Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA7515
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Amsterdam
Zaaknummer: AWB 00/2868 NABW
Datum uitspraak: 26 juni 2000
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 7 Abw (= 11 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; beŽindiging bijstand; Koppelingswet; gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; Ieren
Essentie: Onterechte beŽindiging bijstand, omdat de Koppelingswet buiten toepassing dient te worden gelaten zolang nog niet vaststaat dat de betrokken Ierse alleenstaande ouder, die reeds vůůr inwerkingtreding van de Koppelingswet bijstand was toegekend, geen verblijfstatus toekomt waaraan een recht op bijstand gekoppeld is. Zij dient derhalve ingevolge de Abw c.a. te worden gelijkgesteld met een Nederlander.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorlopige voorziening
Rechtbank Amsterdam AWB 00/2868 NABW




U I T S P R A A K




inzake:

[verzoekster], geboren op [...] 1958, wonende te [woonplaats], verzoekster,

tegen:

het college van burgemeester  en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 20 april 2000, nr. 50/5221/1 003.




2. Ontstaan en loop van het geding


Bij het bestreden besluit heeft verweerder meegedeeld dat de uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet van verzoekster met ingang van 19 mei 2000 wordt beŽindigd.

Tegen dit besluit heeft mr. W. de Vries, advocaat te Amsterdam, namens verzoekster op 8 mei 2000, aangevuld bij brief van 23 mei 2000, bezwaar gemaakt.

Bij brief van 15 mei 2000 heeft mr. W. de Vries, voornoemd, zich namens verzoekster tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op 29 mei 2000 desgevraagd de op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden.

Het verzoek is op 9 juni 2000 ter zitting behandeld. Verzoekster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. De Vries, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.M. Boegborm, werkzaam bij de gemeentelijke sociale dienst.




3. Motivering


Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.



Feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster heeft de Ierse nationaliteit. Zij is laatstelijk op 6 maart 1997 met haar twee kinderen, [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1984, en [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1986, Nederland ingereisd. De kinderen van verzoekster bezitten de Nederlandse nationaliteit. Sedert 10 maart 1991 ontving verzoekster een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Deze uitkering is met ingang van 1 september 1998 beŽindigd in verband met de per 1 juli 1998 in werking getreden Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 203, de zogenoemde Koppelingswet. Tegen deze beŽindiging is bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 november 1998 is het bezwaar gegrond verklaard en is de bijstandverlening voortgezet.

Op 18 maart 1997 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf (VTV) met als doel "verblijf bij minderjarige kinderen". Deze aanvraag is afgewezen. Nadat het bezwaar tegen de afwijzing ongegrond was verklaard, heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 23 juli 1999 is het beroep ongegrond verklaard. Verzoekster heeft op 7 oktober 1999 een nieuwe aanvraag voor een VTV ingediend.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder besloten de uitkering te beŽindigen, omdat verzoekster niet langer een geldige verblijfstatus heeft.



Standpunten van partijen

Verzoekster kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet in rechte kan standhouden. Op de nieuwe aanvraag voor een verblijfsvergunning is nog niet beslist. De stelling in het besluit dat verzoekster niet langer een geldige verblijfstatus heeft, is onjuist.
Zij heeft geen verblijfsrecht in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw). Ten opzichte van de situatie in november 1998 en in oktober 1999 is echter geen wijziging opgetreden. Toen oordeelde verweerder nog dat het Europees verdrag voor sociale en medische bijstand (EVSMB) tot voortzetting van de uitkering noopte in afwijking van de bepalingen van de Koppelingswet. Met de enkele verwijzing naar de ongewijzigde verblijfspositie van verzoekster en zonder nadere motivering berust het bestreden besluit niet op een draagkrachtige motivering. In het bestreden besluit is vermeld dat verzoekster op 17 april 2000 niet is verschenen bij de sociale dienst om een mondelinge toelichting te geven, waardoor de sociale dienst niet over informatie beschikt die een andere beslissing mogelijk maakt. Bij brief van 10 april 2000 is aan de sociale dienst naar voren gebracht dat de beŽindiging van de uitkering in strijd is met artikel 1 van het EVSMB en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Op 14 april 2000 is vervolgens telefonisch contact opgenomen met de behandelend medewerker van de sociale dienst en is de vraag naar voren gebracht of een bezoek aan het kantoor nog wel zinvol was. De medewerker had geen bezwaar tegen het afzien van een gesprek met verzoekster, gelet op de brief van 10 april 2000 en de gang van zaken bij een eerder bezoek in oktober 1999.
Ten tijde van het bestreden besluit verbleef verzoekster rechtmatig in Nederland in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, nu zij in afwachting is van haar aanvraag om toelating in Nederland. Gelet hierop zijn de bepalingen in artikel 7 van de Abw en artikel 1 van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz strijdig met het bepaalde in artikel 26 van het IVBPR.
De president wordt verzocht te bepalen dat verzoekster recht heeft op een voorschot op een uitkering op grond van de Abw volgens de voor haar geldende bijstandsnorm alsmede dat verweerder wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.

Ter zitting heeft verzoekster nog doen meedelen dat haar nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning in oktober 1999 niet terstond is afgewezen op grond van artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht, omdat er sprake was van relevante nieuwe omstandigheden waaronder het feit dat ťťn van de kinderen van verzoekster onder toezicht is gesteld.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster geen recht heeft op bijstand zolang haar verblijfstatus niet door de vreemdelingenpolitie is veranderd.

Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat het bestreden besluit gebaseerd is op de Circulaire van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 17 februari 2000 naar aanleiding van de uitspraak van het gerechtshof te Den Haag van 20 januari 2000, waarbij de uitspraak van de president van de rechtbank te Den Haag d.d. 7 oktober 1999 werd vernietigd. In oktober 1999 is niet tot intrekking van de uitkering overgegaan, omdat toen nog de instructie gold dat de uitkering in gevallen als dat van verzoekster bij rechtmatig verblijf diende te worden voortgezet.



Overwegingen

De president heeft het volgende overwogen.

Sinds de inwerkingtreding van de Koppelingswet luidt artikel 7 Abw voor zover hier van belang als volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, voor de toepassing van de wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. (..); of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

De hiervoor genoemde algemene maatregel van bestuur is het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (Stb. 1998, 308, hierna: het besluit).

Artikel 1b Vw luidt als volgt:
Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:
-1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
-2. (...);
-3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
-4. (...);
-5. (...).

Nu verzoekster niet beschikt over de Nederlandse nationaliteit en er ten aanzien van haar geen sprake is van rechtmatig verblijf in de zin van voormeld artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, kan zij aan het bepaalde in artikel 7, tweede lid, Abw geen aanspraak op gelijkstelling met een Nederlander ontlenen. Tevens moet onder de gegeven omstandigheden en als vaststaand worden aangenomen dat verzoekster aan het bepaalde bij of krachtens artikel 7, derde lid, Abw evenmin een zodanige aanspraak kan ontlenen.

Verzoekster heeft zich beroepen op het discriminatieverbod dat onder meer is neergelegd in artikel 1 EVSMB en in artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
In navolging van de uitspraak van deze rechtbank van 4 augustus 1999 (zie o.8. RSV Katern 1999. nr. 10), die betrekking had op de kinderbijslagverzekering, is de president voorshands van opvatting dat er in de in casu aan de orde zijnde bepalingen sprake is van een onderscheid naar nationaliteit, hetgeen slechts is toegestaan indien daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat.
In de genoemde uitspraak is onder meer overwogen dat de met de Koppelingswet nagestreefde beleidsdoelstellingen in beginsel een rechtvaardigingsgrond opleveren voor een onderscheid naar nationaliteit als het onderhavige en voorts dat die wet een geschikt, genuanceerd en proportioneel middel vormt om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken. Tevens werd echter overwogen dat ten aanzien van bepaalde categorieŽn van vreemdelingen een rechtvaardiging voor het bedoelde onderscheid naar nationaliteit ontbreekt. Dit laatste geldt met name ten aanzien van vreemdelingen die vůůr het in werking treden van de Koppelingswet reeds verzekerd waren ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet en die een uitspraak in beroep en/of een voorlopige voorziening tegen een afwijzende beslissing op hun verzoek om toelating op een of andere wijze in Nederland mogen afwachten. Het afbouwen van de door deze vreemdelingen opgebouwd rechtspositie (op het gebied van de sociale verzekering) achtte de rechtbank eerst gerechtvaardigd vanaf het ogenblik waarop vaststaat dat de vreemdeling inderdaad geen verblijfstatus toekomt waaraan die socialeverzekeringsrechten - in casu de kinderbijslagverzekering - gekoppeld is.

De president neemt de hierboven weergegeven overwegingen van de rechtbank over en legt ze ten grondslag aan zijn voorlopig oordeel in de onderhavige zaak.

Verzoekster was reeds vůůr de inwerkingtreding van de Koppelingswet in het genot van een bijstandsuitkering. Voor zover de Koppelingswet het verlies van haar uitkering zou meebrengen, moest die wet dus buiten toepassing worden gelaten zolang nog niet vaststond dat haar geen verblijfstatus toekwam waaraan een recht op bijstand gekoppeld is.
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 23 juli 1999 verzoeksters beroep tegen de weigering van een verblijfsvergunning ongegrond verklaard. Daarmee kwam vast te staan dat haar geen verblijfstatus toekwam waaraan een recht op bijstand gekoppeld is. Verweerder heeft toen echter de uitkering van verzoekster niet beŽindigd. Toen verzoekster in oktober 1999 een nieuwe aanvraag voor een verblijfsvergunning indiende, ontstond opnieuw een situatie waarin zij de uitkomst van de procedure in Nederland mocht afwachten terwijl haar bijstandsuitkering nog steeds doorliep.
Onder verwijzing naar de bovenaangehaalde uitspraak van 4 augustus 1999 van de meervoudige kamer van deze rechtbank acht de president het aannemelijk dat het bestreden besluit niet in rechte zal kunnen standhouden.

Naar het oordeel van de president weegt het belang van verzoekster bij het toekennen van de gevraagde voorlopige voorziening zwaarder dan de belangen betrokken bij de onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit, zodat er aanleiding is het verzoek toe te wijzen.

Gelet op het voorgaande zal verweerder worden veroordeeld in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van
É1420,-.




4. Beslissing


De president:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder aan verzoekster voorschotten zal verlenen ter hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm;
- bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt zes weken na de bekendmaking van verweerders beslissing op verzoeksters bezwaar tegen het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van
É1420,- (zegge: veertienhonderd twintig gulden), te betalen door de gemeente Amsterdam aan verzoekster;
- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het griffierecht ten bedrage van
É60,- aan verzoekster vergoedt.

Gewezen door mr. T. van Peijpe. fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. E.J. Lambo, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2000 door mr. T. van Peijpe, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier,            De president,




Afschrift verzonden op: 23 Juni 2000.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA8237
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Rotterdam
Zaaknummer: ABW 99/2235-GSS
Datum uitspraak: 13 september 2000
Soort procedure: verzet
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 6:15; 8:54 en 8:55 Awb
Trefwoorden: bezwaar; niet-ontvankelijk; termijnoverschrijding; doorzendplicht; bezwaarschrift; verzet
Essentie: Ten onrechte is het beroep kennelijk ongegrond verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn, omdat de sociale dienst, daar zij onderdeel uitmaakt van B&W en aan haar de bevoegdheid is gemandateerd te beslissen op bijstandsaanvragen, het bezwaarschrift diende door te zenden aan B&W.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Rotterdam ABW 99/2235-GSS




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht, op het verzet van:

[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
gemachtigde: mr. E.S. Fikkert, advocaat te Rotterdam,

tegen:

de uitspraak van de rechtbank van 2 februari 2000 in het geding tussen opposant en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam over het besluit van dat college van 24 augustus 1999.




1. Ontstaan en loop van de procedure


Bij besluit van 24 augustus 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: verweerder) de bezwaren van opposant tegen twee besluiten van 3 april 1998, waarbij de aanvragen om bijzondere bijstand voor kosten van respectievelijk Nozinan en multivitaminen zijn afgewezen, niet-ontvankelijk verklaard.

Opposant heeft bij faxbericht van 7 oktober 1999 tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld.

De rechtbank heeft op 2 februari 2000 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het beroep ongegrond verklaard.

De gemachtigde van opposant heeft tegen deze uitspraak bij faxbericht van 10 maart 2000 verzet gedaan en zij heeft daarbij niet aangegeven dat zij gehoord wil worden.




2. Overwegingen


In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 2 februari 2000 het beroep van opposant terecht met toepassing van artikel 8:54 van de Awb vereenvoudigd heeft behandeld, omdat zij tot het oordeel kwam dat het beroep kennelijk ongegrond was. Dit oordeel was gebaseerd op de overweging dat het bezwaar, ingediend bij een onbevoegde instantie ondanks een correcte rechtsmiddelenclausule onder beide besluiten van 3 april 1998, te laat is ingediend bij het bevoegde orgaan en dat ook al was het aan het einde van de bezwaartermijn gemaakte bezwaar door de onbevoegde instantie zo spoedig mogelijk doorgezonden dit niet tot een ander oordeel had kunnen leiden.

In haar verzetschrift heeft de gemachtigde van opposant een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, omdat haar nooit is medegedeeld dat het bezwaar zou zijn ingediend bij een onbevoegd orgaan. Voorts heeft zij verwezen naar artikel 6:15, derde lid, onderdeel c, van de Awb [oud, red.].

Verweerder heeft in een brief van 16 maart 2000 gesteld dat hij zich kan vinden in de uitspraak van de rechtbank van 2 februari 2000. Verweerder heeft aangegeven nog steeds van mening te zijn dat het beroep op artikel 6:15, derde lid, onderdeel c, van de Awb [oud, red.] dient te worden verworpen. Ten slotte heeft de gemachtigde van verweerder de rechtbank verzocht zo mogelijk in te gaan op de problematiek van de verschillende organen van hetzelfde openbaar lichaam en hij heeft daarbij gewezen op uitspraken van deze rechtbank geregistreerd onder nummers 95/4750 en 99/1624.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Verweerder heeft de besluiten van 3 april 1998 op 9 april 1998 aan opposant gezonden. Deze besluiten zijn daarmee overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bekend gemaakt aan degene tot wie de besluiten zijn gericht.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is derhalve op 10 april 1998 aangevangen.

Artikel 6:9 van de Awb bepaalt dat een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien het vůůr het einde van de termijn is ontvangen, en bij verzending per post, indien het vůůr het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan ťťn week na afloop van de termijn is ontvangen.

Het bezwaarschrift van opposant had verweerder ingevolge genoemde artikelen uiterlijk op 21 mei 1998 dienen te ontvangen, dan wel had uiterlijk op 21 mei 1998 door opposant ter post bezorgd dienen te zijn.

Het voorlopig bezwaarschrift gedateerd 19 mei 1998 is per fax ingediend bij de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam en niet bij verweerder, terwijl onder de besluiten van 3 april 1998 in overeenstemming met artikel 3:45 van de Awb een correcte rechtsmiddelenclausule door verweerder is vermeld. Door de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid is geen datum van ontvangst vermeld op genoemd faxbericht en het is door deze dienst niet doorgezonden aan verweerder.

De gemachtigde van opposant heeft bij faxbericht van 15 juni 1998 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend ter zake van de besluiten van 3 april 1998. Blijkens het preadvies van kamer VI van de Algemene Beroepscommissie van de gemeente Rotterdam is het voorlopige bezwaarschrift van opposant op 13 juli 1999 door deze commissie ontvangen.

In artikel 6:15, eerste lid, van de Awb [oud, red.] is bepaald dat het bezwaar- of beroepschrift indien het wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk wordt doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.

Artikel 6:15, derde lid, van de Awb [oud, red.] luidt als volgt:
Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, indien:
a. geen juiste toepassing aan artikel 3:45 of artikel 6:23 is gegeven;
b. het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit; of
c. de onbevoegdheid van het orgaan voor de indiener van het geschrift op een andere grond onduidelijk kon zijn.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, is het bezwaar van 19 mei 1998 ondanks een juiste rechtsmiddelenclausule onder de primaire besluiten ingediend bij een verkeerde instantie, namelijk de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze dienst is geen bestuursorgaan. Deze dienst maakt echter deel uit van de verweerder, het is een dienst van verweerders gemeente, en verweerder heeft aan deze dienst de bevoegdheid gemandateerd om namens hem op aanvragen als hier in geding te beslissen. Dit betekent dat het bezwaar geacht moet worden bij verweerder te zijn ingediend. Aan de beantwoording van de vraag of, en zo ja, in hoeverre artikel 6:15 van de Awb [oud, red.] in het onderhavige geval van toepassing is, komt de rechtbank gezien het vorenstaande niet meer toe.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het beroep ten onrechte op grond van de aan het begin van deze rubriek genoemde overwegingen met toepassing van artikel 8:54 van de Awb ongegrond is verklaard.

Om deze reden is het verzet gegrond, zodat de uitspraak waartegen verzet was gedaan, vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.




3. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C.P. Goossens.
De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. P. Hirschhorn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 september 2000.

De griffier,            De rechter,




Afschrift verzonden op:

 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA8239
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 99/1126 NABW
Datum uitspraak: 12 september 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 65, 69 en 81 Abw (= 17, 54 en 58 Wwb)
Trefwoorden: inkomsten; schending inlichtingenverplichting; terugvordering; herzieningsbesluit; fraude
Essentie: Terechte terugvordering van bijstand wegens (verzwegen) inkomsten uit uitzendwerk.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zutphen 99/1126 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 8 oktober 1999.




2. Feiten


Bij besluit van 9 juni 1999 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat ten onrechte betaalde bijstand over de periode van 30 maart 1998 tot en met 29 november 1998 tot een bedrag van
É3624,62 bruto wordt teruggevorderd op grond van het bepaalde in artikel 81, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw). Verweerder heeft deze terugvordering gebaseerd op de constatering dat eiseres in genoemde periode in loondienst bij een uitzendbureau heeft gewerkt zonder daarvan melding te maken aan de gemeente.

Tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt bij brief van 9 juli 1999 onder bijvoeging van een op 17 juni 1999 gedateerd bezwaarschrift.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, het besluit tot terugvordering gehandhaafd en de toekenning van bijstand over genoemde periode alsnog met toepassing van het bepaalde in artikel 69, derde lid, van de Abw herzien overeenkomstig de bij het terugvorderingsbesluit gevoegde berekening.




3. Procesverloop


Namens eiseres heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van 16 mei 2000, waar eiseres noch haar gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P. van der Sluis.




4. Motivering


4.1. De rechtbank merkt allereerst op dat een besluit tot terugvordering van bijstand op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw dient te worden gebaseerd op een besluit tot intrekking of herziening van de bijstandstoekenning, als bedoeld in artikel 69, derde lid, van de Abw.

Verweerder heeft in het onderhavige geval het primaire besluit tot terugvordering genomen zonder een herzieningsbesluit te nemen. Bij de thans bestreden beslissing op bezwaar heeft verweerder alsnog aan het, bij die beslissing gehandhaafde, terugvorderingsbesluit een herzieningsbesluit ten grondslag gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee het aan verweerders primaire besluitvorming klevende gebrek op afdoende wijze hersteld.

4.2. Het onderhavige herzieningsbesluit is op zichzelf genomen een primair besluit, waartegen bezwaar bij verweerder dient te worden gemaakt alvorens beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld. Om redenen van proceseconomie en gelet op de inhoudelijke verwevenheid van de herziening en de terugvordering acht de rechtbank het aangewezen thans ook het herzieningsbesluit te beoordelen, in plaats van het beroep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het (impliciet) tegen dit besluit is gericht en het beroepschrift in zoverre door te zenden naar verweerder teneinde het als bezwaarschrift in behandeling te nemen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de in beroep (impliciet) tegen de herziening aangevoerde grief, inhoudende dat eiseres - anders dan verweerder meent - heeft voldaan aan de inlichtingenplicht ingevolge artikel 65 van de Abw, ook reeds in bezwaar is aangevoerd en dat verweerder deze grief bij de beslissing op bezwaar reeds heeft beoordeeld.

4.3. Gelet op de gedingstukken ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat eiseres in de geding zijnde periode regelmatig werkzaamheden heeft verricht via een uitzendbureau en daarmee het loon heeft verdiend dat bij de herberekening van de bijstandsuitkering in aanmerking is genomen. Gezien de kopieŽn van de maandelijks door eiseres ingeleverde inlichtingenformulieren (ROF-en [rechtmatigheidsonderzoeksformulieren, red.]) deelt de rechtbank voorts het standpunt van verweerder dat eiseres niet op behoorlijke wijze mededeling heeft gedaan van bedoelde werkzaamheden en inkomsten. De rechtbank kan zich verenigen met de dienaangaande bij het bestreden besluit gegeven motivering.

4.4. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat eiseres ter zake van bedoelde werkzaamheden en inkomsten niet behoorlijk heeft voldaan aan haar inlichtingenplicht ingevolge artikel 65 van de Abw. Verweerder heeft derhalve terecht en op goede gronden besloten tot herziening van de bijstand overeenkomstig de gemaakte herberekening.

4.5. Op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw is verweerder in beginsel gehouden tot terugvordering van de ten onrechte betaalde bijstand. Op grond van artikel 78, derde lid, van de Abw kan geheel of gedeeltelijk van terugvordering worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Van het bestaan van dringende redenen als hier bedoeld is de rechtbank niet gebleken. De in het aanvullend beroepschrift aangevoerde stelling dat eiseres in een precaire financiŽle situatie verkeert, is niet nader toegelicht en niet onderbouwd. Voorts valt niet in te zien dat de verzwijging van de inkomsten niet aan eiseres verwijtbaar zou zijn, nu elke argumentatie hieromtrent ontbreekt.

4.6. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat verweerder ten onrechte tot de in geding zijnde terugvordering is overgegaan. Het beroep dient dus ongegrond te worden verklaard.

4.7. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.




5. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA8349
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Almelo
Zaaknummer: 00/312 NABW Z1 A
Datum uitspraak: 5 oktober 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 55 en 58 ABW (= 78 en 82 Abw) (= 58 en 58 Wwb) / 1:3 en 6:11 Awb
Trefwoorden: vermogen; boedelscheiding; voorschot; echtscheiding; terugvordering; leenbijstand; geldlening; bezwaar; verschoonbare termijnoverschrijding
Essentie: Terechte terugvordering van (leen)bijstand wegens (verzwegen) vermogen uit boedelscheiding. Het feit dat het ontvangen vermogen eerst een voorschot betreft en er nog onzekerheid bestaat over het nog niet vaststaande aandeel in de boedelscheiding, staat aan terugvordering niet in de weg.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Almelo 00/312 NABW Z1 A




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: D. Greveling, werkzaam bij Greveling Rechtshulp te Hengelo,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder d.d. 7 maart 2000, verzonden op 8 maart 2000.




2. De feiten en het verloop van de procedure


Bij besluit van 19 september 1995 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 17 juli 1995 een periodieke uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij brief van gelijkluidende datum heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de uitkering over de periode 17 juli 1995 tot aan de datum van de feitelijke ontbinding van het huwelijk van eiseres als boedelschuld zal worden ingebracht bij de boedelnotaris. Daarbij is voorts meegedeeld dat de uitkering die wordt verstrekt na de feitelijke ontbinding van het huwelijk van eiseres zal worden teruggevorderd op de haar toekomende gelden uit de boedelscheiding.
Bij besluit van 13 september 1995 is aan eiseres een uitkering toegekend in de vorm van een renteloze geldlening van
É3500,- voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen. Ook bij dit besluit is eiseres meegedeeld dat de uitkering van haar zal worden teruggevorderd op de haar toekomende gelden uit de boedelscheiding.
Op 14 februari 1996 is de echtscheiding ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA).
De ABW-uitkering van eiseres is met ingang van 1 januari 1997 omgezet in een uitkering op grond van Algemene bijstandswet (Abw).

Naar aanleiding van een melding op 10 december 1996 dat eiseres zou samenwonen, is een onderzoek ingesteld. Uit het ingestelde onderzoek is vervolgens gebleken dat eiseres uit de verkoop van de echtelijke woning op 10 april 1996, respectievelijk 16 juli 1996, een bedrag van
É4370,28, respectievelijk É8151,-, heeft ontvangen. Daarnaast heeft zij van haar ex-echtgenoot op 23 oktober 1996 É7907,40 per kas ontvangen. Van deze ontvangsten heeft eisers geen melding gedaan aan verweerder.
Op 23 juni 1997 heeft eiseres bij de uitvoeringsinstelling GAK Nederland BV een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd, die haar met terugwerkende kracht tot 23 juni 1996 is toegekend.
Bij besluit van 31 augustus 1998 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat een bedrag van
É11.128,68 van haar wordt teruggevorderd. Daarbij is tevens meegedeeld dat dit besluit een uitvoering is van reeds in 1995 genomen terugvorderingsbesluiten, zodat geen bezwaar en beroep mogelijk is.
Op 12 februari 1999 heeft verweerder de kantonrechter te Enschede verzocht om een zogenaamde executoriale titel voor zijn vordering ad
É11.128,68 op eiseres. Bij beschikking van 28 juli 1999 heeft de kantonrechter de vordering vastgesteld op het vorengenoemde bedrag. Tegen deze uitspraak is eiseres in hoger beroep gegaan bij deze rechtbank, sector burgerlijke zaken. Bij beschikking van 3 november 1999 heeft de rechtbank de kantonrechter onbevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek van de gemeente d.d. 12 februari 1999.
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder op 8 november 1999, verzonden op 16 november 1999, een nieuw besluit genomen. Bij dat besluit wordt evenals bij het besluit van 31 augustus 1998 een bedrag van É11.128,68 van eiseres teruggevorderd, waarbij zij thans wel in de gelegenheid wordt gesteld om binnen zes weken na datum van verzending van dit besluit een bezwaarschrift in te dienen. Tevens heeft verweerder eiseres meegedeeld dat het eerdere op 31 augustus 1998 afgegeven besluit is komen te vervallen.
Namens eiseres is op 28 december 1999 een bezwaarschrift ingediend tegen verweerders besluit van 8 november 1999.
Eiseres is in de gelegenheid gesteld om haar bezwaren ter hoorzitting mondeling nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is op 8 februari 2000 gebruik gemaakt.
Bij het bestreden besluit van 7 maart 2000 is het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.
Blijkens het namens eiseres op 19 april 2000 ingediende beroepschrift kan zij zich niet verenigen met dit besluit.
Verweerder heeft op 16 mei 2000 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 14 september 2000, waar eiseres is verschenen bij haar gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door P. Paalman.




3. Overwegingen


In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 7 maart 2000, waarbij de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 8 november 1999 ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Voor het begrip rechtshandeling is kenmerkend dat het gaat om handelen gericht op rechtsgevolg.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, in verbinding met artikel 3:41 van de Awb, vangt die termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit is toegezonden of uitgereikt aan de belanghebbende(n).
Op grond van het bepaalde in artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het vůůr het einde van de termijn is ontvangen.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

De rechtbank stelt vast dat verweerder op 8 november 1999 een tweede besluit, gelijkluidend aan het besluit van 31 augustus 1998, heeft genomen. Een zelfde nieuw besluit, met juiste rechtsmiddelenverwijzing, levert naar het oordeel van de rechtbank geen besluit op in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het is niet op enig ander zelfstandig rechtsgevolg gericht dan dat reeds was beoogd met het besluit van 31 augustus 1998.

Voor zover het beroepschrift van eiseres is gericht tegen de beslissing op bezwaar van 7 maart 2000, waarbij het bezwaarschrift van 28 december 1999 tegen het besluit van 8 november 1999 ongegrond is verklaard, dient het beroep gegrond te worden verklaard. Immers verweerder had het bezwaarschrift tegen dat besluit niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Voor zover het bezwaarschrift van eiseres van 28 december 1999 is gericht tegen het besluit van 31 augustus 1998 is de rechtbank van oordeel dat hoewel dit niet is ingesteld binnen de termijn als bedoeld in artikel 6:7 Awb niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift achterwege dient te blijven. De door verweerder gezaaide verwarring door de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen het besluit van 31 augustus 1998 expliciet uit te sluiten, levert naar het oordeel van de rechtbank een verschoonbare termijnoverschrijding op.
Na de uitspraak van de rechtbank op 3 november 1999 had eiseres zo snel mogelijk - in het algemeen binnen een termijn van veertien dagen - alsnog bezwaar moeten instellen tegen het besluit van 31 augustus 1998. Door het schrijven van verweerder van 8 november 1999, verzonden op 16 november 1999, mocht zij echter verwachten de volle termijn te hebben en kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat zij hiermee in verzuim is geweest.

Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat namens eiseres ter zitting is verklaard dat zij het schrijven van verweerder van 8 november 1999 eerder had ontvangen dan de uitspraak van de rechtbank van 3 november 1999.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank met zijn schrijven van 8 november 1999 niet beoogd de werking van het terugvorderingsbesluit van 31 augustus 1998 ongedaan te maken, maar heeft uitsluitend beoogd de in de uitspraak van de rechtbank van 3 november 1999 aangegeven rechtsgang van bezwaar en beroep mogelijk te maken. Op grond daarvan kan niet worden geoordeeld dat het besluit van 31 augustus 1998 is ingetrokken.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene Bijstandswet (ABW), zoals die luidde ten tijde hier in het geding, wordt aan iedere Nederlander die hier in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, bijstand verleend door burgemeester en wethouders.
Ingevolge artikel 4 ABW kan bijstand in de behoefte aan bedrijfskapitaal en aan duurzame goederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, ABW worden bij de beoordeling van de mate waarin een persoon beschikt over middelen onder meer buiten beschouwing gelaten een bescheiden vermogen dat geen bepaalde bestemming heeft.
Ingevolge artikel 55, eerste lid, ABW worden kosten van bijstand door de gemeente teruggevorderd in de gevallen en naar de regels van deze paragraaf [de betreffende paragraaf van de ABW, red.].
Ingevolge het derde lid kan van terugvordering geheel of gedeeltelijk worden afgezien indien gelet op de omstandigheden van persoon en gezin daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Ingevolge artikel 58, tweede lid, ABW worden kosten van bijstand verleend over een periode gedurende welke middelen of aanspraken op middelen aanwezig zijn waarover nog niet kan worden beschikt, van de betrokkene teruggevorderd tot het bedrag waarover krachtens die middelen of aanspraken later wordt of kan worden beschikt.

Verweerder heeft bij besluiten van 13 september 1995, respectievelijk 19 september 1995, eiseres (bijzondere) bijstand toegekend, waarbij haar is meegedeeld dat deze bijstand van haar zal worden teruggevorderd op de haar toekomende gelden uit de boedelscheiding indien en voor zover het bedrag hiervan uitstijgt boven het vrij te laten vermogen, in casu
É9300,-.
Vaststaat dat aan eiseres uit de boedelscheiding in totaal
É20.428,68 is betaald. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij besluit van 31 augustus 1998 in totaal É11.128,68 van eiseres teruggevorderd, zijnde de in de periode van 14 februari 1996 tot 23 juni 1996 uitgekeerde bijstand ad É7731,68 en het resterende bedrag van de geldlening ad É3397,-.
Eiseres stelt dat de aan haar betaalde bedragen van in totaal
É20.428,68 bij wege van voorschot op de boedelscheiding aan haar zijn betaald.
Daarbij is eiseres van mening dat de bijstand pas van haar kan worden teruggevorderd als de boedelscheiding heeft plaatsgevonden. Nu er nog geen boedelscheiding heeft plaatsgevonden, ontbreekt naar de opvatting van eiseres de daarvoor vereiste grondslag aan verweerders terugvorderingsbeslissing. Hiernaast heeft eiseres gesteld dat er sprake is van schulden in plaats van vermogen.
Verweerder is van mening dat de uitbetaalde bedragen zijn aan te merken als aan eiseres toekomende gelden uit de boedelscheiding. Volgens verweerder zijn het gelden voortkomende uit het huwelijk van eiseres met haar ex-echtgenoot die op voorhand reeds zijn verdeeld. Het feit dat de boedelscheiding nog niet totaal is geŽffectueerd, doet volgens verweerder daaraan niet af.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat eiseres daadwerkelijk over de vorengenoemde vermogensbestanddelen kon beschikken en het bescheiden vermogen is overtroffen. Dat de boedelscheiding nog niet geŽffectueerd, is doet aan het voorgaande niet af. De onzekerheid over het nog niet vaststaande aandeel in de boedelscheiding hoeft naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige situatie aan terugvordering niet in de weg te staan.
Daarbij is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de gestelde schulden niet worden gestaafd door enig bewijsmateriaal.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden
É11.128,68 aan bijstand van eiseres heeft teruggevorderd. Niet is gebleken van dringende redenen die aan de terugvordering in de weg zouden staan.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van rechtsbijstand ad
É1420,-.

Beslist wordt derhalve als volgt:




4. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover de bezwaren tegen het besluit van 8 november 1999 gegrond zijn verklaard;
verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar bezwaar tegen het besluit van 8 november 1999;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op
É1420,-, door verweerders gemeente te betalen aan eiseres;
verstaat dat verweerders gemeente aan eiseres het griffierecht ad
É60,- vergoedt.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2000 door mr. J.G.J. Roelvink, in tegenwoordigheid van J. Wenniger als griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA8506
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 98/8780 NABW
Datum uitspraak: 27 juli 1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 58 ABW (= 82 Abw) (= 58 Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: vermogen; erfenis; terugvordering
Essentie: Terechte terugvordering van bijstand wegens ontvangen erfenis. De periode waarover wordt teruggevorderd vangt aan op de dag van overlijden van de erflater.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 98/8780 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Zutphen onder dagtekening 13 november 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 juni 1999, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A. Speijers, werkzaam bij de gemeente Apeldoorn.




II. Motivering


Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant ontving van 18 februari 1993 tot 20 april 1995 van gedaagde een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) naar de norm voor een alleenstaande woningdeler van 23 jaar of ouder. Op laatstgenoemde datum overleed zijn moeder; de Rww-uitkering van appellant werd voortgezet naar de norm voor een alleenstaande van 23 jaar of ouder.
In verband met de inwerkingtreding van de Algemene bijstandswet (Abw) is vanwege gedaagde een onderzoek ingesteld naar de rechtsgevolgen waartoe de toepassing van die wet ten aanzien van appellant zal leiden. Dit onderzoek resulteerde in een besluit van 9 december 1996, waarbij met ingang van 1 december 1996 aan appellant uitkering ingevolge de Abw werd toegekend naar de norm voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder en een toeslag. De Abw-uitkering van appellant werd beŽindigd ingaande 6 januari 1997 wegens werkaanvaarding.

De nalatenschap van appellants moeder is op 16 juni 1997 verdeeld onder de erfgenamen; het erfdeel dat appellant toekwam bedroeg
É45.034,21.
Bij besluit van 6 februari 1998 heeft gedaagde de aan appellant verstrekte bijstand over de periode van 20 april 1995 tot 6 januari 1997 teruggevorderd tot een bedrag van
É9868,19 en wel - naar ter zitting is bevestigd - op grond van de artikelen 78, eerste lid, en 82, aanhef en onder a, van de Abw. Naar het oordeel van gedaagde zijn er geen dringende redenen aanwezig om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Nadat appellant bezwaar had gemaakt, heeft gedaagde bij het bestreden besluit van 12 juni 1998 het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde een juiste toepassing gegeven aan de wettelijke bepalingen; er zijn volgens de rechtbank geen aanknopingspunten om het bedrag van de terugvordering voor onjuist te houden.

Appellant heeft in hoger beroep het besluit tot terugvordering bestreden; zijns inziens was de bijstandsuitkering over genoemde periode bedoeld om van te leven en niet om terug te betalen.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van de Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248 (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid), wordt in de bevoegdheid van gedaagde tot terugvordering en verrekening van hetgeen vůůr de datum van inwerkingtreding van deze wet (voor de bijstandswetgeving: 1 juli 1997) onverschuldigd is betaald geen wijziging gebracht. Uit genoemd artikellid volgt naar het oordeel van de Raad dat terugvorderingsbesluiten die betrekking hebben op verleende bijstand over een periode die geheel ligt vůůr 1 juli 1997 ten materiŽle beoordeeld moeten worden aan de hand van het vůůr 1 juli 1997 vigerende recht. Dat betekent dat, voor zover de verleende bijstand ziet op een tijdvak waarin op de belanghebbende de ABW nog van toepassing was, moet worden bezien of de bepalingen die bij of krachtens de ABW gedurende het betreffende tijdvak hebben gegolden de basis voor de terugvordering konden vormen.
Daarvan te onderscheiden is het tijdvak waarin de Abw op de belanghebbende van toepassing was: de bij of krachtens die wet totstandgekomen regels zoals die in dat tijdvak golden, zijn dan het beoordelingskader voor de vraag of het besluit tot terugvordering van verleende bijstand over dat tijdvak op goede gronden berust.

In situaties dat een terugvorderingsbesluit ziet op verleende bijstand over een periode die begint vůůr en die eindigt na 1 juli 1997 is het vorenstaande eveneens van toepassing met betrekking tot de vůůr 1 juli 1997 gelegen periode; voor de resterende, na 1 juli 1997 gelegen periode gaat het om de bepalingen bij of krachtens de Abw zoals die luiden sedert die datum.

Blijkens het bestreden besluit ziet de onderhavige terugvordering op bijstand verleend over de periode van 20 april 1995 tot 6 januari 1997. Van de over die periode aan appellant verleende bijstand ingevolge de ABW (van 20 april 1995 tot 1 december 1996) respectievelijk ingevolge de Abw (van 1 december 1996 tot 6 januari 1997) wordt een gedeelte teruggevorderd en wel - zoals hierboven is vastgesteld - op basis van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw. Dat laatste is niet juist voor zover het de ingevolge de ABW verleende bijstand betreft. Dat besluit komt dan ook wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking.

De vervolgens aan de orde komende vraag of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, beantwoordt de Raad bevestigend. Hij overweegt daartoe het volgende.

Artikel 58, tweede lid, van de ABW (tekst sedert 1 augustus 1992) bepaalt dat kosten van bijstand verleend over een periode gedurende welke middelen of aanspraken op middelen aanwezig zijn waarover nog niet kan worden beschikt, van de betrokkene worden teruggevorderd tot het bedrag waarover krachtens die middelen of aanspraken later wordt of kan worden beschikt. Voor zover die middelen overeenkomstig artikel 7 buiten beschouwing zouden zijn gelaten indien zij reeds bij de aanvang van de periode ter beschikking van betrokkene zouden hebben gestaan, blijft terugvordering achterwege.
De Raad stelt vast dat appellant vanaf 16 juni 1997 kon beschikken over zijn aandeel in de nalatenschap van zijn moeder. Op het bedrag dat appellant aldus toekwam heeft gedaagde in mindering gebracht een viertal schulden en het bedrag van het vrij te laten bescheiden vermogen voor een alleenstaande, zoals geldend op het moment van ontstaan van de aanspraak.
Gedaagde was gerechtigd om het aldus gevonden bedrag van
É9868,19, dat aanmerkelijk lager is dan het totaal van de aan appellant verleende bijstand ingevolge de ABW over de periode van 20 april 1995 tot 1 december 1996, van hem terug te vorderen op grond van het voormelde tweede lid van artikel 58 van de ABW. Appellant heeft de hoogte van het terug te vorderen bedrag niet betwist en ook niet de wijze van terugbetaling aangevochten.

De Raad, die ten slotte geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, beslist als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
gelast de gemeente Apeldoorn het betaalde griffierecht in beroep ad
É55,- en in hoger beroep ad É160,- (in totaal É210,-) aan appellant te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. G.A.J. van den Hurk en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W. Houtman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 1999.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) F.W. Houtman.

 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x