Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA6362
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 98/1027 NABW V06
Datum uitspraak: 15 mei 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 84 Abw (= 59 Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; terugvordering van hoofdelijk aansprakelijke; onderhoudsplichtige; gezinsbijstand alleenstaande ouder
Essentie: Onterechte terugvordering van de vermeende hoofdelijk aansprakelijke onderhoudsplichtige waarmee een bijstandsgerechtigde een (verzwegen) gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Omdat de bijstand - vůůr de wijziging van 31 december 1998 van artikel 84, tweede lid, Abw - als gezinsbijstand (alleenstaandeouderuitkering) is verleend, is er geen wettelijke grondslag voor terugvordering.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 98/1027 NABW V06




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr D.Y. Li,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer, verweerders,
gemachtigde: A.J. Haring




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 22 september 1998, nr. 9800-/469/470/471, het bezwaar van eiser met betrekking tot het terugvorderingsbesluit van 24 februari 1998 ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 3 november 1998, nader aangevuld bij brief van 27 november 1998, beroep ingesteld.

Verweerders hebben op 13 januari 1999 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 7 december 1999 een aantal stukken ingediend.
Desgevraagd heeft eiser op 6 januari 2000 nog enkele stukken aan de rechtbank toegezonden.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is, gevoegd met de zaak met het nr. AWB 98/1028 NABW V06, behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 25 april 2000.
Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde.




2. Rechtsoverwegingen



Feiten

Blijkens het proces-verbaal van de regiopolitie Groningen van 25 februari 1998 is vanwege een vermoeden van bijstandsfraude met ingang van 3 juli 1997 onderzoek gedaan naar de situatie waarin eiser en X (verder: X) verkeerden. Dit onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat eiser en X vanaf 1 april 1997 een gezamenlijke huishouding voeren op het adres van X: [...] te Y.
Verder is uit het onderzoek gebleken dat het inkomen van eiser voldoende moet worden geacht om in de noodzakelijke kosten van X te voorzien.

Hierop hebben verweerders bij besluit van 24 februari 1998 de aan X over de periode van 1 april 1997 tot en met 31 januari 1998 toegekende Abw-uitkering herzien en de onverschuldigd aan haar betaalde uitkering over deze periode ten bedrage van
É21.779,59 van eiser teruggevorderd. Eiser is hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de aan X ten onrechte betaalde uitkering. Verweerders hebben het besluit doen steunen op de artikelen 78, eerste lid, 81, eerste lid, en 84, tweede en derde lid, Abw.

Eiser heeft tegen dit besluit bij brief van 27 februari 1998, nader aangevuld bij brief van 1 juli 1998, bezwaar gemaakt.

Verweerders hebben - overeenkomstig het advies van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 26 augustus 1998 - bij besluit van 22 september 1998 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.



Standpunt van eiser

Eiser kan zich niet met dit besluit verenigen en heeft aangevoerd dat het onderzoek van de sociale recherche onvolledig en onzorgvuldig is geweest. Tussen hen beiden is geen sprake van een gezamenlijke huishouding. Eiser heeft zijn hoofdverblijf in B. Verweerders hebben de aan X toegekende Abw-uitkering derhalve ten onrechte van hem teruggevorderd. Eiser heeft zijn verklaring onder druk afgelegd.
Verweerders hebben verder verzuimd de wettelijke grondslag waarop het besluit is gebaseerd te vermelden. Alleen al op grond van dit laatste dient het besluit te worden vernietigd.



Standpunt van verweerders

Verweerders zijn er daarentegen op basis van het onderzoek van de sociale recherche van overtuigd geraakt dat eiser en X vanaf 1 april 1997 een gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren. In het bijzonder de verklaringen van eiser en X, in relatie met de waarnemingen en het overige onderzoek, nopen tot dit standpunt. Eiser heeft blijkens het proces-verbaal - onder meer - verklaard dat hij zijn verklaring niet onder druk heeft afgelegd. Hij heeft zijn verklaring ondertekend.



Wettelijk kader

Op 1 juli 1997 is, voor zover het de Abw betreft, de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: de Wet BMT) in werking getreden.
Daarbij zijn verschillende bepalingen van de Abw gewijzigd.

In artikel XVI, eerste lid, van de Wet BMT is bepaald dat in de bevoegdheid van de gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vůůr de datum van inwerkingtreding van deze wet, alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening van hetgeen vůůr die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging wordt gebracht.

Vervolgens is in artikel 3, onderdeel J, van de Veegwet SZW 1998, artikel 84, tweede lid, Abw gewijzigd.
Deze wijziging is op 31 december 1998 in werking getreden.
Aangezien het onderhavige geschil zich uitstrekt over de periode van 1 april 1997 tot en met 1 februari 1998 zijn op dit geschil achtereenvolgens van toepassing de bepalingen van de Abw zoals deze luidden tot 1 juli 1997 en de bepalingen van de Abw zoals deze luidden van 1 juli 1997 tot 31 december 1998.



Beoordeling van het geschil

In dit geding moet allereerst de vraag worden beantwoord of tussen eiser en X in de periode van 1 april 1997 tot 1 februari 1998 sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 Abw.

De rechtbank heeft deze vraag in de uitspraak van heden met het nr. Awb 99/1028 NABW bevestigend beantwoord. Kortheidshalve verwijst de rechtbank voor de nadere motivering van dit oordeel naar deze uitspraak.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de inkomsten van eiser voldoende moeten worden geacht om mede in de noodzakelijke kosten van het bestaan van X te voorzien.

Ingevolge artikel 78 (oud en nieuw), in samenhang met de artikelen 81, eerste lid, (oud en nieuw) wordt, indien de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid (oud en nieuw), Abw, door belanghebbende niet of niet behoorlijk is nagekomen, de bijstand van hem teruggevorderd voor zover de betreffende handelwijze heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Nu vaststaat dat X over de periode van 1 april 1997 tot 1 februari 1998 onverschuldigd bijstand is betaald, waren verweerders verplicht om over te gaan tot terugvordering van de aan haar betaalde bijstand over deze periode.

Krachtens artikel 84, tweede lid, Abw worden, indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 65, niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.
De in artikel 84, tweede lid, Abw bedoelde personen zijn op grond van het derde lid van dit artikel hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot artikel 59a, tweede lid, van de oude Algemene Bijstandswet (ABW) vloeit voort dat op grond van deze bepaling alleen ten onrechte betaalde bijstand kan worden teruggevorderd als de bijstand niet als gezinsbijstand is verleend. Is de bijstand wel als gezinsbijstand verleend, dan is terugvordering niet mogelijk (zie Hoge Raad, 3 maart 1995, NJ 1997, nr. 184, en Hoge Raad 23 oktober 1998, JVB 1999, nr. 4).
Aangezien artikel 84, tweede lid, Abw op dit punt gelijkluidend is aan artikel 59a, tweede lid, ABW heeft de jurisprudentie van de Hoge Raad dezelfde betekenis bij de toepassing van artikel 84, tweede lid, Abw. Ook de wetgever is deze opvatting toegedaan blijkens de toelichting op artikel 3, onderdeel J, van de Veegwet SZW 1998, waarbij de tekst van artikel 84, tweede lid, Abw juist naar aanleiding van de jurisprudentie van de Hoge Raad is gewijzigd (zie Kamerstukken II 1998-1999, 26 239, nr. 3, blz. 10).

Het staat vast dat aan X en haar zoon, met inachtneming van artikel 4, aanhef en onder c, ten derde, Abw, gezinsbijstand is verstrekt als bedoeld in artikel 13, tweede lid, Abw.
Dat betekent dat in dit geval artikel 84, tweede lid, Abw niet van toepassing is en de ten onrechte aan X verstrekte bijstand niet mede van eiser kan worden teruggevorderd.

Het bestreden besluit tot terugvordering ontbeert dan ook een wettelijke grondslag, zodat dit besluit niet in stand kan blijven. Het beroep van eiser zal daarom gegrond worden verklaard.

De rechtbank ziet verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb het primaire besluit van verweerders van 24 februari 1998 te herroepen, omdat aan dit besluit hetzelfde, niet te herstellen gebrek kleeft.



Griffierecht en proceskosten

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb tevens te worden bepaald dat het door eiser betaalde griffierecht ad
É55,- door de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan eiser wordt vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerders op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden.
Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op
É1440,80, zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van verweerders van 22 september 1998;
- herroept het besluit van verweerders van 24 februari 1998;
- bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer eiser het betaalde griffierecht ad
É55,- vergoedt;
- veroordeelt verweerders in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn vastgesteld op
É1440,80, en bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer deze kosten aan eiser dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar door hem uitgesproken op 15 mei 2000, in tegenwoordigheid van W. Brandsma als griffier.

De griffier, wnd.,            De rechter,
      



Afschrift verzonden op: 15 mei 2000.

Bijlage: Staat van kosten.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA6465
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Alkmaar
Zaaknummer: NABW 99/790
Datum uitspraak: 23 mei 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 20 Abw (= 50 Wwb) / 3:2, 3:4 en 3:46 Awb
Trefwoorden: eigen woning; tegeldemaking; bezwaring; vervangende huisvesting; krediethypotheek; zorgvuldigheidsbeginsel; evenredigheidsbeginsel; motiveringsbeginsel; vordering wettelijke rente
Essentie: Onterechte afwijzing van bijstand in de vorm van een krediethypotheek, omdat geen onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden van (verdere) bezwaring van de woning dan wel vervangende huisvesting, beide tegen redelijke voorwaarden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Alkmaar NABW 99/790




U I T S P R A A K




op grond van artikel 8:70 van de
Algemene wet bestuursrecht inzake:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder d.d. 22 maart 1999.




2. Zitting


Datum: 11 april 2000. Eiseres is, daartoe ambtshalve opgeroepen, in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.A. Swildens, advocaat te Alkmaar. Verweerder is, eveneens ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigde W.G.A. Tourlamain, ambtenaar ter secretarie van verweerders gemeente.




3. Feiten welke de rechtbank als vaststaande aanneemt


Op 14 september 1998 heeft eiseres verweerder verzocht om haar in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij besluit van 9 december 1999, verzonden op 11 december 1999, heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Hiertegen is namens eiseres bij schrijven van 7 januari 1999 een bezwaarschrift ingediend als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), hetwelk door verweerder op 8 januari 1999 is ontvangen.

Bij besluit van 22 maart 1999, verzonden op 30 maart 1999, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij schrijven van 3 mei 1999, door de rechtbank ontvangen op 4 mei 1999, beroep ingesteld.

Bij schrijven van 27 mei 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 20 januari 2000 heeft de gemachtigde van eiseres de gronden van het beroep aangevuld.

Vervolgens is het geding ter zitting van 11 april 2000 behandeld.




4. Bewijsmiddelen


De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.




5. Motivering


Artikel 20 van de Abw luidt:
-1. De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf heeft recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, anders dan ingevolge dit artikel, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
-2. Indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op algemene bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek:
a. indien de bijstand over een periode van ťťn jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het nettominimumloon, bedoeld in artikel 55, eerste lid; en
b. voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf op grond van het derde lid niet buiten beschouwing blijft.
-3. Van het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf blijft buiten beschouwing:
a.
É15.000,- alsmede de helft van het meerdere, doch in totaal ten hoogste É60.000,-; en
b. het bedrag waarmee het bij de aanvang van de bijstandverlening aanwezige overige vermogen minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat, gelet op de huidige overwaarde van de woning waarvan eiseres mede-eigenaar is, van eiseres niet in redelijkheid zou mogen worden verlangd dat zij haar aandeel in de overwaarde van de woning te gelde maakt. Daardoor zou zij de beschikking kunnen krijgen over een bedrag van
É62.729,24 en daarmee - ook na aftrek van het vrij te laten vermogen - nog geruime tijd zelf kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan.

Eiseres kan zich met het besluit niet verenigen. Zij voert daartoe allereerst aan dat van haar niet gevergd kan worden dat zij overgaat tot verkoop van de woning, omdat de woning uitermate geschikt is voor de huisvesting van haar gezin, de maandelijkse lasten niet buitensporig hoog zijn te noemen, het in het belang van de kinderen is om op te groeien in de vertrouwde omgeving en eiseres moeilijk een ruime eengezinswoning zal kunnen vinden in B, terwijl - voor zover dit al zou lukken - de huurprijs van een dergelijke woning fors zal zijn. Bovendien heeft verweerder ten onrechte niet de vermogensvrijstelling van artikel 20, derde lid, van de Abw toegepast. Ter zitting is namens eiseres gesteld dat tot een bedrag van
É23.029,94 bijstand in de vorm van een hypothecaire geldlening had moeten worden verstrekt en dat eiseres aansluitend recht heeft op een bijstandsuitkering om niet.

Partijen houdt verdeeld de vraag of tegeldemaking van het in genoemde woning gebonden vermogen in redelijkheid niet van eiseres kan worden verlangd. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de huidige redactie van artikel 20, eerste lid, van de Abw heeft beoogd te verduidelijken dat het vermogen in de eigen woning in zijn geheel buiten beschouwing kan blijven bij de beoordeling van de vraag of de belanghebbende voor bijstandverlening in aanmerking komt. Het tweede lid van genoemd artikel 20 regelt uitsluitend de vraag of de in zo'n situatie te verlenen bijstand de vorm heeft van een hypothecaire lening of als een bedrag om niet wordt verstrekt (Kamerstukken II 1993-1994, 22 545, nr. 19, blz. 6 en 7). De achterliggende gedachte bij de invoering van artikel 20 van de Abw is dat het in de woning gebonden vermogen middelen zijn welke veelal niet kunnen worden gebruikt om in het bestaan te voorzien, tenzij de belanghebbende de woning (verder) bezwaart of te gelde maakt. Aangezien een potentiŽle kredietverstrekker - voordat hij overgaat tot verstrekking van een hypothecaire geldlening - zowel de overwaarde op de woning als het inkomen van de belanghebbende in ogenschouw zal nemen, zal bezwaring niet altijd mogelijk zijn. Tegeldemaking van de woning om aldus over het in de woning gebonden vermogen te kunnen beschikken, impliceert dat vervangende huisvesting mogelijk moet zijn.

De rechtbank constateert dat uit de redactie van artikel 20, eerste lid, van de Abw in samenhang met het tweede lid van dit artikel volgt dat (ook) sprake kan zijn van de situatie dat tegeldemaking of (verdere) bezwaring van het in de woning gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd, zodat recht op algemene bijstand bestaat indien het in de woning gebonden vermogen meer dan
É60.000,- bedraagt. Derhalve oordeelt de rechtbank dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende motivering dat het in de woning gebonden vermogen van eiseres É62.729,94 bedraagt onvoldoende is om te kunnen concluderen dat tegeldemaking van eiseres kan worden verlangd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omvat verweerders onderzoekstaak in het kader van de toetsing van een bijstandsaanvraag aan artikel 20, eerste lid, van de Abw naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval een onderzoek naar de vraag of (verdere) bezwaring en/of vervangende huisvesting mogelijk is, beide tegen redelijke voorwaarden. Verweerder heeft nagelaten een dergelijk onderzoek te verrichten.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit vernietigd dient te worden wegens strijd met het in artikel 3:2 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel, met het in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb neergelegde beginsel dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt en met het motiveringsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 3:46 van de Awb.

Het namens eiseres gedane verzoek om wettelijke rente dient te worden afgewezen, aangezien uit deze uitspraak niet zonder meer volgt dat eiseres naar aanleiding van haar aanvraag om bijstandsuitkering d.d. 14 september 1998 per laatstgenoemde datum alsnog recht op uitkering ingevolge de Abw kan doen gelden.

Het namens eiseres gedane verzoek om een overweging ten overvloede, waarin de rechtbank aangeeft of, en zo ja, vanaf welke datum eiseres recht heeft op bijstand om niet, wordt om dezelfde reden afgewezen.



Proceskosten

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb
is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken en worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld. Deze nadere regels zijn vastgesteld bij Koninklijk besluit van 22 december 1993, Stb. 1993, 763 (het Besluit proceskosten bestuursrecht).

Gelet op het hiervoor overwogene is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het genoemde Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op
É1420,- als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De genoemde kosten dienen, aangezien eiseres met een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Beslist is als volgt.




6. Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de gemeente Den Helder aan eiseres het griffierecht ad
É60,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van
É1420,-;
- wijst de gemeente Den Helder aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;
- bepaalt dat de betaling van dat bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar.

Aldus gewezen door mr. E.M. van der Linde, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van C.H. Kuiper als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2000 door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van mr. J.L. Roubos als griffier.

De griffier,            De rechter,




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA6590
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 00/5792 NABW
Datum uitspraak: 19 juli 2000
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 7 Abw (= 11 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; beŽindiging bijstand; Koppelingswet; IVBPR; gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; Turken
Essentie: Onterechte beŽindiging bijstand, niet omdat betrokken vreemdeling hangende de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van een aanvraag om verblijfsvergunning dient te worden gelijkgesteld met een Nederlander, maar omdat ingevolge het IVBPR geen onderscheid mag worden gemaakt naar nationaliteit.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 00/5792 NABW




U I T S P R A A K




ingevolge artikel 8:84 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

tegen

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerder.




1. Gevraagde voorlopige voorziening


Een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb is verzocht ten aanzien van het in bezwaar bestreden besluit van verweerder van 27 april 2000, documentnummer 383632, waarbij de uitkering van verzoeker ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan ingaande 25 mei 2000 is beŽindigd.




2. Zitting


Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 10 juli 2000.
Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouwe mr. T.E. van Dijk.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink.




3. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening


Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

De Staatssecretaris van Justitie heeft het administratief beroep van verzoeker - die al sedert 1988 verblijf in Nederland zou houden - gericht tegen de beschikking van 18 juli 1997 waarbij op de aanvraag om een vergunning tot verblijf met als doel klemmende redenen van humanitaire aard afwijzend is beslist, ongegrond verklaard bij beschikking van 20 juli 1999.
Verzoeker heeft tegen die beschikking beroep ingesteld bij de rechtbank.
Gedurende die procedure (geregistreerd onder nummer AWB 99/7302 VRWET) is verzoeker volgens het schrijven van bedoelde Staatssecretaris d.d. 20 juli 1999 op grond van artikel 22, eerste lid, Vreemdelingenwet uitstel van vertrek verleend gedurende de behandeling van het beroep.
De Staatssecretaris van Justitie heeft bij schrijven van 15 december 1999 (Crv nummer 802.618.4848) verzoeker tevens bericht dat zijn schriftelijke verzoek om toelating op grond van de tijdelijke witte-illegalenregeling is ontvangen en dat, zodra blijkt dat het verzoek aan alle voorwaarden van de tijdelijke regeling witte illegalen voldoet, het verzoek ter advisering zal worden voorgelegd aan de commissie van burgemeesters. Het is verzoeker toegestaan om de behandeling van dit verzoek in Nederland af te wachten.

Verweerder heeft aan verzoeker met ingang van 22 december 1997 ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan een uitkering ingevolge de Abw verstrekt.
Verweerder heeft deze uitkering met ingang van 1 augustus 1998 beŽindigd en daartoe overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat verzoeker vanaf 1 juli 1998, datum waarop de zogenoemde Koppelingswet in werking is getreden, niet rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van de Abw en tevens op grond van de nadere regelgeving niet gelijkgesteld kan worden aan een Nederlander.
Verweerder heeft de uitkering van verzoeker na de uitspraak van de president van de rechtbank in de procedure onder nummer AWB 98/5394 NABW gecontinueerd.
Verweerder heeft die uitkering bij het thans in bezwaar bestreden besluit met ingang van 25 mei 2000 beŽindigd.
Verweerder heeft daartoe bij het bestreden besluit overwogen:
"Vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven hebben in het algemeen recht op uitkering. Voor de Abw zijn dat vreemdelingen die onvoorwaardelijk zijn toegelaten in Nederland (of op grond van een verblijfsvergunning met een beperking) en EU-onderdanen die hier niet in strijd met Europese regels verblijven. Ook vreemdelingen die tijdig verlenging van de verblijfsvergunning hebben aangevraagd of tijdig bezwaar of beroep hebben ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating worden, op grond van nadere regelgeving, gelijkgesteld met een Nederlander.
Uit onderzoek is gebleken dat u niet rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van de Abw en tevens op grond van de nadere regelgeving niet gelijkgesteld kan worden aan een Nederlander.
Van toepassing zijn artikel 7, tweede lid, Abw, artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet en het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz."

Verzoeker heeft op de in het bezwaarschrift genoemde gronden bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Verzoeker heeft de gronden van het bezwaar in het verzoekschrift aangevuld en geadstrueerd met aanvullende stukken.

Met ingang van 1 juli 1998 is de Koppelingswet in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen aangebracht in onder meer de bijstandverlening aan vreemdelingen en de wijze van verificatie van de verblijfsrechtelijke status van vreemdelingen. Zo ook is artikel 7 Abw gewijzigd; dit luidt per 1 juli 1998 als volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw).
-3. Bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Artikel 1b Vw luidt, voor zover in dit geding van belang:
Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
2. (...);
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
4. (...);
5. (...).

De AMvB als bedoeld in artikel 7, onder 3 [derde lid, red.], is het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: het besluit).
In artikel 1, eerste lid, daarvan is - voor zover van belang - bepaald dat voor de toepassing van de Abw met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw:
a. vůůr de beŽindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of 33c Vw, of, buiten die termijn, ingeval artikel 6:11 Awb toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw.
Ingevolge het tweede lid eindigt de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vw of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

Als vaststaand moet worden aangenomen dat verzoeker aan het bepaalde in artikel 7, onder 2 [tweede lid, red.], van de Abw geen aanspraak op gelijkstelling met een Nederlander kan ontlenen. Er is immers geen sprake van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw.

Verzoeker kan evenmin aanspraak ontlenen op gelijkstelling met een Nederlander aan het bepaalde bij en krachtens artikel 7, onder 3 [derde lid, red.], van de Abw. De in die bepaling genoemde AMvB, te weten het hiervoor aangehaalde besluit, voorziet niet in een geval als dat van verzoeker, aangezien hij nimmer rechtmatig verblijf in Nederland in de zin artikel 1b, aanhef en onder 1 van de Vw heeft gehouden.

Verzoeker heeft aangevoerd dat een verblijfsrecht als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw aangemerkt moet worden als een "soortgelijke vergunning" als bedoeld in artikel 11.a van het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB), waarbij Turkije eveneens partij is en dat verzoeker daarom uit dien hoofde aanspraak heeft op een uitkering ingevolge de Abw.

Artikel 1 van het EVSMB bepaalt dat onderdanen van de verdragstaten die zich rechtmatig ophouden in ťťn van de andere verdragstaten en die niet beschikken over voldoende middelen dezelfde aanspraak op sociale en medische bijstand hebben als eigen onderdanen.

Artikel 11, onderdeel a, van het EVSMB bepaalt - voor zover hier van belang - dat het verblijf van een vreemdeling op het grondgebied van ťťn der verdragsluitende partijen als rechtmatig in de zin van dit verdrag wordt beschouwd zolang te zijnen aanzien een verblijfs- of een soortgelijke vergunning van kracht is welke op grond van de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het verblijf in dat land.
Ingevolge artikel 11, onderdeel b, van het EVSMB wordt rechtmatig verblijf onrechtmatig op het ogenblik waarop een bevel tot verwijdering tegen betrokken persoon is uitgevaardigd, tenzij schorsing van de uitvoering wordt verleend.

De president is van oordeel dat het niet uitgesloten moet worden geacht dat de hoogste rechter in zaken als de onderhavige uiteindelijk tot het oordeel zal komen dat, indien er zich ten aanzien van een onderdaan van ťťn van de verdragsluitende staten een situatie voordoet als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, er sprake is van een "soortgelijke vergunning" en derhalve van rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van het EVSMB.

Geconcludeerd moet worden dat, nu uit de brief van de Staatssecretaris van Justitie van 20 juli 1999 volgt dat verzoeker uitstel van vertrek is verleend gedurende de behandeling van het beroep tegen de beslissing van 20 juli 1999 en het verzoeker op grond van de inhoud van de brief van de Staatssecretaris van Justitie d.d. 15 december 1999 is toegestaan om de behandeling van het verzoek om toelating op grond van de tijdelijke witte-illegalenregeling in Nederland af te wachten, er sprake is van de in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw bedoelde situatie dat uitzetting van verzoeker, in afwachting van de - definitieve - beslissing op een aanvraag om toelating op grond van een beschikking ingevolge de Vw achterwege dient te blijven.
Gelet hierop moeten de belangen van verzoeker bij het treffen van een voorziening als verzocht bijzonder groot worden geacht.
In aanmerking nemend de wederzijdse belangen is de president van oordeel dat het treffen van een voorlopige voorziening aangewezen is.

Voor zover verzoeker zich heeft beroepen op de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 28 oktober 1999 (nr. 98/8513 NABW), waarin is geoordeeld dat het in het kader van de toepassing van de Koppelingswet bij beŽindiging van de bijstandsuitkering gemaakte onderscheid naar nationaliteit in strijd is met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, overweegt de president dat verzoeker naar haar voorlopig oordeel is te vatten onder de in genoemde uitspraak van de rechtbank onderscheiden categorie 2 van vreemdelingen ten aanzien waarvan dat oordeel geldt.
Onder genoemde categorie wordt geschaard de groep vreemdelingen die, zoals in casu het geval, op het moment van de inwerkingtreding van de Koppelingswet op 1 juli 1998 bijstand ontving en voor wie de inwerkingtreding heeft geleid tot beŽindiging van de bijstandsuitkering.

Het voorgaande leidt de president tot het oordeel dat het het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb voor inwilliging in aanmerking komt.
Derhalve ziet de president aanleiding het bestreden besluit te schorsen en te bepalen dat aan verzoeker met ingang van 25 mei 2000 bijstandsuitkering dient te worden toegekend, berekend naar de voor hem geldende norm.

De president ziet voorts aanleiding verweerder op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten. Het bedrag van de kosten wordt vastgesteld op 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1,
É710,- per punt, in totaal É1420,-).

Aangezien ten behoeve van verzoeker ter zake van dit verzoek een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:85, tweede lid, Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van deze rechtbank.




4. Beslissing


De president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht toe in dier voege dat het besluit van verweerder van 27 april 2000 wordt geschorst onder de bepaling dat aan verzoeker een uitkering ingevolge de Abw naar de voor hem geldende norm wordt verstrekt met ingang van 25 mei 2000;
gelast dat de gemeente Den Haag als rechtspersoon aan verzoeker het door deze betaalde griffierecht, zijnde
É60,-, vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten ad
É1420,- onder aanwijzing van de gemeente Den Haag als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.


Aldus gegeven door mr. E.R. Houweling, als fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2000, in tegenwoordigheid van de griffier.

Voor eensluidend afschrift, de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden:

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA6591
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 00/5032
Datum uitspraak: 11 juli 2000
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 7 Abw (= 11 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; beŽindiging bijstand; Koppelingswet; gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; Turken
Essentie: Onterechte beŽindiging bijstand, niet omdat betrokken vreemdeling hangende de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van een aanvraag om verblijfsvergunning dient te worden gelijkgesteld met een Nederlander, maar omdat na de inwerkingtreding van de Koppelingswet in kort geding recht op bijstand is vastgesteld terugwerkend naar een tijdstip gelegen vůůr inwerkingtreding van de Koppelingswet, zodat geen sprake is van beŽindiging van de bijstand door die inwerkingtreding.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 00/5032




U I T S P R A A K




ingevolge artikel 8:84 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

tegen

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerder.




1. Gevraagde voorlopige voorziening


Een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb is verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 27 april 2000, kenmerk 383354, waarbij verzoekers bijstandsuitkering met ingang van 25 mei 2000 is beŽindigd.




2. Zitting


Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 29 juni 2000.

Verzoeker is in persoon verschenen, vergezeld van een tolk en bijgestaan door mr. M.Ph. de Witte, advocaat te Den Haag.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. A.M.H.W. van Heerebeek.




3. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening


Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Verzoeker is een vreemdeling van Turkse afkomst, die in afwachting is van de beslissing op bezwaar tegen de afwijzing van een eerste aanvraag om een verblijfsvergunning.

Bij besluit van 6 juli 1998 heeft verweerder verzoekers aanvraag om een bijstandsuitkering afgewezen, waartoe is overwogen dat uit de schriftelijke verklaring van de vreemdelingendienst van 3 juli 1998 is gebleken dat verzoeker zonder instemming van het bevoegd gezag in Nederland verblijft.

Bij besluit van 7 januari 1999 is hem met ingang van 10 december 1998 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend. Aanleiding hiervoor was een brief van de Staatssecretaris van Justitie van laatstgenoemde datum aan verzoekers advocaat met de mededeling dat, totdat een reŽle beslissing op verzoekers bezwaarschrift is genomen, uitzetting achterwege zal blijven.

Naar aanleiding van een hiertegen ingediend bezwaarschrift is verzoeker bij besluit van 26 maart 1999 alsnog met ingang van 5 mei 1998 bijstand verleend in verband met het feit dat de Staatssecretaris van Justitie bij brief van 19 januari 1999 verzoekers advocaat heeft doen weten dat verzoeker vanaf de indiening van het bezwaarschrift van 5 mei 1998 totdat een reŽle beslissing op het bezwaarschrift is genomen rechtmatig hier te lande verblijft.

Bij het thans bestreden besluit is verzoekers bijstandsuitkering naar aanleiding van de als gevolg van het arrest van het gerechtshof te Den Haag van 20 januari 2000 door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitgebrachte Circulaire van 17 februari 2000 met ingang van 25 mei 2000 beŽindigd.
Hiertegen is bij schrijven van 3 mei 2000 bezwaar gemaakt. Bij brief van gelijke datum is de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De president overweegt het volgende.

Met ingang van 1 juli 1998 is de Koppelingswet in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen aangebracht in onder meer de bijstandverlening aan vreemdelingen en de wijze van verificatie van de verblijfsrechtelijke status van vreemdelingen. Zo ook is artikel 7 Abw gewijzigd; dit luidt per 1 juli 1998 als volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw).
-3. Bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Artikel 1b Vw luidt, voor zover in dit geding van belang:
Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
2. (...);
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
4. (...);
5. (...).

De AMvB als bedoeld in artikel 7, onder 3 [derde lid, red.], is het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: het besluit).
In artikel 1, eerste lid, daarvan is - voor zover van belang - bepaald dat voor de toepassing van de Abw met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw:
a. voor de beŽindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of 33c Vw, of, buiten die termijn, ingeval artikel 6:11 Awb toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw.
Ingevolge het tweede lid eindigt de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist,
of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vw of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

Als vaststaand moet worden aangenomen dat verzoeker aan het bepaalde in artikel 7, onder 2 [tweede lid, red.], van de Abw geen aanspraak op gelijkstelling met een Nederlander kan ontlenen. Er is immers geen sprake van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw.

Verzoeker kan evenmin aanspraak ontlenen op gelijkstelling met een Nederlander aan het bepaalde bij en krachtens artikel 7, onder 3 [derde lid, red.], van de Abw. De in die bepaling genoemde AMvB, te weten het hiervoor aangehaalde besluit, voorziet niet in een geval als dat van verzoeker, aangezien hij nimmer rechtmatig verblijf in Nederland in de zin artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw heeft gehouden.

Voor zover verzoeker zich heeft beroepen op de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 28 oktober 1999 (nr. 98/8513 NABW), waarin is geoordeeld dat het in het kader van de toepassing van de Koppelingswet bij beŽindiging van de bijstandsuitkering gemaakte onderscheid naar nationaliteit in strijd is met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, overweegt de president dat verzoeker naar haar voorlopig oordeel niet is te vatten onder de in genoemde uitspraak van de rechtbank onderscheiden categorie 2 van vreemdelingen ten aanzien waarvan dat oordeel geldt. Onder genoemde categorie wordt geschaard de groep vreemdelingen die op het moment van de inwerkingtreding van de Koppelingswet op 1 juli 1998 bijstand ontving en voor wie de inwerkingtreding heeft geleid tot beŽindiging van de bijstandsuitkering. De president is vooralsnog van oordeel dat het te ver voert om ten aanzien van een vreemdeling als verzoeker die - als gevolg van het vonnis van 7 oktober 1998 van de president van de rechtbank 's-Gravenhage in kort geding - met terugwerkende kracht met ingang van een datum gelegen vůůr de inwerkingtreding van de Koppelingswet in het genot van een bijstandsuitkering is gesteld, het standpunt te hanteren dat de overheid niet alleen in zijn verblijf hier te lande heeft berust, maar dat door de bijstandverlening ook mogelijk gemaakt heeft.
Van een situatie waarin voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Koppelingswet bijstand werd ontvangen, welke bijstand door die inwerkingtreding is beŽindigd, is geen sprake.

Verzoeker heeft tevens aangevoerd dat een verblijfsrecht als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw aangemerkt moet worden als een "soortgelijke vergunning" als bedoeld in artikel 11.a van het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB), waarbij Turkije eveneens partij is en dat verzoeker daarom uit dien hoofde aanspraak heeft op een uitkering ingevolge de Abw.

Artikel 1 van het EVSMB bepaalt dat onderdanen van de verdragstaten die zich rechtmatig ophouden in ťťn van de andere verdragstaten en die niet beschikken over voldoende middelen dezelfde aanspraak op sociale en medische bijstand hebben als eigen onderdanen.

Artikel 11, onderdeel a, van het EVSMB bepaalt - voor zover hier van belang - dat het verblijf van een vreemdeling op het grondgebied van ťťn der verdragsluitende partijen als rechtmatig in de zin van dit verdrag wordt beschouwd zolang te zijnen aanzien een verblijfs- of een soortgelijke vergunning van kracht is, welke op grond van de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het verblijf in dat land.
Ingevolge artikel 11, onderdeel b, van het EVSMB wordt rechtmatig verblijf onrechtmatig op het ogenblik waarop een bevel tot verwijdering tegen betrokken persoon is uitgevaardigd, tenzij schorsing van de uitvoering wordt verleend.

De president is van oordeel dat het niet uitgesloten moet worden geacht dat de hoogste rechter in zaken als de onderhavige uiteindelijk tot het oordeel zal komen dat, indien er zich ten aanzien van een onderdaan van ťťn van de verdragsluitende staten een situatie voordoet als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, er sprake is van een "soortgelijke vergunning" en derhalve van rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van het EVSMB.
Geconcludeerd moet worden dat, nu uit de brief van de Staatssecretaris van Justitie van 19 januari 1999 volgt dat verzoeker vanaf de indiening van het bezwaarschrift van 5 mei 1998 totdat een reŽle beslissing op het bezwaarschrift is genomen niet zal worden uitgezet, er sprake is van de in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw bedoelde situatie dat uitzetting van verzoeker, in afwachting van de - definitieve - beslissing op een aanvraag om toelating op grond van een beschikking ingevolge de Vw achterwege dient te blijven.
Gelet hierop moeten de belangen van verzoeker bij het treffen van een voorziening als verzocht bijzonder groot worden geacht.
In aanmerking nemend de wederzijdse belangen is de president van oordeel dat het treffen van een voorlopige voorziening aangewezen is.

Het voorgaande leidt de president tot het oordeel dat het het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb voor inwilliging in aanmerking komt.
Derhalve ziet de president aanleiding het bestreden besluit te schorsen en te bepalen dat aan verzoeker met ingang van 25 mei 2000 bijstandsuitkering dient te worden toegekend, berekend naar de voor hem geldende norm.

De president ziet voorts aanleiding verweerder op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten. Het bedrag van de kosten wordt vastgesteld op 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1,
É710,- per punt, in totaal É1420,-).




4. Beslissing


De president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

schorst verweerders besluit van 27 april 2000 met kenmerk 383354;
bepaalt dat verweerder verzoeker met ingang van 25 mei 2000 een bijstandsuitkering dient toe te kennen, berekend naar de voor hem geldende norm;
veroordeelt verweerder in de kosten ad
É1420,-, onder aanwijzing van de gemeente Den Haag als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker dient te vergoeden;
gelast dat de gemeente Den Haag als rechtspersoon aan verzoeker het door deze betaalde griffierecht, zijnde
É60,-, vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E.R. Houweling, als fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2000, in tegenwoordigheid van de griffier.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Wet BMT / Awb
x
LJN:
x
AA6711
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 99/1073 NABW V13
Datum uitspraak: 4 augustus 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 65, 69, 78 en 81 Abw (= 17, 54, 58 en 58 Wwb) / XVI Wet BMT / 7:12 Awb
Trefwoorden: inkomsten; fictief inkomen; zwartwerk; schending inlichtingenverplichting; herziening bijstand; terugvordering; gebruikelijke vakantieduur; zesmaandenjurisprudentie; dringende redenen; contra-legemcriterium; motiveringsbeginsel; anonieme tip; fraude
Essentie: Onjuiste berekening terugvordering van fictief inkomen uit verzwegen arbeid in een cafť, omdat ten onrechte de gebruikelijke vakantieduur buiten beschouwing is gelaten. Zowel dringende redenen tot mitigering van de terugvordering als de zesmaandenjurisprudentie (geldend vůůr 1 juli 1997) zijn hier niet van toepassing.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 99/1073 NABW V13




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mw. mr. A.A. Kootstra, advocaat en procureur te Groningen,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerders.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 30 september 1999 het bezwaarschrift van eiseres tegen hun besluit van 12 mei 1999, waarbij het recht op uitkering van eiseres op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) over de periode van 1 september 1996 tot en met 31 augustus 1998 is herzien en als gevolg daarvan een bedrag van
É26.947,62 van eiseres is teruggevorderd, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 4 november 1999 (met bijlagen) op nader in het beroepschrift aangegeven gronden beroep ingesteld.

Verweerders hebben op 2 december 1999 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 december 1999 heeft eiseres van repliek gediend.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 16 juni 1999.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.J. van der Veen.
Verweerders hebben zich niet doen vertegenwoordigen.




2. Rechtsoverwegingen



De feiten

Eiseres ontving (laatstelijk) met ingang van 1 januari 1996 een uitkering op grond van de Abw naar de norm van een alleenstaande. Op 17 december 1998 hebben verweerders een anonieme brief ontvangen waarin wordt gesteld dat eiseres werkzaamheden heeft verricht in cafť X te B in een periode waarin zij tevens uitkering ontving. Verweerders hebben hierin aanleiding gezien voor een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verstrekte uitkering.

Blijkens het rapport sociale recherche van 25 januari 1999 heeft eiseres in de periode september 1996 tot september 1998 gedurende twee avonden per week werkzaamheden verricht in Cafť X te B. Zowel eiseres als de eigenaresse van bedoeld cafť hebben dit verklaard. Verder hebben beiden verklaard dat eiseres voor haar werkzaamheden niet betaald heeft gekregen.
Het rapport eindigt met de conclusie dat eiseres heeft verzuimd alle inlichtingen te verstrekken welke noodzakelijk zijn voor het vaststellen van het recht op uitkering.

Bij besluit van 12 mei 1999 hebben verweerders de aan eiseres toegekende uitkering ingevolge de Abw over de periode 1 september 1996 tot en met 31 augustus 1998 herzien en een bedrag van
É26.947,62 van haar teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 19 mei 1999 een bezwaarschrift ingediend bij verweerders, waarna eiseres op 30 augustus 1999 is gehoord.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, het bezwaarschrift ongegrond verklaard.



Het van toepassing zijnde recht

Op 1 juli 1997 is, voor zover het de Abw betreft, de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248), houdende onder meer wijziging van de Abw, in werking getreden (hierna te noemen: de Wet BMT).
Op grond van het eerste lid van artikel XVI van de Wet BMT wordt in de bevoegdheid van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank en de gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vůůr de datum van inwerkingtreding van deze wet, alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening van hetgeen voor die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging gebracht.

Nu het onderhavige geschil zich uitstrekt over de periode van 1 september 1996 tot en met 31 augustus 1998 dient het recht op uitkering beoordeeld te worden aan de hand van respectievelijk de Abw zoals deze vůůr 1 juli 1997 luidde en de Abw zoals deze vanaf 1 juli 1997 luidt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht op bijstand van overheidswege.

Op grond van artikel 65, eerste lid, Abw, zoals deze bepaling tot 1 juli 1997 luidde, doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van al hetgeen van belang is voor de verlening van bijstand of de voorzetting daarvan, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken.
Ingevolge laatstgenoemd artikellid, zoals dit met ingang van 1 juli 1997 is komen te luiden, doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.
Het derde lid bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Ingevolge artikel 69, derde lid, Abw, zoals dit artikel sinds 1 juli 1997 luidt, herzien burgemeester en wethouders, onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit of trekken zij dat in:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

In artikel 78, eerste lid, Abw, is bepaald dat kosten van bijstand door de gemeente worden teruggevorderd in de gevallen en naar de regels aangegeven in deze paragraaf.
Op grond van artikel 78, derde lid, Abw, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier in geding, kan geheel of gedeeltelijk van terugvordering worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Ingevolge artikel 81, eerste lid, Abw, zoals dat tot 1 juli 1997 luidde, wordt de bijstand van de belanghebbende teruggevorderd indien de verplichting, bedoeld in artikel 65, niet of niet behoorlijk door hem is nagekomen.

Krachtens artikel 81, eerste lid, Abw, zoals dat vanaf 1 juli 1997 is komen te luiden, wordt bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend van de belanghebbende teruggevorderd.



Beoordeling van het geschil

Blijkens een proces-verbaal van de sociale recherche van 15 december 1998 heeft eiseres verklaard dat zij gedurende ongeveer twee jaar wekelijks op de woensdag- en de zaterdagavond van 19.00 uur tot circa 02.00 uur achter de bar heeft gestaan in cafť X te B. Zij heeft deze werkzaamheden vanwege haar gezondheid beŽindigd in september 1998. Zij is bevriend met de eigenaresse van voornoemd cafť, mw. Y, en heeft deze werkzaamheden verricht bij wijze van vriendendienst. Zij heeft daarvoor nimmer geld ontvangen.
Blijkens haar ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaring van 25 januari 1999 heeft mw. Y voornoemd de verklaring van eiseres onderschreven.

Voormelde verklaringen hebben ten grondslag gelegen aan het besluit van verweerders tot herziening en terugvordering van de uitkering van eiseres.

Met verweerders is de rechtbank van oordeel dat de activiteiten die eiseres heeft verricht, beschouwd kunnen worden als werkzaamheden van productieve aard waarvoor zij loon had kunnen bedingen en die zij had dienen te melden aan verweerders.

Gelet op het vorenstaande hebben verweerders naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate aangetoond dat eiseres niet heeft voldaan aan de op haar rustende, in artikel 65, eerste lid, Abw neergelegde inlichtingenverplichting.
De - ter terechtzitting van de rechtbank geponeerde - stelling van eiseres dat verweerders van september 1996 tot en met december 1996 hebben geaccepteerd dat zij inlichtingenformulieren inleverde waarop zij aangaf dat zij werkte en inkomsten had, doet hieraan niet af. Deze stelling berust op een onjuiste lezing van de betrokken inlichtingenformulieren. Daarop is integendeel aangegeven dat zij niet werkte en geen inkomsten had. Deze stelling ontbeert dan ook een juiste feitelijke grondslag en kan reeds daarom niet slagen.

Gezien het hiervoor overwogene zijn verweerders terecht tot herziening van het recht op bijstand overgegaan.
Niettemin kan de wijze waarop verweerders de uitkering hebben herzien de toets der kritiek niet doorstaan.
De rechtbank is uit de door verweerders ingediende gedingstukken gebleken dat verweerders zijn uitgegaan van de volgende rekensom: het minimumloon per uur x 14 (uren per week) x 52 (weken per jaar) x 2 (jaren).

De rechtbank is van oordeel dat bij een schatting van de genoten inkomsten zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij de werkelijke situatie. In dat verband is het niet reŽel ervan uit te gaan dat iemand gedurende 52 weken per jaar werkt (zelfs niet in een horecagelegenheid). Verweerders hadden in ieder geval rekening dienen te houden met een vakantieperiode. De gebruikelijke vakantieperiode kan voor de Abw op vier weken worden gesteld. Dat verweerders, zoals eiseres heeft gesteld, rekening hadden te houden met de arbeidsongeschiktheid van eiseres bij het bepalen van de hoogte van de inkomsten die eiseres zou kunnen verdienen, kan de rechtbank niet onderschrijven. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat eiseres haar voormelde stelling niet heeft onderbouwd.

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat verweerders de uitkering van eiseres niet op de juiste wijze hebben herzien.

Daaruit volgt tevens dat ook de hoogte van het terug te vorderen bedrag niet op de juiste wijze is vastgesteld.

Eiseres heeft zich ter zitting onder verwijzing naar bestendige jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep (CRvB) voorts ter zake van de terugvordering nog op het standpunt gesteld dat verweerders in dit geval niet meer bevoegd waren om over de periode die is gelegen na 16 mei 1998, zijnde zes maanden na de ontvangst van de anonieme brief van 16 december 1997, terug te vorderen. Daartoe heeft zij betoogd dat deze brief, anders dan in het geval ter zake waarvan de CRvB op 30 december 1998 (nr. 97/11207 ZW) uitspraak heeft gedaan, een dusdanig concrete fraudemelding bevat dat verweerders volgens de zogenoemde zesmaandenjurisprudentie van de CRvB niet ťťn jaar hadden mogen wachten met het instellen van een onderzoek zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel.

De rechtbank ziet zich gesteld voor beantwoording van de vraag of een onvoldoende alerte reactie van een bestuursorgaan op signalen als bedoeld in voornoemde jurisprudentie bij de toepassing van de terugvorderingsbepalingen van de Abw aanleiding kan of moet zijn de terugvorderingsperiode te beperken dan wel de terugvordering anderszins te matigen, en zo ja, of in dit geval sprake is van zodanig signaal.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de hiervoor bedoelde jurisprudentie van de CRvB ter zake de termijn waarbinnen een bestuursorgaan belangrijke signalen dat onverschuldigd uitkering is betaald (zesmaandenjurisprudentie) dient te hebben verwerkt, is ontwikkeld bij de toepassing van de terugvorderingsbepalingen in de socialeverzekeringswetten zoals deze luidden totdat de Wet BMT in werking trad, welke bepalingen discretionair van aard waren.
Het stellen van bedoelde termijn hangt samen met de aan het bestuursorgaan te stellen eis dat de naleving van de mededelingsverplichting effectief wordt gecontroleerd. Dit houdt ook in dat adequaat moet worden gereageerd op aanwijzingen dat geen of minder recht bestaat op uitkering met het doel om het doen van onverschuldigde betalingen te beperken. Bij nalatigheid in dit opzicht zullen bij de terugvordering bepaalde grenzen niet kunnen worden overschreden zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel, tenzij sprake is van het opzettelijk achterhouden van gegevens, met het kennelijk oogmerk om de uitkering niet in gevaar te brengen. Het zorgvuldigheidsbeginsel wordt volgens de CRvB niet geschonden geacht bij een beperking van de terugvorderingsperiode tot zes maanden na ontvangst van het signaal.

De terugvorderingsbepalingen van de Abw, waaronder het in dit geding toepasselijke artikel 81, eerste lid, dragen evenwel een dwingend karakter. Zij verplichten het bestuursorgaan tot terugvordering van hetgeen ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is betaald, behoudens de aanwezigheid van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Gelet op dit dwingend karakter van de toepasselijke terugvorderingsbepalingen kan naar het oordeel van de rechtbank de zesmaandenjurisprudentie niet zonder meer toepassing vinden.
Aanvaarding van een ander standpunt zou er immers toe leiden dat schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur - in dit geval het zorgvuldigheidsbeginsel - het bestuursorgaan noopt tot het handelen in strijd met een - dwingend - wettelijk voorschrift.
Dit kan volgens bestendige jurisprudentie van de CRvB alleen worden aanvaard indien zich bijzondere omstandigheden voordoen waarin strikte toepassing van een dwingende wetsbepaling in die mate in strijd zou komen met ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn ("contra-legemcriterium").

Evenmin kan de zesmaandenjurisprudentie als zodanig langs de weg van toepassing van de in artikel 78, derde lid, Abw neergelegde hardheidsclausule een ingang vinden. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van deze wetsbepaling kunnen dringende redenen alleen worden aangenomen in incidentele gevallen gebaseerd op een individuele afweging van alle relevante omstandigheden, waarbij het moet gaan om omstandigheden die voor de betrokkene onaanvaardbare consequenties met zich brengen. Van een algemene of categoriale afwijking kan blijkens de wetsgeschiedenis geen sprake zijn.
Het hanteren van een - vaste - termijn van zes maanden strookt naar het oordeel van de rechtbank niet met de aldus verwoorde bedoeling van de wetgever.
Dit neemt niet weg dat er in het individuele geval dringende redenen kunnen zijn om in verband met de handelwijze van een bestuursorgaan jegens betrokkene naar aanleiding van een signaal als in de jurisprudentie van de CRvB bedoeld, de terugvorderingsperiode te beperken of het bedrag van de terugvordering anderszins te matigen.
De vraag of van zodanige redenen sprake is, en zo ja, in welke mate dit moet leiden tot beperking van de terugvorderingsperiode of matiging van de terugvordering, dient te worden beantwoord aan de hand van een op het concrete geval toegesneden, individueel bepaalde, afweging van alle relevante omstandigheden. Blijkens de wetsgeschiedenis kunnen daarbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, een rol spelen.

Bij een weinig gerichte en niet voldoende geconcretiseerde melding is evenwel geen sprake van een signaal als bovenbedoeld, omdat niet aanstonds duidelijk is dat ten onrechte uitkering wordt betaald. Alvorens te kunnen overgaan tot een eventuele wijziging in de uitbetaling van de uitkering, en op deze wijze (verdere) onverschuldigde betaling te voorkomen, dient hiernaar nader onderzoek te worden verricht. Vanaf het moment dat een beslissing over de aanpassing van de uitkering mogelijk is, zal van het bestuursorgaan een voldoende alerte reactie mogen en moeten worden verwacht.

De rechtbank stelt vast dat in dit geval gelet op de aard en de inhoud van de - anonieme - fraudemelding nader onderzoek noodzakelijk was. Van een signaal waarop een voldoende alerte reactie van verweerders mocht en moest worden verwacht, is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake.
Niet kan dan ook worden gezegd dat verweerders door hun handelwijze ter zake deze fraudemelding enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur hebben geschonden.
Reeds hierom acht de rechtbank in deze door eiseres aangevoerde omstandigheden geen dringende redenen gelegen om de terugvorderingsperiode te beperken of het terugvorderingsbedrag anderszins te matigen. Andere omstandigheden heeft eiseres niet gesteld.

Nog daargelaten welke praktische betekenis een - afzonderlijke - toetsing aan het hiervoor vermelde contra-legemcriterium nog toekomt naast toepassing van de hardheidsclausule, doet zich een situatie waarbij toetsing aan dat criterium aan de orde is, gezien het hiervoor overwogene, hier in elk geval niet voor.

Het betoog van eiseres ter zake de periode van terugvordering kan op grond van vorenstaande overwegingen niet slagen.

In verband met de hiervoor getrokken conclusie dat de wijze waarop de uitkering van eiseres is herzien en de hoogte van het terug te vorderen bedrag is vastgesteld de rechterlijke toets niet kunnen doorstaan, dient het bestreden besluit wegens het ontbreken van een feitelijk juiste grondslag op grond van artikel 7:12, eerste lid, Awb te worden vernietigd.
Het beroep van eiseres zal daarom gegrond worden verklaard.



Griffierecht en proceskosten

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient op grond van artikel 8:74, eerste lid, Awb tevens te worden bepaald dat het door eiseres betaalde griffierecht ad
É60,- aan eiseres wordt vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerders op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst de gemeente Groningen aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.
Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op
É1775,-.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van verweerders van 30 september 1999;
- bepaalt dat de gemeente Groningen eiseres het betaalde griffierecht ad
É60,00 dient te vergoeden;
- veroordeelt verweerders in de ten behoeve van eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn vastgesteld op
É1775,-, en bepaalt dat de gemeente Groningen deze kosten aan eiseres dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. G. Laman, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op 4 augustus 2000, in tegenwoordigheid van H. Siebers als griffier.

De griffier, wnd.,            De rechter,





Afschrift verzonden op: 4 augustus 2000.

Bijlage: Staat van kosten.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x