Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / IWwb / Awb
x
LJN:
x
AA7064
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Rotterdam
Zaaknummer: ABW 98/1229-DGG
Datum uitspraak: 25 februari 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 8, 51, 65 en 66 Abw (= 7 en 7 IWwb en 17 en 53a Wwb) / 3:2, 7:12 en 7:13 Awb
Trefwoorden: zelfstandige; bedrijfskapitaal; gegevensverstrekking door aandeelhouder; advies bezwaarschriftencommissie; zorgvuldigheid; motivering
Essentie: Terecht verlangt de gemeente ter zake van een aanvraag voor bedrijfskapitaal ook de (financiŽle) gegevens van de aandeelhouder. Tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep komt de rechtbank echter niet, omdat in de bezwaarprocedure niet op de voorgeschreven wijze advies is uitgebracht door de bezwaarschriftencommissie.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Rotterdam ABW 98/1229-DGG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. J.H.M. Nijhuis,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpen aan den IJssel, verweerder.




1. Ontstaan en loop van de procedure


Op 28 augustus 1996 heeft eiser bijzondere bijstand in de vorm van een lening voor bedrijfskapitaal aangevraagd.

Het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf Rotterdam en Regio (hierna: IMK) heeft op 23 september 1996 een adviesrapport opgesteld.

Het IMK heeft op 13 november 1996 een aangepast advies aan verweerder uitgebracht.

Bij besluit van 11 september 1997 heeft de directeur van de gemeentelijke sociale dienst van de gemeente Krimpen aan den IJssel de aanvraag van eiser afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 25 september 1997 bezwaar gemaakt.

Op 20 april 1998 heeft de Stichting IMK Intermediair advies uitgebracht inzake het bezwaar van eiser.

In het kader van de bezwaarprocedure is eiser gehoord door de GSD-kamer van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Krimpen aan den IJssel van 27 april 1998.

Bij besluit van 27 mei 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 24 juni 1998 (ingekomen bij de rechtbank op 29 juni 1998) beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 10 september 1998 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2000. Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F. Braams, die werd bijgestaan door W.E. de Glas.




2. Overwegingen



2.1. Algemeen

In dit geding dient beoordeeld te worden of verweerder bij het bestreden besluit terecht onder ongegrondverklaring van het daartegen gerichte bezwaar het besluit tot afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand in de vorm van een lening voor bedrijfskapitaal heeft gehandhaafd.



2.2. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 51, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) wordt bij de verlening van bijstand aan een zelfstandige die het bedrijf of zelfstandig beroep tezamen met ťťn of meer anderen uitoefent onder vermogen mede verstaan het vermogen van die anderen.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging onverwijld mededeling van al hetgeen van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken.
Ingevolge het derde lid van dit artikel is de belanghebbende verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Ingevolge artikel 66, eerste lid, van de Abw bepalen burgemeester en wethouders welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval dienen te worden verstrekt en welke bewijsstukken dienen te worden overgelegd.

In artikel 3 van de verordening inzake de behandeling van bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Krimpen aan den IJssel (hierna: de verordening) is bepaald:
1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden, die worden benoemd, geschorst en ontslagen door de gemeenteraad.
2. De voorzitter van de commissie kan geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van een gemeentelijk bestuursorgaan. De andere leden benoemt de gemeenteraad uit zijn midden.
3. De commissie regelt de vervanging van de voorzitter.

Artikel 4 van de verordening luidt als volgt:
-1. De commissie kan kamers instellen, die belast worden met de behandeling van bezwaar- of beroepschriften;
-2. De commissie bepaalt het aantal kamers en stelt voor elke kamer vast welke categorie of categorieŽn bezwaarschriften door haar zullen worden behandeld.
-3. Elke kamer bestaat uit ten minste drie leden, te weten:
a. een voorzitter, zijnde de voorzitter van de commissie;
b. ten minste twee andere leden, door de commissie aangewezen uit haar midden.
-4. De commissie wijst voor elk lid, als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, een plaatsvervanger aan.
-5. De kamer kan beslissen dat de behandeling van een bezwaar- of beroepschrift door de commissie zal geschieden.
-6. Met betrekking tot de werkwijze van de kamers is het bepaalde in deze verordening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.



2.3. Feiten en omstandigheden

In november 1983 is [eiser] BV (hierna: de BV) opgericht. Het bedrijf staat in het handelsregister ingeschreven met de bedrijfsomschrijving: "groothandel (im- en export) in ongeregelde goederen, groothandel in energiebesparende apparatuur en installaties ter bestrijding van milieuverontreiniging, alsmede bijbehorende accessoires en onderdelen". Eiser bezit 66% van de aandelen. De heer [aandeelhouder] bezit 33% van de aandelen. De BV is "slapend". Eiser wil de BV niet opheffen omdat er procedures lopen met betrekking tot schadevergoeding.

Voorts heeft eiser zich in 1986 met de eenmanszaak [eiser] agenturen in het handelsregister laten inschrijven.
De bedrijfsomschrijving van de eenmanszaak luidde: "het voor derden verrichten van werkzaamheden, waaronder inbegrepen logistieke distributie, waaronder verpakken, opslag en verzenden van produkten en goederen. Groothandel (im- en export) in ongeregelde goederen. Onder de medehandelsnaam [handelsnaam]: promotie en verkoop (groothandel) van windturbines en zonne-energiesystemen".
Op 12 september 1996 heeft eiser de inschrijving met betrekking tot [handelsnaam] als volgt gewijzigd: "het (mede-)exploiteren van windenergieprojecten, het promoten van en bemiddelen bij realisatie van wind- en zonne-energieprojecten. Het promoten van en het bemiddelen bij de realisatie van projecten op het gebied van milieuvriendelijke verbranding van afvalbrandstoffen".

Tot en met 1995 heeft eiser zich beziggehouden met het vullen, verpakken en afleveren van parfums in opdracht van een groothandel te Amsterdam. Omdat de marktomstandigheden met betrekking tot de verkoop van de parfums zijn gewijzigd, is door eiser gezocht naar alternatieven. Eiser heeft aangegeven hierbij te denken aan het initiŽren van een net van wederverkopers inzake de verkoop van parfums, de verkoop/bemiddeling van windturbines en de mede-exploitatie van windturbineprojecten. Met betrekking tot de laatste twee activiteiten is door eiser contact gelegd met C. de Wolff Konstruktiebedrijf BV, ook handelend onder de naam C. de Wolff Nordtank Windenergie en WNW (hierna: WNW).
In verband hiermee heeft hij een lening voor bedrijfskapitaal ten bedrage van É150.000,- aangevraagd.
Bij brief van 28 november 1996 heeft eiser aan de gemeentelijke sociale dienst van Krimpen aan den IJssel onder andere laten weten dat er thans sprake is van een exploitatiemaatschappij, welke door een financieringsinstituut en WNW zal worden gerund, terwijl [handelsnaam] werkzaamheden zal verrichten en daarvoor een vergoeding zal ontvangen. Verder zal [handelsnaam] (onderdeel van eisers eenmanszaak) een eigen windenergieproject gaan realiseren.
Bij brief van 15 januari 1997 heeft eiser de sociale dienst ervan op de hoogte gebracht dat de totale kredietbehoefte É100.000,- bedraagt en dat WNW daarvan 50% voor haar rekening zal nemen.
Bij brief van 4 maart 1997 heeft eiser de sociale dienst bericht besloten te hebben om de parfumactiviteiten te beŽindigen.

Eiser heeft een verklaring van [aandeelhouder] van 27 september 1996 overgelegd waarin deze heeft verklaard dat hij zich nimmer met activiteiten van eiser heeft ingelaten en ook niet voornemens is zulks te gaan doen.



2.4. Standpunten van partijen

Het bestreden besluit is gebaseerd op de overweging dat de beoordeling van de noodzaak tot bijstandverlening niet mogelijk is vanwege het ontbreken van gegevens met betrekking tot de vermogenspositie van de heer [aandeelhouder]. Daarnaast zou ook de vermogenspositie van WNW beoordeeld dienen te worden. Onder deze omstandigheden heeft volgens verweerder een nadere beoordeling van de levensvatbaarheid van het bedrijf geen zin.

Eiser heeft aangevoerd dat er ingevolge artikel 51, tweede lid, van de Abw sprake dient te zijn van een gezamenlijk uitoefenen van bedrijf of beroep en derhalve een actieve samenwerking in de uitoefening van het bedrijf of beroep aanwezig dient te zijn. De aandeelhouder in een besloten vennootschap is uit hoofde van die hoedanigheid niet actief betrokken bij de uitoefening van het bedrijf of beroep en kan niet worden aangemerkt als een vennoot in die besloten vennootschap. Voorts kan aan eiser niet worden verweten dat hij geen gegevens kan verstrekken over het vermogen van de andere aandeelhouder. Het privťvermogen van een aandeelhouder is een privťzaak van die aandeelhouder. Voor eiser bestaat geen enkele mogelijkheid om inzage te verkrijgen in diens privťvermogen. Bovendien betreft het in dit geval het vermogen van een aandeelhouder in een besloten vennootschap voor welke besloten vennootschap niet het bedrijfskrediet is aangevraagd.
Ten slotte is door eiser opgemerkt dat niet alleen om een krediet is gevraagd, doch ook om een aanvullende uitkering voor levensonderhoud. Op dit verzoek is door verweerder nog geen besluit genomen.

Voorts is ter zitting namens eiser aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat de commissie waardoor eiser is gehoord niet was samengesteld conform de artikelen 3 en 4 van de verordening inzake de behandeling van bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Krimpen aan den IJssel. Deze artikelen schrijven voor dat de commissie bestaat uit een onafhankelijk voorzitter, die niet afkomstig is uit de gemeenteraad, en twee leden. Eiser is gehoord door een commissie van twee leden, die beiden afkomstig waren uit de gemeenteraad. Daarnaast is er niet overeenkomstig artikel 7:13, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een schriftelijk advies uitgebracht.

In het verweerschrift is aangegeven dat hetgeen bepaald is in artikel 51, tweede lid, van de Abw geen verband houdt met de activiteiten van de zelfstandige(n), maar met het vermogen. In dit kader dient het vermogen van [aandeelhouder] te worden meegewogen.
Voorts heeft verweerder in zijn verweerschrift een tweede afwijzingsgrond aangegeven, namelijk dat de levensvatbaarheid van de door eiser ingediende plannen niet aannemelijk is. De wijziging van eisers plannen vormt geen aanleiding tot een algehele herbeoordeling van de levensvatbaarheid volgens de aanvraag. Het staat eiser vrij een nieuwe aanvraag (met een nieuw ondernemersplan) in te dienen.
Met betrekking tot eisers opmerking dat er geen besluit was genomen op zijn aanvraag om een aanvullende uitkering voor levensonderhoud heeft verweerder aangegeven dat uit de stukken niet is gebleken dat een dergelijke aanvraag is ingediend.

Ter zitting is nog door de gemachtigde van verweerder verklaard dat volgens de Verordening inzake de behandeling van bezwaar- en beroepschriften de plaatsvervangend voorzitter wel een raadslid mag zijn. Vanwege ziekte van de voorzitter kon een tweede lid niet meer worden geregeld. Het advies is uitgebracht in de vorm van een staat van beslissingen, een collectief document met een advies in alle zaken die de commissie behandelde. De gemachtigde van verweerder ter zitting was zelf secretaris geweest tijdens de hoorzitting en heeft het advies medeondertekend.



2.5. Beoordeling

Met betrekking tot eisers stelling dat nimmer een besluit is genomen op zijn aanvraag voor een bijstandsuitkering voor zijn levensonderhoud:

De rechtbank constateert allereerst dat het bezwaarschrift waarop bij het bestreden besluit is beslist geen enkele stelling in deze bevat. Het bestreden besluit behelst dan ook - evenals het primaire besluit - alleen de aanvraag om bijzondere bijstand, zodat eisers stellingen met betrekking tot bijstand voor zijn levensonderhoud buiten dit geding vallen.
Wel merkt de rechtbank op dat uit de gedingstukken niet is af te leiden dat een dergelijke aanvraag is gedaan. Voorts is niet gebleken dat eiser, zo al aangenomen zou kunnen worden dat hij een aanvraag om een uitkering in zijn levensonderhoud heeft gedaan, enige actie heeft ondernomen door bijvoorbeeld bezwaar te maken tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Met betrekking tot het bestreden besluit:

De rechtbank constateert, gelet op de tekst daarvan, dat verweerder met de verordening heeft beoogd een commissie in te stellen als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb. Deze commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften (hierna: de commissie) dient volgens artikel 3 van de verordening en artikel 7:13, eerste lid van de Awb uit een onafhankelijke voorzitter en ten minste twee leden te bestaan.

De commissie heeft kennelijk conform artikel 4 van de verordening ťťn of meerdere kamers ingesteld, nu blijkens het bestreden besluit in deze door de GSD-kamer is geadviseerd. De hoorzitting heeft blijkens de gedingstukken ook voor deze kamer plaatsgehad.

Niet in geschil is dat in de onderhavige zaak het horen heeft plaatsgevonden door de plaatsvervangend voorzitter en ťťn lid.
Uit de tekst van artikel 7:13, derde lid, van de Awb volgt dat het horen kan worden opgedragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. Het is derhalve toegestaan om het horen te laten geschieden door minder dan drie leden. De verordening voorziet daarin eveneens in artikel 12. Voorts verzet artikel 7:13, derde lid, van de Awb zich er niet tegen dat wordt gehoord door een raadslid. Overigens was het kennelijk de bedoeling dat het horen door een voltallige, uit een voorzitter en twee leden bestaande kamer uit de commissie zou geschieden. Het horen is niet expliciet opgedragen aan de voorzitter of een ander onafhankelijk lid, maar heeft louter als gevolg van ziekte van de voorzitter plaatsgehad door de twee leden, waarvan er kennelijk ťťn als plaatsvervangend voorzitter is aangewezen.

Onder de gedingstukken bevindt zich geen advies van de GSD-kamer van de commissie.
Navraag ter zitting leverde op dat het advies zou zijn uitgebracht door middel van een staat van besluiten, een collectief advies met betrekking tot alle zaken die door de commissie zijn behandeld. Een separaat schriftelijke advies zou niet zijn opgemaakt. Nu ook de zogenaamde staat van besluiten zich niet bij de gedingstukken bevindt en evenmin ter zitting getoond kon worden, kan niet worden beoordeeld of verweerder in deze heeft gehandeld overeenkomstig artikel 7:13, zesde lid, van de Awb, dat een schriftelijk advies vereist en overeenkomstig artikel 17, derde lid, van de verordening, waarin is vastgelegd dat het advies gemotiveerd dient te zijn.

Voorts moet geconstateerd worden dat een advies is uitgebracht door de GSD-kamer van de commissie, terwijl deze - naar moet worden aangenomen - uit twee personen bestond.
Nu door de gemachtigde van verweerder ter zitting niet kon worden opgehelderd of het advies in deze zaak is uitgebracht door de plaatsvervangend voorzitter en het commissielid, die eiser hebben gehoord, of in een andere samenstelling en geen enkele aanwijzing bestaat voor laatstbedoelde situatie, moet de rechtbank ervan uitgaan dat het advies is uitgebracht door de plaatsvervangend voorzitter met slechts ťťn commissielid.

Artikel 7:13, derde lid, van de Awb strekt evenwel niet verder dan het geven van een regeling met betrekking tot het horen door de commissie. Niet volgt daaruit dat naast het horen ook de gehele advisering aan de (plaatsvervangend) voorzitter en ťťn lid kan worden opgedragen. Een dergelijke advisering moet in strijd met artikel 7:13, eerste lid, onderdeel a, van de Awb worden geoordeeld.
Bovendien valt niet uit te sluiten dat thans een ander advies is uitgebracht dan het geval zou zijn geweest indien de commissie uit drie leden zou hebben bestaan.
De rechtbank verwijst in deze naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 21 oktober 1999 (TAR 1999/158) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 oktober 1998 (JB 1998/257).

Nu aangenomen dient te worden dat verweerder een in strijd met de wet tot stand gekomen advies ten grondslag heeft gelegd aan het besluit, is dit besluit, wat er ook zij van het gegeven dat de plaatsvervangend voorzitter afkomstig is uit het midden van de commissie, naar het oordeel van de rechtbank niet met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb tot stand gekomen en berust het niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Gelet hierop dient het beroep - onder vernietiging van het bestreden besluit - gegrond verklaard te worden. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Verweerder heeft - in ander verband - aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in het geval dit wegens een motiveringsgebrek door de rechtbank vernietigd zou worden. De rechtbank ziet geen reden om daartoe te beslissen. De bezwarenprocedure ziet immers op een algehele heroverweging van het primaire besluit en het is juist niet duidelijk of de discussie binnen (de GSD-kamer van) de commissie indien deze uit drie personen zou (hebben) bestaan, tot een zelfde advies zou leiden/hebben geleid als thans in het bestreden besluit is overgenomen, terwijl verweerder vervolgens nog dient te overwegen of hij een dergelijk advies al dan niet overneemt.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op É1420,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat naar het oordeel van de rechtbank in het besluit op bezwaar terecht aan de orde is gekomen dat ook de positie van WNW betrokken dient te worden bij de beoordeling van eisers aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een lening voor bedrijfskapitaal. Eiser zal daaromtrent derhalve nadere informatie dienen over te leggen.
De vraag of verweerder het vermogen van de aandeelhouder [aandeelhouder] terecht bij de beoordeling van eisers aanvraag wenst te betrekken en daaromtrent aan eiser nadere inlichtingen heeft verzocht, zal de rechtbank - zeker nu het hier overwegingen ten overvloede betreft - in het midden laten. Er bestaat namelijk thans onvoldoende duidelijkheid over de relatie tussen de verschillende ondernemingen van eiser, te weten zijn eenmanszaak en de besloten vennootschap. De rechtbank acht het in dit verband vooralsnog niet juist om - zoals eiser lijkt voor te staan - die vennootschap geheel buiten beschouwing te laten, nu hij aanvoert het bedrijfskrediet alleen nodig te hebben voor zijn eenmanszaak. Gelet op de deels overlappende doelomschrijvingen van de beide bedrijven en het feit dat eiser in ieder geval directeur-grootaandeelhouder van deze vennootschap is, kan bij een beoordeling als de onderhavige niet zonder meer aan de financiŽle situatie van die vennootschap voorbij worden gegaan. Of het vermogen van [aandeelhouder] mede van belang is voor de beoordeling van eisers aanvraag, zal onder andere afhangen van de verstrengeling van eisers ondernemingen onderling en de eventuele verstrengeling van die ondernemingen met [aandeelhouder].




3. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat de gemeente Krimpen aan den IJssel aan eiser het door hem betaalde griffierecht van É55,- vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van É1420,- en wijst de gemeente Krimpen aan den IJssel aan als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.I. Degeling.
De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. H.T. van de Erve als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2000.

De griffier,            De rechter,




Afschrift verzonden op:




Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / Wet BMT / Awb
x
LJN:
x
AA7084
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Arnhem
Zaaknummer: 98/1782
Datum uitspraak: 8 november 1999
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 30, 57 en 59a ABW (= 65, 81 en 84 Abw) (= 17, 58 en 59 Wwb) / 69 Abw (= 54 Wwb) / XVI Wet BMT / 1:3 Awb
Trefwoorden: inkomsten; schending inlichtingenverplichting; terugvordering; hoofdelijke aansprakelijkheid
Essentie: Terechte terugvordering van bijstand wegens (verzwegen) inkomsten. Onvoldoende bekendheid met de Nederlandse taal en wetgeving maken de schending van de inlichtingenverplichting niet verschoonbaar. Beide echtgenoten zijn ter zake van de terugvordering hoofdelijk aansprakelijk.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank Arnhem 98/1782




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 26 augustus 1998.




2. Feiten en procesverloop


Bij besluit van 21 oktober 1991 heeft verweerder eiseres en [echtgenoot], echtgenoot van eiseres, met ingang van 8 juli 1991 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een echtpaar toegekend.

Bij besluit van 30 januari 1998 heeft verweerder de verstrekte bijstandsuitkering over de periode 1 augustus 1995 tot 13 februari 1996 herzien en de over deze periode (te veel) verstrekte uitkering van É5608,34 bruto teruggevorderd.

Namens eiseres is op 10 maart 1998 tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is behandeld op 5 augustus 1998 door de bezwaarschriftencommissie Sociale Zaken. Eiseres is bij de behandeling niet verschenen. Vervolgens heeft deze commissie op 5 augustus 1998 advies aan verweerder uitgebracht.

Bij het hierboven aangeduide besluit van 26 augustus 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiseres heeft J. van Dorssen op 30 september 1998 tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 10 november 1998 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 6 oktober 1999, waar eiseres noch gemachtigde zijn verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door S.J.P.M. van Oyen, werkzaam bij de gemeente.




3. Overwegingen


In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij verweerder de bezwaren tegen het besluit van 30 januari 1998 ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan. In het besluit van 30 januari 1998 heeft verweerder de aan [echtgenoot], echtgenoot van eiseres, naar de norm voor gehuwden verstrekte bijstandsuitkering over de periode 1 augustus 1995 tot 13 februari 1996 herzien en de over deze periode (te veel) verstrekte uitkering van É5608,34 bruto teruggevorderd.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres de inlichtingenverplichting van artikel 65, eerste lid, van de Abw heeft geschonden. Doordat eiseres noch [echtgenoot] verweerder op de hoogte heeft gesteld van het feit dat door eiseres inkomsten zijn genoten uit werkzaamheden is ten onrechte bijstand verleend. Deze ten onrechte verleende bijstand wordt op grond van het bepaalde in artikel 81, eerste lid, van de Abw teruggevorderd. Voor de terugbetaling is eiseres op grond van het bepaalde in artikel 84, eerste en vierde lid, van de Abw hoofdelijk aansprakelijk.

Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen. Eiseres voert aan dat verweerder er geen rekening mee heeft gehouden dat zij in Nederland is gekomen zonder de Nederlandse taal te kennen en niet bekend was met de regels die door verweerder worden gehanteerd. Eiseres stelt dat haar echtgenoot in juli 1995 reeds op de hoogte was van haar werkzaamheden in [plaats] per 1 augustus 1995. Eiseres voert aan dat door verweerder eerder controle had moeten plaatsvinden. Voorts stelt eiseres dat zij in de periode 1 augustus 1995 tot februari 1996 geen controleformulieren heeft getekend en in het geheel geen contact meer heeft gehad met de heer [echtgenoot].

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 1 juli 1997 is de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248, hierna: de Wet BMT) ten aanzien van de Algemene bijstandswet (Abw) in werking getreden.

Ingevolge artikel XVI, eerste lid, van de overgangsbepalingen van deze wet wordt - voor zover hier van belang - in de bevoegdheid van de gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vůůr de datum van inwerkingtreding van deze wet, alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening van hetgeen vůůr die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging gebracht. Krachtens het tweede lid blijft ten aanzien van besluiten tot weigering, terugvordering of verrekening die vůůr de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn bekendgemaakt het recht zoals dat vůůr die datum gold van toepassing.

Ingevolge laatstgenoemd artikellid geldt naar het oordeel van de rechtbank dat ten aanzien van een terugvorderingsbesluit dat op of na 1 juli 1997 bekend is gemaakt de bestuursrechter de bevoegde rechter is.

Het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende primaire besluit tot terugvordering is gedateerd 30 januari 1998, zodat moet worden geconcludeerd dat de rechtbank ter zake bevoegd is.

Aan de orde is de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten tot herziening van de aan eiseres en haar echtgenoot toegekende bijstandsuitkering en terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand.

De herziening en terugvordering hebben betrekking op de periode 1 augustus 1995 tot 13 februari 1996, zijnde een periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet BMT op 1 juli 1997, zodat aan de hand van het hiervoor weergegeven overgangsartikel moet worden bepaald welke bepalingen van toepassing zijn.

Genoemd artikel XVI, eerste lid, dient, mede gelet op de uitspraken van de Hoge Raad van 13 januari 1995, JABW 1995/233, en 3 maart 1995, JABW 1995/334, waarin een uitleg is gegeven aan het vergelijkbare overgangsartikel VIII van de Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, aldus te worden opgevat dat indien de terugvordering betrekking heeft op een periode vůůr de inwerkingtreding van de Wet BMT, het materiŽle recht inzake de bevoegdheid tot weigering, terugvordering en verrekening zoals dat toen gold, van toepassing blijft. Uit het tweede lid volgt naar het oordeel van de rechtbank a contrario dat ten aanzien van besluiten die op of na 1 juli 1997 bekend zijn gemaakt, voor wat betreft de wijze van weigering, terugvordering of verrekening, de Wet BMT van toepassing is, ook als het gaat om vůůr de inwerkingtreding van de Wet BMT ten onrechte of te veel betaalde uitkeringen.

Op grond van het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat op de vraag of, en zo ja, hoeveel kan worden teruggevorderd de terugvorderingsbepalingen van de Abw zoals die luidden vůůr 1 juli 1997 van toepassing zijn en dat voor wat betreft de procedure van terugvordering de Wet BMT van toepassing is.

Op 1 januari 1996 zijn de (nieuwe) bepalingen van de Abw in werking getreden, hetgeen met zich meebrengt dat op de onderhavige periode verschillende wettelijke bepalingen van toepassing zijn. Ten aanzien van de periode 1 augustus 1995 tot 1 januari 1996 zijn dit onder meer de artikelen 30, tweede lid, 57, onderdeel d, en 59a, eerste en derde lid, van de ABW (oud) - zoals deze artikelen luidden van 1 augustus 1992 tot 1 januari 1996. Met betrekking tot de periode 1 januari 1996 tot 13 februari 1996 zijn dit de artikelen 65, eerste en tweede lid, 81, eerste lid en 84 eerste en derde lid, van de Abw, zoals deze artikelen luidden van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997.

Voornoemde bepalingen bevatten - voor zover hier van belang - geen materiŽle verschillen. Hieronder is de tekst van de bepalingen zoals deze luidden van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 weergegeven.

Ingevolge artikel 65, eerste lid van de Abw (30, tweede lid, van de ABW) doet de belanghebbende op verzoek van burgemeester en wethouders of uit eigen beweging onverwijld mededeling van al hetgeen van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan. Krachtens het tweede lid maakt belanghebbende voor de verstrekking van gegevens gebruik van een door burgemeester en wethouders verstrekt formulier. Op grond van artikel 81, eerste lid van de Abw (57, onderdeel d, van de ABW) wordt de bijstand teruggevorderd indien de verplichting, bedoeld in artikel 65 (30 ABW), niet of niet behoorlijk is nagekomen, voor zover de betreffende handelwijze heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Ingevolge artikel 84, eerste lid van de Abw (59a, eerste lid, van de ABW) worden, indien bijstand als bedoeld in artikel 13, tweede lid, is verleend (gezinsbijstand), voor de toepassing van deze paragraaf als belanghebbenden aangemerkt de in dat artikel bedoelde personen. Krachtens het derde lid van artikel 84 van de Abw (59a, derde lid, van de ABW) zijn de in het eerste lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.

Verweerders beslissing tot herziening van de aan eiseres en haar echtgenoot toegekende uitkering beoogt naar het oordeel van de rechtbank wijziging te brengen in de aanspraak op in het verleden toegekende en reeds uitbetaalde bijstand. Een zodanig besluit heeft als rechtsgevolg dat vast komt te staan dat in het verleden ten onrechte bijstand is verleend en dat derhalve onverschuldigde betaling heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is - overeenkomstig de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 juli 1994, RSV 1995/54 - van oordeel dat een herzieningsbeslissing een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen bezwaar kan worden gemaakt en vervolgens beroep kan worden ingesteld.

In de omstandigheid dat zodanig besluit niet past in het oude - civielrechtelijke - stelsel van de ABW en in ieder geval niet was vereist, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 18 april 1997, NJ 1997/499, heeft geoordeeld, ziet de rechtbank - in navolging van de CRvB in zijn uitspraak van 20 juli 1999, 98/3246, PS Actua van 9 september 1999, nr. 99 - niet langer aanleiding voor een andersluidend oordeel.

De rechtbank is - anders dan verweerder kennelijk meent - van oordeel dat de herziening niet kan worden gebaseerd op het bepaalde in artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals dat artikel luidt sedert 1 juli 1997. Bedoeld artikellid ziet op de herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en betreft naar het oordeel van de rechtbank een (nieuwe) materiŽle bepaling. Ingevolge eerder genoemde overgangsbepaling kan dit artikellid derhalve niet de basis vormen voor een herziening van de aan eiseres en haar echtgenoot toegekende uitkering.

Nu herziening van een over een periode vůůr 1 juli 1997 toegekende uitkering niet is vereist, maar wel is toegestaan, ziet de rechtbank in de vermelding van artikel 69, derde lid, van de Abw geen aanleiding om tot vernietiging van het bestreden besluit over te gaan.

Niet in geschil is dat eiseres inkomsten uit werkzaamheden heeft genoten en deze inkomsten niet aan verweerder heeft gemeld.

Vast staat dat eiseres de in artikel 65, eerste lid van de Abw (30, tweede lid, van de ABW) opgenomen inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Eiseres heeft verweerder nimmer op de hoogte gesteld van haar werkzaamheden en inkomsten. De omstandigheid dat eiseres onvoldoende bekend was met de Nederlandse taal alsmede de regels die door verweerder worden gehanteerd maakt dit verzuim niet verschoonbaar. Het feit dat de echtgenoot van eiseres evenmin aan de inlichtingenverplichting heeft voldaan en de bijstandsuitkering mogelijk heeft geconsumeerd, ontslaat eiseres niet van de verplichting onverwijld mededeling te doen van feiten en omstandigheden welke van invloed zijn op het recht op bijstand. De bijstandsuitkering is aan eiseres en haar echtgenoot toegekend en de inlichtingenverplichting rust derhalve op zowel eiseres als haar echtgenoot.

Ingevolge het hierboven weergegeven artikel 84 van de Abw (59a van de ABW) zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten tot herziening van de aan eiseres en haar echtgenoot toegekende bijstandsuitkering en terugvordering van de over de periode 1 augustus 1995 tot 13 februari 1996 (te veel) verstrekte bijstandsuitkering van É5608,34.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de stellingen van eiseres tegen het besluit van 26 augustus 1998 geen doel treffen. Van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel is de rechtbank niet gebleken. Nu er evenmin een andere reden is om het bestreden besluit voor onjuist te houden, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.




4. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, mr. W.P.C.G. Derksen en mr. W.F. Bijloo, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 1999 door mr. H.A.W. Snijders, voornoemd, in tegenwoordigheid van mr. G.H.W. Bodt als griffier.

De griffier,            De rechter,




Verzonden op: 16 november 1999.




Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / BW
x
LJN:
x
AA7123
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 00/131 WET
Datum uitspraak: 28 augustus 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 3 Abw (= 3 Wwb) / 6:106, 6:162 en 6:163 BW
Trefwoorden: schadevergoeding; immateriŽle schade; onrechtmatige daad; zuiver schadebesluit; gezamenlijke huishouding; samenwoning; medehuurder
Essentie: Terechte afwijzing verzoek om vergoeding van geleden immateriŽle schade tengevolge van een hartinfarct, naar eisers zeggen veroorzaakt door de, zoals kwam vast te staan na bezwaar, onterechte afwijzing van de bijstandsaanvraag van zijn medehuurster wegens (vermeende) gezamenlijke huishouding met hem. Het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag is uitsluitend gericht tot de bijstandsgerechtigde en kan als zodanig niet worden beschouwd als een tot schadevergoeding verplichtende onrechtmatige overheidsdaad tegenover eiser.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zutphen 00/131 WET




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 20 januari 2000.




2. Feiten


Eiser heeft tezamen met mevrouw [medehuurder] (hierna: [medehuurder]) op 24 juli 1998 een woning in Ermelo gehuurd. Op 4 augustus 1998 heeft eiser namens en ten behoeve van [medehuurder] bij verweerder een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet aangevraagd.

Bij besluit van 15 september 1998 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op de grond dat aannemelijk werd geacht dat [medehuurder] een gezamenlijke huishouding voerde of zou gaan voeren met eiser.

Naar aanleiding van het namens [medehuurder] gemaakte bezwaar heeft verweerder voormeld besluit bij besluit van 3 november 1998 herroepen en alsnog een bijstandsuitkering aan [medehuurder] toegekend met ingang van 24 juli 1998. Verweerder heeft daarbij erkend dat hij ten onrechte had aangenomen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen [medehuurder] en eiser.

Bij brief van 21 juli 1999, nader toegelicht in een gesprek op 19 augustus 1999, heeft eiser verweerder verzocht om vergoeding van immateriŽle schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de handelwijze van de gemeente met betrekking tot de bijstandsaanvraag van [medehuurder].

Bij besluit van 4 oktober 1999 heeft verweerder dit verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.




3. Procesverloop


Eiser heeft beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 18 juli 2000, waar eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Oosterveer en G.L. Hoek.




4. Motivering


Evenals in de uitspraak van 14 april 2000, reg.nr. 99/750 BELEI, omtrent een ander verzoek om schadevergoeding van eiser in verband met de bijstandverlening aan [medehuurder] gaat de rechtbank ervan uit dat eiser ook bij het onderhavige verzoek het oog heeft gehad op schade welke naar zijn mening is veroorzaakt door verweerders besluit van 15 september 1998, waarbij de bijstandsaanvraag van [medehuurder] werd afgewezen.

Nu de gestelde schadeoorzaak aldus is gelegen in een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht, is de beslissing op het schadeverzoek aan te merken als een zuiver schadebesluit dat eveneens vatbaar is voor bezwaar en beroep op grond van die wet. Verweerder heeft het bezwaar van eiser derhalve terecht ontvankelijk geacht.

Eiser wenst vergoeding van immateriŽle schade omdat hij - zo begrijpt de rechtbank - zich ernstig gegriefd voelt door het feit dat bij de beslissing op de bijstandsaanvraag van [medehuurder] geen geloof is gehecht aan hetgeen door hem in het kader van de behandeling van die aanvraag naar voren werd gebracht, namelijk dat hij en [medehuurder] ieder een eigen huishouden zouden gaan voeren in de gezamenlijk gehuurde woning. Voorts heeft de kwestie volgens eiser zodanige spanningen bij hem teweeggebracht dat hij op 19 september 1998 in het ziekenhuis moest worden opgenomen met een hartinfarct.

De vraag of verweerder gehouden is tot schadevergoeding dient te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW).
In artikel 6:162 BW is bepaald dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt te vergoeden.
Ingevolge artikel 6:163 BW bestaat geen verplichting tot schadevergoeding wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.
Deze bepalingen hebben betrekking op zowel materiŽle als immateriŽle schade.

Het besluit van 15 september 1998 betreft een beslissing in het kader van de Algemene bijstandswet (Abw) op een aanvraag van [medehuurder], welke beslissing uitsluitend tot haar is gericht. De bepalingen van de Abw strekken tot bescherming van de belangen van de bijstandsbehoevende, in dit geval [medehuurder], en niet tot bescherming van de belangen van anderen, zoals eiser. Voor zover bij het besluit van 15 september 1998 normen c.q. bepalingen van de Abw zijn geschonden, strekken deze normen derhalve niet tot bescherming tegen schade zoals eiser die meent te hebben geleden. Dat eiser optrad als gemachtigde van [medehuurder] maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat verweerder aannam dat [medehuurder] een gezamenlijke huishouding met eiser voerde of zou gaan voeren, betekent niet dat daaruit een rechtstreeks belang van eiser bij verweerders besluit ontstond.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:163 BW kan derhalve de afwijzing van de onderhavige bijstandsaanvraag als zodanig niet leiden tot een verplichting tot schadevergoeding aan eiser. Anders gezegd, de beslissing tot afwijzing van de aanvraag kan als zodanig niet worden beschouwd als een tot schadevergoeding verplichtende onrechtmatige daad tegenover eiser.


Daarnaast brengt ook het feit dat verweerder bij het nemen van die beslissing kennelijk geen doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan verklaringen van eiser niet met zich dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld tegenover eiser. Dat verweerder niet op de woorden van eiser is afgegaan, maar op andere gegevens, zoals de gezamenlijke huurovereenkomst van eiser en [medehuurder] en de omstandigheid dat zij zich bij de aanvraag van een huisvestingsvergunning als partners presenteerden, houdt nog niet in dat eiser - zoals hij in dit geding onder meer heeft gesteld - is beschuldigd van oplichting of fraude.

Ook overigens heeft de rechtbank in de grieven van eiser geen aanknopingspunten kunnen vinden om te oordelen dat verweerder tegenover hem onrechtmatig heeft gehandeld bij het nemen van de beslissing van 15 september 1998.

Nu niet kan worden gezegd dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld tegenover eiser, is verweerder niet gehouden tot enigerlei schadevergoeding aan eiser en dus ook niet tot vergoeding van immateriŽle schade. Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat - afgezien van het voorgaande - er naar haar oordeel geen sprake is van een geleden immaterieel nadeel van zodanige aard dat er aanleiding zou kunnen zijn voor een vergoeding aan eiser, gelet op het bepaalde in artikel 6:106 BW. Verweerder had niet het oogmerk om enig leed toe te brengen aan eiser, terwijl in redelijkheid niet staande kan worden gehouden dat eiser in zijn eer of goede naam is geschaad dan wel op andere wijze in zijn persoon is aangetast door de wijze waarop de onderhavige bijstandsaanvraag is afgehandeld. Voor zover er een verband kan worden gelegd tussen verweerders beslissing van 15 september 1998 en een hartinfarct bij eiser, gaat het te ver om te stellen dat eiser door die beslissing lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Voor een veroordeling in proceskosten zijn geen termen aanwezig.




5. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA7188
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: 00/50 NABW Z BUC
Datum uitspraak: 9 augustus 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 17 en 39 Abw (= 15 en 35 Wwb) / 3:2, 7:12 en 8:52 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten ouderbijdrage; LBIO; kostenbesparing; voorliggende voorziening; zorgvuldigheid; motivering; versnelde behandeling
Essentie: Onterechte afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van ouderbijdrage (eigen bijdrage) in de kosten van verblijf van eiseresses zoon in een semi-residentiŽle inrichting. Aangezien de zoon geen maaltijden gebruikt in de inrichting is de gemeente ten onrechte uitgegaan van kostenbesparing.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Maastricht 00/50 NABW Z BUC




U I T S P R A A K




inzake:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder.



Datum van het bestreden besluit: 7 december 1999.
Kenmerk: 01.21/990273B-AJ.
Datum van behandeling ter zitting: 28 juni 2000.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het namens eiseres ingediende bezwaarschrift tegen verweerders besluit van 5 maart 1999 inzake de weigering van toekenning van bijzondere bijstand ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit onverkort gehandhaafd.

Tegen eerstvermeld besluit heeft de gemachtigde van eiseres, mw. mr. E.B.A. Ferwerda, advocaat te Heerlen, bij schrijven van 10 januari 2000 beroep ingesteld. Het beroep is bij brieven van 21 maart 2000 en 20 april 2000 nader toegelicht.

Verweerder heeft bij schrijven van 9 februari 2000 een verweerschrift ingediend.

De door verweerder ter voldoening aan artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn op 15 februari 2000 in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Door de gemachtigde van eiseres is bij brief van 26 april 2000 een verzoek om versnelde behandeling ingediend. Gelet op hetgeen daartoe is aangevoerd, heeft de rechtbank het verzoek op grond van het bepaalde in artikel 8:52 van de Awb bij beschikking van 2 mei 2000 toegewezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 28 juni 2000, alwaar namens eiseres is verschenen mr. Ferwerda, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. A.T.M. Jacobs, ambtenaar ter gemeentesecretarie.




II. Overwegingen


II.1. Eiseres ontvangt vanwege verweerders gemeente een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Haar drie kinderen X, Y en Z, respectievelijk geboren op [...] 1992, [...] 1994 en [...] 1996, wonen bij eiseres.

Zoon X verblijft sedert 8 februari 1999 op werkdagen na school in het P-centrum te Q, een zogeheten semi-residentiŽle inrichting.

Eiseres is voor het verblijf in deze semi-residentiŽle inrichting een ouderbijdrage (eigen bijdrage) van É82,50 per maand verschuldigd aan het Rijk casu quo het Landelijk Bureau Inning Ouderbijdragen.

Eiseres heeft op 23 februari 1999 bij verweerder een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van voornoemde ouderbijdrage en voor taxikosten ten behoeve van de ritten van X van school naar het P-centrum en vandaar naar huis, ťťn en ander voor de periode van 8 februari 1999 tot 8 februari 2000.

Bij besluit van 5 maart 1999, verzonden op 15 april 1999, is aan eiseres meegedeeld dat haar aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van de ouderbijdrage is afgewezen, omdat niet is gebleken dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 39 van de Abw. Daarbij is onder meer verwezen naar het besparingsprincipe (dat verband houdt met de opgelegde ouderbijdrage) en de omstandigheid dat eiseres ten behoeve van X kinderbijslag ontvangt. Bij voornoemd besluit is tevens aan eiseres meegedeeld dat aan haar bijzondere bijstand voor eerder genoemde taxikosten wordt verleend; de bijstand zal na overlegging van de maandelijks door haar in te dienen kwitanties worden verleend. De draagkrachtperiode is daarbij vastgesteld van 1 februari 1999 tot 1 februari 2000.

Tegen de in voornoemd besluit vervatte weigering om bijzondere bijstand toe te kennen ter zake van de ouderbijdrage heeft de Socialistische Partij, afdeling [...], namens eiseres bij schrijven van 24 mei 1999 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Namens eiseres zijn bij schrijven van 13 juni 1999 de gronden van het bezwaar ingediend. De bezwaren richten zich met name tegen het door verweerder gehanteerde besparingsprincipe in de situatie van eiseres.

Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift is eiseres in de gelegenheid gesteld om haar bezwaren op 4 augustus 1999 ter hoorzitting nader toe te lichten, van welke gelegenheid haar toenmalige gemachtigde gebruik heeft gemaakt. Van het verhandelde ter hoorzitting is een verslag gemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

II.2. Bij het thans bestreden besluit van 7 december 1999 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en zijn besluit van 5 maart 1999 onverkort gehandhaafd.
Verweerder hanteert blijkens het bestreden besluit als uitgangspunt dat, indien er een ouderbijdrage verschuldigd is, ervan wordt uitgegaan dat sprake is van bespaarde kosten voor de ouder(s). De hoogte van de ouderbijdrage is afgeleid van de gemiddelde kosten per maand per kind van een gezin met twee kinderen met een netto-inkomen naar de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder, inclusief vakantietoeslag. De ouderbijdrage dient, aldus verweerder, deels uit het inkomen van de ouder(s) - waarbij het besparingsprincipe van toepassing is - en deels uit de kinderbijslag - indien daar recht op bestaat - bekostigd te worden.
Voor de ouderbijdrage kan op grond van verweerders beleid ter zake derhalve (slechts) bijzondere bijstand worden verleend, indien:
- het inkomen gemiddeld minder bedraagt dan het (bijstands)inkomen van een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder, of
- geen aanspraak bestaat op kinderbijslag voor het desbetreffende kind.

Nu eiseres een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder geniet en voorts kinderbijslag voor X ontvangt en er niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van het desbetreffende beleid moet worden afgeweken, is de aanvraag terecht afgewezen, aldus verweerder.

II.3. Blijkens het beroepschrift en de aanvullingen daarop kan eiseres zich niet met verweerders besluit op bezwaar van 7 december 1999 verenigen.
Namens eiseres is daarbij aangevoerd dat X net als ieder ander kind gewoon naar school gaat en hij na schooltijd naar het P-centrum moet voor begeleiding. Alle maaltijden gebruikt hij echter gewoon thuis. Er is dus geen enkele besparing tengevolge van de plaatsing in het P-centrum, maar er zijn wel extra kosten, te weten de door eiseres te betalen ouderbijdrage. Er is dan ook in dit geval sprake van noodzakelijke bestaanskosten tengevolge van bijzondere, individuele omstandigheden waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan. Verweerder heeft ten onrechte niet gekeken naar de individuele omstandigheden van het onderhavige geval en is slechts uitgegaan van meergenoemd besparingsprincipe.
Eiseres heeft voorts verwezen naar de uitspraak van de rechtbank te Assen van 16 oktober 1996 (JABW 1997/6), naar de uitspraak van de president van die rechtbank van 25 april 1996 (JABW 1996/139) en naar de uitspraken van de rechtbank te Maastricht, bekend onder de reg.nrs. AWB 98/1720 en 98/1875.

II.4. In het verweerschrift is verwezen naar het in verweerders beleid neergelegde besparingsprincipe, dat voortvloeit uit het op artikel 41a van de Wet op de jeugdhulpverlening gebaseerde Besluit bijdragen justitiŽle kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening (Stb. 1995, 226). Het is dus niet de gemeente die bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand vaststelt dat betrokkene een besparing op het haar ter beschikking staande budget heeft als gevolg van het verblijf van X in een semi-residentiŽle inrichting; de besparing vloeit van rechtswege voort uit de toepasselijke landelijke regelgeving, aldus verweerder.

II.5. De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of verweerder de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van de ouderbijdrage terecht en op goede gronden heeft afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.

II.5.1. Ingevolge artikel 6 van de Abw wordt in deze wet verstaan onder:
a.  algemene bijstand: de bijstand die wordt verstrekt ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;
b.  bijzondere bijstand: de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan;
c.  voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen ter bekostiging van specifieke uitgaven.

Artikel 7, eerste lid, van de Abw bepaalt dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Artikel 17, eerste lid, van de Abw bepaalt dat geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

Artikel 39, eerste lid, van de Abw bepaalt dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht.

Artikel 40, eerste lid, van de Abw bepaalt dat burgemeester en wethouders voor de vaststelling van de draagkracht geheel of gedeeltelijk in beschouwing nemen:
a. het in aanmerking te nemen vermogen;
b. het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 41a, eerste lid, van de Wet op de jeugdhulpverlening zijn onderhoudsplichtige ouders aan het Rijk een bijdrage verschuldigd in de kosten van verzorging en verblijf van hun kind(eren) in een op grond van die wet voor bekostiging in aanmerking gebrachte voorziening.

Ingevolge het bepaalde in artikel 41a, tweede lid, van de Wet op de jeugdhulpverlening wordt de ouderbijdrage vastgesteld naar de leeftijd van de jeugdige en naar de aard van de verzorging en het verblijf. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de hoogte van de bijdrage.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1 van het Besluit bijdragen justitiŽle kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening (Besluit van 26 april 1995, Stb. 1995, 226) bedraagt de
ouderbijdrage in de kosten van verzorging en verblijf als bedoeld in artikel 41a van de Wet op de jeugdhulpverlening indien het semi-residentiŽle hulpverlening betreft voor een kind van 6 tot en met 11 jaar É82,50 per maand.

In een brief aan de Tweede Kamer van de Staatssecretarissen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en van Justitie (Kamerstukken II 1994-1995, 22 060, nr. 13) is toegelicht op welke wijze de hoogte van de ouderbijdrage is bepaald voor de residentiŽle hulpverlening. Die toelichting vermeldt dat de hoogte van de eigen bijdrage van de ouder(s) deels is afgeleid uit een berekening van de gemiddelde kosten welke per maand voor een kind worden gemaakt in een eenoudergezin met twee kinderen dat op bijstandsniveau moet leven. De berekening zelf is niet kenbaar gemaakt. De eigen bijdrage is opgebouwd uit de voor het kind te ontvangen kinderbijslag en uit een deel (tot maximaal de helft) van de (niet kenbaar) berekende besparing. Voor de semi-residentiŽle hulpverlening is de uitkomst van deze exercitie gedeeld door twee. Niet is vermeld waarom deze delingsfactor is gekozen.

II.5.2. Allereerst is in het onderhavige geval van belang of sprake is van een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, toereikend en passend moet worden geacht.

Nu de Wet op de jeugdhulpverlening de opvang van het kind van eiseres bekostigt, moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat voornoemde wet moet worden beschouwd als een voorliggende voorziening in de zin van artikel 17, eerste lid, van de Abw.

De rechtbank is echter van oordeel dat artikel 17 van de Abw niet in de weg staat aan de mogelijke vergoeding op grond van de Abw van de door eiseres in het kader van voornoemde wet verschuldigde eigen bijdrage. De rechtbank acht zich hierbij gesteund door de eerder vermelde uitspraken van de (president van de) rechtbank te Assen van 16 oktober 1996 en 25 april 1996.

II.5.3. De rechtbank overweegt voorts dat de vraag of en in hoeverre de verschuldigde eigen bijdrage op grond van de Abw kan worden vergoed met name moet worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Abw.

De rechtbank stelt voorop dat, mede gelet op het ter zitting desgevraagde standpunt van verweerder ter zake, de uit de plaatsing van X in de semi-residentiŽle inrichting voortvloeiende kosten - zijnde de door eiseres verschuldigde ouderbijdrage - gerekend moeten worden tot de noodzakelijke kosten van het bestaan.

II.5.4. Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of sprake is van individuele omstandigheden die ertoe leiden dat die kosten niet uit de normuitkering en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

In dit kader is van belang of daadwerkelijk sprake is van de door verweerder veronderstelde besparing.
Vaststaat dat X ten tijde hier van belang thuis woonde, dat het slechts naschoolse opvang betrof en dat de maaltijden thuis gebruikt werden. Verweerder heeft, mede gezien het feit dat X slechts een gering deel van de dag in het P-centrum verbleef, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in dit concrete geval daadwerkelijk sprake was van kostenbesparing. De rechtbank verwijst hierbij voorts naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 december 1999 (JABW 2000/21).

Verweerder heeft, nu een draagkrachtberekening toegespitst op de kosten van de onderhavige ouderbijdrage ontbreekt, voorts onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de in geding zijnde kosten uit de normuitkering en de aanwezige draagkracht van eiseres konden worden voldaan.
Uit de gedingstukken blijkt overigens dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de taxikosten ervan uit is gegaan dat ten tijde hier van belang gťťn sprake was van draagkracht.

Verweerder heeft de afwijzing van de gevraagde bijstand gebaseerd op zijn beleid dat slechts tot het toekennen van bijzondere bijstand wordt overgegaan indien het inkomen gemiddeld minder bedraagt dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder of geen aanspraak bestaat op kinderbijslag voor het desbetreffende kind.
Door deze handelwijze heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de individuele toets die artikel 39, eerste lid, van de Abw voorschrijft, miskend.

Door verweerders gemachtigde is dienaangaande ter zitting aangevoerd dat geen aanleiding bestond om tot een individuele beoordeling van de omstandigheden van eiseres over te gaan, nu de Algemene Kinderbijslagwet als voorliggende voorziening voor de ouderbijdrage geldt. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen en verwijst in dit kader naar hetgeen hierboven onder II.5.2. door de rechtbank is overwogen.

De rechtbank merkt voorts ten overvloede op dat door verweerder (ook) is voorbijgegaan aan de omstandigheid dat eiseres drie kinderen verzorgt, terwijl voor de berekening van de ouderbijdrage - zoals hierboven is uiteengezet - is uitgegaan van een gezin met twee kinderen.

II.5.5. Gezien het bovenstaande moet geconcludeerd worden dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel en het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb verwoorde motiveringsbeginsel.
Gelet op hetgeen is overwogen, kan het bestreden besluit in rechte geen stand houden. Het beroep is derhalve gegrond.

II.6.6. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten met een waarde van É710,- per punt toe voor de indiening van het beroepschrift en voor het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x É710,- x 1 = É1420,-.

Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 24 mei 1999 met inachtneming van deze uitspraak;
3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van É60,- wordt vergoed door de gemeente Heerlen;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op É1420,-, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Heerlen aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Maastricht.

Aldus gedaan door mr. W.L.J. Voogt in tegenwoordigheid van mr. C.M. Bunschoten als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2000 door mr. Voogt voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C.M. Bunschoten            w.g. W.L.J. Voogt




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op: 9 augustus 2000.




Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken. Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA7322
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 99/351 NABW 58
Datum uitspraak: 24 augustus 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 78c en 87 Abw (= Ė en 60 Wwb)
Trefwoorden: terugvordering; afzien van verdere terugvordering; dringende redenen; fraudeschuld
Essentie: Terechte afwijzing verzoek om af te zien van verdere terugvordering na vijf jaren aflossing op een schuld wegens bijstandsfraude, omdat geen sprake is van dringende redenen. Uitgangspunt is dat zoveel mogelijk van de schuld moet worden terugbetaald.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zutphen 99/351 NABW 58




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 23 maart 1999.




2. Feiten


Eiser ontvangt van de zijde van verweerder sedert 1 maart 1991 een bijstandsuitkering. In verband met verzwegen inkomsten over de periode van 1 maart 1991 tot 1 mei 1993 heeft de kantonrechter te Harderwijk bij beschikking van 21 december 1995 vastgesteld dat eiser aan verweerder een bedrag ad É30.779,32 verschuldigd is.

Vanaf 1 juli 1993 is verweerder vervolgens overgegaan tot maandelijkse inhoudingen op de aan eiser verstrekte bijstand. Voorts is het vakantiegeld jaarlijks op de vordering in mindering gebracht, waarbij laatstelijk van de vordering een bedrag van É24.832,17 resteerde.

Bij schrijven van 12 november 1998 is namens eiser verzocht van verdere terugvordering af te zien. Bij besluit van 30 november 1998 heeft verweerder geweigerd van verdere terugvordering af te zien.

Namens eiser is tegen het besluit van 30 november 1998 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn weigering gehandhaafd, waarbij verweerder heeft aangegeven slechts in het kader van een schuldbemiddeling of schuldsanering van alle schulden van eiser onder bepaalde voorwaarden gedeeltelijk van terugvordering af te willen zien. Ten slotte heeft verweerder onder toepassing van artikel 87, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) het aflossingsbedrag ingaande 1 augustus 1998 op É75,- vastgesteld, waarbij vanaf 1 april 1999 maandelijks É60,- op de bijstand wordt ingehouden en bij de uitbetaling van de vakantie-uitkering het restant van É15,- per maand zal worden ingehouden.




3. Procesverloop


Namens eiser is door mevr. mr. M.E. Butter, advocaat te Ermelo, beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Door partijen zijn nog medische rapporten in geding gebracht.

Het beroep is behandeld ter zitting van 23 augustus 2000, waar voor eiser is verschenen mr. P.J. Graafstal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevr. G.L. Hoek.




4. Gronden


4.1. Ingaande 1 augustus 1998 is de Wet herziening debiteurenbeleid (Wet van 9 april 1998, Stb. 278) [Wet terugvordering en verhaal in verband met herziening van het debiteurenbeleid, red.] in werking getreden. In verband hiermee zijn de terugvorderingsbepalingen in de Algemene bijstandswet (Abw) datum [met ingang van die datum, red.] gewijzigd. Artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw bepaalt sinds 1 augustus 1998 dat burgemeester en wethouders kunnen besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien (onder meer) indien de belanghebbende gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

4.2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat er in zijn geval dringende redenen zijn om van verdere terugvordering af te zien aangezien hij vijf jaar aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, hij tengevolge van medische behandelingen hoge lasten heeft en hij door de terugvordering ernstige psychische problemen ervaart.

4.3. De rechtbank stelt allereerst vast dat de onderhavige terugvordering ontstaan is onder de werking van de Algemene Bijstandswet (ABW), zoals die wet tot 1 januari 1996 gold. Gelet op het ter zake geldende overgangsrecht wordt de onderhavige terugvordering derhalve in beginsel beheerst door de bepalingen van de (oude) ABW.

Hoewel in het kader van de Wet herziening debiteurenbeleid [Wet terugvordering en verhaal in verband met herziening van het debiteurenbeleid, red.] door de wetgever slechts wijziging is gebracht in de terugvorderingsbepalingen van de (nieuwe) Abw, is de rechtbank van oordeel dat een redelijke uitleg van de ter zake geldende wettelijke bepalingen met zich meebrengt dat ten aanzien van besluiten als de onderhavige, waar het gaat om de tenuitvoerlegging van een onder de ABW tot stand gekomen terugvorderingsbesluit, het nieuwe (Abw-)recht van toepassing is. De rechtbank acht in dit verband van belang dat de Wet herziening debiteurenbeleid gezien zijn doelstelling met name ook heeft beoogd tot een efficiŽnt en doelmatig incassobeleid te komen met betrekking tot oudere (onder de ABW ontstane) vorderingen.

Gelet hierop heeft verweerder eisers verzoek terecht getoetst aan de Abw-bepalingen zoals die sinds 1 augustus 1998 zijn komen luiden.

4.4. Verweerders standpunt dat er in eisers geval vooralsnog geen aanleiding bestaat gebruik te maken van de hem toekomende bevoegdheid om van verdere terugvordering af te zien, kan daarbij de - beperkte - rechterlijke toetsing doorstaan.

Verweerder heeft in dit verband terecht overwogen dat de versoepeling van de terugvorderingsbepalingen blijkens de wetsgeschiedenis met name ziet op situaties waarin incasso onmogelijk is geworden of met zeer veel nadelige effecten gepaard gaat. Uitgangspunt blijft daarbij dat zoveel mogelijk van de schuld moet worden terugbetaald. Verweerder heeft voorts in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat er geen dringende redenen zijn om in eisers geval van dit uitgangspunt af te wijken, gelet op het feit dat eisers hoge medische kosten deels door het ziekenfonds worden vergoed en voor het overige uit de bijzondere bijstand kunnen worden bestreden. Ook de overige lasten van eiser beziend heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat die lasten niet dusdanig hoog zijn te achten dat dit een reden zou moeten vormen van verdere terugvordering af te zien.

Met betrekking tot eisers stelling dat de terugvordering voor hem dermate uitzichtloos is dat dit tot ernstige psychische problemen heeft geleid, heeft verweerder voorts het standpunt ingenomen dat, gelet op de inhoud van de overgelegde medische rapporten, bij eiser reeds sprake was van ernstige psychiatrische problematiek voordat de in geding zijnde terugvordering was ontstaan.

Verweerder kan in dit verband gevolgd worden in zijn standpunt dat niet aannemelijk is dat de door verweerder gedane inhoudingen de enige en directe oorzaak zijn van de bij eiser bestaande psychiatrische problematiek. Van belang in dit verband is ten slotte nog dat in verband met een aantal op eisers uitkering rustende beslagen stopzetting van verweerders inhoudingen niet zal leiden tot een verbetering van eisers financiŽle positie op de korte termijn.

4.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).




5. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x