Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA6725
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 00/511 NABW 58; 00/590 NABW 58 en 00/591 NABW 58
Datum uitspraak: 7 juli 2000
Soort procedure: voorlopige voorziening en beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7, 14, 14b, 43, 52, 65, 69, 81 en 82 Abw (= 7, 18, , 31, 34, 17, 54, 58 en 58 Wwb) / 8:86 Awb
Trefwoorden: vermogen; immaterile schadevergoeding; vrijlating; schorsing bijstand; terugvordering; boete; zwijgrecht; cautie; besteding oververmogen; weigering bijstand
Essentie: Terechte schorsing en terugvordering van de bijstand (plus boete) wegens (verzwegen) immaterile schadevergoeding van 112.500,-, waarvan terecht slechts 1/3 deel - vanuit oogpunt van bijstandverlening verantwoord te achten - buiten beschouwing is gelaten. Terugvordering en beboeting over de periode waarin nog niet definitief door de assuradeur was beslist over de schadeclaim is onterecht. De nieuwe bijstandsaanvraag dient te worden getoetst op betoond besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, waarbij de wijze van besteding van het oververmogen kan leiden tot tijdelijke weigering van de bijstand.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Zutphen 00/511 NABW 58; 00/590 NABW 58 en 00/591 NABW 58




U I T S P R A A K




op de verzoeken om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in de geschillen tussen:

[eiser A], wonende te [woonplaats B], verzoeker/eiser, hierna: A,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluiten


Besluiten van verweerder van 26 april 2000 en 29 mei 2000.




2. Procesverloop


Bij brief van 30 mei 2000 is namens A door mr. H.A. van der Kleij, verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te Zwolle, tegen het besluit van 26 april 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank. Tegen het (primaire) besluit van 29 mei 2000 is op 23 juni 2000 een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 26 juni 2000 is ter zake van beide bestreden besluiten verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 6 juli 2000, waar A in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. M.A.W. Walhof.




3. Motivering


3.1. Indien de president na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij ingevolge artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van die bevoegdheid wordt in dit geval, waar het betreft het besluit van 26 april 2000, gebruik gemaakt.

3.2. A is op 26 oktober 1997 als gevolg van een ongeval tijdens het voetballen lijdend aan een dwarslaesie. Ingaande 27 oktober 1997 is A in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), berekend naar de norm voor een alleenstaande. Voorts geniet A een maandelijkse uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van (laatstelijk) 710,57 netto, welke op de bijstand in mindering wordt gebracht.

Ingaande 1 november 1999 is de bijstandsuitkering van A geschorst in verband met een bij verweerder ontstaan vermoeden dat A zou beschikken over een vermogen dat het vrij te laten bescheiden vermogen overschrijdt. Naar aanleiding van de resultaten van een door de sociale recherche ingesteld onderzoek is bij primair besluit van 21 januari 2000 de bijstandsuitkering ingaande 20 april 1998 ingetrokken. Voorts is besloten de bijstand over de periode 27 oktober 1997 tot 20 april 1998, alsmede de bijstand over de periode 20 april 1998 tot 1 november 1999, tot een totaalbedrag van 15.238,69 van A terug te vorderen.
Ten slotte is een boete opgelegd van 2300,-.

Bij het bestreden besluit van 26 april 2000 is het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2000 ongegrond verklaard.

3.3. A heeft op 22 maart 2000 een nieuwe bijstandsaanvraag bij verweerder ingediend.
Bij besluit van 29 mei 2000 is deze aanvraag afgewezen omdat A niet in bijstandsbehoeftige omstandigheden zou verkeren.

3.4. Uit het door de sociale recherche ingestelde onderzoek is gebleken dat aan A in verband met het ongeluk op 26 oktober 1997 op grond van een door de KNVB afgesloten ongevallenverzekering op 20 april 1998 een bedrag van 112.500,- is uitgekeerd. Van de ontvangst van dit bedrag heeft A - naar tussen partijen niet in geschil is - geen melding gemaakt. Voorts heeft A geen melding gemaakt van diverse opnames en overboekingen van aanzienlijke geldbedragen in de periode tot augustus 1998 alsmede van de aankoop van een Mazda Xedos 2.5 V6 automaat (bouwjaar 1996) op 5 februari 1999.

Met partijen kan worden geoordeeld dat het bedrag van 112.5000,- aangemerkt kan worden als een immaterile schadevergoeding. Door verweerder is 1/3 van deze schadevergoeding (37.500,-) in het kader van de bijstandverlening buiten aanmerking gelaten, naast het vrij te laten bescheiden vermogen van 9500,-. Verweerder heeft daarbij toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 52, eerste lid, onderdeel e, van de Abw, ingevolge welke bepaling een uitkering in verband met geleden immaterile schade niet als vermogen in aanmerking wordt vermogen voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, vanuit een oogpunt van bijstandverlening verantwoord is. Namens A wordt bestreden dat slechts 1/3 van de schadevergoeding voor de bijstandverlening buiten aanmerking zou moeten worden gelaten.

In dit verband is naar dezerzijds oordeel allereerst van belang te achten dat het bepaalde in (artikel 43, tweede lid, onderdeel j, van de Abw alsmede) artikel 52, eerste lid, onderdeel e, van de Abw het zonder meer mogelijk maakt dat een immaterile schadevergoeding voor de toepassing van de Abw althans gedeeltelijk in aanmerking wordt genomen. Blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nr. 3, blz. 146) heeft de wetgever het niet redelijk geacht om een dergelijke uitkering geheel als middelen/vermogen in aanmerking te nemen, aangezien dit zou betekenen dat een bijstandsgerechtigde voor hem aangedaan leed feitelijk geen compensatie zou kunnen ontvangen. Bij zeer aanzienlijke uitkeringen kan de bijstandsgerechtigde volgens de wetgever echter in een zodanige financile positie komen te verkeren dat het onverkort buiten beschouwing laten van een dergelijke vergoeding niet in overeenstemming is met het karakter van de bijstand.

Deze bedoeling van de wetgever beziend, alsmede daarbij in aanmerking nemende dat bij de beantwoording van de vraag welk deel van de aan A toegekende schadevergoeding vanuit een oogpunt van bijstandverlening verantwoord buiten aanmerking kan worden gelaten, aan verweerder een zekere beoordelingsvrijheid niet kan worden ontzegd, is verweerders standpunt ter zake, inhoudende dat (slechts) 1/3 deel van de vergoeding buiten aanmerking kan worden gelaten, naar dezerzijds oordeel niet onredelijk te achten.

Het enkele feit ten slotte dat verweerder voor gevallen als de onderhavige (nog) geen vast beleid heeft geformuleerd, maakt niet dat verweerders besluitvorming in het onderhavige geval op willekeur zou berusten.

Gelet op het per 20 april 1998 aanwezig te achten vermogen van 75.000,- en gelet op het feit dat A van dit vermogen geen melding heeft gemaakt, moet worden geoordeeld dat de bijstand over de periode 20 april 1998 tot 1 november 1999 door verweerder op voet van artikel 69, derde lid, van de Abw terecht is herzien. Voorts is - gelet op het bepaalde in artikel 81, eerste lid, van de Abw - evenzeer op goede gronden overgegaan tot terugvordering van de over laatstbedoelde periode verstrekte bijstand. Gesteld noch gebleken is in dit verband van dringende redenen welke verweerder zouden nopen geheel of gedeeltelijk van herziening dan wel terugvordering van de bijstand af te zien.

3.5. Met betrekking tot de terugvordering over de periode 27 oktober 1997 tot 20 april 1998 wordt opgemerkt dat verweerder deze baseert op het bepaalde in artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw. Ingevolge dit artikel worden kosten van bijstand teruggevorderd voor zover de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen beschikt of kan beschikken.
In aanmerking genomen dat A eerst op 20 april 1998 de beschikking kreeg over het bedrag van de immaterile schadevergoeding en vr laatstgenoemde datum slechts sprake was van een schadeclaim waarop door de assuradeur nog niet definitief was beslist, kan naar dezerzijds oordeel niet gesteld worden dat de op 20 april 1998 ter beschikking gestelde schadevergoeding (mede) betrekking zou hebben op de periode 27 oktober 1997 tot 20 april 1998.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte de over de periode 27 oktober 1997 tot 20 april 1998 verstrekte bijstand op grond van artikel 82 Abw van A teruggevorderd.
Mitsdien komt het besluit van 26 april 2000 - in zoverre daarbij de terugvordering over bedoelde periode is gehandhaafd - voor vernietiging in aanmerking en zal door verweerder in zoverre nader op het bezwaar dienen te worden beslist.

3.6. Met betrekking tot de opgelegde boete ad 2300,- wordt overwogen dat verweerder de hoogte van die boete heeft gebaseerd op (15% van) het totale fraudebedrag ad 15.238,69, derhalve - gelet op het onder 3.5 overwogene - ten onrechte mede op het over de periode 27 oktober 1997 tot 20 april 1998 teruggevorderde bedrag. In verband hiermee komt het besluit van 26 april 2000 derhalve eveneens voor vernietiging in aanmerking in zoverre daarbij de opgelegde boete op 2300,- is gehandhaafd. Verweerder zal ook op dit punt nader op het bezwaar dienen te beslissen.
Met betrekking tot de partijen in dit verband nog verdeeld houdende vraag in hoeverre A op correcte wijze is gewezen op zijn zwijgrecht, de zogeheten "cautie", moet worden geoordeeld dat A er blijkens het door de sociale recherche opgemaakte rapport bij aanvang van het tweede verhoor op 3 november 1999 op is gewezen dat hij niet tot antwoorden is verplicht. In aanmerking genomen dat het eerste verhoor van 21 juni 1999 plaatsvond in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitkering, is A naar dezerzijds oordeel tijdig op zijn zwijgrecht gewezen. Voorts is met de mededeling van de sociaal rechercheurs dat A niet tot antwoorden was verplicht, voldaan aan de voorwaarde die in artikel 14b, eerste lid, van de Abw aan de inhoud van de cautie is gesteld.

3.7. Met betrekking tot de afwijzing van de bijstandsaanvraag van 22 maart 2000, als vervat in het primaire besluit van 29 mei 2000, wordt overwogen dat verweerder die baseert op een veronderstelde afwezigheid van bijstandsbehoeftige omstandigheden, als bedoeld in artikel 7 van de Abw.

Naar voorlopig oordeel moet evenwel op basis van de voorhanden zijnde informatie, waaronder de door A verstrekte bank- en giroafschriften, worden aangenomen dat A inmiddels niet meer de beschikking heeft over het (restant van het) op 20 april 1998 ontvangen geldbedrag en zijn financile positie ook overigens niet van dien aard is dat die aan bijstandverlening in de weg zou staan. Blijkens het verhandelde ter zitting ziet verweerder in het enkele feit dat A de Mazda Xedos bezit geen reden voor afwijzing van de aanvraag.

Voor zover verweerder A verwijt dat hij onvoldoende inzicht heeft verschaft in de wijze waarop hij het in april 1998 ontvangen geldbedrag heeft besteed en in die zin het bepaalde in artikel 65 van de Abw aan toekenning van bijstand in de weg zou staan, moet naar voorlopig oordeel worden gesteld dat A in het kader van zijn aanvraag van 22 maart 2000 naar vermogen inzichtelijk heeft gemaakt dat hij, naast de aankoop van een auto, het resterende geldbedrag in contante gedeeltes, gewisseld in dollars, heeft opgenomen om familieschulden in Iran te betalen en zijn broer vanuit Iran naar Nederland te laten vluchten.

In dit verband is van belang dat in het kader van de ingevolge artikel 65 Abw op een bijstandsaanvrager rustende informatieverplichting in beginsel slechts verlangd kan worden dat de gegevens worden verstrekt waarover de aanvrager feitelijk beschikt, dan wel redelijkerwijs kan beschikken.
Door A zijn bij schrijven van 29 maart 2000 desgevraagd de namen, adressen en telefoonnummers van de personen aan wie de diverse geldbedragen ten behoeve van de problemen in Iran zijn overhandigd, aan verweerder verschaft. Voorts zijn door A ter zake getuigenverklaringen in geding gebracht. Ten slotte beschikt verweerder over een verklaring van Y, manager van het postkantoor te B, dat A meermalen grote bedragen in de orde van 20.000,- of daaromtrent heeft gewisseld, echter dat van die transacties geen stukken meer zijn bewaard. Voorts staat vast As broer vanaf januari 2000 inderdaad in Nederland verblijft.

Gelet op het bovenstaande kan de afwijzing van As aanvraag niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag liggende motivering. Naar verwachting zal het besluit van 29 mei 2000 in de bodemzaak dan ook geen stand kunnen houden.

Het voorgaande geeft evenwel onvoldoende aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. In dit verband is van belang dat de wijze waarop A voornoemd geldbedrag heeft besteed door verweerder zal moeten worden bezien in het kader van het betoonde besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw. Geenszins ondenkbeeldig is dat de bijstand in dat geval vanaf de ingangsdatum gedurende bepaalde tijd zal worden geweigerd, welke weigering in een beslissing op As bezwaar kan worden neergelegd. Voorts is van belang dat verweerder thans op korte termijn op het bezwaar van A zal beslissen. Van een zodanig acute noodsituatie van A dat die nadere besluitvorming van verweerder niet zou kunnen worden afgewacht, is vooralsnog onvoldoende gebleken.

3.8. In het vorenoverwogene wordt aanleiding gezien verweerder te veroordelen in de kosten die A in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd. Voorts wordt ter zake van reis- en verblijfkosten een bedrag van 46,79 toegekend.




4. Beslissing


De president van de rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van 26 april 2000, gegrond in zoverre daarbij de terugvordering over de periode 27 oktober 1997 tot 20 april 1998 en de opgelegde boete van 2300,- is gehandhaafd;
vernietigt het besluit van 26 april 2000 in zoverre en bepaalt dat verweerder op dit punt nader op het bezwaar van A beslist, met inachtneming van deze uitspraak;
verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van 26 april 2000, voor het overige ongegrond;
wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;
bepaalt dat verweerder het in de hoofdzaak gestorte griffierecht van 60,- aan A vergoedt;
veroordeelt de gemeente Harderwijk in de proceskosten van A tot een bedrag van 1466,79, waarvan 1420,- aan verleende rechtsbijstand en 46,79 aan reis/verblijfkosten.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen de uitspraak in de hoofdzaak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger
beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA6778
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Breda
Zaaknummer: 00/84 NABW VI
Datum uitspraak: 27 juni 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14, 17 en 39 Abw (= 18, 15 en 35 Wwb) / 8:73 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten eigen bijdrage tandartskosten; tandprothese; aanvullende (tandarts)verzekering; voorliggende voorziening; schadevergoeding
Essentie: Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van eigen bijdrage tandprothesekosten, omdat betrokkene vanwege haar hoge leeftijd geen adequate aanvullende (tandarts)verzekering meer kon afsluiten toen de Ziekenfondswet in 1997 in haar nadeel werd gewijzigd. Derhalve is er geen sprake van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Aan schadevergoeding dient aandacht te worden besteed bij de voorbereiding van het nieuwe besluit op bezwaar.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Breda 00/84 NABW VI




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], geboren [...] 1930, wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: L.A.L. Maes te Tilburg,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.




1. Procesverloop


Bij brief van 17 januari 2000 heeft eiseres beroep doen instellen bij deze rechtbank tegen verweerders besluit van 2 december 1999, verzonden 7 december 1999 (hierna: bestreden besluit).
Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres tegen verweerders primaire besluit van 16 juni 1999, houdende gedeeltelijke tegemoetkoming aan het verzoek van eiseres haar bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) te verlenen in de kosten van tandheelkundige hulp, ongegrond verklaard en is het primaire besluit gehandhaafd.

Verweerder heeft de op deze zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden en bij brief van 14 februari 2000 verweer gevoerd.

Bij brief van 4 mei 2000 heeft de gemachtigde van eiseres de gronden van het beroep aangevuld.

Het beroep is behandeld ter zitting van 17 mei 2000.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde L.A.L. Maes.
Verweerder is, daartoe opgeroepen, verschenen bij gemachtigde G. Goes.




2. Beoordeling


Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank de volgende feiten als vaststaand aan.

Eiseres, geboren op [...] 1930, heeft middels een daartoe strekkend aanvraagformulier, door haar gedateerd op 27 mei 1999, bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een tandprothese. Door de Zorgverzekeraar CZ-groep (hierna: CZ-groep) zijn 75% van de totale kosten van de tandprothese vergoed. Bijzondere bijstand wordt verzocht ter vergoeding van de resterende 25% van de kosten. CZ-groep kent de mogelijkheid om de aanvullende verzekering "Basis Tand" af te sluiten op grond waarvan de helft van de resterende kosten worden vergoed. Eiseres heeft deze aanvullende verzekering niet afgesloten.

Bij primair besluit van 16 juni 1999 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand gedeeltelijk gehonoreerd in die zin dat aan eiseres bijzondere bijstand is verleend voor de helft van de te haren laste komende 25% van de totale kosten. Haar is bijzondere bijstand verleend voor 181,94. Hierbij heeft verweerder overwogen dat bij de vaststelling van het bedrag voor bijzondere bijstand rekening is gehouden met de vergoeding die zou zijn verstrekt indien eiseres de aanvullende verzekering "Basis Tand" zou hebben afgesloten.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar doen maken. Daarbij is in hoofdzaak aangevoerd dat eiseres op het moment dat de tandheelkundige hulp in het kader van de Ziekenfondswet beperkt werd (januari 1995) de aanvullende verzekering Plus heeft afgesloten, doch dat door nadien opgetreden wijzigingen in het verstrekkingenpakket die verzekering thans minder adequaat is voor de aard van de hier aan de orde zijnde kosten dan de verzekering "Basis Tand".

Op 30 september 1999 is eiseres omtrent haar bezwaren gehoord. Tijdens de hoorzitting is namens eiseres nog gesteld dat zij in verband met haar leeftijd na 1995 geen wijziging meer in haar aanvullende verzekering heeft kunnen aanbrengen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Daartoe is, samengevat, overwogen dat de door eiseres afgesloten verzekering, in tegenstelling tot de verzekering "Basis Tand", geen uitgebreide aanvullende dekking biedt.

In beroep tegen het bestreden besluit heeft eiseres, samengevat, doen aanvoeren dat:
- geconcludeerd moet worden dat eiseres door het niet afgesloten hebben van de aanvullende verzekering "Basis Tand" tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt verweten;
- eiseres op het moment dat zij koos voor de aanvullende Plusverzekering, koos voor een hogere vergoeding voor gebitsprotheses dan toen in de aanvullende verzekering "Basis Tand" was voorzien;
- latere wijzigingen in het verzekeringspakket eiseres niet kunnen worden tegengeworpen nu zij nadien niet meer in staat was een andere verzekering af te sluiten.
De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 7, eerste lid, van de Abw bepaalt dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Bij artikel 39, eerste lid, van de Abw is bepaald dat onverminderd hoofdstuk II van die wet (het recht op bijstand) de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand heeft voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de Abw, en de aanwezige draagkracht.

De beide artikelen in hun onderlinge samenhang voorzien derhalve in een recht op bijzondere bijstand voor het gezin of de alleenstaande die zich als gevolg van bijzondere, individuele omstandigheden gesteld zien voor noodzakelijke bestaanskosten waarin de algemene bijstand niet voorziet en welke de draagkracht te boven gaan.

In artikel 17, eerste lid, van de Abw is bepaald dat geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Abw strekt het recht op bijstand zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
In artikel 17, derde lid, van de Abw is bepaald dat in afwijking van het eerste en tweede lid burgemeester en wethouders voor de aldaar bedoelde kosten bijstand kunnen verlenen indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn.

In artikel 14, eerste lid, van de Abw is bepaald dat indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (...) burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren.

Verweerder heeft met betrekking tot zijn bevoegdheid inzake het toekennen van bijzondere bijstand beleid vastgesteld, welk beleid is opgenomen in het zogenaamde Werkboek van de sector Sociale Zaken van verweerders gemeente.

In hoofdstuk 4, afdeling 2, van het Werkboek is onder meer bepaald dat de aanvullende (tandarts)verzekeringen voorliggende voorzieningen zijn en dat indien bijstand wordt gevraagd in kosten die normaliter voor rekening komen van de aanvullende (tandarts)verzekering, maar in het onderhavige geval niet omdat verzoeker geen aanvullende (tandarts)verzekering heeft afgesloten, bijstand wordt verleend voor het deel waarvoor bijstand verleend zou worden als clint wel een aanvullende (tandarts)verzekering zou hebben afgesloten. Het niet afsluiten van de hier bedoelde aanvullende verzekeringen wordt aangemerkt als een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan en de bijstandverlening dient dan ook daarop te worden afgestemd.

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, waarbij de gedeeltelijke toekenning van bijzondere bijstand is gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

Tussen partijen is niet in geschil dat de hier aan de orde zijnde kosten voor tandheelkundige hulp in principe voor vergoeding via de bijzondere bijstand in aanmerking komen. Het geschil spitst zich dan ook toe op de hoogte van de middels bijzondere bijstand te vergoeden kosten.

Eiseres heeft als gevolg van de wijziging van de Ziekenfondswet per 1 januari 1995 een Aanvullende verzekering Plus afgesloten. In deze aanvullende ziektekostenverzekering zijn op dat moment de kosten voor een tandprothese opgenomen.
Per 1 januari 1997 is de Ziekenfondswet wederom gewijzigd. Vanaf dat moment worden de kosten van een tandprothese gedeeltelijk (75%) vergoed door het ziekenfonds. Indien eiseres de aanvullende verzekering "Basis Tand" zou hebben afgesloten, zou 50% van de resterende 25% worden vergoed.
Echter voor de rechtbank staat vast dat eiseres, in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd, in 1997 geen wijziging meer heeft kunnen aanbrengen in het door haar gekozen pakket van aanvullende verzekering.
Derhalve dient de vraag te worden beantwoord of eiseres per 1 januari 1995 een verantwoorde keuze heeft gemaakt voor wat betreft de aanvullende verzekering. Naar het oordeel van de rechtbank dient die vraag bevestigend te worden beantwoord. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat tijdens de zitting door de gemachtigde van eiseres onweersproken is gesteld dat de door eiseres destijds afgesloten aanvullende verzekering alstoen een ruimere dekking (in de zin van hogere bedragen) bood voor de kosten als hier aan de orde dan de dekking die toen geboden werd door de aanvullende verzekering "Basis Tand". Voorts heeft de rechtbank in haar overwegingen betrokken dat eiseres zich bij het maken van de keuze voor n van de door de CZ-groep aangeboden aanvullende verzekeringen zich door een medewerker van de CZ-groep heeft laten adviseren.
Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank eiseres dan ook niet worden tegengeworpen dat de door haar gesloten verzekering naar de stand van zaken thans minder adequaat te noemen is. In die zin kan er dan ook geen sprake zijn van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en komt het bestreden besluit wegens het ontbreken van een toereikende grondslag voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren.

Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres tot het in het dictum vermelde bedrag en zal de rechtbank gelasten dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht wordt vergoed.

Voor wat betreft het verzoek toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (schadevergoeding) is de rechtbank van oordeel dat verweerder, indien hij een nieuw besluit neemt op de bezwaren van eiseres met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, bij de voorbereiding daarvan tevens aandacht dient te schenken aan de vraag in hoeverre er aanleiding bestaat schade te vergoeden. Zo nodig dient daarover een zelfstandig besluit te worden genomen.




3. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiseres met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van 1420,- te vergoeden door de gemeente Tilburg;
gelast dat de gemeente Tilburg eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van 60,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar door mr. Vincent, in tegenwoordigheid van mr. Vonk als griffier, op 27 juni 2000.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de datum van verzending van het afschrift van deze uitspraak.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA6934
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Almelo
Zaaknummer: 99/988 NABW Z1 A
Datum uitspraak: 1 mei 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 39 Abw (= 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; niet-tijdige aanvraag; kosten curatorschap; geen terugwerkende kracht
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van curatorschap, omdat de aanvraag eerst is aangevraagd na afloop van de periode waarover de kosten zich uitstrekken. Bijstandverlening met terugwerkende kracht is niet toegestaan. Onbekendheid met het toepasselijk recht en gewekt vertrouwen doordat andere gemeenten wel bijzondere bijstand met terugwerkende kracht hebben verstrekt, doen daaraan niet af.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Almelo 99/988 NABW Z1 A




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[gecurateerde], wonende te [woonplaats], wettelijk vertegenwoordigd door A.G. Kieftenbeld, professioneel curator te Gouda, eiser,
gemachtigde: mr. M.J.P. Heijmans, advocaat te Utrecht,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Losser, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder d.d. 28 september 1999, verzonden 27 oktober 1999.




2. De feiten en het verloop van de procedure


Bij schrijven van 20 februari 1999 heeft eiser zich, in de hoedanigheid van curator van mevrouw [gecurateerde] (hierna: [gecurateerde]), geboren op [geboortedatum], wonende te [woonplaats], tot verweerder gewend met het verzoek [gecurateerde] in aanmerking te brengen voor bijzondere bijstand in de kosten van curatorschap op grond van artikel 39, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw).
Bij besluit van 1 april 1999, verzonden op 8 april 1999, heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Eiser heeft zich niet kunnen verenigen met dit besluit en heeft hiertegen namens [gecurateerde] op 1 mei 1999, bij verweerder ingekomen op 4 mei 1999, bezwaar gemaakt.
Op 27 juli 1999 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij het bestreden besluit van 28 september 1999 heeft verweerder op de daarin vervatte gronden het bezwaarschrift ongegrond verklaard.
Blijkens het namens [gecurateerde] ingediende beroepschrift kan eiser zich niet verenigen met dit besluit.
Verweerder heeft op 28 december 1999 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 12 april 2000, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door G.J.M. Bolscher.




3. Overwegingen


In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 28 september 1999, waarbij de bezwaren van eiser tegen het besluit van 1 april 1999 ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Artikel 6 Abw bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;
b. bijzondere bijstand: de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan en die de aanwezige draagkracht te boven gaan;
c. voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan wel beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.

Artikel 39, eerste lid, van de Abw bepaalt dat onverminderd hoofdstuk II de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand heeft voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Artikel 67, eerste lid, van de Abw bepaalt dat burgemeester en wethouders het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vaststellen.

Verweerder heeft de aanvraag voor vergoeding van kosten van curatorschap ad 3823,21 over de periode 6 december 1997 tot en met 31 december 1998 afgewezen op grond van het feit dat de aanvraag te laat is ingediend, er sprake is van een voorliggende voorziening en de kosten niet noodzakelijk zijn. Verweerder heeft geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan van dit standpunt zou kunnen worden afgeweken.

Eiser stelt zich op het standpunt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor bijzondere bijstand met terugwerkende kracht moet worden verleend. De aanvraag is eerst op 20 februari 1999 ingediend omdat bij de aanvang van de werkzaamheden de omvang van de te maken kosten nog niet duidelijk was. Voorts heeft eiser naar voren gebracht dat hij onbekend is met het beginsel dat voorafgaand aan de periode waarover bijstand wordt verzocht een aanvraag moet worden ingediend. Daarbij wijst eiser erop dat andere gemeenten wel bijzondere bijstand met terugwerkende kracht hebben verleend. Hierdoor is bij hem het vertrouwen gewekt dat toekenning van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht gebruikelijk is. Daarnaast heeft eiser naar zijn zeggen na de aanvang van zijn werkzaamheden eerst getracht zijn kosten onder te brengen bij de zorgverzekeraars dan wel bij de AWBZ.

Nadat was gebleken dat vergoeding op geen enkele andere wijze kon plaatsvinden, heeft eiser namens [gecurateerde] de betreffende aanvraag ingediend.
Ten slotte bestrijdt eiser dat de kosten van curatorschap niet kunnen worden verhaald op de Abw. Volgens eiser kan [gecurateerde] voor de onderhavige kosten geen beroep doen op een voorliggende voorziening en kan zij deze uitgaven evenmin uit eigen middelen voldoen.

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de overgelegde gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat in de onderhavige situatie de kosten van het curatorschap waarvoor bijstand is aangevraagd, zijn ontstaan in een periode voorafgaande aan de in dit geschil ten grondslag liggende bijstandsaanvraag van 20 februari 1999. Vaste rechtspraak is dat geen bijstand wordt verleend over de periode welke voorafgaat aan de datum waarop de aanvraag is ingediend, tenzij bijzondere omstandigheden een afwijking van deze regel rechtvaardigen. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven om van vorengenoemd uitgangspunt af te wijken, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank merkt daarbij op dat onbekendheid met de geldende regelgeving geen voldoende grond is om van bovengenoemd uitgangspunt af te wijken. Ook indien de hoogte van de bijzondere bijstand nog niet geheel vaststaat, dient aanspraak tijdig - vooraf - te geschieden en niet na afloop van de periode waarover de gevraagde bijstand betrekking heeft. Daarnaast is er geen in rechte te honoreren vertrouwen gewekt, doordat enkele gemeenten wel bijzondere bijstand hebben verstrekt.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Zij komt derhalve niet toe aan de vraag of de door [gecurateerde] in dit kader te betalen kosten als noodzakelijk in de zin van de Abw zijn aan te merken.

Beslist wordt derhalve als volgt:




4. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank Almelo,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2000 door mr. J.G.J. Roelvink, in tegenwoordigheid van J. Wenniger als griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / IWwb / Awb
x
LJN:
x
AA6935
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Almelo
Zaaknummer: 99/758 BELEI Q1 A
Datum uitspraak: 19 mei 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 8 Abw (= 7 IWwb) / 1:3, 8:72 en 8:73 Awb
Trefwoorden: zelfstandige; bedrijfskapitaal; schadevergoeding; onbevoegde rechter
Essentie: Onterechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van een verzoek om vergoeding van schade tengevolge van de afwijzing - negen maanden eerder en zonder dat daartegen bezwaar was gemaakt - van een aanvraag voor bedrijfskapitaal; het bezwaar had ongegrond moeten worden verklaard. Ter zake van vergoeding van schade tengevolge van niet-verleende vergunningen is niet de bestuursrechter, maar de burgerlijke rechter bevoegd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Almelo 99/758 BELEI Q1 A




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. B.J. van Beek, advocaat en procureur te Enschede,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo (Ov), verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder d.d. 3 augustus 1999, verzonden 4 augustus 1998.




2. De feiten en het verloop van de procedure


Eiser had het voornemen om in het pand aan de [adres] een broodjes- en delicatessenzaak (op de begane grond) en een ontmoetingscentrum voor jongeren van de Vereniging Tur Abdin (in de kelder) te beginnen. Op het betreffende perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Binnenstad, deelplan Centrum Noord" de bestemming "winkels, klasse W12".
Om zijn zaken te kunnen exploiteren, heeft eiser op 31 mei 1996 een huurovereenkomst gesloten ten aanzien van bovengenoemd pand. Vervolgens heeft hij bij verweerder:
op 4 juni 1996 een uitkering op grond van het Bijzonder bijstandsbesluit zelfstandigen (Bbz) [Besluit bijstandverlening zelfstandigen, red.] aangevraagd ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal en ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan;
op 26 augustus 1996 een verzoek om vrijstelling ingediend teneinde het pand te mogen gebruiken voor horecadoeleinden, waarbij is aangegeven dat eiser ook de kelder hiervoor wilde gebruiken;
op 28 december 1996 verzocht om een bestemmingsplanherziening met betrekking tot het gebruik van de kelder voor horecadoeleinden;
op 10 december 1996 een drank- en horecawetvergunning aangevraagd voor zijn broodjes- en delicatessenzaak en tevens een "alcoholvrij-vergunning".

Bij besluit van verweerder van 6 december 1996 is de aanvraag voor een uitkering op grond van het Bbz (het bijstandskrediet) afgewezen. Tegen dit besluit is door eiser geen bezwaar en/of beroep ingesteld.
Bij besluit van 28 november 1996 is vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan voor het gebruik van de begane grond van het pand voor horecadoeleinden. Op het verzoek tot vrijstelling is niet beslist voor zover het de kelder betrof. Eiser heeft geen bezwaar en/of beroep ingesteld tegen het besluit van 28 november 1996. Tevens heeft hij geen bezwaar en/of beroep ingesteld tegen de weigering tijdig te beslissen op het verzoek om vrijstelling voor het gebruik van de kelder voor horecadoeleinden.

Op het verzoek van eiser om een bestemmingsplanherziening is nimmer door verweerder beslist. Eiser heeft geen bezwaar en/of beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek.

Verweerder heeft aan eiser geen drank- en horecawetvergunning verstrekt, omdat het door eiser gehuurde pand niet aan de inrichtingseisen zou voldoen.
Eiser heeft zijn zaak in het pand aan de [adres] op 12 oktober 1996 geopend en eind maart/begin april 1997 gesloten.

Bij brief van 2 september 1997 is namens eiser aan verweerder verzocht te besluiten om aan eiser te vergoeden de door hem tengevolge van de handelwijze van verweerder geleden schade ad 125.000,-, alsmede de nog door hem te lijden schade. Aan dit verzoek heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd:
verweerder heeft ten onrechte geweigerd een bijstandskrediet te verlenen;
verweerder heeft ten onrechte geen vrijstelling verleend voor het gebruik van de kelder voor horecadoeleinden;
verweerder heeft eiser ten onrechte geen drank- en horecawetvergunning of "alcoholvrij-vergunning" verstrekt en eiser ter zake verkeerd voorgelicht;
verweerder heeft zich onvoldoende ingespannen om tegemoet te komen aan de gerechtvaardigde belangen van eiser.

Eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn verzoek op 9 december 1997 mondeling toe te lichten, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt.
Bij besluit van 7 april 1998 is het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Ter onderbouwing van de beslissing is verwezen naar de notitie "aansprakelijkheid Tropicana" (stuk B9), waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Eiser heeft zich met deze beslissing niet kunnen verenigen en heeft daartegen bezwaar doen maken. Het bezwaarschrift is op 20 mei 1998 bij verweerder ingekomen. De gronden van bezwaar zijn aangevuld bij schrijven van 15 september 1998. Naast hetgeen al in het verzoek om schadevergoeding was vermeld, heeft eiser tevens aangevoerd dat hij wegens het niet verkrijgen van de vereiste vergunningen geen speelautomaten heeft kunnen plaatsen, waardoor hij schade heeft geleden. Ook was de informatieverschaffing van de zijde van verweerder niet goed.

Het bezwaarschrift is behandeld tijdens de hoorzitting van de commissie voor de bezwaarschriften van 31 maart 1999. Deze commissie heeft op 7 juli 1999 advies uitgebracht. Het advies overnemend heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser, voor zover de vordering was gericht op de toepassing van de Drank- en Horecawet en op de herziening van het bestemmingsplan, niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet was voldaan aan het connexiteitsvereiste.
Voor zover de vordering was gericht op de toepassing van de Algemene bijstandswet en het Bbz, is het bezwaar eveneens niet-ontvankelijk verklaard, omdat er sprake was van een onherroepelijk besluit van verweerder (eiser zou te laat bezwaar ingesteld hebben tegen de afwijzing van het verzoek om een bijstandskrediet). Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard.

Eiser heeft zich niet met dit besluit kunnen verenigen en heeft daartegen beroep doen instellen. Het beroepschrift is ingekomen ter griffie op 30 augustus 1999. Bij brief van 29 oktober 1999 heeft verweerder de op het geding betrekking hebbende stukken aan de rechtbank doen toekomen. Bij brief van 1 december 1999 zijn de aanvullende gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft daarop op 13 januari 2000 het verweerschrift aan de rechtbank toegezonden.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 19 april 2000, waar eiser is verschenen vergezeld van gemachtigde mr. B.J. van Beek, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mrs. H.E.M. Wolsink en H.B.M. Bosman.




3. Overwegingen


In geschil is de vraag of het besluit van 3 augustus 1999, verzonden op 4 augustus 1999, waarbij de bezwaren van eiser tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk dan wel ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Eiser heeft verweerder verzocht tot afgifte van een zelfstandig schadebesluit. Een dergelijk besluit kan worden gedefinieerd als een besluit van een bestuursorgaan (verweerder) op een verzoek van een burger (eiser) om schadevergoeding ter zake van een onrechtmatige overheidsdaad.

Ingevolge de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is een primair besluit omtrent vergoeding van gestelde geleden schade als gevolg van een eerder (appellabel) besluit, een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is de schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade, die veroorzaakt zou zijn binnen het kader van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, een publiekrechtelijke rechtshandeling en dus een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Uit de rechtspraak van zowel de CRvB als de ABRvS blijkt dat die administratieve rechter bevoegd is te achten tot kennisneming van beroepen tegen een zelfstandig schadebesluit, die ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen het schadeveroorzakende handelen zelf. Indien (destijds) geen beroep, en eventueel daaraan voorafgaand bezwaar, mogelijk was tegen het schadeveroorzakende overheidshandelen, kan tegen het naar aanleiding van dat handelen uitgelokte zelfstandig schadebesluit ook geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter en is alleen de burgerlijke rechter bevoegd de aanspraak op schadevergoeding te beoordelen.
Er kan dus geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter tegen een beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek tot schadevergoeding naar aanleiding van (onder meer) feitelijk handelen of niet-appellabele handelingen.

Indien een schadeveroorzakend besluit niet is vernietigd door de bestuursrechter, zal de onrechtmatigheid daarvan op andere wijze moeten worden vastgesteld. Dit kan doordat het bestuursorgaan de onrechtmatigheid erkent. Deze erkenning kan op vele manieren plaatsvinden, bijvoorbeeld doordat de onrechtmatigheid met zoveel woorden wordt erkend door intrekking of wijziging van het besluit of door honorering van een verzoek om op het besluit terug te komen. De onrechtmatigheid zal telkens ex tunc moeten worden vastgesteld. Indien een besluit niet door de rechter vernietigd is (er is geen rechtsmiddel aangewend of de aanwending daarvan heeft niet geleid tot herroeping of vernietiging van het besluit) en de onrechtmatigheid daarvan niet door het bestuursorgaan wordt erkend, dan staat de leer van de formele rechtskracht in beginsel aan honorering van een verzoek om schadevergoeding in de weg. In gevallen waarin geen beroep openstaat en heeft opengestaan tegen besluiten zal de onrechtmatigheid daarvan moeten worden vastgesteld door de burgerlijke rechter.

De hiervoor vermelde rechtspraak heeft in dit geval de volgende consequenties.



Bijstandskrediet

Verweerder heeft de aanvraag van eiser voor een bijstandskrediet afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit geen bezwaar en/of beroep ingesteld. Het besluit heeft derhalve formele rechtskracht gekregen. Nu verweerder niet heeft erkend dat het betreffende besluit onrechtmatig is, moet de rechtbank ervan uitgaan dat het besluit niet onrechtmatig was. Eiser heeft niet gesteld en evenmin is de rechtbank gebleken dat eiser, ondanks de rechtmatigheid van het besluit, schade heeft geleden die toch voor rekening van verweerder dient te komen.
Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen dit onderdeel van het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Hierbij is echter miskend dat het bezwaar zich niet richt tegen het oorspronkelijke besluit tot afwijzing van het verzoek om een bijstandskrediet, maar tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de tengevolge van het oorspronkelijke besluit geleden schade, vervat in het besluit van 7 april 1998.

Nu het bezwaarschrift tegen dit laatste besluit tijdig is ingediend, is er geen sprake van termijnoverschrijding.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eisers bezwaar niet niet-ontvankelijk, maar ongegrond verklaard had moeten worden. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit op dit punt vernietigen. Verweerder kan in dit geval echter tot geen andere conclusie komen dan dat het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gebaseerd op het besluit tot afwijzing van het bijstandskrediet, ongegrond is. De rechtbank zal daarom, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid van de Awb, bepalen dat haar uitspraak (houdende ongegrondverklaring) in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van dit besluit.



Niet verlenen vrijstelling bestemmingsplan voor kelder

Ter zake is een verzoek ingediend door eiser, maar geen besluit genomen door verweerder. Gelet op het bepaalde in artikel 4:13 van de Awb diende verweerder na uiterlijk acht weken een besluit te nemen, dan wel een kennisgeving aan eiser te sturen met vermelding van de termijn waarop de beschikking tegemoet kon worden gezien. Zulks heeft verweerder niet gedaan.
Verweerder heeft nog immer niet, en dus niet tijdig beslist op het verzoek van eiser. Nu ingevolge het bepaalde in artikel 6:2 van de Awb het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld, is er sprake van een appellabel besluit. De rechtbank is derhalve bevoegd te oordelen over dit onderdeel van het bestreden besluit.
Beoordeeld moet worden of het besluit van verweerder (het niet tijdig beslissen) onrechtmatig is en of eiser tengevolge hiervan schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat dit laatste niet het geval is. Indien eiser belang had bij een (snelle) beslissing op zijn verzoek, had het uit het oogpunt van beperking van zijn schade voor de hand gelegen dat hij relatief korte tijd na het verstrijken van de beslistermijn bezwaar en/of beroep tegen het besluit had ingesteld. Nu hij dat niet heeft gedaan, gaat de rechtbank ervan uit dat hij vorenbedoeld belang niet had, althans dat niet gebleken is dat hij dit belang had. Het niet tijdig beslissen op het verzoek door verweerder kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval dan ook geen grondslag zijn voor toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet tijdig beslissen op het verzoek om vrijstelling, terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep van eiser dient op dit punt dan ook ongegrond te worden verklaard.



Herziening bestemmingsplan

Hier geldt dat besluiten ten aanzien van het al dan niet herzien van een bestemmingsplan niet appellabel zijn. Nu het (niet tijdig nemen van het) oorspronkelijke besluit niet appellabel is, is de bestuursrechter, in casu de rechtbank, niet bevoegd te oordelen ten aanzien van dit deel van het bestreden besluit.
Eiser had zich ter zake tot de burgerlijke rechter moeten wenden.



Drank- en horecawetvergunning en de
"alcoholvrij-vergunning"

De door eiser gevraagde vergunningen zijn nimmer door verweerder verleend. Ter zake van het (niet tijdig nemen van het) besluit op dit verzoek had eiser zich echter niet tot rechtbank kunnen wenden, maar had hij in administratief beroep moeten gaan bij het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel (GS). Ten aanzien van dit onderdeel van het bestreden besluit is de rechtbank derhalve niet bevoegd. De rechtbank zal de zaak, voor zover hierop betrekking hebbend, doorsturen naar GS.



Speelautomatenvergunning

Eiser heeft geen speelautomatenvergunning aangevraagd. Er is dus geen sprake van een door verweerder ter zake genomen besluit of van een weigering om tijdig op een aanvraag te beslissen. Er is en was geen bezwaar of beroep mogelijk, zodat de rechtbank niet bevoegd is te oordelen over de betreffende onderdelen van het bestreden besluit. Ter zake is de burgerlijke rechter bevoegd.



Feitelijke handelingen

Hier geldt hetzelfde als ten aanzien van de speelautomatenvergunning is overwogen: de burgerlijke rechter is bevoegd.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank:
het beroep gegrond verklaren voor zover het ziet op dat onderdeel van het besluit dat betrekking heeft op niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet verlenen van het bijstandskrediet, en het besluit op dit punt vernietigen, maar bepalen dat haar uitspraak (ongegrond) in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
zich onbevoegd verklaren voor zover het beroep betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding, gegrond op het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek tot het verlenen van de drank- en horecawetvergunning en de "alcoholvrij-vergunning";
zich onbevoegd verklaren voor zover het beroep betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring, respectievelijk het ongegrond verklaren van het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om herziening van het bestemmingsplan, respectievelijk op het niet verlenen van een speelautomatenvergunning en op feitelijk handelen van verweerder. De burgerlijke rechter is te dien aanzien bevoegd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

Beslist wordt daarom als volgt:




4. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep gegrond voor zover het ziet op dat onderdeel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet verlenen van het bijstandskrediet, en vernietigt het besluit op dit punt;
verklaart het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het besluit van verweerder van 6 december 1996 tot weigering van een bijstandskrediet, ongegrond en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding gegrond op het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek tot het verlenen van een drank- en horecawetvergunning en een "alcoholvrij-vergunning" en zendt de stukken ter zake naar GS;
verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring, respectievelijk de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek tot herziening van het bestemmingsplan, respectievelijk op het niet verlenen van een speelautomatenvergunning en op het feitelijk handelen van verweerder.
verstaat dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht, ad 225,-, aan eiser vergoedt.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2000 door mr. K.J. Haarhuis in tegenwoordigheid van J.G.M. Wolbers als griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht (voor zover het de eerste twee onderdelen van het dictum betreft), respectievelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag, respectievelijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven (voor zover het de speelautomatenvergunning betreft).
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA6936
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zwolle
Zaaknummer: Abw 99/6468
Datum uitspraak: 17 mei 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 33, 69 en 81 Abw (= 25, 54 en 58 Wwb) / 3:2, 7:12 en 8:72 Awb
Trefwoorden: verlaging bijstandsnorm of toeslag; kostendeling; woningdeling; medebewoner; inwonende kinderen met eigen inkomen; herziening bijstand; terugvordering; dringende redenen; horen
Essentie: Terechte verlaging/intrekking en terugvordering van de toeslag wegens kostendeling met twee inwonende kinderen met eigen inkomen (ter hoogte van ten minste de WSF-norm levensonderhoud thuiswonende plus 10% minimumloon). Er zijn geen dringende redenen om af te zien van terugvordering, daar er geen sprake is van een noodsituatie of broodnood. Het beroep is echter gegrond omdat betrokkene niet (tijdig) is gehoord in de bezwaarfase.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zwolle Abw 99/6468




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[eiseres], geboren op [...] 1951, wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: M. Bockting, sociaal raadsman Thuiszorg Flevoland te Lelystad,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder d.d. 13 juli 1999.




2. Zitting


Datum: 12 mei 2000.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw E.J. van Est, ambtenaar van de gemeente Lelystad.




3. De feiten en het verloop van de procedure


Eiseres heeft een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%.

Aan de inwonende dochter van eiseres, [dochter], is met ingang van 26 januari 1998 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sedert 27 februari 1998 is de inwonende zoon van eiseres, [zoon], betaalde werkzaamheden gaan verrichten. Op 27 april 1998 is de zoon van eiseres op zichzelf gaan wonen.

Bij besluit van 20 oktober 1998 heeft verweerder de uitkering ingevolge de Abw van eiseres met ingang van 26 januari 1998 herzien. Omdat eiseres geacht wordt de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met ingang van die datum te kunnen delen met een andere persoon, namelijk met haar dochter, heeft verweerder haar toeslag gewijzigd in 10%.
Bij datzelfde besluit heeft verweerder de uitkering ingevolge de Abw van eiseres met ingang van 27 februari 1998 herzien in die zin dat zij niet langer recht heeft op een toeslag van 10%. Verweerder heeft hierbij overwogen dat de zoon van eiseres met ingang van die datum bij haar is komen inwonen, zodat zij met ingang van die datum de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met meerdere personen, namelijk met haar zoon en haar dochter.
Bij besluit van eveneens 20 oktober 1998 heeft verweerder hetgeen eiseres als gevolg van voornoemd herzieningsbesluit gedurende de periode van 26 januari 1998 tot en met 26 april 1998 te veel aan uitkering ingevolge de Abw heeft ontvangen, zijnde 841,50, van eiseres teruggevorderd.
Eiseres heeft op 21 oktober 1998 tegen deze besluiten bezwaar aangetekend.

Bij het besluit d.d. 13 juli 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiseres is tegen dit besluit op 11 augustus 1999 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 16 september 1999 een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven eiseres alsnog te zullen horen op haar bezwaarschrift.
De gemachtigde van eiseres heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid het bezwaarschrift nader toe te lichten tijdens de hoorzitting van 3 november 1999.

Bij schrijven van 11 november 1999 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld naar aanleiding van de hoorzitting geen aanleiding te zien het besluit op bezwaar van 13 juli 1999 te herzien.




4. Motivering


In dit geding dient de rechtbank te beoordelen of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat verweerder eiseres voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit niet heeft gehoord, dat de gemachtigde van eiseres zich in beroep daarover heeft beklaagd en dat verweerder vervolgens aanleiding heeft gezien om eiseres alsnog in de gelegenheid te stellen op haar bezwaarschrift te worden gehoord. Deze hoorzitting heeft plaatsgevonden op 3 november 1999.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee zelf heeft aangegeven dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een deugdelijk onderzoek en niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Gelet op het feit dat het horen van een bezwaarde in de bezwaarschriftprocedure tot de essentialia van deze procedure behoort en nu een onzorgvuldig genomen besluit in dit stadium van de procedure niet (meer) hersteld kan worden, komt het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank op grond van het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van eiseres zal dan ook gegrond worden verklaard.

Verweerder heeft in hetgeen tijdens de hoorzitting van 3 november 1999 naar voren is gekomen geen aanleiding gezien het besluit op bezwaar van 13 juli 1999 te herzien. Blijkens het schrijven van 4 januari 2000 van de gemachtigde van eiseres kan eiseres zich ook thans nog niet verenigen met het besluit van verweerder. In verband hiermee ziet de rechtbank om proceseconomische redenen aanleiding te beoordelen of zij met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Awb kan bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven, dan wel met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak kan voorzien.

Hierbij staat de vraag ter beantwoording of verweerder op goede gronden heeft besloten:
-  de toeslag van eiseres met ingang van 26 januari 1998 te herzien naar 10% en met ingang van 27 februari 1998 in te trekken, alsmede
-  hetgeen eiseres als gevolg hiervan gedurende de periode van 26 januari 1998 tot en met 26 april 1998 te veel aan toeslag ingevolge de Abw heeft ontvangen, zijnde 841,50, van eiseres terug te vorderen.

De rechtbank overweegt als volgt.



Ten aanzien van de herzieningen van de toeslag

Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de Abw verhogen burgemeester en wethouders voor een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die een alleenstaande of een alleenstaande ouder is, de bijstandsnorm met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.
Deze toeslag bedraagt ingevolge het tweede lid van artikel 33 van de Abw maximaal 20% van het minimumloon.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Verordening Algemene Bijstand Lelystad (verder te noemen: de verordening) wordt de toeslag voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het maximumbedrag van 20% van het minimumloon.
Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt de toeslag van een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar indien de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld met n ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op 10% van het wettelijk minimumloon.
Op grond van het vijfde lid van dit artikel wordt geen toeslag verleend indien de alleenstaande ouder in wiens woning meer dan n ander met wie de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld zijn hoofdverblijf heeft.

Blijkens de toelichting bij de verordening is de toeslag als bedoeld in artikel 3 gebaseerd op de mogelijkheid de kosten te delen met de ander die in de woning zijn hoofdverblijf heeft. De feitelijke mogelijkheid tot het delen van de kosten moet dan wel aanwezig zijn. Heeft de medebewoner geen of een te laag inkomen, dan kunnen de kosten feitelijk niet worden gedeeld en kan de beperking van de toeslag tot 10% niet worden gerechtvaardigd.
De kosten kunnen worden gedeeld wanneer de medebewoner ten minste beschikt over een inkomen gelijk aan het bedrag voor het levensonderhoud van een thuiswonende op grond van de Wet op de studiefinanciering, verhoogd met de forfaitaire korting op de maximale toeslag van 10%. Van de inwonende kan dan een zodanige bijdrage in de kosten worden verwacht dat sprake is van het daadwerkelijk delen van de kosten. De verhoging met 10% van het nettominimumloon is ingevoerd om de inkomsten van inwonende studerende kinderen gedeeltelijk (= tot 10% van het minimumloon) vrij te laten.

Ingevolge artikel 69, derde lid van de Abw herzien burgemeester en wethouders een besluit tot toekenning van bijstand of trekken zij dat in:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Ingevolge het vijfde lid van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Tussen partijen is niet in geding dat de dochter en de zoon van eiseres met ingang van 26 januari 1998, respectievelijk met ingang van 28 februari 1998 beiden hun hoofdverblijf bij eiseres hebben en een inkomen hebben dat per maand meer bedraagt dan het door verweerder in de toelichting bij de verordening genoemde bedrag voor het levensonderhoud van een thuiswonende op grond van de Wet op de studiefinanciering per maand, verhoogd met de forfaitaire korting op de maximale toeslag van 10%.

Blijkens de gedingstukken heeft verweerder zich bij zijn besluit op het standpunt gesteld dat eiseres dientengevolge de noodzakelijke kosten van het bestaan met ingang van 26 januari 1998 kan delen met een andere persoon, namelijk met haar dochter, alsmede de noodzakelijke kosten van het bestaan met ingang van 27 februari 1998 kan delen met meer dan n andere persoon, namelijk met haar zoon en haar dochter.

Namens eiseres is in het beroepschrift aangevoerd dat de Wajong-uitkering van de dochter van eiseres eerst in maart 1998 is uitbetaald. In de maanden januari/februari 1998 had zij dus geen inkomsten, zodat eiseres in die maanden niet feitelijk de mogelijkheid had tot het delen van de woonlasten met haar dochter.

De rechtbank is van oordeel dat de nabetaling van Wajong-uitkering in maart 1998 aan de dochter van eiseres moet worden toegerekend aan de maanden januari en februari 1998. Het betreft immers een nabetaling naar aanleiding van het recht op uitkering over deze maanden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres in de maanden januari en februari 1998 moet worden geacht in staat te zijn geweest de algemene kosten van het bestaan te delen met haar dochter.

De rechtbank kan eiseres niet volgen in de betekenis die zij toekent aan het woord "feitelijk" in de toelichting bij artikel 3 van de verordening. Dit woord is naar het oordeel van de rechtbank in de toelichting vermeld om aan te geven dat de persoon met wie de betrokkene geacht wordt de kosten te kunnen delen over een voldoende hoog inkomen dient te beschikken.
Eiseres staat niets in de weg om van haar dochter achteraf nog een bijdrage in de kosten te verlangen voor de maanden januari en februari 1998.
Dat aldus het daadwerkelijk bijdragen in die kosten door de dochter eerst na afloop van betreffende maanden heeft kunnen plaatsvinden, doet daaraan niet af. Immers over deze maanden heeft eiseres daadwerkelijk nog de beschikking gehad over de maximale toeslag van 20%, aangezien deze ook eerst achteraf wordt herzien en teruggevorderd.

Verder is namens eiseres aangevoerd dat eiseres in januari nog wel recht op de volledige toeslag heeft, omdat het inkomen van de dochter van eiseres over januari 1998 veel lager is dan het bedrag, genoemd in artikel 1, zesde lid van de verordening. Ook het inkomen van de zoon van eiseres over de maand februari 1998 was veel lager dan het bedrag, bedoeld in artikel 1, zes lid van de verordening.

In de verordening wordt niets gezegd met betrekking tot de herzieningsdatum van een toeslag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat hierin aansluiting gezocht dient te worden bij de Abw. Het complementaire karakter van de Abw en de daarbij behorende toeslag brengt met zich mee dat de aan eiseres toegekende toeslag verlaagd dient te worden met ingang van de datum waarop haar dochter en zoon hun inkomsten zijn gaan verwerven. Dat de dochter en zoon van eiseres in de maanden januari 1998 en februari 1998 minder uitbetaald hebben gekregen, doet hieraan niets af. Eiseres wordt immers ook niet geacht de kosten gedurende de gehele maand met hen te delen en ziet zich ook slechts een klein deel van de betreffende maanden geconfronteerd met een verlaging respectievelijk beindiging van de toeslag.

De rechtbank merkt hierbij nog op dat verweerder slechts uitgaat van het inkomen per maand om vast te kunnen stellen of de dochter en zoon van eiseres voldoende inkomsten hebben om de kosten mee te kunnen delen. Dit houdt niet in dat het recht op toeslag per maand wordt beoordeeld, dan wel dat een toeslag wordt toegekend, herzien of ingetrokken met ingang van een bepaalde maand. Uit het bepaalde in artikel 27, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw volgt dat in een dergelijk geval de bijstand wordt vastgesteld over een deel van de kalendermaand.

Voorts is namens eiseres aangevoerd dat het in strijd is met de wet en het uitgangspunt van de wetgever dat eiseres in maart en april 1998 helemaal geen toeslag wordt verleend. Namens eiseres is verwezen naar de (niet-gepubliceerde) uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 maart 1999 in de zaak met nummer 98/6295 ABW.
Eiseres is van mening dat zij recht heeft op toeslag, aangezien zij net als de betrokkene in voornoemde zaak van de Centrale Raad van Beroep de noodzakelijke kosten van het bestaan niet geheel kan delen met haar twee oudste kinderen.
De rechtbank deelt deze mening niet. In het onderhavige geval is immers geen sprake van n kind, doch van twee kinderen met wie de kosten gedeeld kunnen worden. De rechtbank ziet niet in waarom eiseres met haar twee kinderen de kosten niet volledig zou kunnen delen, zoals in voornoemde uitspraak door de Centrale Raad van Beroep omschreven. Voorts is in het onderhavige geval geen sprake van een verordening die ouders en kinderen in een nadeliger positie plaatst dan personen zonder familieband die een woning delen.

De rechtbank is ten slotte niet gebleken van feiten en of omstandigheden op grond waarvan verweerder in verband met dringende redenen had dienen af te zien van herziening/intrekking van de toeslag van eiseres.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten de toeslag van eiseres met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw met ingang van 26 januari 1998 te herzien naar 10% en met ingang van 27 februari 1998 in te trekken.



Ten aanzien van de terugvordering

Ingevolge artikel 81, eerste lid van de Abw wordt bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, van de belanghebbende teruggevorderd.
Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, teruggevorderd voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. Ingevolge het derde lid van dit artikel vindt terugvordering als bedoeld in het tweede lid niet plaats indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vr de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.

Artikel 78, tweede lid, van de Abw bepaalt dat burgemeester en wethouders kunnen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Namens eiseres is in het beroepschrift aangevoerd dat er dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering, met name gelegen in het feit dat verweerder een halfjaar heeft laten verstrijken alvorens op de opgave van eiseres te reageren met een herziening van de toeslag.

Aan de nota van toelichting bij de Abw ontleent de rechtbank dat er, gezien de omstandigheden van persoon en gezin, dringende redenen kunnen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Indien terugvordering te ernstige gevolgen voor de betrokkene of de gezinssituatie zou kunnen hebben, dient toepassing van dit artikellid te worden overwogen. De vraag wat dringende redenen in de zin van deze wet zijn om van terugvordering af te zien, kan moeilijk in zijn algemeenheid worden beantwoord. Bij dringende redenen is niet primair of uitsluitend gedacht aan financile redenen. De redactie van het derde lid laat ruimte voor het meewegen van zowel financile als niet-financile omstandigheden. Nadrukkelijk geldt dat steeds van geval tot geval aan de hand van alle omstandigheden de situatie van de betrokkene moet worden beoordeeld. Dit artikellid strekt er dus niet toe om een algemene of categoriale mogelijkheid te bieden om van terugvordering af te zien.

De rechtbank ziet evenwel geen aanleiding aan te nemen dat in het onderhavige geval sprake is van dringende redenen op grond waarvan verweerder zou moeten afzien van terugvordering. Het enkele feit dat een besluit van verweerder circa een halfjaar op zich heeft laten wachten, levert in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank geen dringende redenen op grond waarvan verweerder af zou moeten zien van terugvordering.

Zo eiseres van mening is dat haar hierdoor redelijkerwijs niet duidelijk kan zijn geweest dat zij te veel uitkering ingevolge de Abw ontving, dan deelt de rechtbank deze mening niet. Uit het feit dat eiseres wel mededeling heeft gedaan van het inkomen van haar dochter en haar zoon volgt reeds dat ook zij zelf zich bewust is geweest dat dit inkomen van belang was of kon zijn voor de hoogte van haar bijstandsuitkering.

Voorts is gesteld dat eiseres al jarenlang van een minimuminkomen moet rondkomen, waardoor zij financile problemen heeft gekregen, met name extra schulden.
Nu eiseres niet met financile gegevens heeft onderbouwd dat sprake is van een noodsituatie, dan wel broodnood, ziet de rechtbank op grond van deze stelling geen aanleiding aan te nemen dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering zou moeten worden afgezien.

Eiseres is voorts van mening dat verweerder met betrekking tot de maand maart zou moeten afzien van terugvordering, omdat eiseres in maart slechts 203,67 te veel heeft ontvangen. Dit is minder dan 250,-. Verweerder kan op grond van het feit dat het om een gering bedrag gaat afzien van terugvordering. De rechtbank deelt deze mening niet. Naar het oordeel van de rechtbank kan het over de maand maart teruggevorderde bedrag ad 203,67 niet los worden gezien van de overige maanden waarover wordt teruggevorderd. De terugvordering is immers het gevolg van n herzieningsbesluit. Nu het totale terugvorderingsbedrag ad 841,50 hoger is dan 250,-, bestaat voor verweerder niet de mogelijkheid om van terugvordering af te zien in verband met een gering terugvorderingsbedrag.

Ten slotte is namens eiseres een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Hiertoe is namens eiseres een rapport van 6 januari 1999 overgelegd.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat de feiten en omstandigheden dermate afwijken van de feiten en omstandigheden in deze zaak dat niet kan worden gesproken van een gelijk geval.
Uit dit rapport blijkt dat verweerder in de betreffende bezwaarschriftprocedure heeft afgezien van terugvordering, omdat de betrokkene niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn geweest dat zij te veel uitkering ontving. Betrokkene had in die zaak bij aanvraag alle benodigde gegevens correct verstrekt. Desondanks heeft verweerder de betrokkene een onjuiste uitkering toegekend. Ook werd door verweerder lange tijd niet gereageerd op door de betrokkene middels inlichtingenformulieren verstrekte informatie.

De hoogte van het terugvorderingsbedrag ad 841,50 is door eiseres niet bestreden. Evenmin is de rechtbank gebleken dat dit besluit onjuist moet worden geacht. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat dit bedrag juist is.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten hetgeen eiseres als gevolg van het herzienings-/intrekkingsbesluit gedurende de periode van 26 januari 1998 tot en met 26 april 1998 te veel aan toeslag ingevolge de Abw heeft ontvangen, zijnde 841,50, van eiseres terug te vorderen.

Nu de rechtbank de in dit geding van belang zijnde vragen bevestigend heeft beantwoord, ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten.

Nu de rechtbank niet is gebleken dat eiseres in verband met de behandeling van het beroep kosten heeft moeten maken, ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder te veroordelen tot het vergoeden van proceskosten.




5. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
gelast dat de gemeente Lelystad aan eiseres het namens haar gestorte griffierecht ad 60,- vergoedt.

Gewezen door mr. H.C. Moorman en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2000 in tegenwoordigheid van mevr. Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x