Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / WAO
x
LJN:
x
AA8962
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zwolle
Zaaknummer: AWB 98/5574 ABW
Datum uitspraak: 18 oktober 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 39, 40, 43 en 47 Abw / (= 35, 35, 31 en 32 Wwb) / 22 WAO
Trefwoorden: bijzondere bijstand; verhoging ex artikel 13 AAW/artikel 22 WAO; middelen; inkomsten; inkomensbestanddeel; draagkracht
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor reis-, stageld-, verzekerings- en dieetkosten en meerkosten kledingslijtage, bewassing en deelname maatschappelijk verkeer, omdat over voldoende middelen wordt beschikt vanwege een ontvangen verhoging ex artikel 13 AAW/22 WAO voor kosten van oppassing en verzorging wegens hulpbehoevendheid. Die verhoging dient, ofschoon mogelijk sprake is van een omissie van de wetgever, tot de middelen te worden gerekend en leidt tot draagkracht voor zover daarmee de bijstandsnorm te boven wordt gegaan.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zwolle AWB 98/5574 ABW




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[eiser A], eiser, en [eiseres B], eiseres, beiden wonende te [woonplaats C], tezamen te noemen: eisers,
  
en
  
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder.





1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 16 september 1998.




2. Ontstaan en loop van de procedure


Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag d.d. 2 december 1997 om voortzetting ook over het jaar 1998 van bijzondere bijstand inzake extra vergoeding deelname maatschappelijk verkeer, stageld en verzekering voor de caravan, dieetkosten, kledingslijtagekosten en extra bewassingskosten heeft verweerder bij besluit van 18 maart 1998 afwijzend beslist omdat eisers genoeg middelen hebben om de gevraagde kosten zelf te dragen.

Namens eisers is op 28 april 1998 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden zijn ingezonden bij schrijven van 19 mei 1998. Eiseres en de toenmalige gemachtigde van eisers hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid de bezwaren nader toe te lichten tijdens een op 2 juli 1998 gehouden hoorzitting.

Bij besluit van 16 september 1998 heeft verweerder dit bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft besloten dat eiser vanaf 3 juli 1998 - de datum sedert welke hij een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) geniet - in aanmerking komt voor de gevraagde bijzondere bijstand. Uit verweerders brief van 10 april 2000 blijkt dat in de toekenning ook de reiskosten van en naar de caravan zijn begrepen. Deze kosten zijn vastgesteld op ƒ0,19 per kilometer.
Voor wat betreft de periode van 1 januari 1998 tot 3 juli 1998 neemt verweerder 50% van het inkomen dat eiser heeft boven de bijstandsnorm - zijnde de verhoging van eisers uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) op grond van artikel 13 van die wet - in aanmerking voor de vaststelling van de draagkracht en de berekening van de bijzondere bijstand.

Op 19 oktober 1998 hebben eisers tegen dit besluit beroep ingesteld. Op 22 oktober 1998 hebben eisers het beroepschrift aangevuld.

Verweerder heeft op 9 november 1998 een verweerschrift ingezonden.

Op 10 april 2000 heeft verweerder (desverzocht) nadere inlichtingen verstrekt en een aantal (ontbrekende) stukken ingezonden.

Vervolgens is het beroep op 11 oktober 2000 ter zitting behandeld.
Eiseres is verschenen.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door P. Versneij.




3. Motivering


In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.

De rechtbank gaat bij de beantwoording van deze vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser had tot 3 juli 1998 een uitkering ingevolge de AAW, welke uitkering met toepassing van artikel 13 van die wet sedert 10 december 1985 100% bedroeg. Dientengevolge was eisers inkomen hoger dan de bijstandsnorm.
Desondanks heeft verweerder over de periode tot en met het jaar 1997 aan eiser bijzondere bijstand verleend zonder rekening te houden met het feit dat eisers uitkering boven de bijstandsnorm uitkwam.
Verweerder meent achteraf dat dit ten onrechte is geschied en bij het bestreden besluit beoogt verweerder deze fout voor (de eerste helft van) het jaar 1998 te herstellen.
Omdat jarenlang - naar verweerders oordeel abusievelijk - door verweerder geen rekening is gehouden met bedoelde inkomenscomponent, heeft verweerder uit overwegingen van redelijkheid besloten niet het volledige bedrag dat boven de bijstandsnorm uitkomt, doch slechts 50% van dat bedrag mee in aanmerking te nemen voor de vaststelling van de draagkracht.



3.1. Wettelijk en/of juridisch kader

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) heeft de alleenstaande of het gezin, onverminderd hoofdstuk II, recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Ingevolge het eerste lid van artikel 40 van de Abw nemen burgemeester en wethouders voor de vaststelling van de draagkracht geheel of gedeeltelijk in beschouwing:
a. het in aanmerking te nemen vermogen;
b. het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3.

Ingevolge artikel 42 van de Abw worden tot de middelen alle vermogens- en inkomstenbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de Abw worden tot de middelen van de belanghebbende mede de middelen gerekend die ten behoeve van zijn levensonderhoud door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen.
Het tweede lid van artikel 43 geeft een opsomming van middelen die niet behoren tot de middelen van de belanghebbende.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de Abw wordt onder inkomen verstaan de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen voor zover deze (onder andere) inkomsten uit socialezekerheidsuitkeringen betreffen.



3.2. Standpunt eisers

Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte (50% van) de op grond van artikel 13 van de AAW verstrekte uitkering bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking heeft genomen.
Deze (verhoogde) uitkering is immers specifiek bestemd voor de extra kosten van de thuiszorg.
Eisers hebben zich beroepen op het antwoord van Staatssecretaris Tommel op op 2 mei 1997 ingezonden vragen van de kamerleden Rabbae en Oedayraj Singh Varma met betrekking tot de toeslag ex artikel 13 van de AAW en ex artikel 22 van de WAO (Kamerstukken II 1996-1997, Aanhangsel, nr. 1516). In het bijzonder is door eisers gewezen op de zinsnede in het antwoord: "Vergoedingen en tegemoetkomingen in kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren worden in de Abw niet tot de middelen van de belanghebbenden gerekend. De toeslag van artikel 13 AAW en artikel 22 WAO kan als een zodanige vergoeding worden beschouwd en zal dus bij de bepaling van de draagkracht in beginsel niet als inkomen worden meegeteld".



3.3. Standpunt verweerder

Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 43, eerste lid, van de Abw en artikel 47 van de Abw bij de vaststelling en berekening van de draagkracht eisers inkomen boven de bijstandsnorm in aanmerking moet worden genomen.
Naar verweerders oordeel leidt de visie dat bij de bepaling van de draagkracht in beginsel de vergoeding op grond van artikel 13 AAW niet als inkomen dient te worden meegeteld uitzondering in het geval een beroep op bijzondere bijstand wordt gedaan voor dezelfde soort kosten als waarvoor de verhoogde AAW- of WAO-uitkering wordt verstrekt. Daarvan is in het geval van eiser sprake. Verweerder is van oordeel dat in een dergelijk geval slechts bijstand kan worden verstrekt indien de betrokkene met zijn verhoogde WAO/AAW-inkomen niettegenstaande de verhoging niet in staat is het totaal aan bijzondere kosten te bestrijden.
Omdat verweerder eerder geen rekening heeft gehouden met eisers inkomen uit de bedoelde verhoogde uitkering, heeft verweerder het redelijk geacht om dit inkomensdeel slechts voor 50% in aanmerking te nemen.



3.4. Beoordeling van het beroep

Het geschil betreft de vraag of verweerder terecht van oordeel is dat over de periode van 1 januari 1998 tot 3 juli 1998 eisers inkomen op grond van de toepassing van artikel 13 van de AAW in aanmerking dient te worden genomen bij de vaststelling van de draagkracht, waarbij verweerder niet het gehele bedrag, doch slechts 50% daarvan in aanmerking wil nemen in verband met het feit dat verweerder eerder in het geheel geen rekening heeft gehouden met dit inkomen. Er is niet in geschil dat het inkomen van eisers onder de in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de Abw bedoelde grens ligt indien met de ex artikel 13 van de AAW verhoogde uitkering geen rekening wordt gehouden bij de vaststelling van de draagkracht.

De rechtbank stelt vast dat de onderhavige materie voorheen onder de vigeur van de (oude) Algemene Bijstandswet (ABW) was geregeld in artikel 12 van het zogenaamde Bijstandsbesluit landelijke normering (Koninklijk besluit van 3 juli 1994, Stb. 1974, 418, verder: het Bln), waarin onder b met zoveel woorden werd bepaald dat uitkeringen en vergoedingen voor of tegemoetkomingen in specifieke kosten niet op de uitkering in mindering worden gebracht.
Bij de inwerkingtreding van de (nieuwe) Algemene bijstandswet (Abw) per 1 januari 1996 is (ook) het Bln vervallen en zijn de betreffende regelingen in de wet zelf ondergebracht.
In het hiervoor genoemde artikel 43, tweede lid Abw, dat regelt welke middelen niet tot de middelen van de belanghebbende worden geregeld, is een bepaling als in artikel 12, onderdeel b, Bln niet expliciet opgenomen.
Niet geheel duidelijk is of de wetgever hierbij een bewuste keuze heeft gemaakt dan wel dat sprake is van een omissie.

Waar eiser zich in feite beroept op de bedoeling van de wetgever - zij het dat Staatssecretaris Tommel zijn door eiser geciteerde uitspraak niet deed in het kader van de totstandkoming van de Abw, doch in het kader van een bespreking van artikel 13 AAW/22 WAO - heeft de rechtbank ter zake van de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 43, tweede lid, het volgende geconstateerd.

Uit de memorie van toelichting bij de Abw (Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nrs, 1-2) wordt met betrekking tot de uitgangspunten van de nieuwe wet onder meer gewezen op het beginsel van complementariteit en het behoeftebeginsel. Uitgangspunt is dat de bijstand aanvult als de eigen middelen en andere voorzieningen niet toereikend zijn om in het noodzakelijke te voorzien. De bijstand dient te worden afgestemd op de feitelijke behoefte aan het noodzakelijke zoals in het individuele geval blijkt te bestaan. In verband daarmee is bijvoorbeeld ook geregeld dat geen bijstand wordt verleend indien daadwerkelijk een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening. Door het geheel van relevante omstandigheden in ogenschouw te nemen, kan worden vastgesteld of recht op bijstand bestaat.
In de toelichting op artikel 43 (in het ontwerp artikel 45) wordt opgemerkt: "Vergoedingen of tegemoetkomingen die worden ontvangen met het specifieke doel om te voorzien in kosten die niet kunnen worden geacht tot de algemene noodzakelijke bestaanskosten te behoren, worden evenmin tot de middelen gerekend. Hiertoe wordt ook gerekend de vermindering of teruggave van loon- of inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen op grond van dergelijke buitengewone uitgaven. Deze tegemoetkoming tot de middelen rekenen, zou immers betekenen dat de belanghebbende de mogelijkheid wordt ontnomen dergelijke kosten te bestrijden, terwijl anderen die niet bijstandsafhankelijk zijn, maar overigens in dezelfde inkomenssituatie verkeren, daardoor wel de mogelijkheid hebben dergelijke uitgaven te doen. Als in het kader van de bijstandverlening met deze kosten rekening is gehouden, hetzij door deze in mindering te brengen op het inkomen, hetzij door daarvoor specifiek bijstand te verlenen, dient zo'n teruggave uiteraard wel in aanmerking te worden genomen".
In de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 2 november 1994 in het kader van de Invoeringswet herinrichting ABW verstuurd aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1994-1995, 22 545 en 22 614, nr. 44) wordt gesteld: "Artikel 45 [zie artikel 43, red.], tweede lid, bepaalt overigens dat een vergoeding van verwervingskosten die een bijstandsontvanger ontvangt niet als inkomen in aanmerking wordt genomen evenals dat het geval is met vergoedingen voor of tegemoetkomingen in andere bijzondere bestaanskosten. Waar de betrokkene reeds een vergoeding voor bijzondere bestaanskosten ontvangt, dient deze bij de inkomstenverrekening uiteraard buiten beschouwing te blijven, zodat de gemeente niet genoodzaakt is daarvoor alsnog bijzondere bijstand te verlenen. De in het wetsvoorstel opgenomen regeling ten aanzien van de verwervingskosten past derhalve geheel in de systematiek die in de nieuwe wet is gekozen - en sinds de decentralisatie van de bijzondere bijstand en van de vrijlatingsbepalingen reeds praktijk is - ten aanzien van kosten die de bijstandsontvanger niet kan worden geacht uit zijn uitkering te kunnen voldoen: een eventueel ontvangen vergoeding blijft buiten beschouwing, terwijl bijzondere bijstand wordt verleend als de kosten voor rekening van de betrokkene zelf komen".

Met betrekking tot het door eiser aangehaalde antwoord van Staatssecretaris Tommel, in 1997 gemaakt in het kader van artikel 13 AAW, waarop eiser zich beroept, merkt de rechtbank op dat na de door eiser aangehaalde zinsnede uit het antwoord van de staatssecretaris - "De toeslag van artikel 13 AAW en 22 WAO (...) zal bij de bepaling van de draagkracht in beginsel niet als inkomen worden meegeteld" - de volgende zinsnede luidt: "Echter, indien beroep op de bijzondere bijstand wordt gedaan voor dezelfde soort kosten als waarvoor de verhoogde AAW- of WAO-uitkering wordt verstrekt, zal de gemeente zowel met het feitelijke inkomen als met de feitelijke kosten rekening kunnen houden".
Deze benadering stemt overeen met hetgeen in de memorie van antwoord ter zake van onderdeel a van het tweede lid van artikel 43 - middelen die de belanghebbende ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de bijstand begrepen persoon - wordt gesteld: "Immers, gelet op de sluitstukfunctie van de bijstand, vindt het kabinet het noodzakelijk om de bijstand af te stemmen op het totaal van omstandigheden en mogelijkheden - de middelen inbegrepen - die zich in gezinsverband voordoen. Daarbij ligt het niet in de rede om bepaalde inkomensbestanddelen buiten beschouwing te laten".

Uit deze weergave blijkt dat uitgangspunt voor de verstrekking van (bijzondere) bijstand is dat de eigen middelen en andere voorzieningen niet toereikend zijn.
In de memorie van toelichting wordt gezegd dat vergoedingen of tegemoetkomingen die worden ontvangen met het specifieke doel om te voorzien in kosten die niet geacht kunnen worden tot de algemene noodzakelijke bestaanskosten te behoren, niet tot de middelen worden gerekend. Met zoveel woorden wordt vervolgens het in artikel 43, tweede lid, onderdeel d, neergelegde voorbeeld van dergelijke middelen genoemd, te weten de vermindering of teruggave van loon- of inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen op grond van dergelijke buitengewone uitgaven.
In de brief van de minister van 2 november 1994 wordt echter opgemerkt dat, waar de betrokkene reeds een vergoeding ontvangt voor bijzondere bestaanskosten, deze bij de inkomstenverrekening uiteraard buiten beschouwing moet blijven, zodat de gemeente niet genoodzaakt is daarvoor alsnog bijzondere bijstand te verlenen.
Ook de staatssecretaris stelt in zijn aangehaalde uitspraak dat indien bijzondere bijstand wordt gevraagd voor kosten waarvoor de verhoogde AAW/WAO-uitkering wordt verstrekt, de gemeente daarmee wel rekening zal houden.

Hieruit blijkt dat het de wetgever enerzijds voor ogen lijkt te hebben gestaan om, net als dat onder het Bln het geval was, in beginsel niet tot de middelen te rekenen vergoedingen en tegemoetkomingen voor specifieke kosten die niet tot de algemene noodzakelijke kosten behoren, doch dat het anderzijds niet de bedoeling is om de gemeente bijzondere bijstand te doen verstrekken voor kosten waarvoor uit anderen hoofde reeds een vergoeding wordt verkregen.
In dit verband merkt de rechtbank overigens op dat verweerder ten onrechte in het verweerschrift stelt dat in het geval van eiser sprake is van een situatie waarop de staatssecretaris doelt, te weten een situatie waarin de bijzondere bijstand gevraagd wordt voor dezelfde soort kosten als waarvoor de verhoging op grond van artikel 13 AAW is bedoeld. De verhoging van de uitkering op grond van artikel 13 AAW is immers, zoals uit de tekst van het artikel reeds blijkt, bestemd voor de extra kosten die veroorzaakt worden door het feit dat geregelde oppassing en verzorging nodig is als gevolg van hulpbehoevendheid. De door eiser gevraagde bijzondere bijstand heeft, zoals uit verweerders eigen opsomming blijkt, niet betrekking op dergelijke kosten.

Wat daar ook van zij, de rechtbank stelt vast dat het uitgangspunt van de wetgever is geweest om alle middelen in aanmerking te nemen bij de vraag of er grond bestaat voor toekenning van bijstand. De wetgever heeft in het tweede lid van artikel 43 expliciet een aantal uitzonderingen genoemd. Een dergelijke opsomming dient in beginsel als limitatief te worden beschouwd. De verhoging van artikel 13 AAW is onder deze opsomming noch elders in de wet als uitzondering te vinden.
Mogelijk is hier sprake van een omissie van de wetgever, doch voor zover dat het geval mocht zijn, ziet de rechtbank niet de vrijheid om deze omissie op basis van de mogelijke bedoeling van de wetgever op te heffen in de zin als door eiser gewenst. Dit is immers een taak van de wetgever zelf.

Uit het bovenstaande vloeit voort dat verweerder terecht van oordeel is bij de vaststelling van de draagkracht van eiser over 1998 de hem ingevolge artikel 13 van de AAW toegekende verhoging in aanmerking dient te worden genomen. Nu verweerder uit een oogpunt van zorgvuldigheid zich heeft beperkt tot het "meenemen" van slechts 50% van die verhoging, heeft verweerder eiser zeker niet tekort gedaan.

De rechtbank acht geen termen aanwezig één der partijen te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.




4. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mw. mr. M.I. Lammertsma-van der Heij en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2000 in tegenwoordigheid van mw. I. Suter als griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA9382
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 99/1242 ABW
Datum uitspraak: 14 september 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 69 en 81 Abw (= 54 en 58 Wwb) / 6:18 en 6:19 Awb
Trefwoorden: inkomsten; zwartwerk; schending inlichtingenverplichting; terugvordering; boete; drugshandel; ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel; evenredigheidsbeginsel
Essentie: Terechte volledige terugvordering van (verzwegen) inkomsten uit drugshandel, omdat de strafrechter reeds rekening heeft gehouden met de terugvordering van bijstand bij de vaststelling van het bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, zodat betrokkene niet dubbel wordt getroffen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zutphen 99/1242 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluiten


Besluiten van verweerder van 24 november 1999 en 9 februari 2000.




2. Feiten



Bij besluit van 18 juni 1999 heeft verweerder het recht op bijstand van eiser over de periode van 1 september 1998 tot 1 december 1998 herzien en de verstrekte bijstand over die periode teruggevorderd tot een bedrag van ƒ5228,60 (bruto). Tevens heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van ƒ800,-. Verweerder heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat uit onderzoek van de sociale recherche is gebleken dat eiser in genoemde periode inkomsten heeft genoten uit handel in verdovende middelen zonder daarvan melding te maken aan de gemeente.

Tegen dit besluit is namens eiser bezwaar gemaakt bij brief van 24 juni 1999.

Bij besluit van 24 november 1999 heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het bedrag van de terugvordering verlaagd naar ƒ4502,22 (bruto) en het bedrag van de boete verlaagd naar ƒ675,-.




3. Procesverloop


Namens eiser heeft mr. J.M. Stam, advocaat te Apeldoorn, beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Bij brief van 9 februari 2000 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat het bedrag van de terugvordering is gewijzigd in ƒ3542,79 (bruto) en het bedrag van de boete is gewijzigd in ƒ550,-. Verweerder heeft een afschrift van deze brief verzonden aan eisers gemachtigde.

Het beroep is behandeld ter zitting van 16 mei 2000, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J. van Bussel.




4. Motivering


De rechtbank merkt allereerst op dat zij verweerders mededeling van 9 februari 2000 aanmerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het beroep op grond van artikel 6:19 van de Awb mede tegen dit besluit gericht is te achten. Met dit besluit is verweerder tegemoet gekomen aan één van de in het beroepschrift aangevoerd grieven, zoals ter zitting namens eiser is bevestigd.

Tussen partijen staat vast dat eiser in de geding zijnde periode inkomsten ten bedrage van ƒ2758,06 (netto) heeft genoten uit handel in verdovende middelen zonder daarvan melding te maken aan verweerder. Eiser heeft aldus de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden met als gevolg dat hem over die periode te veel bijstand is verleend.

Dit brengt met zich dat verweerder op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw) gehouden is tot herziening van de bijstandverlening aan eiser over bedoelde periode. Voorts is verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 81, eerste lid, van de Abw, in beginsel gehouden tot terugvordering van de ten onrechte genoten bijstand.

Ingevolge artikel 78, derde lid, van de Abw kan geheel of gedeeltelijk van terugvordering worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Onder verwijzing naar deze bepaling heeft eiser gesteld dat verweerder bij de bepaling van het bedrag van de terugvordering rekening had moeten houden met het vonnis van de strafrechter van 31 maart 1999 (parketnummer 06/080126-98), waarbij aan eiser de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel in verdovende middelen in (onder meer) de hier in geding zijnde periode. Eiser is van mening dat hij dubbel wordt getroffen, nu zijn inkomen uit de drugshandel aanleiding heeft gegeven tot zowel een terugvordering van bijstand als een strafrechtelijke ontnemingsmaatregel.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de door eiser bedoelde omstandigheid niet een dringende reden op welke noopt tot een geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand. De rechtbank wijst erop dat de strafrechter met een terugvordering van bijstand hetzij reeds bij de vaststelling van het bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, hetzij nadien met toepassing van artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering rekening kan houden.

Opmerking verdient dat het hier gegeven oordeel aansluit bij het door de
Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 15 oktober 1999, USZ 1999/333, gegeven oordeel, inhoudende - kort samengevat - dat herziening en terugvordering van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met verzwegen inkomsten ter zake waarvan tevens een strafrechtelijke ontnemingsmaatregel is opgelegd, niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep tegen het besluit van 24 november 1999 gegrond is te achten voor zover het betreft de daarbij vastgestelde bedragen van de terugvordering en de boete. Voor het overige dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Er is aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiser.
Ter zake van verleende rechtsbijstand wordt 1 punt toegekend voor de indiening van het beroepschrift, met een wegingsfactor 1.




5. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep tegen het besluit van 24 november 1999 gegrond voor zover het betreft de vaststelling van de bedragen van de terugvordering en de boete;
vernietigt dit besluit in zoverre;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
gelast verweerders gemeente aan eiser het betaalde griffierecht van ƒ60,- te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van ƒ710,- ter zake van verleende rechtsbijstand, welk bedrag door verweerders gemeente dient te worden betaald.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Wet Rea
x
LJN:
x
AA9387
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Almelo
Zaaknummer: 00/125 NABW Z1 A
Datum uitspraak: 11 september 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 113 Abw (= 9 Wwb)
Trefwoorden: maatregel; sanctie; arbeidsverplichtingen; Melkert-I-baan; gesubsidieerde baan; meewerken aan inschakeling in de arbeid; noodzakelijke scholing of opleiding; passende arbeid; arbeidsgehandicapte
Essentie: Terechte oplegging maatregel, omdat niet (voldoende) is voldaan aan de verplichting om na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid (i.c. een Melkert-I-baan) belemmerd en de verplichting om mee te werken aan een noodzakelijke scholing of opleiding. Een ongemotiveerde houding van een sollicitant ten opzichte van een niet-passende functie (betrokkene blijkt arbeidsgehandicapt te zijn) is in het algemeen geen reden een maatregel op te leggen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Almelo 00/125 NABW Z1 A




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. E.G. Blankestijn,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haaksbergen, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 13 januari 2000.




2. De feiten en het verloop van de procedure


Eiser en zijn partner [partner] ontvangen een bijstandsuitkering berekend naar de norm voor een echtpaar. Bij brief van 8 oktober 1998 is eiser opgeroepen voor een sollicitatiegesprek voor een zogeheten Melkert-I-baan bij de sector [sector], afdeling [afdeling], van de gemeente Haaksbergen. Genoemd sollicitatiegesprek heeft plaatsgevonden, maar eiser is vervolgens als een ongeschikte kandidaat aangemerkt omdat hij slecht gemotiveerd zou zijn.

Op 18 februari 1999 heeft een heronderzoeksgesprek tussen eiser en verweerder plaatsgevonden. Eiser is vervolgens op 22 februari 1999 door verweerder aangemeld bij het Centrum voor Beroepenoriëntatie en Beroepsoefening (CBB) te Enschede voor een cursus "[cursus]". Eiser is echter door het CBB niet opgenomen voor deelname aan genoemde cursus.

Bij besluit van 11 mei 1999 heeft verweerder aan eiser met ingang van 1 mei 1999 een maatregel opgelegd inhoudende de weigering van de bijstandsuitkering voor 100% gedurende één maand. Dit omdat eiser nalatig zou zijn geweest door het niet aanvaarden van passende arbeid en het niet meewerken aan een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in arbeid.

Bij besluit van 1 juni 1999 heeft verweerder het besluit van 1 mei 1999 gedeeltelijk herzien door in plaats van een maatregel inhoudende de weigering van de uitkering voor 100% gedurende één maand een weigering van 25% van de uitkering gedurende vier maanden op te leggen.

Op 21 juni 1999 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 11 mei 1999 en 1 juni 1999. Ter zake van dit bezwaar is hij op 10 september 1999 door verweerder gehoord.

In het kader van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) heeft eiser op 25 juli 1999 een medisch onderzoek ondergaan. Dit onderzoek is verricht door verzekeringsarts M.L.S. Spronsen. Eiser is vervolgens aangemerkt als arbeidsgehandicapt in de zin van de Wet Rea.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de besluiten van 11 mei 1999 en 1 juni 1999 gegrond verklaard en de opgelegde maatregel inhoudende de weigering van de uitkering voor 25% gedurende vier maanden ingetrokken, maar daarbij besloten om aan eiser een maatregel op te leggen inhoudende de weigering van de uitkering voor 20% gedurende één maand. Daarbij heeft verweerder overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat de aangeboden Melkert-I-baan geen passende arbeid voor eiser is, zodat geen sprake kan zijn van een weigering van passende arbeid door eiser. Wel is verweerder van mening dat eiser zich door zijn opstelling tijdens het sollicitatiegesprek niet heeft gehouden aan de verplichting om na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert. Verweerder is bovendien van mening dat eiser door zich op het standpunt te stellen alleen een vrijblijvende cursus te willen doen en geen beroepstraining, niet heeft gehouden aan de verplichting om mee te werken aan een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor inschakeling in de arbeid.

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Namens hem is daarom op 17 februari 2000 een beroepschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 15 augustus 2000, alwaar eiser is verschenen vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door W.M. Vrieze en G. Hoogeveen, ambtenaren in dienst van de gemeente Haaksbergen.




3. Overwegingen


In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 13 januari 2000 waarbij eisers bezwaar tegen de besluiten van 11 mei en 1 juni 1999 gegrond is verklaard en de opgelegde maatregel is vervangen door een maatregel inhoudende de weigering van de bijstandsuitkering voor 20% gedurende één maand, in rechte in stand kan blijven. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Artikel 113, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) bepaalt dat de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking onder meer verplicht is om passende arbeid te aanvaarden, om na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert en om mee te werken aan een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in de arbeid dan wel aan andere aangewezen activiteiten die de zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 113 Abw wordt onder passende arbeid verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.

Ingevolge artikel 3 van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, hierna het noemen het Maatregelenbesluit Abw, worden het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een noodzakelijk geachte scholing of opleiding en het niet voldoen aan de verplichting om na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert, aangemerkt als gedragingen van de derde categorie. Artikel 5 van het Maatregelenbesluit Abw bepaalt dat bij een gedraging van de derde categorie 20% van de uitkering gedurende één maand wordt geweigerd.

Eiser bestrijdt dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting om na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert alsmede dat hij in onvoldoende mate zou hebben meegewerkt aan een noodzakelijk geachte scholing of opleiding.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiser de verplichting om mee te werken aan scholing noodzakelijk voor de inschakeling in de arbeid heeft overtreden. Dit blijkt uit de rapportage van het CBB Enschede van 29 maart 1999 en uit het verslag van de hoorzitting van 10 september 1999. Eiser zou een noodzakelijk geachte en passende cursus volgen, maar toen hem bleek dat er sprake was van een beroepstraining in plaats van een vrijblijvende cursus, zag eiser deze cursus naar eigen zeggen niet meer zitten.

Deze gedraging van eiser valt onder de derde categorie van artikel 3 van het Maatregelenbesluit Abw en leidt in samenhang met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van dat besluit tot een weigering van 20% van de bijstand gedurende één maand.

De rechtbank is niet gebleken dat de verwijtbaarheid aanleiding zou moeten geven tot het opleggen van een andere maatregel en evenmin is de rechtbank gebleken van dringende redenen die zouden nopen af te zien van een maatregel.

Het bestreden besluit is tevens gebaseerd op de ongemotiveerde houding van eiser tijdens een sollicitatiegesprek voor een Melkertbaan. Achteraf bleek dat deze baan vanwege medische beperkingen niet passend was. De rechtbank merkt daarover op dat een ongemotiveerde houding van een sollicitant ten opzichte van een niet-passende functie in het algemeen geen reden is een maatregel op te leggen. De vraag of eiser zich zodanig negatief heeft opgesteld dat die opstelling desondanks kan leiden tot een gedeeltelijke weigering van de bijstand laat de rechtbank in het midden nu het bestreden besluit inhoudende een weigering van de bijstand van 20% gedurende één maand ook gedragen wordt doordat eiser zelf heeft besloten af te zien van bovenvermelde beroepstraining.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten.

Beslist wordt derhalve als volgt:




4. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank Almelo,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2000 door mr. J.G.J. Roelvink, in tegenwoordigheid van mr. S.M.M. Bordenga als griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de
Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA9416
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 00/133 NABW V13
Datum uitspraak: 5 januari 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 107 en 113 Abw / (= 9 en 9 Wwb)
Trefwoorden: arbeidsverplichtingen; ontheffing; vrijstelling; redenen van sociale aard; zorgtaak; kinderen; pleegzorg
Essentie: Terechte oplegging arbeidsverplichtingen voor 20 uur per week, omdat de partner reeds volledig is ontheven van de arbeidsverplichtingen en de negen pleegkinderen, voor wier zorgbehoefte eiser gedeeltelijk ontheffing is verleend, overdags op school zitten. Het onbetaald blijven van deze vorm van pleegzorg dient niet op de Abw te worden afgewenteld.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 00/133 NABW V13




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

mr. [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerders.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 17 december 1999, kenmerk HIE241046M01/6/JZ/DZ/SZ99.88243, het bezwaar van eiser tegen hun besluit van 16 februari 1999 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 26 januari 2000 op nader in het beroepschrift aangegeven gronden beroep ingesteld.

Verweerders hebben op 25 februari 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 28 november 2000.
Eiser is aldaar in persoon verschenen.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door J. Bolks en R.J. van der Veen.




2. Rechtsoverwegingen



Feiten

Bij besluit van 16 februari 1999 is aan eiser en zijn partner met ingang van 8 februari 1999 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor gehuwden.
Daarbij is de partner van eiser vrijgesteld van de verplichtingen, genoemd in artikel 113, eerste lid, onderdeel a tot en met f, Abw, omdat zij gedurende ten minste twaalf jaar niet georiënteerd is geweest op de arbeidsmarkt en voorts ouder is dan 40 jaar. In verband met de zorg voor - in elk geval - negen minderjarige pleegkinderen die eiser en zijn partner op zich hebben genomen, zijn evenbedoelde verplichtingen aan eiser slechts voor 20 uur per week opgelegd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 22 maart 1999 bezwaar aangetekend.

Bij het thans bestreden besluit hebben verweerders dit bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft - samengevat - aangevoerd dat verweerders hem om redenen van sociale aard - de zorg voor de pleegkinderen - geheel van de arbeidsverplichtingen hadden moeten vrijstellen. Verweerders hebben naar eisers mening onvoldoende rekening gehouden met zijn belang dat, zo heeft hij betoogd, mede een maatschappelijk belang is.

Verweerders zijn daarentegen - samengevat - van mening dat zij door eiser gedeeltelijk van de arbeidsverplichtingen vrij te stellen en een arbeidsverplichting van 20 uur per week op te leggen voldoende rekening met de bijzondere omstandigheden van eiser hebben gehouden.



Wettelijk kader

Op grond van artikel 7, eerste lid, Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

In artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, Abw is ten aanzien van degene die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking een aantal verplichtingen opgenomen ter verkrijging van arbeid in dienstbetrekking.

Op grond van artikel 107, eerste lid, Abw kunnen burgemeester en wethouders besluiten dergelijke verplichtingen niet op te leggen, dan wel daarvan tijdelijk ontheffing te verlenen, in gevallen waarin daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat om redenen van medische of sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de aard en het doel van de bijstand.



Beoordeling van het geschil

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerders eiser om redenen van sociale aard, als bedoeld in artikel 107, eerste lid, Abw, volledig van de arbeidsplicht hadden moeten ontheffen.

De rechtbank stelt voorop dat het hier een discretionaire bevoegdheid van verweerders betreft. Het gebruik dat van deze bevoegdheid is gemaakt, dient de rechtbank daarom terughoudend te toetsen.

Blijkens het beleidsinstructieboek van de gemeente Groningen "Marge is Regel" wordt in ieder geval een volledige ontheffing verleend aan belanghebbenden ouder dan 57,5 jaar [57,5 jaar of ouder, red.] en aan belanghebbenden ouder dan 40 jaar [40 jaar of ouder, red.] die als partner van een kostwinner twaalf jaar of langer enkel de zorg voor de huishouding op zich hebben genomen. Daarnaast geldt op grond van artikel 107, tweede lid, Abw geen arbeidsplicht voor alleenstaande ouders met de volledige zorg voor kinderen jonger dan vijf jaar.
Voor degene die niet aan één van deze eisen voldoet, geldt in beginsel een volledige beschikbaarstelling voor de arbeidsmarkt.

Nu eiser niet aan de in het beleid genoemde criteria voldoet, geldt voor hem derhalve krachtens de regelgeving en het daarop gebaseerde beleid in beginsel de volledige arbeidsverplichting.
Verweerders hebben eiser evenwel in verband met de zorg voor de pleegkinderen met toepassing van artikel 107, eerste lid, Abw gedeeltelijk ontheven van de krachtens de wet geldende arbeidsverplichtingen.

Het staat vast dat de partner van eiser op grond van het onderhavige beleid reeds volledig van de arbeidsplicht is vrijgesteld, zodat mag worden aangenomen dat zij - in ieder geval voor een belangrijk deel - de zorg van de pleegkinderen op zich kan nemen. Verder heeft eiser ter zitting desgevraagd bevestigd dat de kinderen overdag naar school gaan. De kinderen met een handicap of leermoeilijkheden worden met een busje opgehaald en weer thuis gebracht.

Onder deze omstandigheden en mede gelet op één van de aan de Abw ten grondslag liggende uitgangspunten dat een ieder zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in de kosten van het bestaan, oordeelt de rechtbank het niet onredelijk dat verweerders eiser niet geheel, doch gedeeltelijk van de op grond van de wet geldende arbeidsverplichtingen hebben ontheven.
Daarbij tekent de rechtbank aan dat het door eiser gesignaleerde maatschappelijke probleem van het tekort aan pleeggezinnen en - daarmee samenhangend - het onbetaald blijven van deze vorm van pleegzorg naar haar oordeel niet op de Abw dient te worden afgewenteld.

Gelet op het vorenoverwogene hebben verweerders na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid het bestreden besluit kunnen nemen.

Het beroep van eiser moet daarom ongegrond worden verklaard.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G. Laman, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op 5 januari 2001, in tegenwoordigheid van A. Wiardi als griffier.

De griffier, wnd.,            De rechter,




Afschrift verzonden op: 5 januari 2001.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA9549
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zwolle
Zaaknummer: AWB 00/2229 NABW
Datum uitspraak: 13 december 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 67, 74 en 80 Abw (= 43, 52 en 58 Wwb)
Trefwoorden: voorschotten; terugvordering; mondelinge intrekking bijstandsaanvraag; schriftelijke intrekking
Essentie: Onterechte terugvordering van voorschotten wegens mondelinge intrekking van de bijstandsaanvraag, omdat een aanvraag alleen schriftelijk kan worden ingetrokken. Het uitblijven van een reactie van betrokkene op de schriftelijke bevestiging van het telefoongesprek waarbij de aanvraag is ingetrokken, doet daar niet aan af.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zwolle AWB 00/2229 NABW




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser
  
en
  
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder d.d. 28 januari 2000, nummer 97170530, waarbij het besluit van 6 december 1999 (verzonden 10 december 1999 (nr. 97170530/19033784), is gehandhaafd.




2. Ontstaan en loop van de procedure


Bij besluit van 6 december 1999 heeft verweerder een bedrag van ƒ2450,- aan verstrekte voorschotten ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) van eiser teruggevorderd.

Tegen dit besluit is op 17 december 1999 een bezwaarschrift ingediend.

Het bezwaarschrift is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Op 22 februari 2000 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 17 april 2000 een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is op 6 december 2000 ter zitting behandeld.
Eiser is verschenen.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door M.W. Meyer, juridisch medewerker van de gemeente Almere.




3. Motivering


In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd. De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de vraag of verweerder terecht is overgegaan tot terugvordering van aan eiser naar aanleiding van zijn aanvraag d.d. 8 juni 1999 verstrekte voorschotten Abw-uitkering ten bedrage van ƒ2450,-.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van deze laatste vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft bij verweerder op 8 juni 1999 een aanvraag om bijstand ingediend. Het advies van de behandelend consulent om eiser per 8 juni 1999 bijstand toe te kennen, is op 7 september 1999 door de beslissingsambtenaar geretourneerd in verband met vragen omtrent het recht op bijstand. Vervolgens heeft de behandelend consulent eiser bij brief gedateerd 12 oktober 1999 verzocht telefonisch contact op te nemen voor het maken van een afspraak. Eiser heeft dat gedaan op 17 oktober 1999. Uit hetgeen eiser meedeelde, heeft de behandelend ambtenaar opgemaakt dat eiser zijn aanvraag wenst in te trekken. Zulks is vervolgens bevestigd in een brief aan eiser d.d. 16 november 1999.



3.1. Standpunt eiser

Eiser stelt dat hij recht heeft op een Abw-uitkering gedurende de maanden juni en juli 1999. Met het vinden van een fulltimebaan per 1 augustus 1999 eindigt uiteraard dat recht en hij heeft daarvan volgens de regels melding gemaakt aan verweerder. Eiser verzoekt verweerder op te dragen de kosten van inschrijving bij het ziekenfonds voor zijn rekening te nemen.



3.2. Standpunt verweerder

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn aanvraag om Abw-uitkering d.d. 8 juni 1999 heeft ingetrokken. Dit is eiser bij brief van 16 november 1999 bevestigd. Hierop heeft eiser niet gereageerd.
Verweerder stelt dat beoordeling van het recht op bijstand niet in de aanhangige terugvorderingsprocedure past nu eiser zijn aanvraag heeft ingetrokken en het, alleen al door het tijdsverloop, niet of nauwelijks meer is te controleren of betrokkene voldoet aan het recht op uitkering.



3.3. Beoordeling van het beroep

In geschil is de vraag of verweerder terecht zijn besluit heeft gehandhaafd om van eiser de aan hem verstrekte voorschotten aan bijstand ad ƒ2450,- terug te vorderen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 80 van de Abw vorderen burgemeester en wethouders een ingevolge artikel 74 verleend voorschot terug van de belanghebbende voor zover zij na onderzoek vaststellen dat over de betrokken periode geen recht op bijstand bestaat.

Verweerder heeft de vaststelling dat eiser over de maanden juni en juli 1999 geen recht op bijstand heeft, gebaseerd op de intrekking van de aanvraag.

In beginsel terecht, want aangezien ingevolge artikel 67 van de Abw het recht op bijstand alleen wordt vastgesteld op aanvraag kan zonder aanvraag geen recht worden vastgesteld. In die situatie is de vaststelling juist dat er geen recht op bijstand is.

Echter in dit geval bestrijdt eiser dat hij zijn aanvraag heeft ingetrokken. Derhalve ligt de vraag ter beantwoording voor of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser zijn aanvraag heeft ingetrokken.

Artikel 67 van de Abw bepaalt dat het recht op bijstand wordt vastgesteld op schriftelijk aanvraag. Alleen een aanvraag die aan die voorwaarde voldoet, behoeft in behandeling te worden genomen en kan leiden tot vaststelling van het recht op bijstand.

Omgekeerd geldt dat een schriftelijk ingediende aanvraag alleen als ingetrokken kan worden beschouwd en om die reden buiten verdere behandeling kan worden gelaten indien die intrekking eveneens schriftelijk is geschied.

Een andere opvatting kan leiden tot situaties dat mondeling gedane mededelingen door de ontvanger ervan worden begrepen als een intrekking terwijl die mededeling niet zo bedoeld is, waarbij de aanvrager, geconfronteerd met de vaststelling dat zijn aanvraag als ingetrokken wordt beschouwd, in bewijsproblemen geraakt.

Dat kan niet worden ondervangen door, zoals verweerder heeft gedaan, de aanvrager een schriftelijk bevestiging te sturen van een als intrekking opgevatte telefonische mededeling en uit het feit dat er geen reactie volgt af te leiden dat de aanvraag inderdaad als ingetrokken kan worden beschouwd. Door deze handelwijze wordt degene die een aanvraag heeft ingediend die voldoet aan de wettelijke vereisten en waarvan niet bedoeld is die in te trekken immers gedwongen tot extra, niet in de wet voorziene stappen, wil hij die aanvraag behandeld zien.

Wel toelaatbaar zou zijn dat naar aanleiding van een telefonische mededeling die is begrepen als een intrekking van een aanvraag, aan de betrokkene een intrekkingsverklaring ter ondertekening wordt toegezonden, waarbij, bij het uitblijven van reactie, de conclusie moet zijn dat de aanvraag niet als ingetrokken kan worden beschouwd. Deze handelwijze is door verweerder echter niet gevolgd.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eisers aanvraag is ingetrokken en derhalve eveneens ten onrechte heeft vastgesteld dat eiser over de maanden juni en juli 1999 geen recht op bijstand heeft. Er is dan ook geen grond om met toepassing van artikel 80 van de Abw de over de genoemde periode verstrekte voorschotten van eiser terug te vorderen.

Het beroep treft mitsdien doel en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met genoemde wetsbepaling.

Verweerder zal opnieuw op het bezwaarschrift hebben te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

Ter voorlichting van eiser zij opgemerkt dat met deze uitspraak niet is vastgesteld dat hij recht heeft op bijstand over de maanden juni en juli 1999, maar slechts dat terugvordering van de voorschotten niet kan worden gebaseerd op intrekking van zijn aanvraag.

Op het verzoek van eiser te bepalen dat verweerder de kosten van de inschrijving bij het ziekenfonds zal betalen, zal de rechtbank niet ingaan nu het geschil niet daarover handelt.

De rechtbank ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.




4. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat de gemeente Almere aan eiser het griffierecht ad ƒ60,- vergoedt.

Gewezen door mr. H.C. Moorman en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2000 in tegenwoordigheid van mw. G. Ballast als griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x