Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA8508
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 98/8862 NABW
Datum uitspraak: 28 september 1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 6, 7 en 39 Abw (= 5, 11 en 35 Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand, inrichtingskosten; borgtocht; geldlening gemeentelijke kredietbank; kosten van rente en aflossing boven aflossingscapaciteit; noodzakelijke verhuizing; asielzoeker
Essentie: Onterechte afwijzing van bijzondere bijstand in de vorm van borgtocht voor een geldlening van de gemeentelijke kredietbank ter financiering van inrichtingskosten alsmede onterechte afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van rente en aflossing van die geldlening voor zover deze kosten meer bedragen dan de aflossingscapaciteit. Criterium daarbij is de noodzaak - in het individuele geval van de betrokken asielzoekster - van de inrichtingskosten. Onderscheid naar categorie bijstandsaanvragers mag niet worden gemaakt; derhalve is het gemeentelijk beleid ter zake in strijd met de wet.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 98/8862 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de president van de arrondissementsrechtbank te Breda onder dagtekening
4 december 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 5 januari 1999 heeft A.J. van Til, werkzaam bij de Stichting Juridische EHBO te Tilburg, zich als gemachtigde van gedaagde gesteld.

Bij brieven van 22 februari 1999 (met bijlagen) en 13 april 1999 heeft appellant de Raad nadere informatie verstrekt.

Een door appellant ingediend verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is door de president van de Raad bij uitspraak van 1 maart 1999, nummer 99/174 NABW-VV, afgewezen.

Bij besluit van 1 april 1999 dat strekt tot uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant aan gedaagde bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een borgtocht voor een geldlening tot een bedrag van É10.885,- alsmede voor de kosten van rente en aflossing voor zover de hoogte van deze kosten meer bedraagt dan haar aflossingscapaciteit van É113,88 per maand.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 augustus 1999, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.H.M. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente Tilburg, en voor gedaagde is verschenen mr. T.J.L. Drouen, werkzaam bij de Stichting Juridische EHBO te Tilburg.




II. Motivering


Gedaagde is bij besluit d.d. 15 juni 1998 met ingang van 18 mei 1998 in aanmerking gebracht voor een periodieke uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder, vermeerderd met een toeslag van 20% van het minimumloon.

Op 2 juni 1998 diende gedaagde een aanvraag in om bijzondere bijstand in de vorm van borgtocht voor een lening van de Gemeentelijke Kredietbank bestemd voor de kosten van woninginrichting.

Deze aanvraag is, onder verwijzing naar het beleid van de gemeente Tilburg, afgewezen bij besluit van 15 juni 1998 op de grond dat kosten van woninginrichting behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan die gedaagde moet betalen uit haar periodieke inkomen door middel van reservering vooraf dan wel door gespreide betaling achteraf.

Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is ongegrond verklaard bij het bestreden besluit van
5 november 1998. Hierbij heeft appellant onder meer het volgende overwogen:
"Met betrekking tot de kosten van een eerste woninginrichting is het beleid van de gemeente Tilburg, vastgelegd in het Werkboek Sociale Zaken, dat die kosten zelf moeten worden gedragen. Hierop wordt slechts een uitzondering gemaakt voor ex-asielzoekers en voormalig VVTV-ers (voorlopige vergunning tot verblijf).

Hierbij kan sprake zijn van vier situaties:
- de toegelaten vluchteling (A-status) of VTV-er wordt door de Centrale Opvang Asielzoekers (COA) [Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, red.] vanuit een asielzoekercentrum geplaatst in de gemeente Tilburg;
- de COA heeft in Tilburg huisvesting gevonden, doch de belanghebbende weigert en verhuist naar een kamer in Tilburg en vindt daarna zelfstandige huisvesting;
- de belanghebbende vindt zelf een woning binnen Tilburg voordat de COA tot plaatsing vanuit een asielzoekercentrum overgaat;
- de belanghebbende verbleef in een andere gemeente dan Tilburg in een ROA/VVTV-pand [ROA: Regeling opvang asielzoekers, red.] en verhuist na de statusverlening zelf naar Tilburg.

In dit laatste geval wordt de verhuizing niet als noodzakelijk aangemerkt, omdat de gemeente waar de A-status of VTV is verkregen door taakstelling vanuit het ministerie van VROM verplicht is voor huisvesting en inboedel te zorgen. Slechts wanneer er een medische of sociale noodzaak voor de verhuizing kan worden aangetoond, kan toch bijstand voor woninginrichting worden verleend.
Wij hebben onderzocht in hoeverre er voor u sprake is van een noodzakelijke verhuizing. Uit het onderzoek is gebleken dat u in de gemeente Dongeradeel verbleef in een zogenaamde ROA-woning. U had tot 30 januari 1998 een voorlopige vergunning tot verblijf in Nederland (VVTV) en ontving een VVTV-uitkering van de gemeente Dongeradeel. Vanaf 30 januari 1998 is aan u een vergunning tot verblijf (VTV) verleend. Vanaf die datum kwam u in aanmerking voor een Abw-uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Vanaf 22 april 1998 huurt u een woning in Tilburg. Met ingang van 18 mei 1998 ontvangt u een Abw-uitkering van de gemeente Tilburg. Uit schriftelijke informatie, verstrekt door Vluchtelingenwerk Dokkum is gebleken dat u samen met uw kinderen in een VVTV-pand in Ternaard woonde. U was daar gehuisvest door de gemeente Dongeradeel in het kader van de Zorgwet VVTV. Nadat aan u een verblijfsstatus was verleend, wilde u niet meer in Ternaard blijven wonen, omdat er in dit Friessprekend plattelandsdorp geen andere vluchtelingen woonden en de Somalische gemeenschap in Dokkum, op enige kilometers van Ternaard, tot een andere stam behoort. Daarnaast speelden persoonlijke problemen, zoals een moeilijk lerend kind en een zieke echtgenoot in SomaliŽ een rol. Volgens Vluchtelingenwerk zou u zich in Ternaard in een geÔsoleerde leefsituatie bevinden, waar u, mede door uw gebrekkige kennis van het Nederlands, geen steun kon vinden voor uw persoonlijke problemen. In Tilburg woonden verschillende stamgenoten, waardoor u daar meer begrip voor uw problemen zou ontmoeten en het gemakkelijker zou zijn om te integreren in de Nederlandse samenleving.

Uit hetgeen naar voren is gekomen in het onderzoek is niet gebleken van zodanige sociale of medische omstandigheden dat kan worden afgeweken van ons beleid. Wij zijn van oordeel dat er geen noodzaak bestond voor verhuizing."

Bij de aangevallen uitspraak van 4 december 1998 heeft de president van de rechtbank - voor zover van belang - het namens gedaagde tegen het besluit van appellant van
5 november 1998 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt op gedaagdes bezwaarschrift, en wel binnen twee weken nadat het afschrift van die uitspraak is verzonden.
De president van de rechtbank overwoog hiertoe - kort samengevat - dat het beleid van appellant, inhoudende dat aan belanghebbenden die in een andere gemeente dan Tilburg in een ROA/VVTV-pand verbleven en na de statusverlening naar Tilburg verhuizen geen bijzondere bijstand in de kosten van woninginrichting kan worden toegekend, tenzij sprake is van een medische of sociale noodzaak van de verhuizing naar Tilburg, in strijd moet worden geacht met de strekking van artikel 39 van de Abw.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat - zoals ter zitting van de zijde van gedaagde is bevestigd - het door appellant op 1 april 1999 genomen nieuwe besluit volledig aan het beroep van gedaagde tegemoetkomt, zodat er in dit geval geen aanleiding is om het beroep tegen het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht te achten tegen dit nieuwe besluit. In verband hiermede staat in hoger beroep uitsluitend het besluit van 5 november 1998 ter beoordeling.

Appellant kan zich niet verenigen met het in de aangevallen uitspraak ingenomen standpunt dat het beleid van appellant ter zake van de bijstandverlening aan ex-asielzoekers in de kosten van woninginrichting in strijd is met de strekking van artikel 39, eerste lid, van de Abw.
Daartoe is in hoofdzaak naar voren gebracht dat in de door appellant gehanteerde beleidsregel geen onderscheid wordt gemaakt op grond van de gemeente waar men laatstelijk heeft gewoond, maar aan de hand van de vraag of men een aangeboden reguliere woonruimte in de gemeente Tilburg moet accepteren. Appellant meent voorts dat ook financiŽle motieven een rol mogen spelen bij de vaststelling van het beleid, mits geen sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De positie van hen die door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) in Tilburg geplaatst worden, verschilt echter volgens appellant wezenlijk van die van hen die reguliere huisvesting kunnen krijgen in de gemeente waar men indertijd op grond van de Zorgwet VVTV is geplaatst, maar eigener beweging in Tilburg gaan wonen. Appellant bestrijdt voorts dat er in het geval van gedaagde een sociale noodzaak om te verhuizen aanwezig was.

De Raad heeft in hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht geen aanleiding gevonden om tot een andersluidend oordeel te komen dan de president van de rechtbank. Hij onderschrijft in grote lijnen de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd. In aanvulling hierop en naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad nog het volgende.

In afdeling 2 van het werkboek van de sector Sociale Zaken is ten aanzien van de kosten van eerste woninginrichting als beleidsuitgangspunt geformuleerd dat aan jonggehuwden/samenwonenden en alleenstaanden voor de eerste woninginrichting in beginsel geen bijstand wordt verleend, tenzij sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Hierop kan voor ex-asielzoekers die voor de eerste maal een woning moeten inrichten een uitzondering worden gemaakt. Blijkens de tekst van het werkboek en de ter zake in het beroepschrift van appellant en ter zitting van de Raad gegeven toelichting houdt de met betrekking tot de kosten van eerste woninginrichting van gewezen asielzoekers gehanteerde beleidsregel in dat ten aanzien van ex-asielzoekers die in verband met hun plaatsing in Tilburg door het COA in het kader van de taakstelling huisvesting statushouders die door het ministerie van VROM is opgelegd op huisvesting in Tilburg zijn aangewezen, de aanwezigheid van zeer bijzondere omstandigheden die bijstandverlening rechtvaardigen op voorhand wordt aangenomen. Ten aanzien van ex-asielzoekers die om andere redenen verhuizen naar Tilburg wordt geen noodzaak voor het maken van inrichtingskosten aanwezig geacht, tenzij sprake is van een medische of sociale noodzaak om te verhuizen naar de gemeente Tilburg.

Het in deze beleidsregel neergelegde verschil in benadering tussen verschillende categorieŽn bijstandsaanvragers moet in strijd worden geacht met artikel 6, aanhef en onder b, en artikel 39, eerste lid, van de Abw. In deze beleidsregel worden immers bij de beantwoording van de vraag of in beginsel recht op bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting bestaat de mogelijkheid van de betrokkene om in de gemeente van herkomst te blijven wonen en dus de noodzaak van vestiging in Tilburg, alsmede de mogelijkheden van de gemeente krachtens een andere wettelijke regeling gelden ter beschikking te krijgen voor de huisvesting van de betrokkene, als onderscheidend criterium gehanteerd. Gelet op het bepaalde in artikel 6, aanhef en onder b, en artikel 39, eerste lid, van de Abw dient evenwel doorslaggevend te zijn of zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen welke leiden tot noodzakelijke bestaanskosten die naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht. Het in het beleid van appellant gemaakte onderscheid tussen de hiervoor vermelde categorieŽn aanvragers moet naar het oordeel van de Raad voorts in strijd worden geacht met het in artikel 7 van de Abw neergelegde grondbeginsel van de Abw dat iedere Nederlander, alsmede de daarmee gelijkgestelde vreemdeling, die hier te lande in omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht wegens strijd met de wet heeft vernietigd.

De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend.

Daartoe overweegt de Raad het volgende.

Gedaagde diende na het verkrijgen van een vergunning tot verblijf hier te lande haar VVTV-woning in de gemeente Dongeradeel te verlaten, onder achterlating van de inboedel. Ten tijde van de aanvraag van 2 juni 1998 was zij met haar drie kinderen verhuisd naar een haar toegewezen flat in Tilburg.
Gelet op de feitelijke situatie waarin gedaagde zich blijkens de gedingstukken ten tijde van de aanvraag om bijstand bevond, moet naar het oordeel van de Raad de noodzaak van de kosten van woninginrichting als vaststaand worden aangenomen. De Raad ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de afwijzing van de gevraagde bijstand inhoudelijk op goede gronden berust.

Gezien het feit dat door appellant inmiddels bij besluit van 1 april 1999 aan gedaagde overeenkomstig haar aanvraag bijstand is verstrekt, kan het nemen van een nieuw besluit op bezwaar achterwege blijven.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, welke zijn begroot op É710,- wegens verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot É710,-, te betalen door de gemeente Tilburg;
bepaalt dat van appellant een recht van É675,- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. G.A.J. van den Hurk en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. A.M. Overbeeke als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 september 1999.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) A.M. Overbeeke.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / Wet BMT / Awb
x
LJN:
x
AA8511
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/1311 NABW
Datum uitspraak: 2 november 1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 58 ABW (= 82 Abw) (= 58 Wwb) / XVI Wet BMT / 8:72 Awb
Trefwoorden: vermogen; erfenis; aanspraak; terugvordering; niet-aannemelijke schuld
Essentie: Terechte terugvordering van bijstand wegens aanspraak op vermogen uit erfenis, omdat het bestaan van een schuld onvoldoende aannemelijk is gemaakt en voorts niet is komen vast te staan dat aan die schuld daadwerkelijk een terugbetalingsverplichting is verbonden. Ook accountantskosten e.d. zijn niet voldoende aangetoond.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/1311 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Katwijk, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op de bij het beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de arrondissementsrechtbank te Den Haag op 10 februari 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Als gemachtigde van gedaagde heeft mr. A.A.G. Balkenende, advocaat te Katwijk, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 september 1999, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door R.F.J.M. van Hest, werkzaam bij de gemeente Katwijk, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. Balkenende voornoemd.




II. Motivering


Aan de stukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant heeft aan gedaagde, die is geboren in 1975, met ingang van 18 juli 1995 een uitkering toegekend ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers, berekend naar de norm voor een alleenstaande die op het adres van haar ouders woont. Die norm is met ingang van 25 augustus 1995 gewijzigd in die voor een alleenstaande die niet op het adres van haar ouders woont en vervolgens, na de geboorte van een kind van gedaagde op 14 oktober 1995, naar die voor een eenoudergezin.
In verband met de inwerkingtreding van de Algemene bijstandswet (Abw) is vanwege appellant een onderzoek ingesteld naar de rechtsgevolgen waartoe de toepassing van die wet ten aanzien van gedaagde zal leiden. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een besluit van
20 september 1996 waarbij aan gedaagde met ingang van 1 september 1996 een uitkering ingevolge de Abw naar de norm voor een alleenstaande ouder alsmede een toeslag is toegekend.

Op het rechtmatigheidsonderzoeksformulier Abw over de maand oktober 1997 heeft gedaagde aangegeven dat zij deelgerechtigd is in de nalatenschap van haar broer die in 1995 is overleden.
Appellant heeft ter zake een nader onderzoek ingesteld en daaruit geconcludeerd dat het aandeel van gedaagde in bedoelde nalatenschap É35.976,- bedraagt.

Bij primair besluit van 4 februari 1998 heeft appellant - voor zover hier van belang - de aan gedaagde vanaf 18 juli 1995 verstrekte bijstand tot een bedrag van É10.225,82 bruto teruggevorderd. Het door gedaagde tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 3 juli 1998 ongegrond verklaard. Nadien heeft appellant bij besluit van 7 januari 1999 het bedrag van de terugvordering beperkt tot É7680,33 bruto. Appellant heeft zijn besluitvorming gebaseerd op artikel 69, derde lid, van de Abw in verbinding met artikel 81, eerste lid, van die wet alsmede op artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw zoals die bepalingen sedert 1 juli 1997 luiden.

Gedaagde heeft in bezwaar, in beroep en in hoger beroep gesteld dat de aan haar verleende bijstand ten onrechte van haar wordt teruggevorderd, omdat zij nimmer de feitelijke beschikking heeft gehad over haar aandeel in de nalatenschap van haar broer. Volgens gedaagde is haar aandeel in de nalatenschap gestort op een boedelrekening waarop slechts haar vader gemachtigd was en heeft haar vader dat aandeel verrekend met een schuld van gedaagde aan haar ouders, ontstaan in een periode dat zij verslaafd was aan drugs. Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat het bedrag van de terugvordering te hoog is vastgesteld, omdat bij de berekening daarvan geen rekening is gehouden met - voor zover nog van belang - twee rekeningen van de Accountants en Belastingadviseurs Van Rhee, Guijt & Ruwaard ten bedrage van É3004,48 respectievelijk É1715,50 die volgens gedaagde betrekking hebben op de afhandeling van de nalatenschap van haar broer.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, het beroep gegrond verklaard en bepaald dat - thans - appellant, met inachtneming van het in die uitspraak overwogene, opnieuw beslist op het bezwaarschrift van gedaagde van 12 februari 1998. De rechtbank heeft de Abw van toepassing geacht en geoordeeld dat gedaagde niet over haar aandeel in de nalatenschap van haar broer heeft beschikt of heeft kunnen beschikken in de zin van artikel 82, aanhef en onder a, en artikel 7 van de Abw, omdat niet is gebleken dat gedaagde ten tijde van het primaire besluit van 4 februari 1998 een vordering op haar ouders had die zij direct kon opeisen dan wel anderszins te gelde maken.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat appellant ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 69, derde lid, van de Abw zoals die bepaling sedert 1 juli 1997 luidt, terwijl appellant ook onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom die bepaling in casu van toepassing is.

Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak bestreden en betoogd dat zijn besluit tot terugvordering, zoals d.d. 7 januari 1999 gewijzigd, terecht en op goede gronden is genomen.

De Raad overweegt in het spoor van zijn uitspraak d.d. 27 juli 1999, geregistreerd onder nummer 98/8780 NABW, het volgende.

Ingevolge artikel XVI, eerste lid, van de Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248 (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid), wordt in de bevoegdheid van gedaagde tot terugvordering en verrekening van hetgeen vůůr de datum van inwerkingtreding van deze wet (voor de bijstandswetgeving: 1 juli 1997) onverschuldigd is betaald geen wijziging gebracht. Uit dit artikellid volgt naar het oordeel van de Raad dat terugvorderingsbesluiten die betrekking hebben op bijstand verleend over een periode die geheel ligt vůůr 1 juli 1997 ten materiŽle beoordeeld moeten worden aan de hand van het vůůr 1 juli 1997 vigerende recht. Dat betekent dat, voor zover de bijstand verleend is in een tijdvak waarin op de belanghebbende de Algemene Bijstandswet (ABW) nog van toepassing was, moet worden bezien of de bepalingen die bij of krachtens de ABW gedurende het betreffende tijdvak hebben gegolden de basis voor de terugvordering kunnen vormen.

Daarvan te onderscheiden is het tijdvak waarin de Abw op de belanghebbende van toepassing is: de bij of krachtens die wet tot stand gekomen regels zoals die in dat tijdvak golden, zijn dan het beoordelingskader voor de vraag of een besluit tot terugvordering van verleende bijstand over dat tijdvak op goede gronden berust.

In situaties dat een terugvorderingsbesluit ziet op verleende bijstand over een periode die begint vůůr en die eindigt nŠ 1 juli 1997 is het vorenstaande eveneens van toepassing met betrekking tot de vůůr 1 juli 1997 gelegen periode; voor de resterende, na 1 juli 1997 gelegen periode gaat het om de bepalingen bij of krachtens de Abw zoals die luiden sedert die datum.

Blijkens de stukken en in aanmerking genomen het bedrag van de terugvordering ad É7680,33 bruto ziet naar het oordeel van de Raad de onderhavige terugvordering vanaf 18 juli 1995 uitsluitend op de ingevolge de ABW aan gedaagde verleende bijstand. Die ingevolge de ABW verleende bijstand wordt teruggevorderd op basis van de artikelen 81, eerste lid, en 82 aanhef en onder a, van de Abw. Dat is, gelet op het hiervoor overwogene, niet juist en het bestreden besluit, zoals gewijzigd bij besluit van 7 januari 1999, dient dan ook wegens strijd met de wet te worden vernietigd.

De vervolgens aan de orde komende vraag of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, beantwoordt de Raad bevestigend. Hij overweegt daartoe het volgende.

Artikel 58, tweede lid, van de ABW (tekst sedert 1 augustus 1992) bepaalt dat kosten van bijstand verleend over een periode gedurende welke middelen of aanspraken op middelen aanwezig zijn waarover nog niet kan worden beschikt, van de betrokkene worden teruggevorderd tot het bedrag waarover krachtens die middelen of aanspraken later wordt beschikt of kan worden beschikt. Voor zover die middelen overeenkomstig artikel 7 van de ABW buiten beschouwing zouden zijn gelaten indien zij reeds bij de aanvang van de periode ter beschikking van de betrokkene zouden hebben gestaan, blijft terugvordering achterwege.

De Raad acht het op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde genoegzaam aannemelijk dat de nalatenschap van de broer van gedaagde medio 1997 was gescheiden en gedeeld en dat gedaagdes aandeel in die nalatenschap É35.976,- bedroeg. Om het bedrag van de terugvordering vast te stellen, heeft appellant op het gedaagde aldus toekomende bedrag in mindering gebracht de successierechten, de notaris- en advocaatkosten alsmede het bedrag van het vrij te laten bescheiden vermogen voor een eenoudergezin ad É18.400,-.

Gedaagde is, zoals eerder in deze uitspraak is aangegeven, van oordeel dat appellant niet gerechtigd is om het aldus gevonden bedrag van É7680,33 bruto van haar terug te vorderen, omdat zij niet daadwerkelijk over haar aandeel in de nalatenschap van haar broer heeft kunnen beschikken doordat haar vader dat aandeel heeft verrekend met een schuld van gedaagde aan haar ouders, terwijl zij ook het bedrag van de terugvordering te hoog acht, omdat daarbij geen rekening is gehouden met de eerder vermelde twee rekeningen van de accountants en belastingadviseurs Van Rhee, Guijt & Ruwaard.

De Raad kan gedaagde in haar standpunt niet volgen.

Bij de beantwoording van de vraag of iemand over vermogen/middelen kan beschikken, dient rekening te worden gehouden met diens schulden, mits het feitelijke bestaan daarvan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en voorts is komen vast te staan dat aan die schuld(en) daadwerkelijk een verplichting tot terugbetaling is verbonden.

Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde in onvoldoende mate aannemelijk gemaakt dat zij feitelijk een schuld als bedoeld aan haar ouders heeft. Weliswaar bevindt zich onder de stukken een - ongedateerd - briefje dat door gedaagde en haar ouders is ondertekend en waarin gewag wordt gemaakt van een schuld van gedaagde aan haar ouders van É50.000,-, maar de Raad kan hieraan niet de betekenis toekennen die gedaagde eraan toegekend wil zien, reeds omdat uit dat briefje niets blijkt van een daadwerkelijke verplichting van gedaagde tot terugbetaling van aan haar ouders verschuldigd geld.

Appellant heeft dan ook naar het oordeel van de Raad bij de beantwoording van de vraag of gedaagde ten tijde van belang over middelen kon beschikken terecht de schuld die gedaagde volgens haar verklaring aan haar ouders heeft buiten beschouwing gelaten. Bezien vanuit het oogpunt van toepassing van de ABW mag van gedaagde worden verlangd dat zij de geŽigende stappen tegen haar vader neemt.

Op basis van de aan hem thans ter beschikking staande gegevens is de Raad ten slotte niet tot het oordeel kunnen komen dat het bedrag van de terugvordering te hoog is vastgesteld. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de zich onder de stukken bevindende rekeningen van meergenoemd accountants- en belastingadvieskantoor niet voldoende blijkt dat - zo wel - in hoeverre die rekeningen betrekking hebben op werkzaamheden in verband met de afwikkeling van de nalatenschap van de broer van gedaagde, terwijl gedaagde niet te rechter tijd heeft gereageerd op een verzoek van appellant ter zake aanvullende informatie te verstrekken.

De Raad, die ten slotte geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, beslist als volgt.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 3 juli 1998, zoals gewijzigd bij besluit van 7 januari 1999, alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 november 1999.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I. de Hartog.

 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA8520
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 98/6573 NABW-VV
Datum uitspraak: 18 september 1998
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7, 12 en 139 Abw (= 11, Ė en Ė Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; beŽindiging bijstand; Koppelingswet; geen gelijkstelling met Nederlander; Marokkanen
Essentie: Terechte beŽindiging bijstand met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de Koppelingswet, omdat de betrokken Marokkaanse vreemdeling ingevolge de Abw c.a. niet langer kan worden gelijkgesteld met een Nederlander.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Centrale Raad van Beroep 98/6573 NABW-VV




U I T S P R A A K




inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 17 van de Beroepswet in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. Inleiding


Bij brief van 23 juni 1998 heeft mr. R.T.P.H. Jacobs, advocaat te Amsterdam, namens verzoeker bezwaar gemaakt bij gedaagde tegen diens besluit van 13 mei 1998 waarbij aan verzoeker over de periode van 29 december 1997 tot en met 30 juni 1998 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) is toegekend.

Bij brief van eveneens 23 juni 1998 heeft mr. Jacobs, voornoemd, namens verzoeker een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij de president van de Raad ingediend. Verzoeker heeft verzocht te bepalen dat aan hem met ingang van 1 juli 1998 de bijstandsuitkering krachtens de Abw wordt doorbetaald.

Gedaagde heeft onder toepassing van het bepaalde in artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit bezwaarschrift aan de Raad overhandigd om als beroepschrift in behandeling te nemen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 15 september 1998, waar mr. Jacobs, voornoemd, namens verzoeker is verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. V.M. PavelkovŠ, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. Motivering


Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen als namens verzoeker is verzocht. Daarnaast komt de vraag in beeld of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het bestreden besluit niet in stand zal blijven.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Verzoeker, die de Marokkaanse nationaliteit bezit, heeft zich op 29 december 1997 tot de sociale dienst van de gemeente Amsterdam gewend met het verzoek om bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, zulks als aanvulling op zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en toeslag ingevolge de Toeslagenwet.

Bij besluit van 3 februari 1998 is op dit verzoek onder verwijzing naar de artikelen 7 en 12 van de Abw afwijzend beslist. Hierbij is overwogen dat ten behoeve van verzoeker bij de Dienst Vreemdelingenpolitie een verklaring als bedoeld in artikel 12 van de Abw is opgevraagd, maar dat deze niet is ontvangen, zodat om deze reden geen bijstand kan worden verleend. Het tegen dit besluit namens verzoeker bij de Raad ingestelde beroep is ter zitting ingetrokken nadat vanwege gedaagde was meegedeeld dat evengenoemd besluit is ingetrokken.

Bij besluit van 13 mei 1998 is naar aanleiding van de aanvraag van 29 december 1997 opnieuw beslist, ťťn en ander zoals aangegeven in rubriek I van deze uitspraak. Gedaagde heeft bij de bepaling van de einddatum van de uitkering nog overwogen dat met het in werking treden van de Koppelingswet op 1 juli 1998 verzoeker bij ongewijzigde omstandigheden in verband met zijn verblijfstatus geen recht meer heeft op bijstand.

Ontvankelijkheid van het verzoek

Aan de orde is allereerst de vraag of de Raad van het tussen partijen bestaande geschil en de president van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennis kan nemen.

Gedaagde heeft in dit verband ter zitting aangevoerd dat nu verzoeker niet is een vreemdeling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Abw en uit het besluit voorts niet blijkt dat bijstand is verleend op grond van het bestaan van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 11 van de Abw er naar zijn opvatting ervan moet worden uitgegaan alsof aan het besluit van 13 mei 1998 een verklaring als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Abw ten grondslag ligt. Gedaagde is op grond hiervan de opvatting toegedaan dat, anders dan in de situaties als bedoeld artikel 139 (oud) van de Abw, voor verzoeker geen rechtstreeks beroep op de Raad openstaat.

De president overweegt hieromtrent het volgende.

Vaststaat dat verzoeker op de dag van de bekendmaking van het bestreden besluit geen vreemdeling was als bedoeld in artikel 9 of 10 van de Vreemdelingenwet. Evenmin was er op dat moment ten behoeve van verzoeker een verklaring als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Abw afgegeven. Gelet op de betekenis die blijkens de jurisprudentie van de Raad aan een dergelijke verklaring moet worden gehecht, onder meer in het kader van de beoordeling van de vraag welke rechtsgang voor betrokkene openstaat, kan de president gedaagde niet volgen in zijn stelling dat in dit geval ervan moet worden uitgaan alsof een dergelijke verklaring voorhanden is. Weliswaar heeft de sociale dienst blijkens de gedingstukken op 4 maart 1998 telefonisch contact gehad met de Dienst Vreemdelingenpolitie waarbij zou zijn verklaard dat de aanvraag om een verblijfsvergunning van verzoeker niet bij voorbaat zou worden afgewezen, doch naar aanleiding hiervan is geen verklaring als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Abw afgegeven.

De Raad is dan ook op grond van het bepaalde in artikel 139 (oud) van de Abw bevoegd van het tussen partijen bestaande geschil kennis te nemen en de president derhalve van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.


Beoordeling van het verzoek

Verzoeker beoogt met zijn verzoek om voorlopige voorziening te bereiken dat hij met ingang van 1 juli 1998 in aanmerking komt voor een voortgezette bijstandsuitkering. Derhalve is de vraag aan de orde of verzoeker met ingang van evengenoemde datum aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge de Abw.

Naar het voorlopig oordeel van de president moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Van belang zijn de bepalingen van de Abw zoals die luiden vanaf 1 juli 1998. Op deze datum is in werking getreden de Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 203, ook wel aangeduid als de Koppelingswet.

Zoals hierboven reeds is overwogen, staat vast dat verzoeker ten tijde hier van belang niet kan worden aangemerkt als een vreemdeling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Abw, zodat hij op grond hiervan niet voor een bijstandsuitkering in aanmerking kan komen.

Namens verzoeker is voorts aangevoerd dat bij een ruime uitleg van het bepaalde in het derde lid, aanhef en onder b, van artikel 7 van de Abw verzoeker met een Nederlander kan worden gelijkgesteld en hij deswege aanspraak maakt op uitkering.

Blijkens artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het op evengenoemde bepaling gebaseerde Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (Stb. 1998, 308) kan van een gelijkstelling als bovenbedoeld slechts sprake zijn indien het betreft een vreemdeling die na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw) vůůr de beŽindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating.
Verzoeker kon op 1 juli 1998 niet worden aangemerkt als een vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf hield in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw. Immers, hij beschikte op dat moment niet over een verblijfsrecht krachtens artikel 9 of 10 van de Vw.
Weliswaar is op 20 november 1997 namens verzoeker een aanvraag om een vergunning tot verblijf ingediend, doch hierop is nog geen beslissing genomen. Dat naar de opvatting van de Dienst Vreemdelingenpolitie sprake zou zijn van een kansrijk verzoek, zoals een eerdere gemachtigde van verzoeker in het beroepschrift gericht tegen gedaagdes inmiddels ingetrokken besluit van 3 februari 1998 heeft vermeld, doet hieraan niet af. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de president niet een ruime uitleg van artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw, hierbij uitdrukkelijk in het midden latend of genoemde bepaling een ruime uitleg toelaat.

Evenmin kan verzoeker naar het oordeel van de president worden geschaard onder de reikwijdte van artikel XXIII, tweede lid, van de Wet van 26 maart 1998, zodat verzoeker ook uit dien hoofde niet voor een uitkering in aanmerking komt.

Ingevolge evengenoemde bepaling kan bijstandverlening welke op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 26 maart 1998, te weten 1 juli 1998, plaatsvindt, worden voortgezet ten aanzien van een vreemdeling die rechtmatig verblijf houdt als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 5, van de Vw. Blijkens deze bepaling geniet een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf indien tegen de uitzetting beletselen bestaan vastgesteld bij beschikking ingevolge de Vw. Het gaat hier om vreemdelingen zonder verblijfsrechtelijke status die op grond van artikel 25 van de Vw om gezondheidsredenen niet kunnen worden uitgezet.
Op grond van hetgeen partijen ter zitting hebben meegedeeld, moet worden aangenomen dat van een beschikking in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 5, van de Vw in het geval van verzoeker geen sprake is. Dat, zoals ter zitting is gesteld, het verzoek om een vergunning tot verblijf mede is ingegeven door verzoekers medische situatie rechtvaardigt naar het oordeel van de president echter niet een ruime uitleg van genoemde bepaling zoals namens verzoeker ter zitting is bepleit, nog daargelaten of ook deze bepaling hiervoor de ruimte biedt.

Naar het oordeel van de president kan verzoeker ook anderszins geen aanspraak maken op een voortgezette bijstandsuitkering. In het bijzonder is niet gebleken dat bij de inwerkingtreding van de Wet van 26 maart 1998 sprake is van een "soort overgangsregeling, althans overbruggingsregeling" zoals door de gemachtigde van verzoeker is aangevoerd. Ook aan de wijze waarop door gedaagde aan genoemde wet uitvoering is gegeven, zoals verwoord in een notitie behorende bij de aan de Raad gerichte brief van gedaagde d.d. 26 augustus 1998, kan verzoeker naar het oordeel van de president geen aanspraak op een voortzetting van de aan hem verleende bijstandsuitkering ontlenen.

Namens verzoeker is ten slotte nog aangevoerd dat het ten tijde van het bestreden besluit van 13 mei 1998 nog geenszins zeker was dat genoemde wet ook daadwerkelijk op 1 juli 1998 in werking zou gaan treden, zodat een beŽindiging van de verleende bijstand per 1 juli 1998 als onzorgvuldig moet worden beschouwd. De president wijst er echter op dat bij Koninklijk besluit van 2 april 1998, Stb. 1998, 204, reeds was voorzien in een inwerkingtreding met ingang van 1 juli 1998. Weliswaar is van verschillende zijden gepoogd het in werking treden van de Koppelingswet naar een later tijdstip te verschuiven, doch dat neemt niet weg dat ten tijde van het bestreden besluit gedaagde in redelijkheid van genoemd tijdstip kon en mocht uitgaan.

Naar het voorlopig oordeel van de president diende de uitkering van verzoeker derhalve met ingang van 1 juli 1998 te worden beŽindigd.

Gelet op alle feiten en omstandigheden acht de president het niet onwaarschijnlijk dat het bestreden besluit in stand zal worden gelaten. Voor het treffen van een voorlopige voorziening acht de president dan ook onvoldoende grond aanwezig. Voorts is niet gebleken dat verzoeker als gevolg van dit besluit in een zodanige ernstige noodsituatie dreigt te geraken dat de afloop van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

Ten slotte is er gelet op het vorenstaande geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. Beslissing


De president van de
Centrale Raad van Beroep:

wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als president, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 september 1998.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Gw / Awb
x
LJN:
x
AA8538
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Almelo
Zaaknummer: 00/15 NABW Q1 A
Datum uitspraak: 20 oktober 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 9 en 113 Abw (= 13 en 9 Wwb) / 1 Gw / 3:2, 3:46 en 8:72 Awb
Trefwoorden: vakantie; gebruikelijke vakantieduur; ontheffing arbeidsverplichtingen; jonger dan 57,5 jaar; gelijkheidsbeginsel; zorgvuldigheid; motivering; dwangsom
Essentie: Onterechte afwijzing verzoek om als belanghebbende jonger dan 57,5 jaar met behoud van uitkering dertien weken voor vakantie in het buitenland te mogen verblijven, omdat de ontheffing van de arbeidsverplichtingen van betrokkene niet in aanmerking is genomen, noch is gemotiveerd - gelet op het doel van de leeftijdsgrens - waarom ondanks de ontheffing toch geen toestemming kan worden verleend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Almelo 00/15 NABW Q1 A




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Het besluit van verweerder van 25 november 1999, kenmerk 980422.




2. Feiten en het verloop van de procedure


Eiser heeft per 1 januari 1995 van verweerder een uitkering ontvangen krachtens de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww), naderhand krachtens de Algemene bijstandswet (Abw), naar de norm voor een alleenstaande.
Op 12 mei 1998 heeft eiser bij verweerder een verzoek ingediend om toestemming te krijgen voor een verblijf in het buitenland voor de duur van meer dan vier weken met behoud van uitkering. Bij besluit van 3 juli 1998 is het verzoek van eiser door verweerder afgewezen. Eiser heeft bij bezwaarschrift van 28 juli 1998 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn verzoek. Bij brief van 10 augustus 1998 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat het bezwaarschrift voor advies naar de Commissie voor bezwaar en beroep, kamer Sociale Zaken, was gezonden. Daarna heeft eiser geen bericht meer van verweerder ontvangen.
Op 13 april 1999 heeft eiser door middel van het indienen van een beroepschrift met bijlagen beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn bezwaarschrift. Bij uitspraak van deze rechtbank van 8 oktober 1999 is dit beroep gegrond verklaard en is verweerder opgedragen binnen zeven weken na datum van de uitspraak een beslissing op bezwaar te nemen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Bij besluit van 25 november 1999 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft zich niet met dit besluit kunnen verenigen en heeft daartegen beroep ingesteld. Het beroepschrift is op 6 januari 2000 ter griffie van de rechtbank ingekomen. Bij brief van 21 februari 2000 heeft eiser nadere stukken ingediend en de gronden van beroep aangevuld.
Verweerder heeft op 2 mei 2000 de op het geding betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 27 september 2000, waar eiser zonder bericht van verhindering niet is verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door C. Jeurink, ambtenaar van de gemeente Enschede.




3. Overwegingen


In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 25 november 1999, waarbij de bezwaren van eiser tegen de weigering van toestemming om meer dan vier weken met behoud van uitkering in het buitenland te mogen verblijven, ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven. De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 7, eerste lid van de Abw is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw heeft geen recht op bijstand degene die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die, langer dan de gebruikelijke vakantieduur, verblijf houdt in het buitenland. Ingevolge het derde lid kan de minister regels stellen omtrent hetgeen wordt verstaan onder de gebruikelijke vakantieduur.
Ter uitvoering hiervan is de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw vastgesteld. Artikel 1 hiervan bepaalt dat onder gebruikelijke vakantieduur wordt verstaan dertien weken per kalenderjaar voor de belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is en vier weken per kalenderjaar voor de overige belanghebbenden.

In artikel 113 van de Abw, waarin de verplichtingen met betrekking tot de inschakeling in de arbeid zijn opgenomen, is in het vierde lid bepaald dat de minister regels kan stellen aangaande het toepassen dan wel niet toepassen van ťťn of meer verplichtingen, genoemd in het eerste lid, ten aanzien van ťťn of meer categorieŽn belanghebbenden. Ter uitvoering hiervan is de Regeling vrijstelling verplichtingen Abw tot stand gekomen. Artikel 1 van deze regeling, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, bepaalt dat van de verplichtingen op grond van artikel 113, eerste lid, onderdeel a tot en met f. van de Abw belanghebbenden ouder dan 57,5 jaar zijn vrijgesteld. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat burgemeester en wethouders, na daartoe de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te hebben gehoord, in een bijzonder geval van het eerste lid kunnen afwijken.
Ten aanzien van degenen die op grond van artikel 113, vierde lid van de Abw zijn vrijgesteld van bepaalde verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling kan, blijkens de parlementaire geschiedenis, in voorkomende gevallen een iets langer verblijf in het buitenland worden toegestaan.

Aan deze vrijstelling lag de overweging ten grondslag dat onder de zich destijds voordoende arbeidsmarktomstandigheden wederinpassing in het arbeidsproces van de groep werklozen van 57,5 jaar of ouder in het algemeen niet mocht worden verwacht. Naar aanleiding van verzoeken uit de samenleving om de vakantieduur voor bijstandsgerechtigden van 57,5 jaar of ouder te verruimen, is de hiervoor genoemde Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw vastgesteld.

Vaststaat dat eiser de leeftijd van 57,5 jaar nog niet heeft bereikt en dat hij om sociale redenen is vrijgesteld van de sollicitatieverplichting op grond van artikel 113 van de Abw.

Hij verkeert derhalve in een gelijke situatie als een persoon van 57,5 jaar of ouder die is ontheven van de verplichtingen als bedoeld in artikel 113 van de Abw, te meer daar gesteld noch gebleken is dat de mogelijkheid bestaat dat aan de ontheffing van de sollicitatieverplichting een eind zal komen.

In de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw is een onderscheid gemaakt naar leeftijd. Niet ieder leeftijdsonderscheid levert discriminatie op in de zin van artikel 1 van de Grondwet. Het onderscheid maken naar leeftijd is geoorloofd als daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan. Er moet dus gekeken worden naar het doel van dit onderscheid.

Het doel van de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw is, zo volgt uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen, om bijstandsgerechtigden die 57,5 jaar of ouder zijn en op grond daarvan zijn ontheven van de verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling, een langere periode van verblijf in het buitenland toe te staan dan bijstandsgerechtigden die wel moeten voldoen aan voornoemde verplichtingen. Uit de toelichting op deze regeling blijkt dat met een verblijf van dertien weken in het buitenland door iemand van 57,5 jaar of ouder de doelmatige controle op het recht op bijstand en het territorialiteitsbeginsel niet in het geding komen.

Verweerder heeft het verzoek van eiser om met behoud van uitkering dertien weken in het buitenland te mogen verblijven, afgewezen op de enkele grond dat hij de leeftijd van 57,5 nog niet had bereikt. Verweerder heeft daarbij geen rekening gehouden met de vrijstelling van de sollicitatieverplichting, noch aangegeven waarom dit er in het geval van eiser toch toe moet leiden dat hem geen verblijf van dertien weken in het buitenland met behoud van uitkering kan worden toegestaan. Gelet op het doel van de leeftijdsgrens had verweerder dit wel behoren te doen.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd en wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd dient te worden. Zij zal het beroep daarom gegrond verklaren.

Nu eiser geen kosten van rechtsbijstand of reiskosten gemaakt heeft, kan een veroordeling ter zake achterwege blijven.

Beslist wordt daarom als volgt:




4. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank Almelo,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;
draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald;
bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad É60,- vergoedt, door de gemeente Enschede te betalen aan eiser.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2000 door mr. K.J. Haarhuis in tegenwoordigheid van G. Kootstra als griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de
Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / IHABW / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA8680
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 97/4091 ABW
Datum uitspraak: 14 juli 1998
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 3 en 65 Abw (= 3 en 17 Wwb) / 4 en 5 IHABW / 8:26 en 8:72 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; schending inlichtingenverplichting; financiŽle verstrengeling; wederzijdse verzorging; geen overeenkomst als onderhuurder; onbevoegdelijk genomen besluit op bezwaar
Essentie: Terechte beŽindiging bijstand wegens gezamenlijke huishouding, omdat financiŽle verstrengeling en wederzijdse verzorging zijn aangetoond en er bovendien geen overeenkomst als onderhuurster is overgelegd, noch gegevens zijn verstrekt inzake inkomen en vermogen van de huisgenoot. Het besluit op bezwaar is echter onbevoegdelijk genomen, daar de bevoegdheid tot het nemen van een besluit op bezwaar is overgedragen aan een ander bestuursorgaan dan het bestuursorgaan namens hetwelk het primaire besluit is genomen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 97/4091 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante A], wonende te [woonplaats B], appellante,

en

de Commissie Algemene Bijstandswet ís-Hertogenbosch, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellante heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat en procureur te ís-Hertogenbosch, op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te ís-Hertogenbosch van 18 maart 1997, nummer Awb 97/2382 Abw VV en Awb 97/2383 Abw, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 22 juli 1997 is een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 10 februari 1998 heeft de Raad het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ís-Hertogenbosch (hierna: het College) met toepassing van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid gesteld om als partij aan het geding deel te nemen en het College voorts naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 januari 1997, gepubliceerd in JB 1997/25 en in AB 1997/86, enige vragen gesteld. Bij brief van 10 maart 1998 is hierop geantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 juni 1998, waar namens appellante is verschenen mr. J.W. Weehuizen, voornoemd, en waar gedaagde alsmede het College zich, zoals aangekondigd, niet hebben doen vertegenwoordigen.




II. Motivering

Appellante ontving sedert 21 oktober 1983 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) naar de norm voor een alleenstaande en na de geboorte van haar dochter op 10 maart 1987 naar de norm voor een eenoudergezin.

Na de inwerkingtreding van de Algemene bijstandswet (Abw) en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (IHABW) met ingang van 1 januari 1996 is in november 1996 een onderzoek als bedoeld in artikel 5 van de IHABW ingesteld naar de rechtsgevolgen waartoe de toepassing van de Abw ten aanzien van appellante zal leiden. In dat kader heeft op 21 november 1996 een huisbezoek plaatsgevonden. Van de resultaten van dat onderzoek is een rapport opgesteld gedateerd 6 december 1996.

Op basis van dat rapport is namens het College bij besluit van 6 december 1996 aan appellante medegedeeld dat haar uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet met ingang van 1 december 1996 beŽindigd wordt op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding voert met
C (hierna: C) en dat haar recht op bijstand niet verder kan worden vastgesteld omdat zij en C geen inzicht hebben gegeven in hun beider financiŽle situatie.

Bij besluit van 4 februari 1997 heeft gedaagde het namens appellante ingediende bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank het tegen het besluit van gedaagde van 4 februari 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

In het beroepschrift is primair gesteld dat de president van de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met C en subsidiair dat gedaagde haar een overgangsperiode had dienen te gunnen.

De Raad overweegt het volgende.

Op het bezwaarschrift, ingediend tegen het namens het College genomen primaire besluit van 6 december 1996, is beslist door de Commissie Algemene Bijstandswet ís-Hertogenbosch. Aan deze Commissie is bij verordening op grond van de artikelen 82 en 165 van de Gemeentewet de bevoegdheid toegekend tot het, voor zover hier van belang, nemen van besluiten op bezwaarschriften ter zake van de toepassing van de ABW.

De Raad stelt vast dat de bevoegdheid tot het nemen van een besluit op bezwaar is overgedragen aan een ander bestuursorgaan dan het bestuursorgaan namens hetwelk het primaire besluit is genomen. De Raad is evenals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkens haar eerder vermelde uitspraak van 6 januari 1997 en op de in deze uitspraak weergegeven gronden van oordeel dat een dergelijk besluit onbevoegdelijk is genomen. Het besluit op bezwaar van gedaagde dient om die reden dan ook te worden vernietigd.

Aangezien het College bij de in rubriek I van deze uitspraak vermelde brief van 10 maart 1998 heeft medegedeeld zich inhoudelijk achter het besluit van gedaagde te stellen, acht de Raad het aangewezen om te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten.

Te dien aanzien overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de IHABW blijft de ABW gedurende ten hoogste twaalf maanden na de inwerkingtreding van de nieuwe Abw van toepassing ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op algemene bijstand en wiens recht op de peildag niet is geŽindigd.
Het tweede lid van artikel 4, voornoemd, bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde toepassing van de ABW eindigt:
a. zodra burgemeester en wethouders in het betreffende geval naar aanleiding van het onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, een nieuw besluit hebben getroffen;
b. zodra een wijziging van omstandigheden van de persoon of het gezin optreedt of is opgetreden die op grond van hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de nieuwe Abw tot toepassing van een andere bijstandsnorm dient te leiden en burgemeester en wethouders in het betreffende geval een nieuw besluit inzake de verlening van de algemene bijstand hebben getroffen.

Appellante was ten tijde als hier van belang een persoon als omschreven in artikel 4, eerste lid, van de IHABW. Vaststaat immers dat appellante in de peilmaand - december 1995 - en op de peildag - 31 december 1995 - recht had op algemene bijstand ingevolge de ABW.

Uit de gedingstukken komt naar voren dat gedaagde op basis van een recht- en doelmatigheidsonderzoek in het kader van de nieuwe Abw van oordeel is dat in de omstandigheden van appellante een zodanige wijziging blijkt te zijn opgetreden dat het op de ABW steunende besluit tot verlening van bijstand niet kan worden gehandhaafd.
Die wijziging bestaat volgens gedaagde hierin dat appellante niet langer een alleenstaande ouder is, maar, omdat zij een gezamenlijke huishouding voert met C, als gehuwd moet worden aangemerkt.
Een dergelijke feitelijke wijziging van omstandigheden zal, indien juist, op grond van artikel 30 van de Abw tot een andere bijstandsnorm leiden en zal dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van de IHABW en de geschiedenis van totstandkoming van die bepaling, in het kader van de Abw moeten worden beoordeeld.

Het gaat in casu dan ook allereerst om de vraag of appellante met C een gezamenlijke huishouding is gaan voeren als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Abw, zoals dat artikellid luidde tot 1 januari 1998.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend op grond van de volgende overwegingen.

Ingevolge laatstgenoemde bepaling is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Voor de Raad staat genoegzaam vast dat appellante en C ten tijde als hier van belang hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Blijkens de gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie staan zij reeds vanaf 25 februari 1985 op hetzelfde adres ingeschreven, laatstelijk vanaf 13 mei 1991 op het adres l-weg te B. Van die woning is C huurder en bij het huisbezoek is gebleken dat zich in de woning persoonlijke kleding, toiletartikelen en meubelstukken van C bevonden. Voorts heeft C ter zitting van de rechtbank verklaard dat hij in de winter op zijn eigen kamer slaapt, waar hij ook zijn kleding heeft.

Met betrekking tot de vraag of appellante en C blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins overweegt de Raad het volgende.

C heeft appellante onderdak verschaft in de door hem gehuurde woning. Op grond van de bevindingen bij het huisbezoek houdt de Raad het ervoor dat het gebruik van de woning door appellante en haar dochter niet beperkt was tot ťťn of meer gedeelten van de woning, maar in feite de gehele woning omvatte. Appellante kon gebruik maken van de telefoon, waarvan het abonnement op naam stond van C en door hem betaald werd. Niet is gebleken dat het medegebruik van de telefoon werd vergoed.

Bij het huisbezoek is geconstateerd dat de woning is gemeubileerd met stukken die voornamelijk eigendom zijn van appellante. Zij levert volgens haar opgave een maandelijkse bijdrage van É350,-. Dat die gestelde bijdrage zou plaatsvinden ter uitvoering van een zakelijke overeenkomst tussen C als huurder en appellante als onderhuurster acht de Raad niet aannemelijk, niet alleen in verband met het feitelijke gebruik van de gehele woning, maar ook omdat zij geen huurcontract en betalingsbewijzen ter zake over heeft kunnen leggen. Naar het oordeel van de Raad levert appellante met deze betaling een bijdrage in de kosten van de huishouding.
Ten slotte is nog van belang dat appellante ermee heeft ingestemd dat de auto van C op haar naam is geregistreerd.

In het vorenstaande, in onderling verband bezien, heeft de Raad voldoende grond gevonden om te oordelen dat ook aan de eis van wederzijdse verzorging is voldaan.

De president van de rechtbank heeft in navolging van gedaagde mitsdien terecht aangenomen dat appellante per 1 december 1996 een gezamenlijke huishouding voert met C.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw, zoals dat tot 1 juli 1997 luidde, is de belanghebbende verplicht op verzoek of uit eigen beweging onverwijld mededeling te doen van al hetgeen dat van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken. Indien de belanghebbende deze verplichting niet of in onvoldoende mate nakomt en in gebreke blijft dat verzuim te herstellen, is dat, in samenhang bezien met artikel 7, eerste lid, van de Abw , een rechtsgrond voor weigering of beŽindiging van de bijstand wanneer door de schending van de rechtsplicht het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastgesteld. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 17 maart 1998, 97/6793 ABW, gepubliceerd in RSV Actueel 1998 nr. 9, JABW 1998/88 en USZ 1998/114.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellante op het door haar op 19 september 1996 ondertekende inlichtingenformulier de daarop voorkomende vragen naar het voeren van een gezamenlijke huishouding en naar het inkomen en het vermogen van de partner niet heeft beantwoord en ook na een drietal persoonlijke oproepen en een huisbezoek in gebreke is gebleven om informatie te verstrekken over het inkomen en vermogen van C. Laatstbedoelde informatie is in bezwaar, in beroep en in hoger beroep niet alsnog gegeven. Derhalve moet worden gezegd dat appellante de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenplicht heeft geschonden.

De Raad merkt vervolgens op dat het voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de algemene bijstand van wezenlijk belang was dat voldoende duidelijkheid werd verschaft over de inkomens- en vermogenspositie van C. Nu appellante ter zake in gebreke is gebleven, kan niet worden vastgesteld of zij verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw. Daarmee is tevens gegeven dat voor het gunnen van een overgangsperiode, zoals namens appellante is bepleit, geen plaats is.

Gelet op het vorenstaande acht de Raad termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven. Hetgeen overigens namens appellante ter zitting naar voren is gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

De Raad acht, mede gelet op het feit dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten, geen termen aanwezig om gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante.

Beslist wordt als hierna aangegeven.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard;
vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
verstaat dat de gemeente 's-Hertogenbosch aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal É260,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 1998.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) I. de Hartog.

 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x