt dat de betaling van dat bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank, bankrekening 1923.25.752, ten name van DS 533 Arrondissement Arnhem;
bepaalt dat het College aan eiser het door hem betaalde griffierecht van
55,- vergoedt;
wijst het College aan als de rechtspersoon die de proceskosten en het griffierecht moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J.J. Catsburg, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2000 in tegenwoordigheid van J.B.M. Wassink als griffier.


De griffier,            De rechter,




Verzonden op: 28 februari 2000.




Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto artikel 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x