Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA8683
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 97/3984 ABW
Datum uitspraak: 2 maart 1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 34 en 38 Abw (= 26 en 30 Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: verlaging bijstandsnorm of toeslag; kostendeling; woningdeling; inwoning bij ouder; gemeentelijke verordening
Essentie: Onterechte verlaging gehuwdennorm met 20% wegens woningdeling met de moeder van betrokkenen, omdat geen sprake is van het kunnen delen van alle algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Ook de gemeentelijke verordening biedt geen basis voor zulk een verlaging.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 97/3984 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant is mr. A. Balkema, advocaat te Utrecht, op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de president van de arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening 13 maart 1997 met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 4 juni 1997 heeft mr. Balkema, voornoemd, nog een nader stuk toegezonden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde nog nadere stukken toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 januari 1999, waar voor appellant is verschenen mr. Balkema, voornoemd, terwijl gedaagde - daartoe ambtshalve opgeroepen - zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.




II. Motivering


Op 20 september 1996 heeft appellant een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Hij heeft bij die gelegenheid aangegeven dat hij met zijn echtgenote inwoont bij zijn moeder.
Bij besluit van 10 december 1996 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 20 september 1996 een bijstandsuitkering toegekend, zulks naar de norm voor gehuwden van 21 jaar of ouder en, voor zover hier van belang, onder toepassing van een verlaging van 20%. Gedaagde heeft hierbij overwogen dat er een korting van É390,72 plaatsvindt, omdat appellant zijn noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met een ander.

Namens appellant heeft mr. Balkema, meergenoemd, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Aangevoerd is dat de huur van de woning ongeveer É650,- bedraagt, waarvan appellant de helft betaalt; hij verzoekt dan ook om een toeslag op de verleende uitkering.

Bij besluit van 20 februari 1997 heeft gedaagde deze bezwaren ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daartoe, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
"Zoals hierboven reeds gememoreerd, is de aanvraag voor een periodieke bijstandsuitkering van uw cliŽnt met ingang van 20 september 1996 toegewezen, echter onder aftrek van É390,72 per maand, omdat uw cliŽnt de noodzakelijke kosten van het bestaan met een ander kan delen.

Deze verlaging is gebaseerd op artikel 34 van de Algemene bijstandswet (nAbw)
. Dit artikel geeft ons de bevoegdheid de bijstandsnorm te verlagen voor zover belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft tengevolge van het kunnen delen van deze kosten met een ander.

Vast staat, dat uw cliŽnt zijn algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met een ander, te weten zijn moeder. Met haar deelt hij de kosten van de huur en die van gas, licht en water en dergelijke, zoals u overigens zelf in uw verzoekschrift voor een voorlopige voorziening hebt aangegeven. Wij zijn dan ook van oordeel dat de bijstandsuitkering van uw cliŽnt op grond van artikel 34 van de nAbw dient te worden verlaagd.

Voor het bedrag van de verlaging hebben wij aansluiting gezocht bij hetgeen in de "Verordening toeslagen en verlagingen Algemene bijstandswet
" is bepaald met betrekking tot in onze ogen vergelijkbare gevallen:
- alleenstaanden van 21 jaar of ouder die als onderhuurder of kostganger inwonen bij hun ouders komen niet in aanmerking voor de toeslag van 20% van de gehuwdennorm (artikel 2, tweede lid);
-  de
bijstandsnorm voor gehuwden die als verhuurder of kostgever woonkosten delen met hun ouders wordt verlaagd met 20% van de gehuwdennorm (artikel 3, eerste lid, onderdeel a, juncto tweede lid)."


Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank, voor zover hier relevant, het tegen het besluit van 20 februari 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De president heeft daartoe het volgende overwogen (waarbij appellant als eiser en gedaagde als verweerder is aangeduid):
"Verweerder heeft met toepassing van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, tweede volzin, van de verordening een korting op de bijstandsuitkering van eisers toegepast van 20% en hierbij gebruik gemaakt van de in artikel 34 van de Abw gegeven bevoegdheid de bijstandsnorm voor een echtpaar te verlagen. Het in de verordening neergelegde verlagingsbeleid van verweerder ten aanzien van gehuwden kan niet in strijd met artikel 34 van de Abw worden geacht.
Hoewel evengenoemd artikellid niet helemaal duidelijk is geredigeerd, kan uit de toelichting en het geheel van de verordening worden afgeleid dat de verlaging van de bijstandsnorm van 20% niet louter geldt voor gehuwden die in de hoedanigheid van verhuurder of kostgever woonkosten delen. Blijkens 3.5 van de toelichting op de verordening vinden de verlagingen op grond van artikel 34 van de Abw plaats in het geval dat gehuwden niet alleen in een woning wonen. Hierbij wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen verhuurder/huurder respectievelijk kostgever/kostganger. Bepalend is of er kosten kunnen worden gedeeld. Voorts is in 3.6 van de toelichting op de verordening onder nummer 4 van het kopje Gehuwden vermeld dat wanneer gehuwden zelf onderhuurder of kostganger zijn en aangetoond kan worden dat zij een commerciŽle relatie met de hoofdhuurder of kostgever hebben, de basisnorm niet wordt verlaagd. Hieruit is af te leiden dat de basisnorm wel wordt verlaagd als de onderhuurder of kostganger geen commerciŽle relatie heeft.
Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat verweerder een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 3, eerste lid onderdeel a, tweede volzin, van de verordening. Het standpunt van eisers dat de verlaging van de bijstandsuitkering blijkens de verordening uitsluitend plaatsvindt ten aanzien van gehuwden die als verhuurder of kostgever woonkosten delen, kan dan ook niet worden gevolgd."

Appellant kan zich hiermee niet verenigen. Hij stelt zich, onder verwijzing naar hetgeen eerder in bezwaar en in beroep is aangevoerd, op het standpunt dat de door gedaagde ten aanzien van hem toegepaste verordening in strijd is met de ter zake geldende dwingendrechtelijke bepalingen van de Abw.

De Raad overweegt het volgende.

Op grond van artikel 30, aanhef en onder c, van de Abw bedraagt ten tijde hier van belang de bijstandsnorm voor gehuwden É1953,61 per maand.

Ingevolge artikel 34 van de Abw kunnen burgemeester en wethouders voor gehuwden de bijstandsnorm verlagen voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.

Artikel 38 van de Abw bepaalt dat het gemeentebestuur bij verordening vaststelt voor welke categorieŽn de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van de verhoging of verlaging wordt bepaald.

Ter uitvoering van artikel 38 van de Abw heeft de raad van de gemeente Utrecht op 30 november 1995 de Verordening toeslagen en verlagingen Algemene Bijstandswet (hierna: de verordening) vastgesteld.

Artikel 3 van de verordening, voor zover hier van belang, luidt als volgt:
-1. De verlaging van de bijstandsnorm bedraagt:
a. voor de gehuwden die op basis van een commerciŽle relatie als verhuurder of kostgever woonkosten delen met een ander: 10% van de gehuwdennorm;
of: indien de commerciŽle relatie niet kan worden aangetoond: 20% van de gehuwdennorm;
b. voor de gehuwden die geen woonkosten hebben: 20% van de gehuwdennorm.
-2. Een commerciŽle relatie zoals bedoeld in het eerste lid kan niet bestaan tussen ouders en hun kind.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 38 de Abw moet uit de verordening blijken voor welke categorieŽn er een verhoging van de landelijke bijstandsnormen plaatsvindt. De verordening dient een zodanig karakter te hebben dat de belanghebbenden daaruit concreet kunnen afleiden welke verhoging of verlaging in hun situatie geldt.
Uit de toelichting op de verordening leidt de Raad af dat ťťn van de doelstellingen van het gemeentelijk toeslagenbeleid is het bieden van overzicht en duidelijkheid voor cliŽnten. De Raad neemt aan dat deze doelstelling eveneens van toepassing is op het beleid waar dit betrekking heeft op de verlagingen als bedoeld in artikel 34 van de Abw.


Gedaagde stelt zich op het standpunt dat, gelet op het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 van de verordening, in de thans aan de orde zijnde situatie van appellant geen sprake is van een commerciŽle relatie.

Voorts wordt niet gesteld dat zich hier de situatie voordoet van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, te weten van "gehuwden die geen woonkosten hebben".

Verder staat vast dat appellant niet kan worden aangemerkt als verhuurder of kostgever. In aanmerking genomen de tekst van het eerste lid, aanhef en onder a, van genoemde bepaling is de hierin, duidelijk, beschreven situatie in het geval van appellant en zijn echtgenote dan ook niet aan de orde.

Ter zitting heeft gedaagde aangegeven dat, gelet op de toelichting op de verordening, het niet de bedoeling is om een onderscheid te maken tussen gehuwden die de hoedanigheid hebben van verhuurder/kostgever en gehuwden die als huurder of kostganger kunnen worden beschouwd.
De Raad kan dit evenwel niet uit de toelichting afleiden, nog daargelaten of, indien zulks wel het geval zou zijn geweest, ťťn en ander van belang is nu de tekst zelf van artikel 3 van de verordening op dit punt niet onduidelijk is.

De president van de rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak voor zijn oordeel dat in bovengenoemde hoedanigheden geen onderscheid moet worden gemaakt, verwezen naar punt 3.5 van de toelichting op de verordening. Naar het oordeel van de Raad wordt met deze verwijzing evenwel miskend dat hetgeen hier is vermeld slechts een algemene weergave is van de door de gemeente Utrecht met betrekking tot onder meer artikel 34 van de Abw te maken keuzen, doch dat dit niet kan worden beschouwd als een toelichting op het eerste lid van artikel 3 van de verordening dan wel op enig andere bepaling van deze verordening.

De Raad wijst er ook nog op dat gedaagde in het bestreden besluit overweegt dat "voor het bedrag van de verlaging aansluiting (is) gezocht bij hetgeen in de "Verordening..." is bepaald met betrekking tot in onze ogen vergelijkbare gevallen". Ook hieruit kan naar het oordeel van de Raad worden afgeleid dat van een rechtstreekse herleiding van de situatie van appellant, dan wel van het in zijn geval door gedaagde gehanteerde verlagingspercentage naar de verordening geen sprake is.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat niet alleen de verordening niet beantwoordt aan de doelstelling van het bieden van overzicht en duidelijkheid voor "cliŽnten", maar dat ook moet worden vastgesteld dat artikel 3 van de verordening geen grondslag biedt voor het toepassen van een verlaging van 20% op de aan appellant toegekende uitkering. Ook anderszins biedt de verordening geen basis voor de in geding zijnde verlaging.
Het bestreden besluit, voor zover hierbij is besloten tot een verlaging van 20%, komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het primaire besluit van 10 december 1996 te vernietigen.

Ten overvloede overweegt de Raad nog het volgende.

Blijkens het standpunt van gedaagde, zoals ter zitting toegelicht, dient ingeval gehuwden inwonen bij hun ouder(s) op de uitkering een verlaging van 20% te worden toegepast. Achtergrond hierbij is dat in een dergelijke situatie, naar de opvatting van gedaagde, de woonkosten geheel met een ander kunnen worden gedeeld. Overigens merkt de Raad op dat noch in de verordening, noch in de hierbij behorende toelichting het begrip "woonkosten" nader is omschreven. Overigens is in artikel 34 alsook in artikel 33 van de Abw sprake van "algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan".

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw, waarbij de Raad in het bijzonder ziet op de uitkeringssystematiek zoals deze in de Abw is neergelegd, heeft de wetgever met zoveel woorden aangegeven dat de bijstand op een zodanig bedrag moet worden vastgesteld dat in de noodzakelijke bestaanskosten is voorzien, zulks in verband met het karakter van de bijstand als een van overheidswege gegarandeerde bestaansvoorziening.

Uitgangspunt van de wetgever is voorts geweest dat in beginsel slechts in het geval van degene die met zijn partner een gezamenlijke huishouding voert alle algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld.

In aanmerking genomen de door gedaagde in het geval van appellant voorgestane verlaging van 20% wordt ervan uitgegaan dat de betrokkenen de algemeen noodzakelijke bestaanskosten geheel met een ander, in dit geval de moeder van appellant, kunnen delen.

Naar het oordeel van de Raad kan in het geval dat een gehuwd kind bij zijn ouder(s) inwoont het hebben van enig zogeheten schaalvoordeel niet worden uitgesloten, doch kan in zijn algemeenheid niet worden gezegd dat in een dergelijke situatie sprake is van het geheel kunnen delen van de algemeen noodzakelijke bestaanskosten.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op É1420,- voor in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en eveneens op É1420,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

Beslist moet derhalve worden als volgt.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 20 februari 1997 alsmede het hieraan voorafgaande besluit van 10 december 1996, voor zover hierbij is besloten tot een verlaging van 20%;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van É2840,-, te betalen door de gemeente Utrecht aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat de gemeente Utrecht aan appellant het gestorte griffierecht van in totaal É210,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 1999.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) I. de Hartog.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / IHABW / Wwb / IWwb
x
LJN:
x
AA8691
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 97/3191 ABW
Datum uitspraak: 14 juli 1998
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 8, 65, 66 en 69 Abw (= 7 IWwb, 17, 53a en 54 Wwb) / 4 en 5 IHABW
Trefwoorden: zelfstandige; inlichtingenverplichting; herstel verzuim; opschorting bijstand; beŽindiging
Essentie: Terechte opschorting en vervolgens beŽindiging bijstand wegens het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting, omdat betrokkene telkens niet de verlangde gegevens inzake activiteiten als zelfstandige heeft verstrekt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 97/3191 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. A. de Leon, advocaat en procureur te Soest, op in het aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een onder dagtekening 20 februari 1997 door de arrondissementsrechtbank te Utrecht tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 januari 1998 heeft gedaagde desgevraagd nog enige stukken overgelegd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 juni 1998, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. G.A. Soebhag, kantoorgenoot van mr. De Leon, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door T.A. Willems-Dijkstra, werkzaam bij de gemeente Soest.




II. Motivering


Appellant ontving laatstelijk een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww). Hij is vanwege gedaagde op grond van artikel 5, eerste lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet
(hierna: Invoeringswet) opgeroepen voor een gesprek op 24 januari 1996. Tijdens dit gesprek is gebleken dat appellant voornemens was om activiteiten als zelfstandige te gaan ontplooien. Aan uitnodigingen voor een gesprek op 5 februari 1996 en voor een tweetal testdagen heeft appellant geen gevolg gegeven. Vervolgens is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 29 mei 1996. Appellant heeft aan die oproep zonder bericht van verhindering geen gevolg gegeven. Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 17 juni 1996 appellants uitkering opgeschort. Appellant is daarbij uitgenodigd vůůr 28 juni 1996 een schriftelijke uiteenzetting te geven, met schriftelijke bewijsstukken, met betrekking tot zijn werkzaamheden als zelfstandige.

Bij primair besluit van 9 juli 1996 heeft gedaagde de uitkering van appellant met toepassing van artikel 69, derde lid, van de
Algemene bijstandswet (Abw) beŽindigd met ingang van de datum dat de uitkering is opgeschort op de grond dat appellant geen gevolg heeft gegeven aan oproepen om inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor de voortzetting van de uitkering.

Gedaagde heeft bij het bestreden besluit van 8 november 1996 de bezwaren van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In geschil is het antwoord op de vraag of gedaagdes besluit om de uitkering van appellant met ingang van 1 juni 1996 te beŽindigen in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt als volgt.

Op 1 januari 1996 zijn de Abw en de Invoeringswet in werking getreden.
Ingevolge artikel 3 in samenhang met artikel 1, aanhef en onder b, van de Invoeringswet zijn de ABW en de daarop berustende besluiten - zoals de Rww - per die datum ingetrokken.

Krachtens artikel 4, eerste lid, van de Invoeringswet blijft de ABW gedurende ten hoogste twaalf maanden na de inwerkingtreding van de Abw van toepassing ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op algemene bijstand en wiens recht op de peildag niet is geŽindigd.
In artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van die wet is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde toepassing van de ABW eindigt zodra burgemeester en wethouders in het betreffende geval naar aanleiding van het onderzoek als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, een nieuw besluit hebben genomen.
Op dit onderzoek naar de rechtsgevolgen waartoe de toepassing van de Abw ten aanzien van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde persoon zal leiden, is op grond van het tweede lid van
artikel 5 onder meer het bepaalde bij of krachtens de artikelen 65, 66, eerste lid, en 69 van de Abw van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging onverwijld mededeling van al hetgeen van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken.
In artikel 66, eerste lid, van de Abw is bepaald dat burgemeester en wethouders bepalen welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel van de voorzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval dienen te worden overgelegd.

Artikel 69, eerste lid, van de Abw bepaalt dat, indien de belanghebbende voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, burgemeester en wethouders het recht op bijstand opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft; of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
Krachtens artikel 69, tweede lid, doen burgemeester en wethouders mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigen hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
Ingevolge het derde lid van Artikel 69 wordt de bijstand beŽindigd met ingang van de eerste dag van de periode waarover de bijstand is opgeschort indien de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn.

Zoals uit het vorenstaande blijkt, heeft gedaagde in het kader van het in artikel 5, eerste lid, van de Invoeringswet bedoelde onderzoek aan appellant verzocht nadere inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de door hem op 24 januari 1996 vermelde activiteiten als zelfstandige. Appellant betwist weliswaar dat zijn mededelingen dienaangaande vanwege gedaagde in de gedingstukken juist zijn weergegeven, maar de Raad is van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellant in ieder geval heeft gemeld dergelijke activiteiten te (gaan) ontplooien en stelt vast dat zulks door appellants gemachtigde ter zitting niet is weersproken. Aangezien activiteiten als zelfstandige onmiskenbaar van belang kunnen zijn voor het recht op bijstand was gedaagde naar het oordeel van de Raad op grond van de artikelen 65 en 66, eerste lid, van de Abw gerechtigd appellant te verzoeken de hiervoor genoemde inlichtingen te verstrekken.

Uit het vorenstaande blijkt voorts dat aan appellant, nadat hij zonder bericht van verhindering niet op de oproep voor een gesprek op 29 mei 1996 was verschenen om de gevraagde informatie te verstrekken, op dezelfde datum overeenkomstig het tweede lid van artikel 69, een termijn is geboden tot 28 juni 1996 om het verzuim te herstellen. De Raad stelt vast dat niet is gesteld of gebleken dat het niet verschijnen op genoemde oproep appellant niet te verwijten valt of dat de aan appellant geboden hersteltermijn ontoereikend was.

Nu appellant niet binnen de daarvoor gestelde termijn alsnog de gevraagde inlichtingen heeft verstrekt, is de Raad van oordeel dat gedaagde terecht de uitkering van appellant overeenkomstig het imperatieve voorschrift van artikel 69, derde lid, van de Abw heeft beŽindigd.

De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.C.T. Ehrencron als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 1998.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) M.C.T. Ehrencron.

 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA8811
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Breda
Zaaknummer: 83764/HA RK 00-101
Datum uitspraak: 1 december 2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 61b en 70 ABW / 82 Abw (= 58 Wwb)
Trefwoorden: inkomsten; terugvordering ex ABW; vijfjarenvervaltermijn ex ABW
Essentie: Terechte niet-ontvankelijkverklaring van de gemeente door de kantonrechter, omdat de vijfjarenvervaltermijn ter zake van terugvordering (ex ABW) was verstreken.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank Breda 83764/HA RK 00-101




B E S C H I K K I N G




in de zaak van:

de gemeente Tilburg, appellante,
procureur: mr. A.J. Coppelmans,
        
tegen

[geÔntimeerde] en [geÔntimeerde], beiden wonende te [woonplaats], geÔntimeerden,
niet verschenen.




1. Het verloop van het geding


Dit blijkt uit de navolgende processtukken:
het ter griffie op 1 mei 2000 ingekomen beroepschrift met producties, waaronder de beschikking van de kantonrechter te Tilburg van 2 maart 2000, gewezen onder kenmerk 147640-BZ-99/127;
het proces-verbaal van behandeling in raadkamer van deze rechtbank van 27 oktober 2000 met daaraan gehecht de pleitnotities van mr. Coppelmans.

Partijen worden aangeduid als de gemeente, [geÔntimeerde] en [geÔntimeerde]




2. Het geschil


Bij voornoemde beschikking heeft de kantonrechter de gemeente niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.

De gemeente is van deze beschikking in hoger beroep gekomen en heeft daartegen twee grieven voorgedragen.

De gemeente heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de kantonrechter en opnieuw recht doende te beslissen zoals in het petitum van het inleidende verzoekschrift van 30 november 1999 is verzocht, kosten rechtens.




3. De beoordeling


3.1. De gemeente heeft tijdig hoger beroep ingesteld en is in zoverre ontvankelijk in het hoger beroep.

3.2. Tussen partijen staat het volgende vast:
- gedurende de periode van 12 juli 1993 tot en met 29 mei 1994 zijn door [geÔntimeerde] inkomsten uit en in verband met werkzaamheden genoten, waarvan door hem geen dan wel onvolledig mededeling is gedaan aan de gemeente;
- over voormelde perioden was aan [geÔntimeerde] en [geÔntimeerde] een bijstandsuitkering toegekend;
- bij brief van 27 februari 1996 is [geÔntimeerde] medegedeeld dat is besloten tot terugvordering van de genoten bijstand;
- bij verzoekschrift van 30 november 1999, op dezelfde datum ingekomen ter griffie van het kantongerecht te Tilburg, heeft de gemeente gevorderd dat de kantonrechter zal bepalen dat [geÔntimeerde] en [geÔntimeerde] de over voormelde periode gemaakte kosten van bijstand aan haar zal terugbetalen, ťťn en ander zoals gespecificeerd in voormeld verzoekschrift.

3.3. Vanwege de samenhang tussen de grieven worden zij gezamenlijk behandeld.

3.4. Met haar grieven betoogt de gemeente dat de kantonrechter haar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek. Zij stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter een onjuiste vervaltermijn heeft gehanteerd. Zij stelt daartoe dat toepassing van de op een geval als het onderhavige van kracht zijnde regeling met zich brengt dat de kantonrechter ingevolge artikel X van de Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, het per 1 augustus 1992 geldende artikel 61d, eerste lid, ABW had moeten toepassen, welke bepaling door de wetgever niet is voorzien van een uitgestelde werking. Verder voert zij aan dat niet alleen een letterlijke, maar ook een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat voormeld artikel moet worden toegepast. Zij voegt aan het voorgaande nog toe dat het kunnen toepassen van artikel 61d ABW een aanmerkelijke verlichting betekent voor het bestuursapparaat, alsmede dat als komt vast te staan dat de gemeente in al die gevallen waarin zij uitsluitend beschikt over een terugvorderingsbeschikking verhaal in rechte had moeten zoeken, dat kan betekenen dat zij ťťn ŗ twee miljoen gulden als oninbaar moet afboeken.

3.5. Onderhavig geschil dient in beginsel te worden beoordeeld op grond van de ABW, zoals deze gold in de periode van 1 augustus 1992 tot 1 januari 1996.

artikel 70 Algemene Bijstandswet (hierna ABW), zoals dit artikel gold in voormelde periode, bepaalt: ĒDe rechtsvordering tot verhaal vervalt na verloop van vijf jaar nadat de kosten zijn gemaaktĒ.
Artikel 61d, eerste lid, ABW, zoals dit artikel gold vanaf 1 augustus 1992 tot 1 januari 1996, bepaalt: ĒBehoudens in de gevallen, bedoeld in de artikelen 58 en 59, worden kosten van bijstand die meer dan vijf jaar vůůr de datum van verzending van de beschikking tot terugvordering zijn gemaakt niet teruggevorderdĒ.

Tot 1 augustus 1992 hield de procedure tot terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstandsuitkering in het nemen van een besluit ter zake door de gemeente, gevolgd door het indienen van een verzoekschrift ter zake bij de kantonrechter, die het aan de gemeente terug te betalen bedrag vaststelde. Tegen het besluit van de gemeente kon geen bezwaar of beroep worden ingesteld. Ingevolge het tot 1 augustus 1992 geldende artikel 70 ABW diende de gemeente op straffe van verval van haar vorderingsrecht uiterlijk vijf jaar nadat de kosten van bijstand waren gemaakt haar verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen.
Bij Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, werd de ABW gewijzigd, onder meer door invoering van een administratiefrechtelijke procedure ter zake de terugvordering van bijstandsuitkering (de artikelen 55 tot en met 61i ABW). Deze procedure hield in dat tegen het terugvorderingsbesluit bezwaar kon worden gemaakt bij de gemeente, waarna
beroep kon worden ingesteld bij Geduputeerde Staten en - vervolgens - bij de Kroon. Nadat voormeld besluit aldus formele rechtskracht had gekregen, kon de gemeente ter uitvoering van haar besluit een verzoekschrift bij de kantonrechter indienen. Op grond van artikel X van het overgangsrecht, behorende tot voornoemde Wet van 15 april 1992, is echter bepaald dat deze procedure tot een nader bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip niet in werking zal treden, alsmede dat de terugvorderingsprocedure zoals deze tot 1 augustus 1992 gold tot dat nader te bepalen tijdstip haar werking zou behouden. Bij voormeld artikel X is echter wel per 1 augustus 1992 in werking getreden artikel 61d, eerste en tweede lid, ABW en is tegelijkertijd voormeld artikel 70 ABW komen te vervallen. De vervaltermijn van voormeld artikel 61d, eerste lid, ABW hield in dat kosten van bijstand gemaakt meer dan vijf jaar vůůr de datum van verzending van de terugvorderingsbeschikking niet meer konden worden teruggevorderd.

3.6. Op grond van voormeld artikel X van het overgangsrecht is een situatie geschapen waarbij enerzijds het oude verhaalsrecht van toepassing is gebleven, doch anderzijds voor de vervaltermijn met betrekking tot het recht op terugvordering wordt aangeknoopt bij een door de gemeente te nemen beschikking welke de aanvang vormt van een mogelijke administratiefrechtelijke beroepsprocedure, terwijl die beroepsprocedure nog niet van toepassing is en dergelijke beschikkingen dus niet kunnen worden genomen. Dit laatste blijkt ook uit de voormelde brief van de gemeente van 27 februari 1996, waarin is vermeld dat tegen de - bij die brief medegedeelde beslissing tot - terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering geen bezwaarschrift kan worden ingediend. Onverkorte toepassing van artikel 61d, eerste lid, ABW in situaties als de onderhavige leidt ertoe dat na het nemen van een beschikking als bedoeld in dit wetsartikel de terugvorderingstermijn zou worden gestuit zonder dat de betrokkene enige invloed kan uitoefenen op het moment waarop de rechter kennisneemt van het geschil. Immers, tegen die beschikking staat geen bezwaar- en beroepsprocedure open. Voorts is voormelde kennisname tot 1 januari 1996 gekoppeld gebleven aan de indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 63 ABW, zoals die bepaling luidde tot 1 januari 1996. Een dergelijke situatie wordt in strijd geacht met de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid. Waar niet uit de wet(sgeschiedenis) blijkt van de reden van de wetgever om, met ingang van 1 augustus 1992, voormelde artikel 70 ABW te vervangen door voormeld artikel 61d, eerste lid, BW, zonder invoering van de wettelijke context waarin laatstgenoemde bepaling is geplaatst (het administratief beroep), brengt, ter wille van genoemde rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, een redelijke wetstoepassing met zich dat in gedingen als de onderhavige artikel 70 ABW van toepassing dient te blijven, nu artikel 61d ABW immers geheel op de niet-ingevoerde beroepsprocedure is toegesneden. Bij het voorgaande is verder nog in aanmerking genomen dat, in verband met de wijziging van de ABW per 1 januari 1996, alsmede de wijziging van de ABW [Abw, red.] per 1 juli 1997, uit de wetsgeschiedenis niet is gebleken van een bepaalde bedoeling van de wetgever in relatie tot het voorgaande, omtrent het handhaven van het tot artikel 87 [artikel 87 Abw, red.] vernummerde artikel 61d ABW (per 1 januari 1996), respectievelijk het laten vervallen van artikel 87 ABW [artikel 87 Abw, red.] (per 1 juli 1997). Aan het voorgaande doet niet af de stelling van de gemeente dat de rechter haar in geval van langdurig stilzitten geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk in haar vordering kan verklaren, noch haar stelling omtrent de (financiŽle) gevolgen voor haar bestuursapparaat van het, in situaties als de onderhavige, kunnen toepassen van artikel 61d ABW.

3.7. Het vorenoverwogene brengt met zich dat de grieven falen en dat de beschikking van de kantonrechter te Tilburg wordt bekrachtigd.




4. De beslissing


De rechtbank:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter te Tilburg van 2 maart 2000, gewezen onder kenmerk 147640-BZ-99/127.

Deze beschikking is gewezen door mrs. Kooijman, Van Oijen en Van den Beld en uitgesproken ter openbare terechtzitting op vrijdag 1 december 2000.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA8926
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Amsterdam
Zaaknummer: AWB 00/3025 NABW
Datum uitspraak: 4 september 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14a en 65 Abw (= Ė en 17 Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: boete; sanctie; schending inlichtingenverplichting; niet verschijnen op heronderzoeksgesprek; bewijslast verzending en ontvangst oproeping; poststuk; beŽindiging bijstand; terugvordering; niet-tijdig bezwaar
Essentie: Onterecht opgelegde boete wegens tweemaal niet verschijnen op een heronderzoeksgesprek, omdat de gemeente niet kan bewijzen dat de twee oproepingen daadwerkelijk zijn verzonden en ontvangen, welke oproepingen betrokkene stelt niet te hebben ontvangen. De beŽindiging en terugvordering van de bijstand kan niet meer ongedaan worden gemaakt, daar betrokkene tegen de betreffende besluiten geen bezwaar heeft gemaakt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Amsterdam AWB 00/3025 NABW




U I T S P R A A K




inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser;

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 25 april 2000, nummer 01 BG710/000338.




2. Ontstaan en loop van het geding


Bij brief van 26 januari 2000 is eiser door verweerder in kennis gesteld van het voornemen om aan eiser een administratieve boete op te leggen, aangezien eiser niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting op grond van artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) door tweemaal niet te reageren op een oproep om te verschijnen op een heronderzoeksgesprek.
Bij besluit van 9 februari 2000 heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van É275,-.
Tegen dit besluit heeft eiser op 28 februari 2000 een bezwaarschrift ingediend.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 9 februari 2000 gehandhaafd.
Tegen dit besluit heeft eiser bij beroepschrift van 24 mei 2000 bij deze rechtbank beroep ingesteld.
Het beroep is op 4 september 2000 ter openbare zitting van deze rechtbank behandeld. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is niet verschenen.




3. Motivering


Eiser heeft vanaf 1 september 1998 een bijstandsuitkering op grond van de Abw ontvangen.
Bij brief van 16 augustus 1999 is eiser door verweerder opgeroepen voor een heronderzoeksgesprek bij verweerders sociale dienst op 31 augustus 1999. Eiser is op dit gesprek niet verschenen. Vervolgens heeft de sociale dienst eiser bij brief van 31 augustus 1999 nogmaals opgeroepen voor een heronderzoeksgesprek op 9 september 1999. Op dit gesprek is eiser evenmin verschenen.
Aangezien eiser tweemaal niet op het heronderzoeksgesprek is verschenen, heeft verweerder vervolgens bij besluit van 10 september 1999 de bijstandsuitkering van eiser per 1 augustus 1999 beŽindigd. Bij besluit van 28 september 1999 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser over de maand augustus 1999 teruggevorderd. Eiser heeft tegen deze twee besluiten bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar ongegrond verklaard en beide primaire besluiten gehandhaafd. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht op grond van artikel 14a van de Abw aan eiser een boete van É275,- heeft opgelegd.
Eiser heeft aangevoerd dat hij de oproepen voor een heronderzoeksgesprek niet heeft ontvangen. De oorzaak hiervan kan liggen in het feit dat eiser in een studentenflat woont en een gemeenschappelijke brievenbus heeft. Verder pasten de sleutels van de andere brievenbussen eveneens op deze brievenbus. Eiser heeft in augustus en september 1999 meerdere poststukken niet ontvangen. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij tegen de besluiten van verweerder om zijn uitkering te beŽindigen en terug te vorderen geen beroep heeft ingesteld. Om principiŽle redenen heeft eiser wel tegen het bestreden besluit beroep ingesteld omdat hij geen leugenaar is, aldus eiser.
Verweerder heeft in zijn verweerschrift betoogd dat de gevolgen van een niet optimale postontvangst voor risico van eiser dienen te komen en eiser hiervoor een oplossing dient te vinden. Aangezien eiser geen beroep heeft ingesteld tegen de besluiten van verweerder met betrekking tot de beŽindiging en terugvordering van zijn bijstandsuitkering, maakt verweerder hieruit op dat eiser zich kan vinden in de beŽindiging en terugvordering, aldus verweerder.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Verweerder heeft verwezen naar het feit dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissingen op bezwaar van verweerder met betrekking tot de beŽindiging en de terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser. Deze beslissingen zijn eveneens gegrond op het voornoemde feit dat eiser tweemaal niet op een heronderzoeksgesprek is verschenen en eiser derhalve niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting ingevolge artikel 65 van de Abw.
De rechtbank begrijpt dat verweerder zich hier beroept op het feit dat deze laatste twee beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende feiten inmiddels formele rechtskracht hebben verkregen, zodat deze feiten in de onderhavige procedure eveneens als vaststaand dienen te worden aangenomen.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het bestreden besluit aan eiser de punitieve sanctie van een boete heeft opgelegd, welke sanctie kan worden aangemerkt als een criminal charge in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Gelet op het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6, eerste lid, van het EVRM en de daaraan in de jurisprudentie ontleende rechten voor de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende feiten en omstandigheden in de onderhavige procedure opnieuw door de rechtbank dienen te worden beoordeeld en vastgesteld.
Voorts vloeit uit het punitieve karakter van de opgelegde sanctie voort dat op verweerder de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat eiser zijn inlichtingenplicht ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw heeft geschonden door tweemaal niet op een heronderzoeksgesprek te verschijnen.
Aangezien eiser heeft ontkend dat hij de twee oproepen voor het heronderzoeksgesprek heeft ontvangen en verweerder in deze procedure niet heeft aangetoond dat deze oproepen daadwerkelijk aan eiser zijn verzonden en door hem zijn ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in zijn bewijs is geslaagd. Derhalve kan het feit dat eiser de oproepen niet heeft ontvangen niet aan hem worden tegengeworpen.
Hieruit vloeit voort dat eiser evenmin kan worden verweten dat hij niet op de heronderzoeksgesprekken is verschenen. Dit betekent dat in het geval van eiser geen sprake is van een schending van de inlichtingenplicht ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw, zodat verweerder op grond van artikel 14a van de Abw niet kon overgaan tot het opleggen van een administratieve boete aan eiser. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard.
De rechtbank zal, gelet op het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zelf in de zaak voorzien. Aangezien eiser - zoals hierboven is overwogen - de oproepen voor de heronderzoeksgesprekken niet heeft ontvangen en dit gebrek bij de heroverweging van het bestreden besluit niet meer kan worden gerepareerd, zal tevens de primaire beschikking van 9 februari 2000 worden ingetrokken.
Op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, dient het door eiser gestorte griffierecht van É60,- te worden vergoed. De rechtbank ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb, aangezien niet is gebleken van proceskosten aan de zijde van eiser die voor vergoeding in aanmerking komen.
De rechtbank beslist als volgt.




4. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
trekt in het besluit van verweerder van 9 februari 2000;
bepaalt dat de gemeente Diemen het gestorte griffierecht van É60,- (zegge: zestig gulden) aan eiser vergoedt.

Gewezen door mr. H.C. Naves, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.E.R. Osinga als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 september 2000.

De griffier,            De rechter,




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de
Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA8961
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: 99/3825 ABW
Datum uitspraak: 19 januari 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14, 42, 47, 65 en 106 Abw (= 18, 31, 32, 17 en 55 Wwb)
Trefwoorden: inkomsten; uitgesteld inkomen; koopsompolis met lijfrenteclausule; ontslag; afkopen; afkoopsom; schending inlichtingenverplichting; terugvordering; afzien van maatregel
Essentie: Terechte terugvordering van bijstand, omdat de vanwege ontslag overeengekomen koopsompolis met lijfrenteclausule - vergelijkbaar met een in contanten uitbetaalde schadeloosstelling wegens ontslag - uitgesteld inkomen vertegenwoordigd dat kan worden afgekocht. Schending van de inlichtingenverplichting heeft i.c. niet tot een maatregel geleid.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage 99/3825 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake:

[eiseres], geboren [...] 1943, wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen 

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijnsburg, verweerder.




1.   Aanduiding bestreden besluit


Het besluit van verweerder van 23 maart 1999, kenmerk 91870288/sszw.




2.   Zitting


Datum: 23 december 1999.
Eiseres is niet verschenen.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van Hest, ambtenaar bij de gemeente Rijnsburg.




3.   Feiten


Eiseres is op 1 januari 1974 in dienst getreden als gezinshelpster bij bejaarden, thans genoemd thuishulp A, bij (thans) de Stichting Z, gevestigd te Y (hierna: de Stichting). Laatstelijk was eiseres werkzaam gedurende 18 uur per week.

Aan eiseres is met ingang van 4 juni 1982 een aanvullende uitkering krachtens de toenmalige op de (oude) Algemene Bijstandswet (ABW) gebaseerde Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) toegekend.

In verband met de inwerkingtreding per 1 januari 1996 van de (nieuwe) Algemene bijstandswet (Abw) heeft op 23 januari 1996 een herbeoordeling van het recht van eiseres op bijstand plaatsgevonden. Blijkens de naar aanleiding hiervan door een medewerker van de afdeling Sociale Zaken (afdeling SZ) opgestelde rapportage heeft eiseres in dat kader aangegeven dat zij binnenkort stopt met werken omdat zij bepaalde taken volgens de Stichting niet meer naar behoren uitvoert.

In de rapportage is vermeld dat eiseres de afdeling SZ op de hoogte zal houden en dat moet worden gelet op de inkomstenverklaringen. Tevens is een "heronderzoek inschrijving GAB" gepland in april 1996 en een regulier heronderzoek in januari 1997.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 26 maart 1996 de Rww-uitkering van eiseres beŽindigd en haar per 1 maart 1996 een uitkering op grond van de Abw toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

Op 4 februari 1997 heeft een heronderzoek naar het recht van eiseres op bijstand plaatsgevonden. In de naar aanleiding hiervan opgestelde rapportage d.d. 5 februari 1997 is geconstateerd dat de in vorengenoemde rapportage d.d. 23 januari 1996 geplande heronderzoeken kennelijk niet zijn ingesteld. Uit het heronderzoek is naar voren gekomen dat het dienstverband van eiseres met de werkgever inmiddels is verbroken. Eiseres heeft daarbij gezegd dat er een procedure tegen de Stichting loopt. Zij heeft een groot pak met allerlei stukken met betrekking tot haar ontslag laten zien. Geconcludeerd is dat er een onderzoek zal moeten komen naar het ontslag en de gevolgen daarvan, waartoe ook opdracht is gegeven.

In een rapportage van 4 november 1997 is geconstateerd dat het in vorengenoemde rapportage d.d. 5 februari 1997 opgedragen onderzoek naar het ontslag van eiseres door een misverstand niet is uitgevoerd en dat dat alsnog moet gebeuren. Hiertoe is eiseres bij brief d.d. 26 november 1997 uitgenodigd voor een gesprek op 2 december 1997 met een bijstandsmaatschappelijk werker. Dit heeft ertoe geleid dat eiseres stukken met betrekking tot de beŽindiging van het dienstverband aan de afdeling SZ heeft overgelegd en dat door de afdeling SZ aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de werkgever en een financieel adviesbureau. Onder deze stukken bevindt zich een brief van de Stichting d.d. 16 februari 1996, waarbij deze met gebruikmaking van de daartoe door de directeur van het Arbeidsbureau Y verleende toestemming vorengenoemde arbeidsverhouding met eiseres met ingang van 6 juli 1996 heeft beŽindigd. Uit bedoelde stukken blijkt dat de Stichting in dat verband met eiseres is overeengekomen dat:
- ten gunste van haar bij Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij NV (hierna: NN) een koopsompolis met lijfrenteclausule ter waarde van É25.000,- zal worden afgesloten, welke ingaande 1 maart 2008 bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar tot uitkering komt;
- een koopsompolis ad É8917,04 ter afdekking van pensioenverlies zal worden afgesloten; en
- een bedrag van É5000,- netto aan haar zal worden overgemaakt.

Bij besluit d.d. 13 oktober 1998 heeft verweerder, voor zover hier van belang, aan eiseres meegedeeld dat:
- de koopsompolis ad É8917,04 buiten beschouwing zal worden gelaten, aangezien dit is gericht op het bieden van compensatie van gederfd aanvullend pensioen na het bereiken van de 65-jarige leeftijd;
- het contant betaalbaar gestelde bedrag ad É5000,- wordt aangemerkt als een immateriŽle schadevergoeding als bedoeld in artikel 52, eerste lid, onderdeel e, van de Abw en derhalve eveneens buiten beschouwing zal worden gelaten;
- de koopsompolis ter waarde van É25.000,- wordt aangemerkt als een middel in de zin van artikel 42 van de Abw en, nu zij inkomenskarakteristieken in zich draagt, gezien artikel 47 van de Abw, bij de beoordeling van het recht op bijstand volledig in ogenschouw dient te worden genomen.

Op grond hiervan heeft verweerder bij genoemd besluit aan de verdere verlening van bijstand de voorwaarde verbonden dat eiseres binnen ťťn maand na dagtekening van deze beschikking tot afkoop van de koopsompolis ad É25.000,- overgaat en de daaruit ontvangen gelden, na aftrek van de over de afkoop verschuldigde belastinggelden, aan verweerder ter beschikking stelt ter verrekening van de aan eiseres verstrekte bijstand.
Voorts heeft verweerder in genoemd besluit geconstateerd dat eiseres in het verleden de op grond van de ABW, c.q. Abw, op haar rustende inlichtingenverplichting niet correct is nagekomen en overwogen dat verweerder aanleiding heeft gezien, gegeven de individuele omstandigheden, geen maatregel op grond van artikel 14 van de Abw toe te passen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief d.d. 24 november 1998 bezwaar gemaakt bij verweerder. Omtrent dit bezwaar is eiseres gehoord door de Onafhankelijke Adviescommissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften (de commissie) op 4 januari 1998. Deze commissie heeft op 11 januari 1998 aan verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit d.d. 13 oktober 1998 te handhaven. De commissie heeft in haar advies overwogen dat de vraag bestaat of het van behoorlijk bestuur getuigt om, gegeven de omstandigheden van het geval, 2,5 jaar na dato bij de beoordeling van het verdere recht van eiseres op bijstandverlening alsnog consequenties te verbinden aan de financiŽle aanspraken die in 1996 door de voormalig werkgever aan eiseres zijn verleend. Gelet op hetgeen ter hoorzitting naar voren is gekomen, acht de commissie het niet onaannemelijk dat ten tijde van het ontslag van eiseres door de gemeente is nagelaten op basis van de toen bekende gegevens over het ontslag alsnog een zelfstandig onderzoek uit te voeren. Indien de gemeente dit onderzoek reeds in juli 1996 had gepleegd, had naar het oordeel van de commissie voorkomen kunnen worden dat 2,5 jaar later alsnog de koopsompolis ten bedrage van É25.000,- van eiseres wordt teruggevorderd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
In dat besluit heeft verweerder naar aanleiding van de hiervoor weergegeven overwegingen van de commissie zich op het standpunt gesteld dat er geen redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat hem onbehoorlijk bestuur kan worden verweten. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat de zakelijke weergave van het verhandelde ter hoorzitting geen getrouw en volledig beeld geeft van die hoorzitting en dat verweerder van mening blijft dat eiseres niet tijdig de benodigde informatie heeft verstrekt.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres bij brief d.d. 3 mei 1999 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.




4. Bewijsmiddelen


De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.




5. Motivering


Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het primaire besluit d.d. 13 oktober 1998, waarbij verweerder aan (voortzetting) van de aan eiseres op grond van de Abw verleende bijstand de voorwaarde heeft verbonden dat zij binnen ťťn maand na dagtekening van dat besluit tot afkoop van de koopsompolis ad É25.000.- overgaat en de daaruit ontvangen gelden, na aftrek van de over de afkoop verschuldigde belastinggelden, aan verweerder ter beschikking stelt ter verrekening van de aan haar verstrekte bijstand. Naar verweerders gemachtigde ter zitting heeft bevestigd, heeft verweerder hierbij toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 106 van de Abw. Ingevolge die bepaling, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders aan de bijstand verplichtingen verbinden die strekken tot vermindering of beŽindiging van de bijstand.

Dit geding is toegespitst op de vraag of verweerder vorengenoemde voorwaarde terecht onder toepassing van voormeld artikel 106 aan de (voortzetting van de) bijstand aan eiseres heeft verbonden. Anders dan eiseres gezien het beroepschrift blijkbaar veronderstelt, is geen sprake van een besluit waarbij de bijstandsuitkering van eiseres met toepassing van artikel 69, derde lid, van de Abw is herzien op de grond dat zij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van die wet op haar rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen. Hetgeen eiseres in dat verband in beroep naar voren heeft gebracht, vat de rechtbank aldus op dat zij zich op het standpunt stelt dat zij in verband met de omzetting van haar Rww-uitkering in een uitkering op grond van de Abw alle met de beŽindiging van haar dienstbetrekking verband houdende bescheiden aan de afdeling SZ heeft overgelegd en dat verweerder derhalve handelt in strijd met de rechtszekerheid door 2,5 jaar later vorengenoemde voorwaarde alsnog aan de haar toegekende bijstand te verbinden.

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde is verweerder van mening dat de in geding zijnde voorwaarde strekt tot vermindering van de aan eiseres toegekende bijstand, zodat, gelet op artikel 106 van de Abw, de bevoegdheid aanwezig was om deze voorwaarde aan het verlenen van bijstand aan eiseres te verbinden. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat de door de Stichting ten behoeve van eiseres afgesloten koopsompolis met lijfrenteclausule ter waarde van É25.000,- uitgesteld inkomen als bedoeld in artikel 47, tweede lid, van de Abw vertegenwoordigt, dat op grond van die bepaling in aanmerking moet worden genomen naar de periode waarin dit is verworven. Verweerder meent dat sprake is van een vergoeding door de Stichting aan eiseres wegens door haar tengevolge van de beŽindiging van de dienstbetrekking gederfd loon. Verweerder meent steun voor dit standpunt te kunnen ontlenen aan de voorwaarden waaronder de koopsom blijkens de polis is afgesloten en aan een brief van de Belastingdienst d.d. 14 maart 1996. Verweerder acht het niet onredelijk van eiseres te vergen dat zij tot afkoop van de polis overgaat.
Indien de tot afkoop strekkende verplichting niet zou worden opgelegd, zou eiseres zich na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, in een periode waarin zij niet langer is aangewezen op bijstand, middelen verwerven die gerelateerd zijn aan een ten tijde van de bijstandverlening verbroken dienstbetrekking en zich aldus in de toekomst verrijken ten koste van de gemeenschap.
Ook overigens heeft verweerder geen redenen gezien op grond waarvan zou moeten worden afgezien van het verbinden van de in geding zijnde voorwaarde aan het verlenen van bijstand aan eiseres.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de onderhavige koopsom ad É25.000,- met lijfrenteclausule uitgesteld arbeidsinkomen, verband houdend met de beŽindigde dienstbetrekking bij de Stichting, vertegenwoordigt, welk inkomen op grond van artikel 47, tweede lid, van de Abw in aanmerking moet worden genomen.
Terecht heeft verweerder daartoe betekenis toegekend aan de brief van de Belastingdienst aan de Stichting d.d. 14 maart 1996 en de voorwaarden waaronder de koopsompolis met lijfrenteclausule is afgesloten. Uit genoemde brief blijkt immers dat de Belastingdienst daarbij de op grond van die polis te zijner tijd aan eiseres toe te kennen periodieke uitkeringen op verzoek van de Stichting heeft aangemerkt als een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1994, onder de voorwaarde dat op de polis wordt aangetekend dat de uitkeringen worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking, niet zijnde pensioen of soortgelijke beloning. Een dergelijke voorwaarde is blijkens de gedingstukken feitelijk ook in de polisvoorwaarden opgenomen. De rechtbank merkt in dit verband verder nog op dat in de polisvoorwaarden tevens uitdrukkelijk is vermeld dat de verzekering verband houdt met een door verzekerde binnen het Rijk uitgeoefende dienstbetrekking. Op grond van deze feiten kan aan de waarde van de polis het karakter van inkomen in verband met arbeid, zijnde de dienstbetrekking van eiseres met de Stichting, naar het oordeel van de rechtbank niet worden ontzegd. Vaststaat dat de koopsompolis kan worden afgekocht: blijkens een brief van NN aan eiseres d.d. 5 juni 1998 bedraagt de afkoopwaarde per 1 april 1998 É28.842,-. Nu het afkoopbedrag feitelijk eerst na daadwerkelijke afkoop en in dit opzicht derhalve achteraf, dat wil zeggen na de beŽindiging van de dienstbetrekking met de Stichting, aan eiseres wordt uitbetaald, moet het als zodanig in verband met die dienstbetrekking tot uitkering komend inkomen als uitgesteld in de zin van artikel 47, tweede lid, van de Abw worden beschouwd.

Mede gelet op de hoogte van de afkoopwaarde van de polis, betekent dit derhalve dat bij verrekening van dit inkomen met de aan eiseres toegekende bijstand over de daarvoor op grond van evengenoemde bepaling in aanmerking te nemen periode eiseres geen recht kan doen gelden op bijstand, althans de bijstand dient te worden verminderd.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de in geding zijnde voorwaarde strekt tot vermindering of beŽindiging van de bijstand. Verweerder was derhalve op grond van artikel 106 van de Abw bevoegd de in geding zijnde voorwaarde te verbinden aan de voortzetting van de bijstand aan eiseres.

De rechtbank stelt voorts vast dat evengenoemde bevoegdheid, gelet op het bepaalde in artikel 106, voormeld, van discretionaire aard is. De wijze waarop verweerder van deze bevoegdheid gebruik maakt, dient derhalve door de rechtbank terughoudend te worden getoetst.

In hetgeen namens eiseres is aangevoerd en overigens uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen, ziet de rechtbank onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verbinden van de in geding zijnde voorwaarde aan het verlenen van bijstand aan eiseres.

Uit de hiervoor in rubriek 3 van deze uitspraak weergegeven rapportages blijkt dat de afdeling SZ herhaaldelijk heeft verzuimd uitvoering te geven aan geplande heronderzoeken. Deze nalatigheid kan kwalijk anders dan als onzorgvuldig worden gekwalificeerd. Indien de afdeling SZ de geplande heronderzoeken wel zou hebben ingesteld, zou het bestaan van de onderhavige koopsompolis wellicht eerder dan thans het geval is geweest aan het licht zijn gekomen en eiseres eerder met de gevolgen daarvan voor de voortzetting van de aan haar toegekende bijstand zijn geconfronteerd.

Eťn en ander brengt naar het oordeel van de rechtbank echter niet met zich dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel door bij het bestreden besluit alsnog aan de bijstandverlening de in geding zijnde voorwaarde te verbinden. Hiertoe overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat de Abw blijkens het bepaalde in artikel 47, tweede lid, verweerder in beginsel verplicht tot het in aanmerking nemen van uitgesteld inkomen als bedoeld in dat artikel. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van zo uitzonderlijke omstandigheden dat op deze verplichting in het kader van de toepassing van artikel 106 van de Abw inbreuk zou moeten worden gemaakt. In dit verband merkt de rechtbank op dat haar met betrekking tot de onderhavige koopsompolis de vergelijking opdringt met een door de werkgever aan een ex-werknemer in contanten uitbetaalde schadeloosstelling wegens ontbinding van een arbeidsovereenkomst. Een dergelijke vergoeding moet als regel worden geacht te zijn bestemd voor de bestaansvoorziening na ontbinding van de arbeidsverhouding en als zodanig bij de beoordeling van het recht op bijstand worden betrokken. Niet valt in te zien waarom bij een constructie als de onderhavige betrokkene zou moeten worden bevoordeeld ten koste van een uitkering uit de algemene middelen in de vorm van een ongekorte bijstandsuitkering. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres in het kader van het heronderzoek d.d. 23 januari 1996 weliswaar aan de afdeling SZ heeft gemeld dat zij binnenkort zou stoppen met werken, maar dat zij nadien verweerder niet uit eigen beweging tijdig op de hoogte heeft gehouden van de ontwikkelingen ter zake, c.q. de in dat verband met de Stichting gemaakte afspraken. Zij was op grond van artikel 65, eerste lid, van de Abw wel gehouden dit te doen. Vorengenoemde onzorgvuldigheid van verweerder ontslaat eiseres niet van de in dit artikel neergelegde inlichtingenplicht. Overigens heeft zij blijkens de rapportage d.d. 23 januari 1996 ook toegezegd dat zij de afdeling SZ op de hoogte zou houden met betrekking tot de beŽindiging van haar dienstbetrekking bij de Stichting.

Anders dan eiseres heeft gesteld, is de rechtbank uit de gedingstukken niet gebleken dat eiseres overeenkomstig de op haar rustende inlichtingenplicht verweerder onverwijld op de hoogte heeft gesteld van de voor de vaststelling van haar recht op bijstand van belang zijnde gegevens met betrekking tot de in het kader van de beŽindiging van haar dienstbetrekking gemaakte financiŽle afspraken.

De rechtbank ziet in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, waar eiseres, noch haar gemachtigde zijn verschenen, onvoldoende grond voor het oordeel dat eiseres in verband met haar beperkte geestelijke vermogens in het geheel niet begreep dat ťťn en ander van belang zou zijn in het kader van de aan haar toegekende bijstand, althans dat zij buiten staat was te onderkennen dat zij er goed aan zou doen in verband met de gang van zaken rond de beŽindiging van haar dienstverband zich met het oog op de beoordeling van het recht op bijstand ter behartiging van haar belangen te laten bijstaan door een derde. Hierbij is van belang dat zij zowel in het kader van de beŽindiging van de dienstbetrekking als de bijstandverlening de hulp van ene mevrouw X heeft ingeroepen.
Overigens is hiermee niet gezegd dat, indien zou zijn komen vast te staan dat eiseres niet kan worden aangerekend dat zij bedoelde inlichtingen niet uit eigen beweging en tijdig heeft verschaft, dit zonder meer tot het oordeel zou hebben geleid dat verweerder niet in redelijkheid tot het verbinden van de in geding zijnde voorwaarde zou hebben kunnen besluiten, dan wel dat dit in strijd met de rechtszekerheid zou moeten worden geacht.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan ťťn van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.




6. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.




7. Rechtsmiddel


Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 Awb
kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.




Aldus gegeven door mr. S.C. Stuldreher en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.




Voor eensluidend afschrift:
de griffier van de
Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden: 21 januari 2000.

 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x